Rapport ruimtelijke onderbouwing d.d. 28-11-2023.pdf
Tekst van het document
Zonneweide Betuwelijn Hardinxveld-Giessendam | Eelerwoude | 31
De randen van een zonnepark zijn vaak sterk bepalend voor de beleving van het zonnepark door de omgeving. Een kwalitatief goede rand zorgt ervoor dat het zonnepark deels voor het zicht wordt onttrokken. Dit kan bijvoorbeeld door een brede watergang moet natuurlijke oevers (en beplanting als riet), beplanting (zoals hagen en houtwallen), een grondwal of een bloemrijke akkerrand. Voor wat betreft het hekwerk wordt de voorkeur gegeven aan een landschappelijke oplossing, zoals een brede watergang of dichte houtwal. In gevallen waar een hekwerk noodzakelijk is, mag deze het beeld niet domineren. Dat betekent dat het hekwerk een transparante uitstraling moet hebben. Daarnaast moet het hekwerk te passeren zijn door (kleine) dieren. Hetzelfde geldt voor transformators en omvormers, deze mogen eveneens niet het beeld domineren. Daarom dient ook hier voor een terughoudende vormgeving en kleurstelling te worden gekozen. De hoogte van de panelen moet worden afgestemd op het landschapstype en de inrichting van de rand. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling In het landschappelijk inpassingsplan (bijlage 1) wordt de ruimtelijke kwaliteit van de zonneweide gewaarborgd. De bestaande kwaliteiten van het landschap worden behouden en zoveel mogelijk verder ontwikkeld en versterkt. Met de landschappelijke inpassing wordt namelijk onder andere ingezet op het creëren van kwalitatieve randen.
Daarnaast wordt een aantrekkelijker leefgebied gecreëerd voor verscheidene diersoorten (onder andere door de aanleg van aangetakte poelen en argusvlinderdammen). Daarnaast wordt aangesloten bij de uitgangspunten uit de ‘Handreiking ruimtelijke kwaliteit zonne-energie Zuid-Holland’. Zo wordt er zoveel mogelijk ingezet op multifunctioneel ruimtegebruik, door onder andere begrazing door schapen onder de panelen toe te passen en verschillende faunavoorzieningen in te richten (bijvoorbeeld de argusvlinderdammen). Ook wordt ingezet op het creëren van kwalitatieve randen met onder andere rietbeplanting langs de oevers, kruidenrijke randen, zoomvegetatie en het planten van wilgenstruiken. Daarmee wordt ook gelijk een koppeling gemaakt met andere opgaven op het gebied van landschap en biodiversiteit. Het plangebied is gelegen in een zoekgebied voor zonne-energie, waardoor wordt aangesloten bij het provinciale beleid voor wat betreft zuinig ruimtegebruik. Ten behoeve van de ontwikkeling heeft een intensief participatieproces met bewoners plaatsgevonden (paragraaf 6.3.1). De overige elementen die ten behoeve van de zonneweide worden gerealiseerd, zoals het hekwerk en installaties als transformatoren, worden zo goed mogelijk ingepast in de omgeving.
Voor het hekwerk en de installaties wordt gekozen voor een terughoudende vormgeving en kleurstelling en worden zoveel mogelijk ingepast met opgaand groen, zodat deze opgaan in het grotere geheel. Het plangebied is gelegen naast de Betuwelijn, die in het verleden de karakteristieke langgerekte percelen ter plaatse grotendeels teniet heeft gedaan. De hoogte van de panelen is afgestemd op de ligging nabij Betuwelijn. De panelenopstelling wordt maximaal 2,2 meter hoog. De zonneweide, samen met de landschappelijke inpassing, zorgt voor een geleidelijke overgang van het stedelijk gebied naar het achterliggende open landschap.
3.4 Regionaal beleid 3.4.1 RES Drechtsteden 1.0 De gemeente Hardinxveld-Giessendam is gelegen in de RES regio Drechtsteden. De RES 1.0 voor de regio Drechtsteden is vastgesteld op 17 mei 2021. In de RES 1.0 zijn de energiedoelstellingen voor voorgenoemde regio vastgelegd. Het doel voor de regio Drechtsteden is om in 2030 0,37 TWh aan duurzame energie op te wekken. Om het doel te halen wordt ingezet op zon op dak, zonnepanelen in restruimten en de grootschalige
Zonneweide Betuwelijn Hardinxveld-Giessendam | Eelerwoude | 32
opwekking van zonne- en windenergie in vier vastgestelde uitwerkingsgebieden. De uitwerkingsgebieden betreffen: • Omgeving rangeerterrein Kijfhoek • Langs de A15 • Langs de A16 • Langs de Betuwelijn In onderstaande figuur is te zien dat het plangebied voor Zonnepark Betuwelijn is gelegen in het zoekgebied langs de Betuwelijn.
