CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

RO-BP-620.102.10 Bijlagenboek toelichting gecomprimeerd deel 3.pdf

Gemeenteraad GHG 30 juni 2022, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 11: Vaststellen bestemmingsplan Zwaluwpad27.807 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bijlage 7: Verkennend bodemonderzoek, Verhoeven Milieutechniek B.V., 26 mei 2020

RAPPORT: Diverse (water)bodemonderzoeken Zwaluwpad ong. te Hardinxveld‐Giessendam

PROJECTNUMMER: B20.7782 Versie: 01

VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V. Van Voordenpark 16 5301 KP Zaltbommel TEL: 0418-572060 www.verhoevenmilieu.nl info@verhoevenmilieu.nl

RAPPORT: Diverse (water)bodemonderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam

PROJECTNUMMER: B20.7782 Versie: 01

OPDRACHTGEVER: Blokland Bouwpartners

DATUM: 26 mei 2020

Auteur:

Autorisatie:

M. Schimmel MSc. Projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.

ing. H.M.W. van der Donk Senior projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.

B20.7782/R7782-01/MS

De informatie in deze rapportage mag niet worden verveelvoudigd, gekopieerd, gepubliceerd, opgeslagen, aangepast of gebruikt in welke vorm dan ook, online of offline, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.

2

SAMENVATTING Blokland Bouwpartners heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek, een verkennend onderzoek naar asbest en een verkennend waterbodemonderzoek voor de onderzoekslocatie gelegen aan het Zwaluwpad ong. (percelen K, nummers 1390, 1566, 1567, 1650 ged. en 1749.) te Hardinxveld-Giessendam. De onderzoeken worden uitgevoerd in verband met de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de normen NEN 5725, de NEN 5717:2017, de NEN 5740/A1:2016, de NEN 5720:2017 en conform de NEN 5707:2015/C2:2017 en/of NEN 5897. De onderzoeken hebben tot doel de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem (inclusief asbest), om te bepalen of en in welke mate belemmeringen bestaan tegen de voorgenomen herontwikkeling. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek.

Conclusies historische gegevens Uit de reeds beschikbare gegevens komen de volgende aandachtspunten naar voren:  Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen recente gegevens van de algemene bodemkwaliteit en/of bodembedreigende activiteiten (zoals tanks) bekend;  Van de onderzoekslocatie en directe omgeving zijn wel verouderde onderzoeksgegevens bekend. Hieruit is gebleken dat in het aanwezige puinpad indicatief sterk verhoogde gehalten voor PAK werden aangetoond. Daarnaast zijn in de omgeving diverse verontreinigde ophogingen en/of (sloot)dempingen aangetroffen, welke (deels) zijn gesaneerd.  Uit de (historische) kaarten blijkt dat op de locatie diverse sloten en een puindam aanwezig zijn (geweest). Daarnaast blijkt dat de locatie een agrarische functie heeft (gehad) en er zijn naar verwachting boomgaarden aanwezig (geweest). Tevens zijn voormalige schuren en een puinpad/weg aanwezig (geweest).  Tijdens het locatiebezoek is asbestverdacht materiaal (fractie >20 mm) op het maaiveld aangetroffen;  Het zuidelijke deel van de onderzoekslocatie is tegen een dijk gelegen en kan niet worden uitgesloten dat puinbijmengingen aanwezig zijn in de bodem;  Het noordwestelijke deel van de onderzoekslocatie is voorbelast (gesaneerd in het verleden) en hier is een asbestonderzoek niet noodzakelijk.

In verband met de voorgenomen herontwikkeling dient op basis van bovengenoemde gegevens een verkennend (water)bodemonderzoek, inclusief onderzoek naar PFAS, uitgevoerd te worden conform de NEN5740 en de NEN 5720, om de bodemkwaliteit vast te leggen. Daarbij vormen de voormalige boomgaard en voormalige watergangen extra aandachtspunten. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de nog aanwezige watergang, waarvoor een verkennend waterbodemonderzoek conform de NEN5720 uitgevoerd dient te worden. Tevens dient (met uitzondering van het noordwestelijke/gesaneerde deel) een onderzoek naar asbest te worden uitgevoerd conform de NEN 5707 en/of de NEN 5897.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782 versie: 01 datum: 26 mei 2020

3 Conclusies en aanbevelingen Verkennend bodemonderzoek Algemene kwaliteit Voor de algemene kwaliteit van de onderzoekslocatie werd de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten dient de gestelde hypothese aangenomen te worden. In de (boven)grond zijn (na uitsplitsing) licht tot sterk verhoogde gehalten aangetoond, waarbij plaatselijk (B112 t/m B114) de gehalten voor lood, zink en/of PAK de norm voor nader onderzoek (> index 0,5), dan wel de interventiewaarden overschrijden. De verhoogde gehalten voor zware metalen en PAK in de grond zijn vermoedelijk te relateren aan de aangetroffen bijmengingen met bodemvreemd materiaal in de ophooglaag. Naar verwachting is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging (> 25 m3 sterk verontreinigde grond). Nader onderzoek zal dit uit moeten wijzen. In het grondwater zijn daarnaast licht tot sterk verhoogde gehalten voor zware metalen aangetroffen, waarbij het gehalte voor nikkel in het grondwater uit peulbuis PB108 de interventiewaarde overschrijdt. De verhoogde gehalten voor zware metalen in het grondwater zijn niet te relateren aan de grondverontreiniging en zijn naar verwachting van nature verhoogd.

Teeltlaag In de oorspronkelijke teeltlaag zijn maximaal verhoogde gehalten voor diverse OCB-parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. De gehalten blijven beneden de index van 0,5, waardoor nader onderzoek naar OCB niet noodzakelijk is. De voormalige boomgaard heeft niet geleid tot ernstige verontreinigingen met OCB in de teeltlaag. PFAS In de onderzochte zandige bovengrond zijn voor PFAS geen gehalten voor PFAS aangetoond boven de toepassingsnorm voor de functieklasse “landbouw/natuur” (achtergrondwaarde), uit het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS houdende grond. In de onderzochte kleiige bovengrond zijn gehalten voor PFOA aangetoond (13 μg/kg d.s.) die de toepassingsnorm voor de functieklasse “wonen” en “industrie” overschrijdt. Tevens overschrijdt het gehalte voor PFOS de toepassingsnorm voor functieklasse “landbouw/natuur” (achtergrondwaarde), uit het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS houdende grond. De gehalten voor PFOA (maximaal 13 μg/kg d.s.) blijven ruim onder de INEV- waarde van 1.110 μg/kg d.s en vormen geen onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu. Dit houdt in dat de grond binnen de herontwikkelingslocatie vrij kan worden toegepast.

De betreffende bodemlaag is echter niet geschikt voor toepassing buiten de herontwikkelingslocatie en kan momenteel nog niet worden afgevoerd naar een erkende verwerker.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782 versie: 01 datum: 26 mei 2020

4 Verkennend onderzoek naar asbest Tijdens het verkennend onderzoek naar asbest is zowel op het maaiveld als in de opgeboorde en opgegraven grond zintuiglijk (fractie > 20 mm) asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. Het betreft hechtgebonden chrysotiel asbest. Het asbestverdachte materiaal is volgens de opdrachtgever inmiddels verwijderd (zie foto’s bijlage 10). In de onderzochte asbesthoudende proefgaten B111, B112, B119, B129 en B130 heeft het aangetroffen asbesthoudend materiaal geleid tot een ernstige verontreiniging met asbest in de bodem. Het hoogst berekende totaal gewogen gehalte van circa 1.000 mg/kg d.s. overschrijdt ruimschoots de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. en is enkel gebaseerd op het plaatmateriaal dat is bemonsterd (tot 700 gram). Aangezien niet al het materiaal is bemonsterd, ligt het werkelijke totaal gewogen gehalte vele malen hoger. Ter plaatse van het puinpad is in de volledige puinlaag eveneens asbest aangetroffen. De berekende totaal gewogen gehalten blijven echter onder de norm voor nader onderzoek. De overige onderzochte proefgaten waar zintuiglijk geen asbest is aangetroffen, zijn niet ernstig verontreinigd met asbest. Geconcludeerd kan worden dat het asbesthoudende materiaal, afkomstig van de voormalige bebouwing, heeft geleid tot een geval van ernstige verontreiniging met asbest in de bodem.

