CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Notitie delegatie adviesrecht en participatieplicht.pdf

Gemeenteraad (De Ontmoeting) GHG 15 september 2022, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 5: Omgevingswet - proces buitenplanse omgevingsplanactiviteit met bindend adviesrecht (presentatie)10.914 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

daarmee te vergelijken ruimtelijk kader bestaat dat is vastgesteld door de gemeenteraad; of b) het gaat om woningbouwprojecten (met inbegrip van verbouw) in bestaand stedelijk gebied, waarbij het aantal woningen per project met niet meer dan 15 toeneemt, met inbegrip van daarbij behorende bouwwerken en overige daartoe behorende voorzieningen; of c) het gaat om de (ver)bouw van maatschappelijke voorzieningen of recreatieve voorzieningen in bestaand stedelijk gebied, waarbij de brutovloeroppervlakte aan voorzieningen met niet meer dan 1500 m² toeneemt, met inbegrip van de daarbij behorende bijgebouwen en andere voorzieningen; of d) het gaat om de (ver)bouw van commerciële voorzieningen (o.m. winkels, kantoren, bedrijfsruimten) als gevolg waarvan de brutovloeroppervlakte aan voorzieningen met niet meer dan 1000 m² toeneemt, met inbegrip van daarbij behorende bijgebouwen en andere voorzieningen; of e) het gaat om de aanleg van nieuwe en de aanpassing van bestaande lokale wegen waterinfrastructuur en niet-structuurbepalende groenvoorzieningen; f) het gaat om een kleinschalig project. In het bestaand stedelijk gebied zijn ruimere uitzonderingen van toepassing. In de eerste plaats geldt ook hier dat projecten die passen binnen reeds vastgestelde ruimtelijke kaders zonder advies van de gemeenteraad vergund kunnen worden.

In de tweede plaats geldt een uitzondering voor woningbouwprojecten met maximaal 15 woningen. De gemeente Hardinxveld-Giessendam heeft zich tot taak gesteld om binnenstedelijk woningbouw te (laten) realiseren. Deze woningbouwplannen komen veelal voort uit bestaande beleidsdoelstellingen en kunnen daarom zonder nadere heroverweging, op basis van deze lijst, worden gerealiseerd. In de derde plaats kunnen maatschappelijke en recreatieve voorzieningen tot een oppervlakte van 1500 m2 zonder heroverweging door het college worden vergund. Het gaat om ontwikkelingen in het maatschappelijk belang en met een betrekkelijk geringe impact op de omgeving. In de vierde plaats is ook voor commerciële voorzieningen tot 1000 m2 is een advies van de gemeenteraad niet nodig, omdat de stedenbouwkundige hoofdstructuur niet in het gedrang komt. In de vijfde plaats wordt een uitzondering gemaakt voor de aanpassing van de openbare ruimte en in het bijzonder de optimalisatie van de verkeersafwikkeling, het oppervlaktewaterbeheer en openbare groenvoorzieningen. Deze ontwikkelingen vinden plaats in het kader van het algemeen belang en komen veelal voort uit sectoraal raadsbeleid. Deze uitzondering heeft uitsluitend betrekking op lokale infrastructurele voorzieningen, zoals lokale wegen. Ten slotte kunnen kleinschalige projecten zelfstandig door het college van burgemeester en wethouders worden vergund.

Als kleinschalig project wordt aangewezen: 1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf, b. de oppervlakte niet meer dan 150 m2;

24

2. een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat subonderdeel genoemd eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 5 m, en b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²; 3. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 10 m, en b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²; 4. een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw; 5. een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m; 6. een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998; 7.

een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen; 8. het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied; 9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen; 10. het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Omgevingswet aan een bestaande woning gestelde eisen; b. de bewoning niet in strijd is Omgevingswet gestelde regels,

25

met

de

bij

of

krachtens

de

c. de bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en d. de bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was; 11. ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar. Bij de aanwijzing als kleinschalig project geldt het volgende: 1. Het aantal woningen blijft gelijk, behalve in het geval bedoeld in onderdeel: a. 1, voor zover het betreft huisvesting in verband met mantelzorg b. 9, c. 11. 2. Onderdeel 9 en 11 is niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in kolom 2 of kolom 3 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. 3. Onder een infrastructurele of openbare voorziening wordt bedoeld een gebouw ten behoeve van een nutsvoorziening, de waterhuishouding, het meten van de luchtkwaliteit, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer. 4. Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing. 5.

Tenzij anders bepaald, worden de waarden die in m of m 2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht, b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven, en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 m buiten beschouwing blijven. 6. Bij het meten wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is. 7. Huisvesting in verband met mantelzorg wordt aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw. De kleinschalige projecten komen overeen met de categorieën gevallen waarin voor planologische gebruiksactiviteiten een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingswet kon worden verleend (artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht). Deze lijst met gevallen stond ook wel bekend als de lijst met ‘kruimelgevallen’. Voor deze 26

categorieën gevallen kon het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning verlenen voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, zonder een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad.