Figuur 14: Ligging van het plangebied in uitwerkingsgebied Zon Betuwelijn (Bron: RES 1.0 Drechtsteden)
Zonnevelden met aansluiting aan de Betuwelijn passen in het landschap zonder de openheid aan te tasten. Dit biedt ook kansen om het zicht op de Betuwelijn te verminderen en de overgang tussen stedelijk en groen te verbeteren. Het doel is om 25% van het uitwerkingsgebied in te zetten voor zon, met een opwekking van 0,052 TWh per jaar. Dat betekent dat er verschillende zonnevelden worden gerealiseerd (in totaal 55 hectare) verspreid over het uitwerkingsgebied. Criteria zonneparken langs Betuwelijn Langs het spoor kunnen zonneparken een plek krijgen zonder inbreuk op de groene open ruimte. Met een groene inpassing wordt dan bijgedragen aan de overgang van de stedelijke naar groene ruimte. Om dit te bereiken gelden er een aantal criteria: • De polderstructuur dient in stand te blijven, evenals de bestaande watergangen en groenstructuren. • Zonnevelden dienen tegen de Betuweroute te liggen, mogen niet verder dan halverwege de wetering komen en niet dieper dan 250 meter zijn. • De openheid en zichtlijnen van de polder dienen behouden te blijven. • Zonnevelden dienen groen te worden ingepast, in aansluiting op het landschapstype. • Ontwikkelingen dienen de ecologische waarde in het gebied te verhogen.
Zonneweide Betuwelijn Hardinxveld-Giessendam | Eelerwoude | 33
Daarnaast worden er in de RES voor dit specifieke uitwerkingsgebied verschillende koppelkansen gesignaleerd, zoals de verfraaiing van de uitstraling van de Betuwelijn door zon met groen, versterking van de ecologie, het creëren van recreatieve route, het aanleggen van extra geluidswering en het voorzien in extra waterberging. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het plan draagt bij aan het doel om in 2030 0,37 TWh aan duurzame energie op te wekken. Daarnaast is het plangebied gelegen in het uitwerkingsgebied voor zonnevelden langs de Betuwelijn. Met de landschappelijke inpassing wordt erop toegezien dat de bestaande landschapsstructuren (zoals de watergangen) en openheid van het landschap in stand worden gehouden. Ten aanzien van de landschappelijke inpassing worden daarnaast verschillende maatregelen genomen om de ecologische waarde van het gebied te verhogen. De inpassingsmaatregelen zoals het aanleggen van rietoevers, bieden een aantrekkelijk schuil- en leefgebied voor verscheidene diersoorten. Daarnaast worden er aanvullende maatregelen genomen voor specifieke soorten, zoals het aanleggen van argusvlinderdammen en een poel ten behoeve van de waterberging en als leefgebied voor onder andere de rugstreeppad.
3.5 Gemeentelijk beleid 3.5.1 Structuurvisie Hardinxveld-Giessendam Op 12 januari 2015 is de structuurvisie voor de gemeente Hardinxveld-Giessendam vastgesteld. In de structuurvisie gaat de gemeente Hardinxveld-Giessendam kort in op het opwekken van duurzame energie. De gemeente wil duurzaamheidsprojecten mede afwegen op basis van de landschappelijke impact. Initiatieven op het gebied van duurzaamheid kunnen namelijk een grote mate impact hebben op de ruimtelijke kwaliteit. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Met het landschappelijk inpassingsplan wordt erop toegezien dat het geheel zo min mogelijk impact heeft op de bestaande kwaliteiten van het landschap en wordt daarnaast ingezet op het versterken van de landschappelijke en ecologische kwaliteiten van het plangebied (zie ook het landschappelijk inpassingsplan in bijlage 1). Hiermee is het initiatief in overeenstemming met de structuurvisie van de gemeente HardinxveldGiessendam.
Zonneweide Betuwelijn Hardinxveld-Giessendam | Eelerwoude | 34
4 Waardentoets 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de impact van de ontwikkeling op de verschillende waarden beschreven. Hieronder vallen flora & fauna, archeologie, cultuurhistorie en water. Er wordt beschreven wat er is onderzocht en welke resultaten hieruit zijn gekomen. Vervolgens wordt hier een conclusie uit getrokken met betrekking tot de ontwikkeling.
4.2 Natuurwaarden De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. De voorgenomen ontwikkeling is getoetst aan de Wet natuurbescherming. Hiertoe is door Eelerwoude een Toetsing Wet natuurbescherming uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage toegevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing. De belangrijkste resultaten van het onderzoek zijn hieronder beschreven.
4.2.1 Soortenbescherming Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten, waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Het betreft soorten als gewone pad, bastaardkikker, bruine kikker, kleine watersalamander, haas, konijn, mol en diverse algemene (spits)muizensoorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke en plaatselijke verstoring, er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Gedurende de werkzaamheden en exploitatiefase wordt te allen tijde de Algemene Zorgplicht in acht genomen. Soorten waarvoor géén provinciale vrijstelling geldt Voor zowel voor de ringslang, marterachtigen, poelkikker als rugstreeppad geldt dat binnen het plangebied geen geschikte biotoop en/of essentieel leefgebied aanwezig is. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen (periode van 1 maart tot 15 juli) uit te voeren. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord.
Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Zonneweide Betuwelijn Hardinxveld-Giessendam | Eelerwoude | 35
In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen (periode van 1 maart tot 15 juli) uit te voeren. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Grote modderkruiper Ten aanzien van streng beschermde vissen zoals de grote modderkruiper zijn negatieve effecten te voorkomen door bij werkzaamheden aan de watergangen te werken buiten de kwetsbare voortplantingsperiode uit te voeren en in één richting te werken. Heikikker, poelkikker en platte schijfhoren Ten aanzien van de heikikker is aanvullend onderzoek aan de orde om uit te wijzen of het plangebied een (essentiële) functie heeft voor de soort. De heikikker is opgenomen als soort in artikel 3.5, onderdeel Habitatrichtlijn. Het doden maar ook het opzettelijk verstoren van de soort valt bij ruimtelijke ontwikkelingen onder de verbodsbepaling. Op basis van de beschikbare informatie en na overleg met de omgevingsdienst Zuid Holland Zuid kon geen uitsluitsel worden gegeven over de betekenis van het plangebied voor heikikker, poelkikker, rugstreeppad, kleine modderkruiper, grote modderkruiper, bittervoorn en platte schijfhoren.
