Nota beantwoording zienswijzen omgevingsplan bodemkwaliteit.pdf
Tekst van het document
Wijziging omgevingsplan HardinxveldGiessendam thema bodemkwaliteit Nota beantwoording zienswijzen Mei 2025
Inhoud 1. Inleiding ............................................................................................................................................ 3 2.
Beantwoording zienswijzen .............................................................................................................. 3 2.1. Zienswijze gemeente Molenlanden .............................................................................................. 3 2.2. Zienswijze AKD namens Heros ................................................................................................... 4 2.3. Zienswijze Waterschap Rivierenland ......................................................................................... 13 2.4. Zienswijze HVC .......................................................................................................................... 19
3.
Ambtshalve wijzigingen .................................................................................................................. 22 3.1. Wijzigingen ................................................................................................................................. 22
4.
Overzicht van de wijzigingen ......................................................................................................... 24
-2-
1. Inleiding Het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan gemeente Hardinxveld-Giessendam voor het thema bodemkwaliteit heeft van 30 januari tot en met 12 maart 2025 voor iedereen ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn er 4 zienswijzen ontvangen op het ontwerpbesluit. Deze zienswijzen vormen aanleiding om het ontwerpbesluit op onderdelen aan te passen. Dit volgt in hoofdstuk 2. Daarnaast is er ambtshalve aanleiding om ook het ontwerpbesluit op onderdelen aan te passen. De onderbouwing hiervoor volgt in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt een overzicht (staat) van de voorgestelde wijzigingen gegeven.
2. Beantwoording zienswijzen Onderdelen van de ingediende zienswijzen die niet expliciet worden genoemd in de samenvatting zijn wel bij de beoordeling betrokken. De zienswijzen zijn dus in hun geheel beoordeeld. 2.1. Zienswijze gemeente Molenlanden Ontvankelijkheid
De zienswijze is op 24 februari 2025 ontvangen en daarmee ontvankelijk. Behandeling zienswijze
Allereerst wordt de zienswijze verkort weergegeven en vervolgens wordt de zienswijze van een reactie voorzien. Zienswijze Reclamant geeft aan dat deze zienswijze betrekking heeft op de afspraken die zijn gemaakt in het regionale bodembeleid. In het kader van ervaringen ziet reclamant graag een bepaling opgenomen, die aanvullend reguleert dat bij onverhoopte schade aan de omgeving de eigenaar verantwoordelijk is voor de schade én in staat is de kosten voor sanering te dragen. Conform de gemaakte afspraken wordt verzocht het volgende toe te voegen: De eigenaar dient ten genoegen van het bevoegde gezag (= de gemeente) aan te tonen, dat hij in staat is om de negatieve gevolgen van het toepassen van stoffen in het kader van activiteiten, zoals bedoeld in Paragraaf 11.2.2 Toepassen van grond of baggerspecie, Artikel 11.7 Verbod toepassen thermische gereinigde grond en Paragraaf 11.2.3 Toepassen van bouwstoffen, Artikel 11.19 Verbod toepassen van AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken, te voorkomen en eventuele uit die toepassing voortvloeiende milieu- dan wel gezondheidsschade volledig te vergoeden. Reclamant vraagt rekening te houden met de gemaakte regionale afspraken en uniformiteit te hanteren rondom het bodembeleid.