27

7 Het participatiebesluit nader bezien 7.1 Participatie en de Omgevingswet Met de Omgevingswet wordt een brede participatie van burgers en bedrijven bij de totstandkoming van besluiten nagestreefd. De omgeving vroegtijdig betrekken bij plannen voor veranderingen in de fysieke leefomgeving komt die plannen ten goede. Alleen door de mening van een ander te kennen kan er ook rekening worden gehouden met zijn mening en belang. De omgeving actief mee laten werken aan de plannen vergroot de betrokkenheid van belanghebbenden. Participatie kan zo het maatschappelijke draagvlak voor een voorgenomen project vergroten. Dat komt iedereen ten goede.

7.2 Participatie en de omgevingsvergunning Participatie komt terug in alle kerninstrumenten van de Omgevingswet. Voor de omgevingsvisie en het omgevingsplan schrijft de wet rechtstreeks voor dat er moet worden geparticipeerd. Voor omgevingsvergunningen die afwijken van het omgevingsplan mag de gemeente zelf bepalen of participatie wordt voorgeschreven. Voor vergunningaanvragen die niet afwijken van het omgevingsplan mag de gemeente geen participatie eisen. Het participatiebesluit heeft dus alleen betrekking op participatie voor vergunningaanvragen die afwijken van het omgevingsplan. Bij iedere aanvraag om omgevingsvergunning - ook als die in overeenstemming is met het omgevingsplan – moet de aanvrager aangeven óf burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de aanvraag zijn betrokken. Zo ja, dan moet hij aangeven hoe ze zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Dit stimuleert een initiatiefnemer om vooraf goed na te denken over het belang van derden en hoe hij rekening kan houden met hun belang. Vroegtijdig betrekken van de omgeving zorgt ervoor dat verschillende perspectieven, kennis en creativiteit snel op tafel komen. Dit levert winst op voor de omgeving, initiatiefnemers en bestuursorganen. Voordat een formele vergunningsaanvraag wordt gedaan, is de omgeving al betrokken. De vergunningsaanvraag is hierop afgestemd.

Het is voor een aanvrager niet wettelijk verplicht om het publiek te betrekken bij de voorbereiding van de aanvraag. Hij mag dus ook aangeven dat derden niet betrokken zijn. De gemeente mag de vergunningsaanvraag om die reden niet buiten behandeling laten. Hierop is één belangrijke uitzondering van toepassing: vergunningsaanvragen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kunnen niet-ontvankelijk worden verklaard, als de gemeenteraad vooraf heeft aangegeven dat participatie van en overleg met derden verplicht is. Dit doet de gemeenteraad in het participatiebesluit. Net zoals dat geldt voor het aanwijzen van gevallen waarin bindend advies noodzakelijk is, geldt ook voor het participatiebesluit dat vooraf duidelijk moet zijn voor welke (categorieën) gevallen participatie is vereist. Het is bijvoorbeeld in strijd met de rechtszekerheid om voor iedere aanvraag ‘ad hoc’ te beslissen of participatie is vereist of niet.

28

7.3

Participatiebesluit: mogelijkheden en beperkingen

Met het participatiebesluit wijst de gemeenteraad bepaalde buitenplanse omgevingsplanactiviteiten aan, waarbij participatie verplicht is. Dat wil zeggen dat de aanvrager moet aangeven hoe hij burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de aanvraag heeft betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. De invulling van de plicht tot het betrekken van het publiek is vormvrij. Het gemeentebestuur kan geen aanvullende aanvraag- of vormvereisten stellen.33 Het is de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om een adequate vorm te kiezen waarin participatie bij de voorbereiding van een aanvraag plaatsvindt. Participatie is maatwerk. De locatie, de aard van het project en de omgeving zijn namelijk elke keer anders. Het is aan het college van burgemeester en wethouders om te bepalen of het over voldoende gegevens beschikt om belangen af te wegen en een zorgvuldig besluit te nemen. Het bevoegd gezag is – en blijft – verantwoordelijk voor het besluit en de motivatie ervan om de omgevingsvergunning wel of niet te verlenen. Voor de motivering van het besluit mag het bevoegd gezag dan ook niet alleen verwijzen naar de door de initiatiefnemer bij de aanvraag verstrekte informatie over de resultaten van de participatie. Het college van burgemeester en wethouders moet een eigen afweging maken.

Dat betekent dat het zich moet vergewissen van de juistheid van de verstrekte informatie uit de participatie en moet nagaan of aanvullende informatie over feiten of belangen nodig is. Voor het invullen van deze beoordeling kan de gemeente participatiebeleid formuleren aanvullend op de Participatienota (2021). Indien het college van burgemeester en wethouders het nodig vindt om aanvullende informatie te verzamelen, kan het gebruik maken van de mogelijkheid om aanvullend gelegenheid te bieden voor een vorm van zienswijzen of contact met derdenbelanghebbenden binnen de termijn van acht weken van de reguliere procedure. 34 Zo kan het college derden-belanghebbenden in de gelegenheid brengen hun zienswijzen naar voren te brengen. Doordat de kennisgeving van de aanvraag wordt gepubliceerd zijn derden met bedenkingen ook in staat zich bij het bevoegd gezag te melden. Indien dit voor het verkrijgen van voldoende informatie noodzakelijk is, kan het college van burgemeester en wethouders beslissen om de beslistermijn te verlengen van acht naar veertien weken.35 Het besluit hiertoe moet bekendgemaakt worden binnen de aanvankelijke beslistermijn van acht weken.