Als het plangebied geschikt is voor heikikker, poelkikker, rugstreeppad, grote modderkruiper of platte schijfhoren kan naar het oordeel van het bevoegd gezag een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn. Om uitsluitsel te kunnen geven over de betekenis van het plangebied voor deze soorten is in 2023 nader onderzoek uitgevoerd door Waardenburg Ecology. Dit onderzoek heeft als doel de eventuele functie(s) van het plangebied voor beschermde soorten in kaart te brengen en mogelijke effecten op deze soorten te toetsen in het kader van de Wet natuurbescherming (gebieden- en soortenbescherming). Uit het onderzoek kwam naar voren dat heikikker, poelkikker en platte schrijfhoren aanwezig kunnen zijn op het perceel of in de watergangen en/of verstoord kunnen worden door de werkzaamheden voor de bouw van het zonnepark. De belangrijkste aanbevolen maatregelen voor de betreffende diersoorten zijn aanleg van natuurcompensatie in de oostelijke punt en het plaatsen van een amfibiënscherm ten behoeve van afvangen en verplaatsen van amfibieën tijdens de bouw. Voor broedvogels geldt dat, als deze aanwezig mochten zijn, er gewerkt kan worden binnen het broedseizoen indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord.
In het separaat bijgevoegde rapport ‘Activiteiten en nader ecologische onderzoek Zonnepark Betuwelijn’ is meer informatie rondom het vervolgonderzoek te vinden. Separaat bijgevoegd is ook de aanvraag voor de ontheffing Wet natuurbescherming. Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld door de dieren te verplaatsen naar een ander gebied. Bij werkzaamheden aan de watergangen rond het gebied betreft dit bijvoorbeeld het werken in één richting, zodat individuen zich kunnen verplaatsen naar ruimte buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Zonneweide Betuwelijn Hardinxveld-Giessendam | Eelerwoude | 36
4.2.2 Gebiedsbescherming Niet-stikstofgerelateerde effecten In de directe omgeving van het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstofgerelateerde effecten Een AERIUS-berekening is noodzakelijk om de uitstoot en depositie van stikstof, en de gevolgen daarvan op de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden, te bepalen.
4.2.3 Bescherming houtopstanden Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.
4.2.4 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied en omliggende gebied maakt geen onderdeel uit van het NNN. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Van afname van areaal is geen sprake. Tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
4.2.5 Conclusie Mits rekening gehouden wordt met de voorgenoemde maatregelen en werkwijze is geen overtreding van de natuurwetten en natuurbeleid aan de orde. Ten aanzien van de heikikker is aanvullend onderzoek aan de orde om uit te wijzen of het plangebied een (essentiële) functie heeft voor de soort. Vervolgonderzoek is reeds in gang gezet en zal van april t/m juli 2023 lopen. De ontheffing zal aangevraagd worden voorafgaand aan de omgevingsvergunning. De rapportage van het vervolgonderzoek en het activiteitenplan zullen aangeleverd worden zodra beschikbaar. De rapportage van het vervolgonderzoek en het activiteitenplan zullen bijgevoegd worden bij de aanvraag omgevingsvergunning. Deze aanpak is besproken met en akkoord voor de toetsende instantie (omgevingsdienst Haaglanden).
4.3 Archeologie Aardkundige, archeologische en cultuurhistorische waarden moeten zoveel mogelijk worden behouden. Op basis van het verdrag van Malta en de wet op de archeologische monumentenzorg is het uitgangspunt gesteld om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en maatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. De verstoorder van de bodem is verantwoordelijk voor het behoud van de archeologische resten. Daar waar behoud ter plekke niet mogelijk is, betaalt de verstoorder het archeologisch onderzoek en de mogelijke opgravingen. Voor ruimtelijke plannen die archeologische waarden bedreigen, moeten betrokken partijen in beeld brengen welke archeologische waarden in het geding zijn. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Zonneweide Betuwelijn Hardinxveld-Giessendam | Eelerwoude | 37
Uit de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Hardinxveld-Giessendam blijkt dat er in het plangebied (zeer) hoge archeologische waarden (o.a. twee AMK tereinen) aanwezig zijn.
Figuur 15: Ligging van (zeer) hoge archeologische waarden in het plangebied
Ten behoeve van voorliggend plan is door Vestigia een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. In het onderzoek is bekeken of de bodemingrepen als gevolg van de aanleg van de zonneweide voor disproportionele verstoringen in de ondergrond zorgen. Er zijn verschillende bodemingrepen te onderscheiden: het slaan van de funderingspalen voor de panelen en het hek, de aanleg van een inkoopstation, transformator en het ingraven van de kabels. In het archeologisch vooronderzoek is het verstoringsoppervlak in percentages berekend. Voor de funderingspalen van de panelen is het verstoringsoppervlak circa 0,05% en voor de palen van het hekwerk geldt dat het verstoringsoppervlak circa 0,03% bedraagt. Het inkoopstation en transformatorstation zorgen samen voor een oppervlak van circa 0,14%. Tot slot bedragen de in te graven kabels een oppervlak van circa 0,3%. In totaal is het verstoringsoppervlak van alle bodemingrepen dus circa 0,52%. In Nederland wordt een verstoringsgraad van minder dan 2% als acceptabel gezien vanuit het perspectief van de archeologische monumentenzorg. Hoewel de exacte plannen nog niet bekend zijn, en enkele van de bovengenoemde genoemde maten indicatief zijn, is het zeker dat deze acceptatiegrens niet zal worden overschreden.