De omvang van de verontreiniging is nog niet vastgesteld. Hiervoor dient nader onderzoek plaats te vinden. Waterbodemonderzoek Op basis van de resultaten van het waterbodemonderzoek blijkt de bestaande watergang watervoerend en slibhoudend. In de watergang is, binnen de locatie, circa 125 m3 slib aanwezig. Het slib geclassificeerd als klasse industrie voor toepassing op landbodem (T1) en als verspreidbaar op aangrenzend perceel (T5). Voor toepassing in zoet oppervlaktewater is het slib niet toepasbaar in verband met de verhoogde gehalten voor PFAS. Algehele conclusie en aanbevelingen Middels de voorliggende onderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem op de onderzoekslocatie gelegen aan het Zwaluwpad ong. (percelen K, nummers 1390, 1566, 1567, 1650 ged. en 1749.) te Hardinxveld-Giessendam vooralsnog in onvoldoende mate vastgelegd. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan vooralsnog bezwaren tegen de voorgenomen herontwikkeling in verband met de aangetroffen verhoogde gehalten voor metalen, PAK en asbest in de grond. Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 bodemvolume voor grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde.

Op basis van onderhavige onderzoeksresultaten kan, voor wat betreft de verhoogde gehalten voor metalen en PAK in de grond op het (zuid)oostelijk deel van de locatie, niet uitgesloten worden dat sprake is van een sterke grondverontreiniging met gehalten boven de interventiewaarde. De ernst en omvang van de eventuele verontreiniging is nog niet in beeld. Derhalve dient een nader onderzoek conform de NTA 5755:2010 te worden uitgevoerd om de omvang, ernst en spoedeisendheid te bepalen van de grondverontreiniging te bepalen.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782 versie: 01 datum: 26 mei 2020

5 Daarnaast zijn in diverse proefgaten, op een groot deel van het terrein waar diverse opstallen aanwezig zijn geweest (recent gesloopt), asbesthoudende grondlagen aangetroffen waarbij de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. ruimschoots wordt overschreden. Om de exacte omvang van de ernstige asbestverontreiniging vast te stellen, dient een nader asbestonderzoek conform de NEN 5707 te worden uitgevoerd middels proefsleuven. Aangezien voor asbest geen omvangscriterium bestaat en de interventiewaarde reeds wordt overschreden is reeds sprake van een geval van ernstige verontreiniging met asbest in de bodem. Voor wat betreft de verontreiniging met zware metalen in het grondwater uit peilbuis PB108 wordt een nader onderzoek middels aanvullende peilbuizen ons inziens niet zinvol geacht. De grondwaterverontreiniging leidt in principe niet tot een saneringsnoodzaak. Wel wordt geadviseerd het grondwater uit de geplaatste peilbuis PB108 te herbemonsteren voor analyse op zware metalen. Wat betreft het overige deel van de onderzoekslocatie is de algemene bodemkwaliteit wel in voldoende mate vastgelegd. Op basis van de aangetroffen gehalten voor de PFAS parameters is de kleigrond niet geschikt voor hergebruik. Op het moment kan deze grond door erkende verwerkers nog niet worden geaccepteerd.

De gehalten voor PFOA (maximaal 13 μg/kg d.s.) blijven echter ruim onder de INEV- waarde van 1.100 μg/kg d.s. waardoor geen sprake is van onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu. Geadviseerd wordt om het noodzakelijke nader bodemonderzoek en nader onderzoek naar asbest gecombineerd uit te voeren, waarbij tevens de grond binnen de te verwachten verontreinigingen aanvullend onderzocht dient te worden op PFAS ten behoeve van de sanering. Tevens wordt geadviseerd direct de bestaande peilbuis PB108 te herbemonsteren voor analyse op zware metalen. Daarnaast wordt voorgesteld opnieuw een maaiveldinspectie uit te voeren om na te gaan of al het asbest inderdaad van maaiveld is verwijderd. Aanvullend dient rekening te worden gehouden met aanwezigheid van een puinpad. De volledige puinlaag is niet ernstig verontreinigd met asbest, maar bij voorgaand onderzoek is wel gebleken dat de volledige puinlaag indicatief sterk verontreinigd is met PAK. Bij eventuele afvoer van deze puinlaag dient rekening gehouden te worden dat deze laag niet hergebruikt kan worden. Geadviseerd wordt om dit mee te nemen in een eventueel saneringsplan na het noodzakelijke nader onderzoek.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij ontgraven, afvoeren en toepassen elders, van de niet ernstig verontreinigde grond, de regels van de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing zijn en mogelijk aanvullende keuringen worden verlangd.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782 versie: 01 datum: 26 mei 2020

6 INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING................................................................................................................................................ 2 1.

INLEIDING .................................................................................................................................................. 7

2.

DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN .................................................................................. 7

3.

LOCATIEGEGEVENS ............................................................................................................................... 7 3.1. ALGEMENE GEGEVENS................................................................................................................................ 7 3.2. HISTORISCH ONDERZOEK (NEN 5717 EN 5725) ........................................................................................ 7

4.

BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ........................................................................................ 10 4.1. BODEMOPBOUW ........................................................................................................................................ 10 4.2. GEOHYDROLOGIE ..................................................................................................................................... 10

5.

HYPOTHESE ............................................................................................................................................. 10

6.

OPZET VAN HET ONDERZOEK .......................................................................................................... 11 6.1. ONDERZOEKSSTRATEGIE DIVERSE ONDERZOEKEN ................................................................................. 11 6.2. VELDWERKZAAMHEDEN ........................................................................................................................... 12

7.

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE ........................................................................ 14 7.1. GROND/GRONDWATER .............................................................................................................................. 14 7.2. ASBEST ...................................................................................................................................................... 15 7.3. WATERBODEM .......................................................................................................................................... 16

8.

RESULTATEN ........................................................................................................................................... 19 8.1. ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN ............................................................................................................... 19 8.2. LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN ANALYSERESULTATEN .............................................................. 20 8.3. INTERPRETATIE ANALYSERESULTATEN ................................................................................................... 26

9.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ................................................................................................. 30 9.1. VERKENNEND BODEMONDERZOEK........................................................................................................... 30 9.2. VERKENNEND ONDERZOEK NAAR ASBEST................................................................................................ 31 9.3. WATERBODEMONDERZOEK ...................................................................................................................... 31 9.4. ALGEHELE CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ........................................................................................... 31

10. REFERENTIES .......................................................................................................................................... 33

BIJLAGEN

1. 2a. 2b. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10.