En de regel in de artikelsgewijze toelichting op Artikel 11.7 Verbod toepassen thermische gereinigde grond en de artikelsgewijze toelichting op Artikel 11.19 Verbod toepassen van AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken op te nemen. Reactie Wij begrijpen dat reclamant bij onverhoopte schade de eigenaar verantwoordelijk wilt stellen en de eigenaar in staat moet zijn de kosten voor sanering te dragen. Om diverse redenen stellen wij een alternatieve aanpassing van de artikelsgewijze toelichting bij de artikelen 11.7 -3-
en 11.19 voor. Daarbij is het verbod gewijzigd in een binnenplanse vergunningplicht. Bij de aanvraagvereisten van de binnenplanse vergunningplicht zullen wij de volgende informatie eisen: - het akkoord van de opdrachtgever - de verantwoordelijke voor de toepassing en nazorg in zowel de aanlegfase als in de gebruiksfase Met deze informatie is het mogelijk om de verantwoordelijke partijen aan te schrijven/aan te spreken en te wijzen op de zorgplicht. Onze reden voor dit alternatief: - het aantonen, oftewel het laten zien dat er financiële middelen zijn bij de eigenaar, is lastig uitvoerbaar - het is niet duidelijk aan wie vergoed moet worden - de grondeigenaar is niet altijd de verantwoordelijke, er zijn veel partijen betrokken bij een toepassing of er kan sprake zijn van een huurconstructie. De veroorzaker moet opdraaien voor de schade - de zorgplicht uit de Omgevingswet ziet al grotendeels hierop toe. Daar moet bij aangesloten worden (aanschrijven op basis van de zorgplicht) Het voorstel van reclamant voor aanvulling in de artikelsgewijze toelichting over financiële zekerheidsstelling kan in onze ogen in eerste instantie het doel niet bereiken. Ten eerste zal het doel niet gehaald worden als het in de toelichting komt, omdat een artikelsgewijze toelichting formeel geen status heeft, maar een uitleg van een regel is. Het is niet bindend.
Ten tweede is er geen praktische invulling te bedenken. Het is niet duidelijk op welke manier een eigenaar aantoont dat hij eventuele schade kan vergoeden. De schade is niet vooraf bekend, waardoor er geen bedrag kan worden bepaald. Daarnaast leidt eventuele schade over het algemeen tot maatregelen die worden opgelegd en niet tot geld dat uitbetaald moet worden. Bij uitbetaling is niet duidelijk aan wie geld wordt uitbetaald en of die dan ook verantwoordelijk wordt gehouden voor de schade. Ook is niet altijd de eigenaar aansprakelijk voor schade maar kan dit ook de erfpachter, initiatiefnemer, toepasser of andere partij zijn. Ten derde zijn er betere alternatieven voorhanden. Onder andere zou een beroep kunnen worden gedaan op de algemene zorgplicht uit de Omgevingswet. Verder mag in onze ogen de gewenste bepaling niet worden opgenomen in het omgevingsplan. Wat je als gemeenteraad wel en niet mag opnemen in je omgevingsplan staat in artikel 2.7 Omgevingswet en is verder uitgewerkt in artikel 2.1 van het Omgevingsbesluit. De volgende regels mogen niet worden opgenomen in het omgevingsplan: 1. Regels die buiten de reikwijdte van de Omgevingswet vallen, 2. Regels op grond van bijzondere wetten en 3. regels genoemd in artikel 2.1, tweede lid van het Omgevingsbesluit. Regels over vergoedingen en financiële zekerheidstelling vallen onder 2 Regels op grond van bijzondere wetten.
Voorstel
Wij stellen de gemeenteraad voor om de zienswijze deels gegrond te verklaren en de regels gedeeltelijk aan te passen zoals aangegeven in de staat van wijzigingen. 2.2. Zienswijze AKD namens Heros Ontvankelijkheid
De zienswijze is op 6 maart 2025 ontvangen en daarmee ontvankelijk.