Als het gaat om de mogelijke risico’s ten aanzien van de verstoring van archeologisch relevante lagen in ondergrond, is het daarnaast van belang te letten op de diepte tot waar verschillende soorten bodemingrepen reiken. Geconcludeerd kan worden dat de verstorende werkzaamheden (tot 2,0 m-mv - met een buffer van 30 centimeter: 2,3 m-mv) het bekende archeologisch relevante niveau (de donken, vanaf 3 m-mv) niet zullen bereiken. Het perceel is daarnaast bij de aanleg van de Betuwelijn al uitgebreid in kaart gebracht. Deze eerdere kartering, gecombineerd met het feit dat er geen ingrepen beneden 3 meter vanaf het maaiveld wordt uitgevoerd, maken dat de kans op archeologische verstoring minimaal is. Gezien het voorgenoemde wordt vervolgonderzoek niet benodigd geacht. Zonneweide Betuwelijn Hardinxveld-Giessendam | Eelerwoude | 38
4.4 Cultuurhistorische waarden Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, ook cultuurhistorische waarden in het projectgebied worden meegewogen bij een afwijkingsbesluit in het kader van de Wro. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De provincie Zuid-Holland beschikt over een cultuurhistorische atlas. Op de kaart is te zien dat aan (de omgeving van) het plangebied verschillende waarden zijn toegekend. Zo wordt de Giessendamse Tiendweg gekenmerkt als een historisch-landschappelijke lijn van zeer hoge waarde. Deze waarde wordt toegekend aan zeldzame lijnelementen, zoals tiendwegen. Hoewel men vanaf de Giessendamse Tiendweg wel zicht heeft op het plangebied, is deze niet gelegen in het plangebied. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de cultuurhistorische waarden van deze tiendweg dan ook niet aangetast. Daarnaast wordt het plangebied in de cultuurhistorische atlas gekenmerkt als veenontginning van redelijk hoge waarde. Door de komst van de Betuwelijn is het karakteristieke slagenlandschap op deze locatie echter verdwenen. Daarnaast heeft de Betuwelijn de beleving vanuit de Tienweg wezenlijk beïnvloed. Zodoende is de cultuurhistorie op deze locatie al grotendeels verloren gegaan.
De komst van de zonneweide zorgt er voor dat het zich op de Betuwelijn deels wordt weggenomen, waardoor het uitzicht vanaf de Tienweg wordt verzacht en er een geleidelijke overgang ontstaat van de stedelijke omgeving naar het karakteristieke slagenlandschap ten noorden van het plangebied. Het plan wordt voor wat betreft cultuurhistorische waarden dan ook uitvoerbaar geacht.
Figuur 16: Uitsnede cultuurhistorische atlas Zuid-Holland ter plaatse van het plangebied (blauw omlijnd)
4.5 Water De toelichting van een omgevingsvergunning dient, conform artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening, een beschrijving te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op het voor dit plan relevante
Zonneweide Betuwelijn Hardinxveld-Giessendam | Eelerwoude | 39
waterbeleid. Vervolgens is de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie van het projectgebied beoordeeld. Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel) stroomgebied beheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Er wordt gewerkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.
Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. • We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. • Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Waterschap Rivierenland Waterschap Rivierenland heeft het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld in 2021. In dit plan licht het waterschap de doelen en ambities voor deze periode. Daarnaast gaat de organisatie in op de aanpak van deze doelen en welke maatregelen nodig zijn om deze te behalen.
Het waterbeheerprogramma is de tactische vertaling van de watervisie 2050, het strategisch kader voor de langere termijn. Dit resulteert in een aantal principes om belangen af te wegen, opgaven te prioriteren en heldere beleidskeuzes te maken richting 2050. Dit zijn: • De natuurlijke kenmerken van de ondergrond vormen het uitgangspunt van het werk van het waterschap. • Water is bepalend voor de inrichting van het gebied. • We zijn zuinig op water en grondstoffen. • Bescherming van het gebied tegen overstromingen is de focus. • We pakken uitdagingen op binnen deze generatie en wentelen niet af. • Waterbeheer van de toekomst: we maken maatschappelijk verantwoorde keuzes. • Met elkaar zorgen voor een toekomstbestendig rivierengebied.
Zonneweide Betuwelijn Hardinxveld-Giessendam | Eelerwoude | 40
Met bovenstaande principes werkt het waterschap aan veilige daken en een evenwichtig watersysteem. De doelen en principes vinden onder andere een concretere doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap: de Keur, Legger, stimuleringsmiddelen en communicatie. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen, behorende bij de regels van de Keur, vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.