Situering in de regio Situatieschets met geplaatste boringen, peilbuizen, grepen en proefgaten Dwarsdoorsneden watergangen Boorprofiel beschrijvingen Analysecertificaten grond, grondwater, asbest en waterbodem Streef-, achtergrond- en interventiewaarden grond en grondwater Toetsingstabellen PFAS in grond Toetsingstabellen waterbodem Veldwerkformulieren onderzoek naar asbest Asbestberekeningen Relevante historische gegevens (inclusief foto’s) Diverse (water)bodemonderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782 versie: 01 datum: 26 mei 2020

7

1.

INLEIDING Blokland Bouwpartners heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek, een verkennend onderzoek naar asbest en een verkennend waterbodemonderzoek voor de onderzoekslocatie gelegen aan het Zwaluwpad ong. (percelen K, nummers 1390, 1566, 1567, 1650 ged. en 1749.) te Hardinxveld-Giessendam. De onderzoeken worden uitgevoerd in verband met de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de normen NEN 5725 [1], de NEN 5717:2017 [2], de NEN 5740/A1:2016 [3], de NEN 5720:2017 [4] en conform de NEN 5707:2015/C2:2017 [5] en/of NEN 5897 [6]. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Namens Verhoeven Milieutechniek B.V. zijn de werkzaamheden gecoördineerd door de heren ing. H.M.W. van der Donk en M. Schimmel MSc.

2.

DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN De onderzoeken hebben tot doel de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem (inclusief asbest), om te bepalen of en in welke mate belemmeringen bestaan tegen de voorgenomen herontwikkeling.

3.

LOCATIEGEGEVENS 3.1.

Algemene gegevens

De locatie is gelegen aan Het Zwaluwpad en staat kadastraal bekend als gemeente HardinxveldGiessendam, sectie K, nummers 1390, 1566, 1567, 1650 (ged.) en 1749. De locatie bestaat voor het overgrote deel uit weiland (met gerooide bomen) en wordt omringd en doorkruist door een aaneengesloten sloot. Daarnaast zijn er enkele schuren op de onderzoekslocatie aanwezig geweest (recent gesloopt). Op het zuidelijke deel van de locatie bevindt zich een dijk, waardoor de locatie daar omhoogloopt naar de dijk toe. Het noordwestelijke deel van de onderzoekslocatie (perceel K1650 (ged.) is voorbelast. Voor de situering van de onderzoekslocatie in de regio wordt verwezen naar bijlage 1. 3.2.

Historisch onderzoek (NEN 5717 en 5725)

Voorafgaand aan de diverse onderzoeken is een historisch onderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725 (landbodem) en de NEN 5717 (waterbodem). Hierbij zijn de beschikbare gegevens opgevraagd bij en geleverd door de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ). De opdrachtgever heeft tevens een voorgaand bodemonderzoek van de locatie aangeleverd. De beschikbare stukken zijn door VMT bestudeerd. Tevens zijn door VMT de websites van het Kadaster, www.bodemloket en www.topotijdreis.nl bekeken. De relevante historische gegevens zijn opgenomen in bijlage 10.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782 versie: 01 datum: 26 mei 2020

8 Voormalig en toekomstig bodemgebruik De locatie heeft, voor zover bekend, in het verleden altijd een agrarische functie gehad met diverse (voormalige) schuren. In de toekomst wordt de locatie herontwikkeld ten behoeve van woningbouw. Bodemkwaliteitsgegevens Onderzoekslocatie Van de onderzoekslocatie zelf is een bodemonderzoek bekend uit 2009, uitgevoerd door VMT (kenmerk B08.3676, d.d. 7 januari 2009). Zintuiglijk werd op het maaiveld plaatselijk asbest aangetroffen. Verspreid over de locatie werden in de bovengrond bijmengingen met baksteen aangetroffen. Tevens is een puinpad aanwezig. Indicatief werd in de puinlaag een sterk verhoogd gehalte voor PAK aangetroffen. Daarnaast werden verhoogde gehalten voor minerale olie en zware metalen (met name zink) aangetroffen. Analytisch (< 16 mm) werd in het puin geen asbest aangetoond. In de onderzochte grond werden (na uitsplitsing) licht tot matig verhoogde gehalten voor PAK en zware metalen aangetoond. In het grondwater werden licht verhoogde gehalten voor zware metalen aangetoond. Directe omgeving Van de directe omgeving zijn onderstaande onderzoeken en/of saneringsgegevens bekend: 1. Indicatief bodemonderzoek lokatie West II, Hardinxveld-Giessendam, Technische Milieudienst, kenmerk HGO.7021 brwdbHG091.7021.03, d.d. 23 januari 1992; 2. Aktualiserend bodemonderzoek, Bouwplan West III (Buitendams o.a.

406/428) Hardinxveld-Giessendam, Milieudienst Zuid-Holland-Zuid, kenmerk HG 97.5203 C97-100, d.d. 18 maart 1997; 3. Verkennend bodemonderzoek Bouwplan West III (Buitendams 390-420) te HardinxveldGiessendam, Milieudienst Zuid-Holland-Zuid, kenmerk HG 98.5205 C98-622, d.d. 8 december 1998; 4. Nader bodemonderzoek, Bouwplan West III aan de Buitendams te Hardinxveld-Giessendam, Milieudienst Zuid-Holland-Zuid, kenmerk HG 99.5301 C99-004, d.d. 24 maart 1999; 5. Saneringsplan Sanering grond t.b.v. bouw-/woonrijpmaken, Bestemmingsplan West III (achter Buitendams 390 - 420) te Hardinxveld-Giessendam, Milieudienst Zuid-HollandZuid, kenmerk MZHZ : HG99.5401, d.d. 13 augustus 1999; 6. Saneringsverslag West III, fase1 (achter Buitendams 390-420) te Hardinxveld-Giessendam, Milieudienst Zuid-Holland-Zuid, kenmerk HG 00.5501, P00-060.S, d.d. 10 januari 2001; 7. Evaluatierapport, West III, fase 2 te Hardinxveld-Giessendam, Arnicon, kenmerk P01-318S-S, d.d. mei 2002; 8. Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Buitendams 339 te Hardinxveld-Giessendam, Inpijn Blokpoel, kenmerk MA-3520, d.d. 27 november 2008; 9. BUS-melding Buitendams 339, Inpijn Blokpoel, kenmerk MA-3520-A, d.d. 16-08-2008; 10. Verkennend bodemonderzoek Buitendams 343 Hardinxveld-Giessendam, kenmerk ARD 075.001, d.d. april 2000; 11.

Verkennend Milieukundig Bodemonderzoek Kramsvogel (ong.) te HardinxveldGiessendam, kenmerk 11010492, d.d. 15 augustus 2011. Uit bovenstaande gegevens is gebleken dat ten noorden van de locatie diverse (sloot)dempingen aanwezig zijn met (bouw- en sloopafval) verontreinigde grond (ad 1 t/m 7). In verband met het bouwrijp maken van het gebied zijn diverse bodemverontreinigingen, waar sterk verhoogde gehalten voor zware metalen, PAK, EOC en minerale olie aanwezig waren, gesaneerd. Het grondwater rond/in de diverse gedempte sloten was niet ernstig verontreinigd. In totaal zijn 3 ernstige verontreiniging gesaneerd, waaronder in op huidig perceel K 1650 (deel op onderhavige locatie). Na de sanering was locatie geschikt voor de beoogde bestemming ‘wonen’ (met tuin en overige voorzieningen).