-4-
Behandeling zienswijze
Allereerst wordt de zienswijze verkort weergegeven en vervolgens wordt de zienswijze van een reactie voorzien. Deze zienswijze bestaat uit 9 onderwerpen en heeft betrekking op paragraaf 11.2.3 van het omgevingsplan, specifiek artikel 11.19 (Verbod toepassen van AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken). Onderwerp 1 Reclamant geeft aan een verwerker te zijn van bodemassen afkomstig van afvalverbrandingsinstallaties. Deze bodemassen worden verwerkt tot circulaire bouwstoffen en worden toegepast in de grond-, weg- en waterbouw. Daarnaast produceert reclamant uit de bodemassen secundaire grondstoffen voor de toepassing in beton en betonproducten. Deze toepassing als bouwstof is voorgeschreven in landelijk beleid. Er geldt bovendien een verbod op het storten van bodemas. Als gevolg van het Ontwerp zal de toepassing van AVI-bodemassen binnen de gemeente Hardinxveld-Giessendam ernstig worden belemmerd. Deze belemmering is onwenselijk in meerdere opzichten en in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Reclamant verwerkt al vele jaren AVI-bodemassen tot bouwstoffen. Daarbij is veel onderzoek gedaan naar de kwaliteit van de bouwstoffen en daarmee is steeds gebleken dat een verantwoorde toepassing mogelijk is. Er is geen aanleiding voor een verbod. Reclamant geeft aan dit verder toe te lichten. Reactie Wij begrijpen deze zorgen.
In de verdere beantwoording van deze zienswijze wordt ingegaan op deze belemmeringen en strijdigheden. Daarbij nemen wij in acht wat de gevolgen zijn voor het bedrijf van reclamant en dat zonder verbod ook een verantwoorde toepassing mogelijk is. Onderwerp 2 Reclamant wijst erop dat besluitvorming van het bestuursorganen moet voldoen aan het evenredigheidsbeginsel. Uit vaste rechtspraak volgt dat de bestuursrechter toetst of een bestreden besluit geschikt is om het doel te bereiken, of het een noodzakelijke maatregel is of dat met een minder vergaande maatregel kan worden volstaan, en of de maatregel in het concrete geval evenwichtig is. Reclamant geeft aan dat niet aan de eis van noodzakelijkheid en evenwichtigheid wordt voldaan. Reactie Wij begrijpen deze reactie en hebben daardoor onze regeling in het ontwerpbesluit voor bouwstoffen en de motivering hiervoor heroverwogen. Daarbij hebben wij geconstateerd dat een iets minder vergaand instrument, namelijk de binnenplanse vergunningplicht in de plaats van het verbod, ook kan volstaan. In onze ogen is dit instrument geschikt om het doel te bereiken. Lees hiervoor de aangepaste motivering bij de regeling, specifiek onderdeel G. Daar wordt duidelijk dat wij met een binnenplanse vergunningplicht duidelijker kunnen aangeven wanneer meegewerkt wordt aan een toepassing van deze bouwstoffen.
En van de andere kant is er voldoende beoordelingsruimte voor het bevoegd gezag om daarmee preventief zorgwekkende situaties te voorkomen. In onze ogen laat de praktijk zien dat zorgvuldige toepassing nodig is om mee te kunnen werken. Wij beroepen ons hiermee op het voorzorgbeginsel. In onze ogen wordt met de gewijzigde motivering bij de regeling voldaan aan de eis van noodzakelijkheid en evenwichtigheid. Onderwerp 3 Reclamant geeft aan dat er sprake zou zijn van bouwstoffen die in opspraak zijn en bij onzorgvuldige toepassing milieuschade veroorzaken. In de motivering staat dat uit -5-
rapportages en publicaties van RIVM en ILT zou blijken dat de wetgeving niet of onvoldoende toereikend zou zijn om aandachtsbouwstoffen veilig voor mens en milieu te kunnen gebruiken. Volgens reclamant is deze onderbouwing volstrekt onvoldoende, zeker voor een ingrijpend verbod. Ten onrechte wordt geen enkele uitleg gegeven waaruit de opspraak zou bestaan, noch wordt geduid op welke rapportages en publicaties van RIVM en ILT en welke ontwikkelingen in de sector wordt gedoeld. Niet is onderbouwd waarom een verbod op de toepassing van AVI-bodemassen nodig zou zijn. Daarbij geeft reclamant aan dat ten onrechte allerlei verschillende bouwstoffen als "aandachtsbouwstoffen" over een kam worden geschoren. Dat klopt volgens reclamant niet, omdat de eigenschappen van bodemassen in vergelijking met bijvoorbeeld staalslakken of grondstabilisatie anders zijn. Een RIVM-rapport over LD-staalslakken kan niet dragend zijn voor een verbod op bodemassen. Voor elke bouwstof afzonderlijk had nader beoordeeld en onderbouwd moeten worden of regelgeving in aanvulling op landelijke regelgeving überhaupt evenredig is en zo ja, welke vorm van regulering dan passend en proportioneel zou zijn. Ook ontbreken volgens reclamant: - een analyse van de geschetste materie en een onderbouwing van de aanpak die daarvoor nodig en evenredig is.