Figuur 17: Uitsnede legger Waterschap Rivierenland
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De leggerkaart is geraadpleegd (zie Figuur 15). Het plangebied wordt geheel omgeven door een A-watergang. A-watergangen zijn in eigendom en beheer van het waterschap en langs de watergangen liggen beschermingszones. Deze dienen vrijgehouden te worden voor onderhoud en beheer aan watergangen. In voorliggend plan worden, in overleg met het waterschap, aan de noordzijde droge rietoevers ingericht. Deze rietoevers aan de noordzijde worden beheerd door Novar. De beschermingszones blijven echter bereikbaar voor het waterschap. Om overtollig water op het perceel af te voeren en overlast te voorkomen, wordt ondiepe drainage op circa 40cm diepte aangelegd. Deze wordt aangelegd onder de huidige greppels (welke worden gedempt) met een afvoer naar de watergang rondom het plangebied. Door de drainage is de ondergrond geschikt voor de plaatsing van panelen en het (met de grondeigenaar en gemeente afgesproken) agrarisch medegebruik. Daarnaast wordt bij de ingang van het park een nieuwe duiker aangelegd, zodat de zonneweide via deze weg goed toegankelijk is voor hulpdiensten zoals brandweervoertuigen. Het waterschap is middels een watertoets op de hoogte gesteld van het plan. Zonneweide Betuwelijn Hardinxveld-Giessendam | Eelerwoude | 41
Watertoets Op 9 maart 2023 is voor de beoogde ontwikkeling afstemming gezocht met Waterschap Rivierenland door middel van het uitvoeren van de digitale watertoets. Uit de watertoets is gebleken dat de normale procedure van toepassing is. Watervergunning Ten behoeve verschillende werkzaamheden die benodigd zijn voor de aanleg van het zonnepark wordt door Novar een vergunning aangevraagd. Hierbij gaat het onder andere om de aanleg van een duiker bij de ingang van het park, aanpassingen aan duikers, het plaatsen van een hekwerk op de duikers, het aanleggen van een inrit/verharding en bijbehorende verhardingscompensatie.
Zonneweide Betuwelijn Hardinxveld-Giessendam | Eelerwoude | 42
5 Milieuaspecten 5.1 Inleiding Nieuwe initiatieven hebben te maken met milieuaspecten. Een aantal van deze milieuaspecten zijn ruimtelijk relevant. In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op: • Bodem. • Geluid. • Luchtkwaliteit. • Externe veiligheid. • Bedrijven en milieuzonering. • Verkeer en parkeren. • Vormvrije m.e.r.-beoordeling. • Kabels en leidingen. • Elektromagnetische straling. • Lichtreflectie
5.2 Bodem Sinds 1 januari 2008 is in het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) vastgelegd hoe we in Nederland omgaan met het hergebruik van schone en licht verontreinigde grond en de bescherming van de bodem. Bij de verlening van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan moet worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Om de bodemkwaliteit binnen het plangebied te bepalen is de kaart uit het online bodemloket gebruikt. Op deze kaarten zijn gebieden aangewezen waar (mogelijk) sprake is geweest van bodemverontreiniging. Ook is informatie van uitgevoerde bodemonderzoeken te raadplegen. Op deze kaart is te zien dat de bodemkwaliteit op enkele plaatsen al is onderzocht. Daarnaast is op een zeer klein vlak binnen het plangebied nader onderzoek benodigd in verband met de demping van puin, bouw- en/of sloopafval in het verleden. Hoewel een zonnepark geen gevoelig object is en hier in principe geen onderzoek voor noodzakelijk is, wordt wel een 0-meting uitgevoerd voorafgaand aan de bouw, om de huidige waarden en waarden na de exploitatie van de zonneweide in kaart te brengen.
Zonneweide Betuwelijn Hardinxveld-Giessendam | Eelerwoude | 43
Figuur 18: Uitsnede kaart bodemloket ter plaatse van het plangebied (rood omlijnd)
5.3 Geluid Voor de beoordeling van het onderdeel geluid moet in algemene zin aan de volgende drie punten worden voldaan: • de normen uit de Wet geluidhinder worden in acht genomen; • bedrijven in de omgeving worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd; • op en rond het projectgebied blijft sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wet geluidhinder Per 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder (Wgh) in werking getreden. Hierin staat dat bij nieuwe ruimtelijke plannen inzichtelijk moet worden gemaakt welke geluidsbronnen in het gebied aanwezig zijn en wat de geluidsbelasting is voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zoals onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij nieuwe ruimtelijke plannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai. Artikel 76 Wgh stelt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een geluidzone de grenswaarden uit de Wgh in acht genomen moeten worden wat betreft de geluidsbelasting van de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Een zonnepark is geen geluidgevoelige functie. Met de realisatie van de zonneweide worden ook geen geluidgevoelige functies aangebracht, waardoor de zonneweide zelf geen bescherming tegen geluidsoverlast vereist.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden de richtafstanden uit de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ aangehouden. Voor transformatorstations met een vermogen minder dan 10 MVA geldt een richtafstand van 30 meter voor geluid. Transformatorstations met een vermogen tot 100 MVA geldt een richtafstand van 50 meter. Binnen de zonneweide worden vier transformatorstations van 2 MVA en een inkoopstation geplaatst. De dichtstbijzijnde woning (Zwijnskade 10) is gelegen op een afstand van circa 200 meter. De technische installaties worden dus op minimaal 200 meter gerealiseerd vanaf de dichtstbijzijnde woningen, waardoor er Zonneweide Betuwelijn Hardinxveld-Giessendam | Eelerwoude | 44
geen sprake zal zijn van geluidshinder door de installaties in de zonneweide. Een goed woon- en leefklimaat voor het aspect geluid kan worden gegarandeerd.