Diverse (water)bodemonderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782 versie: 01 datum: 26 mei 2020

9 Ten zuiden van de locatie, aan de overzijde van de Buitendams, zijn ter plaatse van Buitendams 339 en 343 diverse onderzoeken en een BUS-melding bekend (Ad 8 t/m 10). Ter plaatse van Buitendams 339 werden in 2008 heterogeen verdeeld over locatie matig tot sterk verhoogde gehalten voor zink en PAK aangetoond. Het grondwater was maximaal licht verontreinigd. Voor de sanering (aanbrengen isolatielaag) is een BUS-melding ingediend. Onbekend is of de sanering daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Ter plaatse van Buitendams 343 werden in 2000, na heranalyse van het grondwater, maximaal licht verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond. Ten noordoosten van de locatie (ten oosten van het Zwaluwpad) is in 2011 een verkennend bodemonderzoek in verband met transactie en nieuwbouw (ad 11). Tijdens het onderzoek werden maximaal licht verhoogde gehalten voor enkele zware metalen aangetoond in de grond en in het grondwater. Historisch kaartmateriaal Uit het historische kaartmateriaal van www.topotijdreis.nl is af te leiden dat de locatie agrarische percelen betreft waarop naar verwachting boomgaarden aanwezig zijn geweest. Daarnaast zijn op de locatie diverse sloten, agrarische opstallen en een puinpad/voormalige weg aanwezig (geweest).

Locatiebezoek Tijdens het locatiebezoek, voorafgaand aan de veldwerkzaamheden, is gebleken dat alle bebouwing inmiddels is gesloopt (zoals aangegeven door de opdrachtgever). Daarnaast zijn diverse bomen gerooid. Tijdens het locatiebezoek is gebleken dat verspreid over het maaiveld sloopafval en snoeiafval aanwezig zijn. Tussen het sloopafval en snoeiafval werden tevens diverse asbestverdachte plaatmaterialen aangetroffen (in de fractie >20 mm). Asbest Voorafgaand aan het onderzoek was onbekend of op en/of in de voormalige bebouwing asbestverdacht materiaal aanwezig was. Uit het locatiebezoek blijkt echter verspreid over het maaiveld sloopafval met asbestverdachte materialen aanwezig te zijn. Een asbestinventarisatie is niet bekend. Daarnaast is een puinpad/puindam en is de locatie gelegen langs een dijk en kan niet worden uitgesloten dat puinbijmengingen aanwezig zijn in de bodem. Derhalve dient de locatie als verdacht te worden beschouwd op asbest. Waterbodem(kwaliteits)gegevens Gegevens van eerder uitgevoerde waterbodemonderzoeken zijn bij het waterschap niet bekend. Ook zijn geen lozingspunten bekend. De watergangen op de onderzoekslocatie betreffen zogenoemde B- en C- watergangen en zijn in eigen beheer. De aanwezige watergangen op de percelen dienen als opvang van hemelwater en betreft zoet water.

De kwaliteit van eventueel slib en de vaste waterbodem in de watergang is mogelijk beïnvloed door de aanwezigheid van voormalige agrarische activiteiten, waarbij mogelijk bestrijdingsmiddelen (OCB) zijn toegepast. PFAS Op 8 juli 2019 de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie van toepassing verklaard. Dit heeft gevolgen voor de acceptatie van grond en baggerspecie bij grondbanken en verwerkers. Dus zodra er grond/slib van de locatie moet worden afgevoerd dient onderzoek plaats te vinden naar PFAS (28 parameters) en/of GenX. Aangezien er mogelijk grond afgevoerd moet worden, dient aanvullend onderzoek naar de verdachte (boven)grond op PFAS te worden uitgevoerd. De regio is niet verdacht op het voorkomen van GenX, waardoor deze parameter niet behoeft te worden meegenomen in het aanvullend onderzoek.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782 versie: 01 datum: 26 mei 2020

10 Conclusies historische gegevens Uit de reeds beschikbare gegevens komen de volgende aandachtspunten naar voren:  Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen recente gegevens van de algemene bodemkwaliteit en/of bodembedreigende activiteiten (zoals tanks) bekend;  Van de onderzoekslocatie en directe omgeving zijn wel verouderde onderzoeksgegevens bekend. Hieruit is gebleken dat in het aanwezige puinpad indicatief sterk verhoogde gehalten voor PAK werden aangetoond. Daarnaast zijn in de omgeving diverse verontreinigde ophogingen en/of (sloot)dempingen aangetroffen, welke (deels) zijn gesaneerd.  Uit de (historische) kaarten blijkt dat op de locatie diverse sloten en een puindam aanwezig zijn (geweest). Daarnaast blijkt dat de locatie een agrarische functie heeft (gehad) en er zijn naar verwachting boomgaarden aanwezig (geweest). Tevens zijn voormalige schuren en een puinpad/weg aanwezig (geweest).  Tijdens het locatiebezoek is asbestverdacht materiaal (fractie >20 mm) op het maaiveld aangetroffen;  Het zuidelijke deel van de onderzoekslocatie is tegen een dijk gelegen en kan niet worden uitgesloten dat puinbijmengingen aanwezig zijn in de bodem;  Het noordwestelijke deel van de onderzoekslocatie is voorbelast (gesaneerd in het verleden) en hier is een asbestonderzoek niet noodzakelijk.

In verband met de voorgenomen herontwikkeling dient op basis van bovengenoemde gegevens een verkennend (water)bodemonderzoek, inclusief onderzoek naar PFAS, uitgevoerd te worden conform de NEN5740 en de NEN 5720, om de bodemkwaliteit vast te leggen. Daarbij vormen de voormalige boomgaard en voormalige watergangen extra aandachtspunten. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de nog aanwezige watergang, waarvoor een verkennend waterbodemonderzoek conform de NEN5720 uitgevoerd dient te worden. Tevens dient (met uitzondering van het noordwestelijke/gesaneerde deel) een onderzoek naar asbest te worden uitgevoerd conform de NEN 5707 en/of de NEN 5897. 4.

BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE 4.1.

Bodemopbouw

Op de onderzoekslocatie is een circa 11 meter dikke deklaag aanwezig [7]. De deklaag is een complexe eenheid van de Holocene afzetting, hoofdzakelijk bestaande uit een afwisseling van zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen en een weinig grof zand. Het onderliggende goed doorlatende eerste watervoerende pakket is circa 28 meter dik en bestaat hoofdzakelijk uit midden en grof zand (Formaties van Kreftenheye en Sterksel). Hieronder bevinden zich slecht of matig doorlatende lagen, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei, klei en midden zand, behorend tot de Formaties van Stramproy, Peize en Waalre. 4.2.

Geohydrologie

De grondwaterstromingsrichting in het eerste watervoerend pakket is globaal zuid- zuidwestelijk gericht. Het stromingspatroon wordt sterk beïnvloed door de infiltrerende werking van de rivier de Merwede. De grondwaterstroming van het freatisch grondwater is waarschijnlijk afhankelijk van de watergangen nabij. De onderzoekslocatie in niet gesitueerd in een grondwaterbeschermingsgebied. 5.

HYPOTHESE Op basis van de beschikbare gegevens is voor de gehele locatie de hypothese gesteld voor een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodem- en asbestverontreiniging. Voor het waterbodemonderzoek wordt uitgegaan van niet verspreidbare baggerspecie. Diverse (water)bodemonderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782 versie: 01 datum: 26 mei 2020

11 6.

OPZET VAN HET ONDERZOEK 6.1.