- een onderbouwing ten aanzien van de 20% gewichtsprocenten als bovengrens voor het gehalte AVI-bodemassen in bouwstoffen en voor de "maatregelen ter voorkoming van milieuschade" zoals in de toelichting opgenomen. - onduidelijk is waarom de bouwstof alleen onder een gesloten verharding zou mogen worden toegepast, en waarom de bouwstoffen een oppervlakte van minimaal 1.000 m2 zouden moeten beslaan. Aldus wordt niet voldaan aan het motiveringsbeginsel volgens reclamant. Reactie Terecht wordt opgemerkt dat de onderbouwing voor de regeling bouwstoffen in het ontwerpbesluit onvoldoende is. Dit is hersteld in de vorm van een aanvulling op de motivering. In onderdeel G in de motivering wordt stilgestaan bij de beweegredenen voor een regeling voor deze specifieke bouwstoffen. In dit onderdeel in de motivering wordt uitleg gegeven over de risico’s van deze bouwstoffen, onderbouwd met voorbeelden, en worden rapportages van onderzoeken duidelijker aangehaald (inclusief bronvermelding). Op deze manier wordt duidelijker gemotiveerd waarom deze bouwstoffen in opspraak zijn. Naar aanleiding van deze zienswijze is ook de regeling, het verbod, in heroverweging genomen en zijn wij tot inzicht gekomen dat dit instrument te ingrijpend is en ook kan worden volstaan met een binnenplanse vergunningplicht.
Daarbij maakt het bevoegd gezag duidelijk onder welke voorwaarden wel meegewerkt kan worden (middels beoordelingsregels) en dus de vergunning wordt verleend. Het uitgangspunt hierbij is een zorgvuldige toepassing. In de gewijzigde motivering is onderbouwd waarom een binnenplanse vergunningplicht noodzakelijk is, en andere instrumenten zoals een informatie- of meldplicht niet kunnen volstaan. Daarin komt terug waarom dit instrument passend is, en proportioneel ten opzichte van de praktijk. Om de volgende reden is voor een grens van 20% gekozen: De grens van 20% wordt vaker gehanteerd in wet- en regelgeving, bijvoorbeeld bij bodemvreemd materiaal bij grond of baggerspecie. Bij grond waarbij minder dan 20% AVI-bodemas in een bouwstof valt, geldt geen vergunningplicht voor het toepassen. In deze gevallen achten wij dit niet nodig omdat -6-
mogelijke nadelige effecten op de fysieke leefomgeving bij toepassing ervan naar verwachting niet significant zijn. Verdere verduidelijking is ook doorgevoerd in de artikelsgewijze toelichting bij de binnenplanse vergunningplicht. Onderwerp 4 Reclamant geeft aan dat een verbod op de toepassing van AVI-bodemassen zal leiden tot een afname van de afzet van bodemas. De bodemassen die door reclamant worden geproduceerd worden afgenomen door aannemers. Reclamant legt uit dat deze aannemers veelal opdrachten moeten binnenhalen via aanbestedingen. Als ten tijde van de inschrijving voor een aanbesteding onzeker is of een omgevingsvergunning wordt verkregen voor de toepassing van AVI-bodemassen, zal een aannemer in zijn aanbieding kiezen voor de toepassing van andere bouwstoffen. Want als een omgevingsvergunning niet wordt verleend, heeft dat grote gevolgen voor prijs en planning van het project. Reclamant geeft aan dat een aannemer dit risico zal willen vermijden. Ook omdat het onzeker is of en onder welke voorwaarden een Bopa wordt verleend. Gezien de eisen in de toelichting is het onhaalbaar. Reclamant verklaart daarom dat feitelijk het verbod tot gevolg heeft dat geen AVIbodemassen meer in Hardinxveld-Giessendam zullen kunnen worden toegepast, in strijd met landelijk beleid.