5.4 Lichtreflectie Een zonnepark bestaat onder andere uit de realisatie van pv-panelen, welke het zonlicht opvangen. Hierdoor is het mogelijk dat het zonlicht zorgt voor schittering van de pv-panelen. Indien er sprake is van schittering door de pv-panelen, dan is dat op moment dat de zonnestralen zo erg reflecteren op de pv-panelen, dat de lichtweerkaatsing in het oog waargenomen kan worden. Voor de lichtweerkaatsing zijn twee soorten licht, welke gereflecteerd kunnen worden. Dit betreffen direct licht en diffuus licht. Direct licht wordt al meest hinderlijk ervaren, doordat direct bestaat uit zonlicht welke niet weerkaatst of afgebogen wordt. Bij reflecties van direct licht kan de schittering, ondanks de beperkte kans, in een uiterst geval zorgen voor verblinding. Diffuus licht is licht dat is verstrooid, doordat het bijvoorbeeld door wolken heen schijnt. Het licht komt hierbij niet uit één plek. Verblinding door diffuus licht is zeer onwaarschijnlijk. Het licht dat weerkaats wordt heeft altijd dezelfde uitgaande hoek als ingaande hoek. Hierdoor zijn factoren, zoals hoogte, oriëntatie en de hellingshoek van de pv-panelen van belang voor de lichtweerkaatsing. Daarnaast zijn ook de locatie van de waarnemer en de hoogte en hoek van de zon relevant voor de lichtweerkaatsing.
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling In januari 2023 is door ROM3D een onderzoek uitgevoerd om de schittering te bepalen voor machinisten op de Betuwelijn (zie separate bijlage). In het onderzoek werd geconcludeerd dat op de Betuwelijn door machinisten hinderlijke reflectie kan worden waargenomen. Deze reflectie is alleen waar te nemen in de avonduren in westelijke rijrichting, van half maart tot eind september. Afhankelijk van de maand vindt dit plaats tussen 17.00 uur en 21.00 uur (zomertijd). Het enige sein langs het spoor is een stop marker board. Deze geldt voor machinisten in oostelijke rijrichting. In deze rijrichting blijft de reflectie binnen de gestelde overschijningsnormen zoals gesteld door ProRail. De zonneweide voldoet daarmee aan de door ProRail gestelde randvoorwaarden. Door Novar is echter het initiatief genomen om een vervolgonderzoek te doen naar wat deze mogelijke lichtreflectie betekent voor de machinisten op het tracé langs het zonnepark.
5.5 Luchtkwaliteit Het wettelijk kader met betrekking tot de luchtkwaliteit is sinds 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) en in de algemene maatregel van bestuur: ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). Om te berekenen of de ontwikkeling met het aantal verkeersbewegingen een negatieve impact heeft op de luchtkwaliteit, is er een NIBM-tool ontwikkeld. In titel 5.2 van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geregeld. In dit programma staat onder andere beschreven wanneer en hoe overschrijding van luchtkwaliteitsnormen moet worden aangepakt. In het programma wordt rekening gehouden met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen die binnen het programma passen hoeven niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Op grond van de NIBM-tool is een ontwikkeling ‘in betekende mate’ bij een toename van het aantal verkeersbewegingen met ruim 800 per dag (met 5% aandeel vrachtverkeer). In de voorgenomen ontwikkeling wordt een zonnepark gerealiseerd. Dit leidt niet tot een sterke toename van het aantal verkeersbewegingen. Tijdens de bouwperiode neemt het aantal verkeersbewegingen tijdelijk toe, maar blijft ruimschoots onder de 800 per dag.
Gedurende de exploitatiefase neemt het aantal verkeersbewegingen weer af en beperkt tot het Zonneweide Betuwelijn Hardinxveld-Giessendam | Eelerwoude | 45
beheer en onderhoud van de zonneweide. Hiermee leidt de ontwikkeling niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit én kan de ontwikkeling niet als ‘niet in betekenende mate’ worden gezien. Op basis hiervan wordt gesteld dat nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit niet noodzakelijk is.
5.6 Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over de risico's voor de omgeving ten gevolge van een ongeval bij de productie, opslag en het transport van gevaarlijke stoffen en de kans dat hierbij dodelijke slachtoffers vallen. In het geval van een ruimtelijke plan dient het milieuaspect externe veiligheid onderzocht te worden. Het plan voornemen kan risicobronnen in het kader van externe veiligheid mogelijk maken en of bestaande risicobronnen kunnen invloed hebben op het plan. Deze risico's moeten worden beschouwd om te onderzoeken of het planvoornemen voldoet aan de geldende normen. Beleidskader Het landelijke beleidskader valt uiteen in verschillende besluiten en regelingen voor de verschillende type risicobronnen. Risicobronnen in het kader van Externe veiligheid zijn inrichtingen (bedrijven met gevaarlijke stoffen), infrastructuur zoals auto-, spoor- of vaarwegen, en buisleidingen voor het transport van aardgas. • Voor inrichtingen (bedrijven) wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). • Voor transportroutes over de weg, het water en het spoor wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). • Voor buisleidingen wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). • Daarnaast is in sommige gevallen het Activiteitenbesluit milieubeheer en/of het Vuurwerkbesluit van toepassing.