Onderzoeksstrategie diverse onderzoeken

Verkennend bodemonderzoek Het verkennend bodemonderzoek ten behoeve van de algemene bodemkwaliteit wordt uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie zoals beschreven in de NEN5740/A1:2016 voor een diffuse nietlijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreiniging (VED-HE-NL) met een maximale oppervlakte van 9.000 m2. Voor de onverdachte ondergrond worden, conform de NEN 5740:2009/A1:2016 voor een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL), minimaal 2 analyses ingezet. In verband met de voormalige watergangen en het puinpad worden 3 extra dwarsraaien van drie boringen per raai tot 2,0 m-mv opgenomen, Hiervoor zijn 2 extra NEN-pakketten opgenomen. Teeltlaagonderzoek Aanvullend zal een teeltlaagonderzoek uitgevoerd worden conform de onderzoeksstrategie voor een diffuse niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreiniging (VED-HE-NL, < 9.000 m2) in verband met de voormalige boomgaard op de onderzoekslocatie. De (oorspronkelijke) teeltlaag wordt separaat bemonsterd en geanalyseerd op OCB. PFAS Aanvullend dient de (boven)grond op PFAS te worden onderzocht. De onderzoeksopzet voor het aanvullend bodemonderzoek naar PFAS is afgeleid op de onderzoeksstrategie zoals beschreven in de NEN5740/A1:2016 voor een diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een homogeen verdeelde verontreinigde stof (VED-HO-NL, < 1 ha).

Het onderzoek naar PFAS is uitgevoerd conform het tijdelijk handelingskader voor hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie, zoals verstrekt aan de Tweede Kamer (meest recente versie d.d. 29 november 2019). Dit handelingskader zal juridisch worden verankerd via een wijziging in de Regeling bodemkwaliteit; tot die tijd wordt het handelingskader gevolgd. De werkzaamheden worden zoveel mogelijk gecombineerd met het onderzoek naar de algemene kwaliteit. Onderzoek naar asbest Het verkennend onderzoek naar asbest ter plaatse van onderzoekslocatie wordt uitgevoerd conform de NEN 5707/C2 op een verdachte locatie met diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld voor een oppervlakte van maximaal 9.000 m2. Aanvullend wordt de puinverharding ter plaatse van het puinpad onderzocht, afgeleid van de NEN 5897/C2 (open halfverharding). Aangezien bij voorgaand onderzoek in het puin uit het puinpad zowel zintuiglijk (> 16 mm) als analytisch (< 16 mm) geen asbest werd aangetoond, wordt het onderzoek naar asbest puin gecombineerd met het onderzoek naar asbest in de grond. Ten behoeve van het onderzoek naar asbest worden met een schep proefgaten gegraven met een omvang van 0,3 m x 0,3 m tot minimaal 0,5 m-mv, waarbij de proefgaten dieper worden doorgeboord tot in de onverdachte/ongeroerde ondergrond. Zintuiglijk kan tot 20 mm worden beoordeeld of asbestverdachte materialen aanwezig zijn.

Voor de fractie < 20 mm dient dit middels een analyse te worden geverifieerd. Ten behoeve van het onderzoek naar asbest wordt tevens een locatie- en maaiveldinspectie uitgevoerd. Van de meest verdachte grond-/puinlagen uit de proefgaten, worden grondmonsters samengesteld voor analyses op asbest conform NEN 5898:2015 (fractie < 20 mm). Tevens dient, indien van toepassing, asbestverdacht plaatmateriaal onderzocht conform de NEN5896:2003 (asbest in plaatmateriaal). Diverse (water)bodemonderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782 versie: 01 datum: 26 mei 2020

12 Verkennend waterbodemonderzoek Het verkennend waterbodemonderzoek wordt voor de watergang uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie beschreven in de NEN5720:2017, onderzoeksstrategie voor een overig water, lintvormig, normale onderzoeksinspanning (OLN). Het waterbodemmonster dient geanalyseerd te worden op een standaard waterbodempakket C2 (NEN, aangevuld met arseen, chroom en OCB) en op PFAS. 6.2.

Veldwerkzaamheden

Algemeen / certificering Verhoeven Milieutechniek B.V. is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (certificatienr: ECSIK-20250 geldig tot 20-06-2022, afgegeven door Normec Certification). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat conform de geldende NEN/NPR-normen, conform BRL SIKB 2000 (versie 6), protocol 2001, het plaatsen van handboringen en peilbuizen (versie 6), protocol 2003: veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek (versie 6) en protocol 2002 (versie 6): het nemen van grondwatermonsters en protocol 2018: locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem (versie 6). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd met behulp van een schep, ramguts, Edelmanboor en zuigerboor. Tijdens de veldwerkzaamheden is de opgeboorde / opgegraven grond zintuiglijk beoordeeld op het voorkomen van puin en/of asbest (fractie > 20 mm). In tabel 6.1 zijn de uitvoeringsdata, gehanteerde protocollen en gecertificeerde medewerker(s) weergegeven. Tabel 6.1: Uitvoeringsdata en gehanteerde onderzoeksprotocollen Data

Bedrijf

Gecertificeerde medewerker(s)

Protocol BRL SIKB

Fase 1 8 t/m 10 april 2020

Verhoeven Milieutechniek B.V.

10 april 2020 28 april 2020

Verhoeven Milieutechniek B.V. Verhoeven Milieutechniek B.V.

De heer M.A.H. van Baal & De heer D.W. Sluis De heer M.A.H. van Baal De heer M.A.H. van Baal De heer D.W. Sluis

2001 (v. 6) 2018 (v. 6) 2003 (v. 6) 2002 (v. 6)

De puinlagen betreffen geen grond en vallen derhalve niet onder protocol BRL SIKB 2018. Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Grond Ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek en op basis van de zintuiglijke waarnemingen zijn in totaal 31 boringen (B101 t/m B27) geplaatst. Boring B116 en de raaiboringen B117A-C zijn geplaatst ter plaatse van het puinpad. Boringen B110, B112, B114, B115 en B118 zijn gesitueerd ter plaatse van de voormalige bebouwing. De raaiboringen B103A-C en105A-C, zijn respectievelijk ter plaatse van het voormalig puinpad en de voormalige watergangen geplaatst. Ten behoeve van het grondwateronderzoek zijn de boringen PB108 en PB115 dieper doorgezet en afgewerkt met een peilbuis.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782 versie: 01 datum: 26 mei 2020

13 In tabel 6.2 zijn de uitgevoerde veldwerkzaamheden weergegeven. Tabel 6.2: Uitgevoerde veldwerkzaamheden Circa 1,0 m-mv B101, B102, B104, B106, B107, B109 t/m B114, B116, B118, B119, B121, B123, B124, B125

Boringen / peilbuizen Circa 2,0 m-mv B103A-C, B105A-C, B117-A-C, B120, B122, B126, B127

Peilbuis (filterstelling m-mv) PB108 (1,50 - 2,50) PB115 (1,50 - 2,50)

Grondwater Het grondwater uit de peilbuizen PB108 en PB115 is na een standtijd van minimaal een week en twee keer afpompen op 28 april 2020 bemonsterd. De bemonstering heeft plaatsgevonden volgens de techniek van lage- troebelheidsbemonstering, waarbij de grondwaterstand (GWS), zuurgraad (pH), geleidbaarheid (EC) en troebelheid (NTU) van het grondwater in het veld zijn bepaald. Asbest Ten behoeve van het onderzoek naar asbest ter plaatse van de puindammen wordt allereerst een locatie- en maaiveldinspectie uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het maaiveld op de onderzoekslocatie bedekt is met vegetatie en sloop- en snoeiafval (60 %). Ondanks de aanwezige belemmeringen heeft een efficiënte maaiveldinspectie (> 25 % zichtbaar) plaats kunnen vinden. Op het maaiveld zijn verspreid over de locatie diverse asbestverdachte plaatmaterialen aangetroffen (> 20 mm). De ligging van het aangetroffen materiaal is globaal weergegeven op de situatieschets in bijlage 2a. Ten behoeve van de onderzoeksopzet en op basis van de maaiveldinspectie en de zintuiglijke waarnemingen, zijn in totaal 30 proefgaten (B101 t/m B127 en AB128 t/m AB130) van 0,3 m x 0,3 m tot circa 0,5 m-mv gegraven. Hierbij is derhalve rekening gehouden met de aangetroffen asbestverdachte materialen op maaiveld.