Voor het verlengen van de beslistermijn kan bijvoorbeeld aanleiding bestaan bij complexe aanvragen, als afstemming tussen (ambtelijke) adviseurs moet plaatsvinden of als bij een afwijking van het omgevingsplan bespreking in een raadscommissie wenselijk wordt geacht.

7.4 Participatiebesluit in Hardinxveld-Giessendam Kijkend naar de verbeterdoelen van de Omgevingswet ligt het in de rede dat de gemeenteraad terughoudend is bij het aanwijzen van gevallen waarin participatie verplicht is. De regering wijst op het beperken van regeldruk en het voorkomen van

33

Omgevingsregeling, Staatscourant 2019 nr. 56288, p. 336. Artikel 4:8 Algemene wet bestuursrecht 35 Artikel 16.64 lid 2 Omgevingswet 34

29

onwerkbare situaties als belangrijke aandachtspunten.36 De verplichte participatie moet vooral gevraagd worden bij die vergunningsaanvragen waar verwacht wordt dat dit een duidelijke meerwaarde heeft. Dit is zeker het geval bij de grotere ontwikkelingen, die een grote impact op de buurt hebben. Gelet op die uitgangspunten kiezen veel gemeentes ervoor om aan te sluiten bij de gevallen waarin bindend advies van de gemeenteraad is vereist. Immers: in die gevallen is de kaderstellende rol van de raad in het geding. De impact van dergelijke initiatieven zal in die gevallen naar verwachting ook aanzienlijk zijn. Daar staat tegenover dat de zwaarte van de impact van initiatieven op de omgeving niet per definitie gelijkloopt met de kaderstellende rol van de raad. Bijvoorbeeld: het realiseren van een aanbouw in de tuin bij een rijtjeswoning raakt de kaderstellende rol van de raad niet, maar het heeft voor de direct omwonenden wel degelijk een flinke impact. Een ander voorbeeld is het bouwen van 10 woningen in bestaand stedelijk gebied, of het wijzigen van de infrastructuur. Daarom is gekozen voor een andere benadering. Voor ontwikkelingen waar in een ander, voorafgaand traject al een bepaalde vorm van participatie heeft plaatsgevonden, hoeft bij de aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw te worden geparticipeerd. De gedachte daarbij is dat bij de voorbereiding c.q.

het tot stand komen van de plannen de uitgangspunten en de randvoorwaarden van de Participatienota (2021), waaronder de gemeentelijke participatieladder al is doorgelopen. De aanvraag om omgevingsvergunning komt voor de omgeving daarom niet onverwacht. Voor alle andere afwijkingen van het omgevingsplan geldt dat deze initiatieven voor de omgeving altijd in een bepaalde mate onverwacht zullen zijn. In die gevallen is het daarom wenselijk om van de aanvrager te vragen dat er voorafgaand aan het indienen van de aanvraag met de buurt wordt geparticipeerd.

36

Omgevingsregeling, Staatscourant 2019 nr. 56288, p. 338.

30

8 Timing en consequenties uitblijven besluiten 8.1 Invloed gemeenteraadsverkiezingen Op 16 maart 2022 zijn de gemeenteraadsverkiezingen. De raadsbesluiten over delegatie, adviesrecht en participatie worden bij voorkeur genomen door de gemeenteraad in de huidige samenstelling. Hiermee wordt voorkomen dat de gemeenteraad in de nieuwe samenstelling in een kort tijdsbestek alle relevante raadsbesluiten moet nemen voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Bovendien wordt voorkomen dat de gemeenteraad in nieuwe samenstelling besluiten moeten nemen, waarover informatieve vergaderingen hebben plaatsgevonden in de oude samenstelling. Dit is vanuit een politiek-bestuurlijk oogpunt wenselijk voor een soepel en aangenaam besluitvormingsproces. Formeel gezien doen de gemeenteraadsverkiezingen niet ter zake. Vanuit juridisch-inhoudelijk oogpunt kunnen de raadsbesluiten net zo goed door de gemeenteraad in de nieuwe samenstelling worden genomen.

8.2 Inwerkingtreding Omgevingswet Op 1 juli 2022 treedt de Omgevingswet in werking. Om direct vanaf het begin van de inwerkingtreding van waarde te zijn, moeten de raadsbesluiten over delegatie, adviesrecht en participatie voor de inwerkingtreding van de wet worden genomen. Indien dit niet gebeurt, zijn de consequenties afhankelijk van het betreffende besluit.

31

Bijlage 1 ‘was-wordt-lijst’ (los document)

32

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/702/documents/22814