Het gevolg van een verbod zal zijn dat juist minder secundaire bouwstoffen worden gebruikt, terwijl rijksbeleid juist is gericht op een toename van het gebruik van secundaire bouwstoffen in het kader van de doelstelling om in 2050 volledig circulair te zijn. (…) Hierbij verwijst reclamant naar een Kamerbrief van 1 juli 2024. Het effect van het verbod is juist dat het belang van het milieu wordt geschaad, doordat de circulaire doelstellingen niet kunnen worden gehaald. Dat geldt voor de landelijke doelstellingen, maar ook voor de gemeentelijke circulaire doelstellingen. Gemeentelijke projecten zullen voorts duurder worden omdat primaire bouwstoffen in de regel duurder zijn dan secundaire bouwstoffen. Tegelijk wordt ook het bedrijfsbelang van reclamant onevenredig geschaad. De verwerking van bodemassen is het belangrijkste onderdeel van haar bedrijf. Als bodemassen in Nederland niet langer kunnen worden toegepast als bouwstoffen, bedreigt dat de continuïteit van reclamant. Als sprake is geweest van een enkel incident met de toepassing van AVI-bodemas, dan is dat nog geen reden om de toepassing geheel te verbieden. Dat kan wellicht reden zijn voor specifieke maatregelen zoals extra toezicht, of een concrete aanvullende voorwaarde in het omgevingsplan ter voorkoming van herhaling. Met een verbod is het middel erger dan de kwaal.
Voor deze nadelige gevolgen is geen rechtvaardiging, omdat het belang van mens en milieu niet noopt tot de instelling van een verbod. Reclamant licht dit in de volgende onderwerpen verder toe. Reactie Naar aanleiding van dit onderwerp uit de zienswijze is de regeling voor bouwstoffen in het ontwerpbesluit heroverwogen. Wij constateren dat een verbod een ingrijpend en zwaar instrument is en daarmee niet in het omgevingsplan vastgelegd kan worden onder welke voorwaarden bouwstoffen wel toegepast kunnen worden. Daarom is het voorstel om deze zienswijze tegemoet te komen door in de plaats van een verbod een binnenplanse vergunningplicht op te nemen waarmee met beoordelingsregels duidelijk wordt gemaakt
-7-
wanneer meegewerkt kan worden met een toepassing van bouwstoffen. Van de andere kant houden wij daarmee voldoende beoordelingsruimte. Het probleem bij deze bouwstoffen is dat als voldaan wordt aan het Besluit activiteiten leelfomgeving en de Regeling Bodemkwaliteit deze stoffen vrij toepasbaar zijn. Ondanks deze regels vindenin de praktijk incidenten plaats die verontreiniging veroorzaken van de bodem, grondwater en/of oppervlaktewater. En verschillende onderzoeksrapporten schetsen een zorgelijk beeld over de vrije toepasbaarheid en de geldende regels die tekort schieten. In de motivering bij de regeling (in deel G) wordt uitgebreid ingegaan op deze zorgelijke signalen. De huidige landelijke regels bieden onvoldoende bescherming in onze ogen. Daarmee beroepen wij ons op het voorzorgbeginsel en nemen een binnenplanse vergunningplicht op. Ons doel is om zorgwekkende situaties te voorkomen. Wij zijn van mening dat een binnenplanse vergunningplicht het meest geschikte instrument is om grip te krijgen op deze problematiek. In de gewijzigde motivering (in deel G) zijn de verschillende instrumenten afgewogen. Daarin wordt duidelijk dat een informatieplicht of meldplicht onvoldoende is. Wij begrijpen de zorgen over een afname van de afzet en begrijpen dat aannemers deze weg mogelijk vermijden.