Voor de inspectie van de ondergrond zijn diverse proefgaten doorgezet middels een Edelmanboor met een diameter van 12 cm tot in de ongeroerde ondergrond. Om een bodemverontreiniging met asbest vast te stellen is per proefgat de grove fractie (> 20 mm) van het vrijgekomen materiaal geïnspecteerd op asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm) en puinrestanten. Hierbij zijn in de proefgaten B111, B112, B116, B117, B119, AB129 en AB130 diverse asbestverdachte (plaat)materialen (> 20 mm) aangetroffen. De aangetroffen materialen in de proefgaten zijn weergegeven in de tabel met zintuiglijke waarnemingen, tabel 8.1 van hoofdstuk 8. Van het aangetroffen materiaal op het maaiveld is een verzamelmonster samengesteld (tot 700 gram). Het aangetroffen asbestverdachte materiaal is in het veld direct dubbel verpakt, gecodeerd en aangeboden aan het laboratorium voor analyse op de aanwezigheid van asbest conform de NEN5896:2003 (asbest in plaatmateriaal). Het onderzochte materiaal en de hoeveelheid is weergegeven in tabel 8.6 van hoofdstuk 8 weergegeven. In het veld zijn zes grondmonsters samengesteld ten behoeve van het analytisch onderzoek naar asbest in de fijne fractie (< 20 mm). Een overzicht van de samengestelde grondmonsters en de zintuiglijke waarnemingen met bijbehorende analyses is in tabel 8.7 van hoofdstuk 8 weergegeven.

De veldwerkformulieren van het asbestonderzoek zijn opgenomen in bijlage 8. Waterbodem Ten behoeve van het waterbodemonderzoek zijn 10 grepen (G01 t/m G10), evenredig verdeeld over de watervoerende watergang, van de waterbodem genomen. Ter hoogte van de grepen G02, G06 en G09 zijn in de watergang raaien geplaatst ten behoeve van de dwarsprofielen voor de bepaling van de slibdikte. De situatieschetsen met de geplaatste boringen, peilbuizen, grepen en proefgaten zijn opgenomen als bijlage 2a. Diverse (water)bodemonderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782 versie: 01 datum: 26 mei 2020

14

7.

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE 7.1.

Grond/grondwater

De verontreinigingssituatie van de bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes in grond en/of grondwater aan de streef-, achtergrond- en interventiewaarden. De achtergrondwaarden voor grond zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit [7]. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [8] en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. De streefwaarden geven voor het grondwater het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingsbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor het grondwater aan. De achtergrondwaarden geven voor de grond het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor de grond aan. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 bodemvolume voor grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde.

De achtergrond- en interventiewaarden voor de vaste bodem zijn gerelateerd aan het lutum- en/of het organische stofgehalte van de bodem. Om de verkregen analyseresultaten te kunnen toetsen aan de achtergrond- en interventiewaarden worden de meetwaarden, met behulp van de analytisch vastgestelde gehalten aan lutum en/of organische stofgehalte, teruggerekend naar gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD). Indien de lutum en/of organische stofgehalten niet analytisch zijn vastgesteld, zijn ze aan de hand van de zintuiglijke waarnemingen, in combinatie met de overige analyseresultaten, ingeschat. Aan de hand van bovenstaande waarden wordt een index berekend. De index wordt voor grond berekend met de formule: (GSSD - achtergrondwaarde) / (interventiewaarde achtergrondwaarde). Voor grondwater wordt de achtergrondwaarde in de formule vervangen door de streefwaarde. Indien de index groter is dan 1 wordt de interventiewaarde overschreden. Uit de toetsing van de GSSD aan de streef-, achtergrond-, en interventiewaarden kan het volgende worden afgeleid:  Bij een overschrijding van de streef- en/of achtergrondwaarde is het vermoeden van bodemverontreiniging bevestigd.  Bij een berekende index groter dan 0,5 bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

Middels de uitvoering van de aanvullende analyses, mogelijk gevolgd door een nader bodemonderzoek, dient de omvang van de verontreiniging(en) te worden bepaald. Afhankelijk van de resultaten wordt het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging bevestigd dan wel verworpen. In het eerste geval dient overgegaan te worden tot de uitvoering van een saneringsonderzoek, gevolgd door een sanering. Momenteel wordt gewerkt aan het toevoegen van toetsingswaarden voor PFAS aan de Regeling bodemkwaliteit [6] tot die tijd moet het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie (meest recente versie 29 november 2019), worden gehanteerd.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782 versie: 01 datum: 26 mei 2020

15 In het tijdelijk handelingskader hergebruik is vastgesteld dat voor de functieklasse “landbouw/ natuur” (achtergrondwaarde) voor PFOS een toepassingsnorm van 0,9 μg/kg d.s. wordt gehanteerd en voor alle overige PFAS stoffen een toepassingsnorm van 0,8 μg/kg d.s. Voor de functieklassen “wonen” en “industrie” geldt een toepassingsnorm van 7 μg/kg d.s. voor PFOA en 3 μg/kg d.s. voor de overige PFAS stoffen en GenX. Aanvullend wordt opgemerkt dat deze gehalten door gebiedsspecifiek beleid zowel strenger als minder streng kunnen zijn. Het is nu nog niet mogelijk om interventiewaarden voor PFAS te bepalen. Daarom heeft het RIVM (d.d. 5 maart 2020) voorlopige waarden afgeleid: de Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV). Met de INEV’s kunnen gemeenten en provincies bepalen waar de bodem ernstig verontreinigd is en of meer onderzoek nodig is. Als de concentraties onder de INEV’s blijven, zijn er doorgaans geen onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu. 7.2.

Asbest

De interventiewaarde voor asbest in de grond is vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [8] en bedraagt 100 mg/kg d.s. gewogen asbestconcentratie (serpentijnconcentratie vermeerderd met tienmaal de amfiboolconcentratie). De aangetroffen concentraties voor asbestverdachte grondmonsters en aan asbestverdachte plaatmaterialen worden teruggerekend naar het in het veld geïnspecteerde volume en vervolgens getoetst aan de interventiewaarde bodemsanering. Indien tijdens de analyse van asbest in fijne fractie (< 20 mm) blijkt dat er in een monster niethechtgebonden asbest is aangetroffen en dat er losse vezels zijn aangetroffen in de fractie < 500 µm, wordt in de NEN 5898 eveneens geadviseerd een onderzoek naar het aantal respirabele vezels uit te voeren middels SEM analyse. Als tijdens het onderzoek naar asbest in de grond een gewogen asbestgehalte van meer dan 1.000 mg/kg d.s. (hechtgebonden) en/of meer dan 100 mg/kg d.s. (niet-hechtgebonden) wordt aangetoond, moet op basis van de risicobeoordeling in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [8] eveneens een onderzoek naar de respirabele vezels worden uitgevoerd. Indien de gewogen asbestconcentratie groter is dan de halve interventiewaarde bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het uitvoeren van een nader onderzoek naar asbest in de grond is dan verplicht.