Toetsingskader Externe veiligheid (geldt voor Bevi, Bevt en Bevb) maakt onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. • Het plaatsgebonden risico kan beperkingen opleggen voor de bouw van (beperkt) kwetsbare objecten. Zoals woningen, kantoren en andere gebouwen waarin personen aanwezig zijn. Voor het bouwen van kwetsbare objecten geldt de plaatsgebonden risicocontour van 1*10-6 per jaar als grenswaarde. • Het groepsrisico is de kans dat een groep mensen komt te overlijden in de omgeving van een risicobron. Door de ontwikkeling van een planvoornemen kan het groepsrisico van de risicobron toenemen. Het groepsrisico wordt bepaald voor zowel de huidige situatie als de situatie na ontwikkeling van het planvoornemen. Het groepsrisico wordt weergegeven ten opzichte van de oriëntatiewaarde. • Wanneer sprake is van een toename van het groepsrisico (een verhoging ten opzichte van de oriëntatiewaarde tussen bestaande situatie en toekomstige situatie) is het bevoegd gezag conform de bovengenoemde besluiten (Bevi, Bevt en Bevb) verplicht het groepsrisico in meer of mindere mate te verantwoorden. In de verantwoording groepsrisico motiveert het bevoegd gezag hoe om te gaan met de risico's ten gevolge van externe veiligheid. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Allereerst kan een zonnepark niet worden aangemerkt als risicovol, kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object.
Om te controleren of er in het plangebied of de nabijheid daarvan risicobronnen aanwezig zijn is volledigheidshalve de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat er binnen het plangebied geen risico’s aanwezig zijn. In de nabijheid van het plangebied zijn onder andere een gasleiding (circa 150 meter) en hoogspanningslijnen (circa 120 en 270 meter) aanwezig. Hiervoor gelden veiligheidszones, welke ook in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Beide (zowel de gasleiding als hoogspanningslijnen) zijn echter op een Zonneweide Betuwelijn Hardinxveld-Giessendam | Eelerwoude | 46
dusdanige afstand gelegen dat deze geen risico vormen voor het plangebied. Daarnaast kent het spoortraject van de Betuwelijn een PAG (plasbrandaandachtsgebied) indicatie. Dit is een gebied van 30 meter parallel aan weerszijden van de transportroute waarover grote hoeveelheden zeer brandbare vloeistoffen worden vervoerd. Ten opzichte van de panelen kan een afstand van 30 meter aan worden gehouden.
Figuur 19: Uitsnede risicokaart ter plaatse van het plangebied
Bij de zonneweide kan brand een mogelijk risico zijn. Binnen de zonneweide worden hiervoor verschillende voorzieningen getroffen. Zo wordt een bluswatervoorziening gerealiseerd. Daarnaast worden er voor de brandveiligheid meerdere blusputten gerealiseerd bij de ingang en langs het onderhoudspad. Deze kennen opstelplaatsen voor de hulpdiensten. Elke opstelplaats dekt een gebied met een 60 meter radius (zoals voorgeschreven door de veiligheidsregio). Bij calamiteiten is het park ook van twee kanten bereikbaar via de duikers aan de zuidzijde en zuidoostzijde (calamiteitenpad van ProRail). Daarmee wordt het plan voor wat betreft de externe veiligheid uitvoerbaar geacht.
5.7 Bedrijven en milieuzonering In zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid is het behouden en bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu een belangrijke doelstelling. Milieuzonering is hiervoor een belangrijk instrument. Milieuzonering betreft het aanbrengen van voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen, en anderzijds milieugevoelige functies zoals wonen en recreëren. Meestal bestaat deze ruimtelijke scheiding uit het houden van een bepaalde afstand tussen deze milieubelastende en milieugevoelige functies. De grootte van de onderlinge afstand is afhankelijk van de mate van milieubelasting: een hogere belasting leidt tot een grotere afstand tussen de verschillende functies. Milieuzonering heeft twee doelen: • Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies. • Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Zonneweide Betuwelijn Hardinxveld-Giessendam | Eelerwoude | 47
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in eerste instantie doorgaans de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd, waarin richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zijn opgenomen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Binnen de zonneweide worden technische installaties, zoals transformators, omvormers en een inkoop geplaatst. In de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' valt de voorgenomen ontwikkeling onder de categorie 'elektriciteitsdistributiebedrijven met transformatorvermogen tussen de 10 en 100 MVA'. De grootste richtafstand is die van geluid en bedraagt 50 meter. Voor de omvormers is de vergelijking gemaakt met de activiteit 'elektriciteitsdistributiebedrijven met transformatorvermogen tot 10 MVA'. Voor deze activiteit is in de richtafstanden tabel voor het aspect geluid 30 meter. Voor de benodigde technische installaties wordt een richtafstand voor geluid aangehouden van 50 meter. De dichtstbijzijnde woning (Zwijnskade 10) is gelegen op een afstand van circa 200 meter. Het aspect milieuzonering levert geen belemmeringen op voor de ontwikkeling.
5.8 Verkeer en parkeren De realisatie van zonnepark Betuwelijn leidt niet tot een significante toename in verkeer. Enkel gedurende de aanleg- en ontmantelingsfase zal er tijdelijk een toename zijn van het aantal verkeersbewegingen. Tijdens de looptijd van de zonneweide beperkt het extra verkeer zich tot het beheer en onderhoud van de zonneweide. Dit beperkt zich tot een aantal keer per jaar. De zonneweide wordt ontsloten aan het Betuwepad, aan de zuidzijde van het plangebied. Binnen het plangebied is voldoende ruimte om te parkeren ten tijde van onderhoud.