Tot nu toe met het voorbereidingsbesluit is dit nog niet onze ervaring en hebben wij een aantal BOPA’s in behandeling. Toch komen wij de praktijk tegemoet want via de beoordelingsregels wordt duidelijk voor de buitenwereld wanneer de vergunning wordt verleend. We hebben in relatie tot dit bezwaar ook de eisen/voorwaarden herzien en anders geformuleerd in de beoordelingsregels t.o.v. het verbod. Naar onze mening is er geen sprake van strijd met het landelijke beleid. Het rijk, de wetgever, heeft gekozen voor decentrale afwegingsruimte en (nog) geen nationale aanpak. Het Besluit activiteiten leefomgeving is zo opgesteld door het rijk dat gemeenten op decentraal niveau ruimte krijgen om maatwerkregels te stellen voor bodemactiviteiten, waaronder bouwstoffen. Als de lokale omstandigheden en lokaal beleid daarom vragen zijn gemeenten bevoegd om strengere regels te stellen dan het Besluit activiteiten leefomgeving. Wat wel landelijk geregeld is, is de basis. Op het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit is geen maatwerk mogelijk door gemeenten. Daarbovenop zijn ook onze circulaire doelstellingen van toepassing op deze bouwstoffen. In artikel 11.1 (oogmerken) is na te lezen dat de regels zijn gesteld met oog op duurzaam bodembeheer. In de artikelsgewijze toelichting leggen wij uit dat dit gaat over hergebruik. Andere regels in het omgevingsplan dragen hieraan bij.
Wat betreft de incidenten en rechtvaardiging van deze regeling, verwijzen wij naar de gewijzigde motivering waarin hierop wordt ingegaan. Onderwerp 5 Reclamant geeft aan dat er geen noodzaak is voor een generiek verbod op het toepassen van AVI-bodemas en bouwstoffen die bestaan uit AVI-bodemas. Volgens reclamant is het niet nodig om ter bescherming van de kwaliteit van de bodem de toepassing van AVIbodemas te verbieden. Het staat ook haaks op landelijk beleid. Het gaat dan specifiek om de Green Deal, ontwerp Circulair Materialenplan (opvolger Landelijk Afvalstromenplan 3) en nu opgewerkte bodemas die voldoen aan de kwaliteitseisen vanuit de Regeling bodemkwaliteit 2022. In het
-8-
CMP is toepassing van AVI-bodemas als bouwstof dat voldoet aan de kwaliteitseisen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022, als minimumstandaard voorgeschreven. Reclamant geeft aan dat de wetgever nadrukkelijk niet heeft gekozen voor een verbod en/of een vergunningplicht voor de toepassing van deze bouwstoffen, omdat met de specifieke regeling het belang van mens en milieu voldoende beschermd is, zoals ook te lezen in de toelichting van het Besluit activiteiten leefomgeving. Een informatieverplichting voor AVIbodemassen en immobilisaten wordt als adequaat instrument gezien om toe te kunnen zien op de kwaliteit van de AVI-bodemas en de locatie van toepassing. Bovendien ziet reclamant niet welke specifieke situatie binnen de gemeente HardinxveldGiessendam aan de orde zou zijn die een verbod alsnog nodig maakt. Geen specifieke situatie wordt benoemd. De enkele verwijzing niet nader genoemde rapporten en publicaties van RVIM en ILT, volstaat daartoe niet volgens reclamant. Enkele incidenten kunnen niet een algeheel verbod rechtvaardigen. Daarbij beschrijft reclamant dat AVI-bodemassen verantwoord kunnen worden toegepast. De noodzaak om de toepassing van AVI-bodemas te verbieden, is kortom niet aangetoond.