De hoogst berekende waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging met asbest in de bodem indien de berekende concentratie binnen een ruimtelijke eenheid hoger is dan de interventiewaarde. Het vaststellen van de gemiddelde gewogen asbestconcentratie dient te worden uitgevoerd conform de NEN 5707. Als respirabele vezels in de bovengrond (contactzone, of diepte graafwerkzaamheden) worden aangetoond en het gewogen gehalte van 10 mg/kg d.s. wordt overschreden is reeds sprake van “onaanvaardbare risico’s buiten”. Opgemerkt wordt dat het volumecriterium voor een bodemverontreiniging met asbest niet van toepassing is bij het vaststellen van de ernst.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782 versie: 01 datum: 26 mei 2020

16

7.3.

Waterbodem

De verontreinigingssituatie en/of toepassingsmogelijkheden van baggerspecie kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes aan de betreffende normwaarden. De normwaarden zijn gerelateerd aan het lutum- en/of het organische stofgehalte van de baggerspecie. Om de verkregen analyseresultaten te kunnen toetsen aan de normwaarden worden de meetwaarden, met behulp van de analytisch vastgestelde gehalten aan lutum en/of organische stofgehalte, teruggerekend naar de waarden voor standaard bodem. Indien deze niet analytisch zijn vastgesteld, zijn ze aan de hand van de zintuiglijke waarnemingen, in combinatie met de overige analyseresultaten, ingeschat. Afhankelijk van de toepassing van de baggerspecie, nadat deze uit de watergang is verwijderd, moet deze op een andere wijze worden getoetst. In voorliggende rapportage zullen de volgende toepassingsmogelijkheden worden besproken: - Toepassen van de baggerspecie op de bodem (T.1); - Toepassen van de baggerspecie in een zoet oppervlaktewaterlichaam (T.3); - Verspreiden van de baggerspecie over het aangrenzend perceel (T.5). De tussen haakjes weergegeven T.1, T.3 en T.5 hebben betrekking op de opgegeven naamgeving bij de Bodem Toets en Validatieservice (BoToVa). Bij het beoordelen van de kwaliteit van de baggerspecie zal gebruik worden gemaakt van BoToVa.

Tevens wordt per toepasmogelijkheid aanvullend getoetst aan het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Toepassen van baggerspecie op de bodem (T.1) Voor het toepassen van baggerspecie op de bodem volgens het generieke beleid worden de meetwaarden getoetst aan de achtergrondwaarde, de waarde voor wonen en de waarde voor industrie zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. Daarnaast zal worden bepaald of de interventiewaarde niet wordt overschreden zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. Aangezien de baggerspecie gaat worden toegepast op de bodem, worden de resultaten getoetst als grond. Afhankelijk van de aangetroffen concentraties van de onderzochte parameters wordt de partij baggerspecie ingedeeld als grond met de kwaliteit zoals deze in de onderstaande tabel is weergegeven.

Tabel 7.1: Interpretatie resultaten conform het Besluit bodemkwaliteit (generiek beleid) Concentratieniveau1 Kwaliteit onderzochte partij Kleiner dan de achtergrondwaarde (AW-waarde); kleiner dan 2 maal de AWAchtergrondwaarde waarde en kleiner dan de waarde voor wonen (WO-waarde)2; 3 Groter dan de AW-waarde en kleiner dan de WO-waarde Wonen Groter dan de WO-waarde en kleiner dan de waarde voor industrie (IND-waarde) Industrie Groter dan de IND-waarde en/of interventiewaarde Niet toepasbaar Toelichting bij de tabel: 1 De normen (AW, WO en IND) voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager is dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien sprake is van verhoogde barium gehalten t.o.v. de natuurlijke achtergrond gehalte als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte voor barium worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.

(standaard bodem) 2 Indeling in de kwaliteitsklasse achtergrondwaarde bij kleiner dan 2 maal de AW-waarde en kleiner dan de WO-waarde geldt voor maximaal het volgende aantal stoffen: - Bij analyse van 2 stoffen, maximaal 1 verhoogd; - Bij analyse van 7 stoffen, maximaal 2 verhoogd; - Bij analyse van 16 stoffen, maximaal 3 verhoogd; - Bij analyse van 27 stoffen, maximaal 4 verhoogd; - Bij analyse van 37 stoffen, maximaal 5 verhoogd 3 Bij nikkel hoeft bij de uitzonderingsregel slechts te worden voldaan aan kleiner dan 2 maal de achtergrondwaarde (AW-waarde) en vindt geen toetsing plaats aan de maximale waarde voor wonen (WO-waarde)

Diverse (water)bodemonderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782 versie: 01 datum: 26 mei 2020

17 In het tijdelijk handelingskader hergebruik is vastgesteld dat voor de functieklasse “landbouw/ natuur” (achtergrondwaarde) voor PFOS een toepassingsnorm van 0,9 μg/kg d.s. wordt gehanteerd en voor alle overige PFAS stoffen een toepassingsnorm van 0,8 μg/kg d.s. Voor de functieklassen “wonen” en “industrie” geldt een toepassingsnorm van 7 μg/kg d.s. voor PFOA en 3 μg/kg d.s. voor de overige PFAS stoffen en GenX. Aanvullend wordt opgemerkt dat deze gehalten door gebiedsspecifiek beleid zowel strenger als minder streng kunnen zijn. Het toepassen van baggerspecie op de bodem moet worden gemeld via het landelijke meldpunt bodemkwaliteit. Toepassen van de baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam (T.3) Voor het toepassen van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam volgens het generieke beleid worden de meetwaarden getoetst aan de achtergrondwaarde, de maximale waarde kwaliteitsklasse A en de maximale waarde kwaliteitsklasse B zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. Daarnaast zal worden bepaald of de interventiewaarde niet wordt overschreden zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. Aangezien de baggerspecie gaat worden toegepast onder water, worden de resultaten getoetst als baggerspecie.

Afhankelijk van de aangetroffen concentraties van de onderzochte parameters wordt de partij baggerspecie ingedeeld als baggerspecie met de kwaliteit zoals deze in de onderstaande tabel is weergegeven. Tabel 7.2: Interpretatie resultaten conform het Besluit bodemkwaliteit (generiek beleid) Concentratieniveau 1 Kwaliteit onderzochte partij Kleiner dan de achtergrondwaarde (AW-waarde); kleiner dan 2 maal de AWAchtergrondwaarde waarde en kleiner dan de maximale kwaliteitsklasse A2; 3 Groter dan de AW-waarde en kleiner dan de maximale kwaliteitsklasse A Klasse A Groter dan de maximale kwaliteitsklasse A en kleiner dan de maximale Klasse B kwaliteitsklasse B Groter dan de maximale kwaliteitsklasse B en/of interventiewaarde Niet toepasbaar Toelichting bij de tabel: 1 De normen (AW, kwaliteitsklasse A en B) voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager is dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien sprake is van verhoogde barium gehalten t.o.v. de natuurlijke achtergrond gehalte als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte voor barium worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.