5.9 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, ook wel genoemd de 'vergewisplicht'. Het komt erop neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst, deze aangeeft of er voor activiteiten en projecten beoordeeld moet worden of er een m.e.r. gemaakt moet worden. Voor projecten of activiteiten die beneden de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: o belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.
beoordeling noodzakelijk; o belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.’ De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: o de kenmerken van het project; o de plaats van het project; o de kenmerken van de potentiële effecten. Zonneweide Betuwelijn Hardinxveld-Giessendam | Eelerwoude | 48
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het project maakt een (tijdelijke) functiewijziging naar een zonnepark mogelijk. Dergelijke ontwikkelingen zijn geen onderdeel van de D-lijst van het Besluit m.e.r. Een m.e.r.-beoordeling of vormvrije m.e.r. is niet benodigd voor het voorgenomen plan. Uit jurisprudentie1F5 is gebleken dat een zonnepark niet kan worden aangemerkt als een ‘industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water’ (cat. D 22.1), omdat een zonnepark geen thermische (verbrandings)installatie betreft. In een zonnepark wordt immers geen thermische energie opgewekt of gebruikt voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water, maar wordt stralingsenergie (zonlicht) rechtstreeks omgezet in elektrische energie. Daarnaast is uit diezelfde uitspraak gebleken dat een zonnepark evenmin kan worden aangemerkt als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (cat. D 11.2). Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Een zonnepark kan naar het oordeel van de Afdeling niet gelijk worden gesteld met dergelijke ontwikkelingen. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de gevolgen voor het milieu van een zonnepark in de kern beperkt zijn tot visuele hinder en landschappelijke aantasting.
5.10
Kabels en leidingen
Ten behoeve van het plan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse kabels en planologisch relevante leidingen. Ten westen van het perceel is een hoogspanningsmast aanwezig. Het plangebied ligt echter buiten de veiligheidszone (2x24 meter vanuit het hart van de lijnen). In de meest westelijke punt van het park ligt wel een veiligheidszone van Tennet waar geen gevoelige objecten mogen worden geplaatst. Van dergelijke objecten is bij een zonnepark echter geen sprake, waardoor deze veiligheidszone geen belemmering vormt. Daarnaast ligt in de westelijke punt van de zonneweide eveneens een drinkwaterleiding van Oasen. Deze leiding kent een vrijwaringszone van 5 meter aan beide zijden. In het inrichtingsplan is hier rekening mee gehouden door de realisatie van een groene zone. Door deze groene zone is de afstand van installaties als omvormers en kabels met een mogelijke elektromagnetische werking tot de drinkwaterleiding aanzienlijk (30 meter of meer). Voorafgaand aan de uitvoering wordt desondanks samen met Oasen een plan van aanpak opgesteld, om te voorkomen dat er negatieve effecten op de drinkwaterleiding ontstaan.
5.11
Conclusie
In dit hoofdstuk zijn alle relevante milieuaspecten beschreven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen milieubelemmeringen met zich meebrengt.
6 Uitvoerbaarheid 6.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke, maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan omschreven.
Zonneweide Betuwelijn Hardinxveld-Giessendam | Eelerwoude | 49
6.2 Ruimtelijke uitvoerbaarheid In de voorgaande hoofstukken is omschreven op welke manier het voorgenomen plan past binnen het relevante gemeente-, regionale en landelijke overheidsbeleid. Ook is het plan getoetst aan de verschillende waarden en milieuaspecten. Hieruit is gebleken dat er voor de uitvoering van het project geen ruimtelijke en milieukundige belemmeringen zijn. Op dit aspect is het project dan ook uitvoerbaar.
6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.3.1 Omgevingsproces Novar en betrekt vanaf het begin de omgeving en belanghebbende organisaties, zoals het waterschap, Gemeente Hardinxveld-Giessendam en de Veiligheidsregio, om voorliggend plan beter te maken. Het omgevingsproces wordt in paragraaf 2.3.7 en in het separaat bijgevoegde participatieplan toegelicht.
6.3.2 Vooroverleg In het kader van artikel 3.1.1 Bro wordt het plan voorgelegd aan de vooroverlegpartners, waaronder: Het Rijk Geoordeeld is dat dit ruimtelijke plan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Zuid-Holland Het plan wordt voor vooroverleg, als bedoeld in artikel 3.1.1. Bro, toegezonden aan de provincie Zuid-Holland. Waterschap Rivierenland Waterschap Rivierenland is middels de digitale watertoets op de hoogte gesteld van het plan.
6.3.3 Zienswijzen De ontwerp omgevingsvergunning wordt voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. Na deze termijn wordt het resultaat van de terinzagelegging in deze ruimtelijke onderbouwing weergegeven.
6.4 Economische uitvoerbaarheid 6.4.1 Kostenverhaal gemeente Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat er geen exploitatieplan wordt vastgesteld, indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. Zodoende zal Novar een planschadeovereenkomst sluiten met de gemeente Hardinxveld-Giessendam. Dit is met de gemeente besproken. De gemeente zal de planschadeovereenkomst toesturen na indiening vergunning. Hierin is het risico van planschade opgenomen, zodat het kostenverhaal voor de gemeente Hardinxveld-Giessendam volledig is verzekerd.
Zonneweide Betuwelijn Hardinxveld-Giessendam | Eelerwoude | 50
6.4.2 Financiering zonnepark De realisatie van Zonnepark Betuwelijn doen de initiatiefnemers voor eigen rekening en risico. Ook is er met de huidige energiemarkt SDE++ subsidie noodzakelijk, die kan worden aangevraagd nadat een omgevingsvergunning voor de realisatie van de zonneweide is verleend.
Zonneweide Betuwelijn Hardinxveld-Giessendam | Eelerwoude | 51