(standaard bodem) 2 Indeling in de kwaliteitsklasse achtergrondwaarde bij kleiner dan 2 maal de achtergrondwaarde (AW-waarde) en kleiner dan de waarde voor wonen (WO-waarde) geldt voor maximaal het volgende aantal stoffen: - Bij analyse van 2 stoffen, maximaal 1 verhoogd - Bij analyse van 7 stoffen, maximaal 2 verhoogd - Bij analyse van 16 stoffen, maximaal 3 verhoogd - Bij analyse van 27 stoffen, maximaal 4 verhoogd - Bij analyse van 37 stoffen, maximaal 5 verhoogd 3 Bij nikkel hoeft bij de uitzonderingsregel slechts te worden voldaan aan kleiner dan 2 maal de achtergrondwaarde (AW-waarde) en vindt geen toetsing plaats aan de maximale waarde voor wonen (WO-waarde)

In het tijdelijk handelingskader hergebruik is vastgesteld dat bij toepassen van baggerspecie in een ander oppervlaktewaterlichaam in ophogingen in waterbouwkundige constructies, uitgezonderd in bepaalde diepe plassen (voor exacte omschrijving zie het handelingskader), alle PFAS moeten voldoen aan de bepalingsgrens van 0,1 μg/kg d.s. Het toepassen van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam moet worden gemeld via het landelijke meldpunt bodemkwaliteit.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782 versie: 01 datum: 26 mei 2020

18 Verspreiden van de baggerspecie over het aangrenzend perceel (T.5) Voor het verspreiden van baggerspecie over het aan de watergang grenzend perceel, met het oog op het herstellen of verbeteren van de aan de watergang grenzende percelen, worden de meetwaarden getoetst aan de maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzend perceel zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. Naast deze individuele maximale waarden wordt er voor een aantal metalen en voor een aantal organische stoffen een msPAF toets (meer stoffen Potentieel Aangetaste Fractie van lagere organismen) uitgevoerd. De msPAF toets is een methode om ecologische risico’s te bepalen, waarbij rekening wordt gehouden met de milieueffecten van meerdere stoffen tegelijk (combinatie toxicologie). De msPAF waarde wordt berekend waarbij de resultaten als percentage worden weergegeven. De maximale percentages waaraan moet worden voldaan zijn weergegeven in de Regeling bodemkwaliteit. Daarnaast mogen de individuele stoffen waarmee de msPAF toets wordt uitgevoerd de interventiewaarde zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 niet overschrijden.

Voor parameters die niet in de msPAF toetst worden meegenomen en waar geen maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzend perceel zijn vastgesteld, moeten worden getoetst aan de achtergrondwaarde uit de Regeling bodemkwaliteit. In het tijdelijk handelingskader hergebruik is de toepassingsnorm voor verspreiding op aangrenzend perceel vastgesteld op 7 μg/kg d.s. voor PFOA en 3 μg/kg d.s. voor de overige PFAS stoffen en GenX. Afhankelijk van de aangetroffen concentraties van de onderzochte parameters wordt de partij baggerspecie ingedeeld als baggerspecie die wel of niet verspreidbaar is over het aangrenzend perceel. Indien de partij verspreidbaar is over het aangrenzend perceel hoeft er niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem. Daarnaast is het verspreiden niet meldingsplichtig.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782 versie: 01 datum: 26 mei 2020

19

8.

RESULTATEN 8.1.

Zintuiglijke waarnemingen

De bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat vanaf maaiveld tot circa 0,5 à 1,5 m-mv hoofdzakelijk uit zwak siltige, zwak humeuze klei. Hieronder is zwak kleiig veen aangetroffen tot de maximaal geboorde diepte van 1,5 m-mv. Lokaal (noordwestelijk deel) bestaat de bodem vanaf maaiveld tot 2,0 m-mv uit matig fijn, zwak siltig zand. De aanwezige watergang was waterhoudend. De waterbodem is aanwezig vanaf circa 34 à 40 cm beneden waterspiegel. Er is in de watergangen een laag slib met gemiddelde dikte van 39 cm aangetroffen. Hieronder is matig kleiige veen aangetroffen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk diverse bijmengingen waargenomen. Een volledig overzicht van de zintuiglijk waargenomen bijzonderheden is weergegeven in tabel 8.1. Tabel 8.1: Zintuiglijke waarnemingen per boring / proefgat Boring

Proefgat

Traject (m -mv) 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50

Grondsoort

Waargenomen bijzonderheden

Ja Ja Ja

Diepte boring (m -mv) 1,00 1,00 1,00

B109 B110 B111

Klei Klei Klei

B112

Ja

1,00

0,00 - 0,50

Klei

B113 B114 PB115 B116

Ja Ja Ja JA

1,00 1,00 2,50 1,00

0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,30

Klei Klei Klei +

B117A B117B

Nee Ja

2,00 2,00

0,00 - 0,30 0,00 - 0,30

+ +

B117C B118 B119 AB128 AB129

Nee Ja Ja Ja Ja

2,00 1,00 1,00 0,50 0,50

0,00 - 0,30 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50

+ Zand Klei Klei Klei

AB130

Ja

0,50

0,00 - 0,50

Zand

sporen baksteen sporen baksteen zwak baksteenhoudend, circa 78 gr. asbestverdacht materiaal (type A) sporen baksteen, sporen beton, circa 58 gr. asbestverdacht materiaal (type A en B) sporen baksteen resten veen, sporen baksteen sporen baksteen volledig puin, circa 18 gr. asbestverdacht materiaal (type A) volledig puin volledig puin, circa 9 gr. asbestverdacht materiaal (type A) volledig puin zwak betonhoudend circa 59 gr. asbestverdacht materiaal (type B) sporen baksteen sporen baksteen, circa 183 gr. asbestverdacht materiaal (type A) sporen baksteen, > 700 gr. asbestverdacht materiaal (type A)

Toelichting bij de tabel: + Betreft geen bodem (> 50 % bodemvreemd materiaal); Sporen < 1%; Uiterst ≥ 20 < 50 %; Volledig ≥ 50 % 1 Conform de BRL2018 is per materiaalmonster circa 700 gram geanalyseerd Aangezien ter plaatse van AB130 grote platen aanwezig waren, was het hier niet mogelijk in het veld de massa vast te stellen.

Verder zijn tijdens de visuele inspectie van het maaiveld en de opgeboorde en opgegraven grond geen overige waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Ter plaatse van de vermoedelijke gedempte watergang zijn geen slib bijmengingen aangetroffen. De volledige boorprofiel beschrijvingen zijn opgenomen in bijlage 3.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Zwaluwpad ong. te Hardinxveld-Giessendam Rapportnr.: B20.7782 versie: 01 datum: 26 mei 2020

20

8.2.

Laboratoriumwerkzaamheden en analyseresultaten

De analyses zijn uitgevoerd door het geaccrediteerde laboratorium van SYNLAB Analytics & Services B.V. te Rotterdam (grond, grondwater, asbest en waterbodem). De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 4. De achtergrondwaarden voor grond en maximale samenstellingswaarde voor asbest in puin zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond en asbest in grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. Een volledig overzicht van de toetsings- en analyseresultaten voor de grond en het grondwater is opgenomen als bijlage 5. Het analytisch onderzoek naar PFAS is uitgevoerd door het laboratorium van SYNLAB Analytics & Services B.V. die gevalideerd is voor het uitvoeren van deze analyses conform de Duitse norm DIN 38414-14. Aangezien deze parameters vooralsnog niet conform AS3000 en/of AP04 kunnen worden erkend is dit het hoogste haalbare en zijn de analyseresultaten representatief voor het uitgevoerde bodemonderzoek. De toetsingsresultaten van de PFAS in grond analyses zijn opgenomen in bijlage 6. Tevens worden de PFAS resultaten indicatief getoetst aan de vastgestelde INEV’s. De waterbodem wordt getoetst aan de T.1, T.3 en T.5 volgens de Bodem Toets en Validatieservice (BoToVa).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/700/documents/22330