Voor zover er zorgen zijn omtrent de kwaliteit van de bouwstoffen die worden toegepast, voorziet het Besluit activiteiten leefomgeving erin dat tijdig informatie wordt aangeleverd, zodat de toezichthouder kan vaststellen of inderdaad bouwstoffen worden toegepast binnen de kaders van de wet. De gemeente heeft hier een toezichthoudende taak die binnen het huidige kader adequaat kan worden uitgevoerd. De invoering van een vergunningplicht voegt daar niets aan toe. Reactie Zoals aangegeven bij onderwerp 4 hiervoor, zien wij als gemeente wel een noodzaak voor een regeling voor bouwstoffen. Om het bezwaar gedeeltelijk tegemoet te komen is gekozen om in de plaats van een verbod een binnenplanse vergunningplicht op te nemen. De noodzaak hiervoor is aangetoond en opgenomen in de gewijzigde motivering (in onderdeel G). De huidige landelijke regels bieden onvoldoende bescherming. In de praktijk vinden incidenten plaats die leiden tot verontreiniging van de bodem, grondwater en/of oppervlaktewater. Verschillende onderzoeksrapporten schetsen een zorgelijk beeld over de vrije toepasbaarheid. Daarom beroepen wij ons op het voorzorgbeginsel om preventief maatregelen te nemen gericht op het voorkomen van een verslechtering van de bodemkwaliteit. Naar onze mening is er geen sprake van strijd met het landelijke beleid.
Het rijk, de wetgever, heeft gekozen voor decentrale afwegingsruimte en (nog) geen nationale aanpak. Het Besluit activiteiten leefomgeving is zo opgesteld door het rijk dat gemeenten op decentraal niveau ruimte krijgen om maatwerkregels te stellen voor bodemactiviteiten, waaronder bouwstoffen. Als de lokale omstandigheden en lokaal beleid daarom vragen zijn gemeenten bevoegd om strengere regels te stellen dan het Besluit activiteiten leefomgeving. Zoals hiervoor aangegeven zijn voorbeelden van incidenten beschreven in de gewijzigde motivering, eveneens de noodzaak. Op rijksniveau is een informatieplicht als basis voldoende geacht, maar dat vinden wij niet voldoende en daarom pakken wij de ruimte om hier maatwerkregels te stellen. De informatieplicht (eveneens een meldplicht) bieden onder andere geen ruimte om de toepassing en de risico’s ervan te beoordelen. Het bevoegd gezag kan alleen aanschrijven op gegevens die missen. De toepassing willen wij op de locatie kunnen afwegen. Ook een maatwerkvoorschrift, dat achteraf wordt opgelegd, biedt geen ruimte om deze zorgvuldigheid te toetsen en/of voorwaarden aan te verbinden.
-9-
Onderwerp 6 Volgens reclamant is ten onrechte gekozen voor het meest vergaande middel en reclamant stelt alternatieven voor die minder vergaand zijn. Volgens reclamant kan ook via een intensivering van het toezicht de gemeente erop toezien dat toepassingen van AVI-bodemassen voldoen aan de wettelijke eisen, ter voorkoming van een onverhoopt incident. Reclamant verwijst naar de brief van de Minister en het Ontwerp CMP waarin ook op alternatieven wordt gewezen waarmee de zorgen van de gemeenten die een vergunningplicht overwegen kunnen worden ondervangen. Reclamant meent dat de gemeente Hardinxveld-Giessendam deze herijking van de rijksregels ten onrechte doorkruist met de invoering van een verbod. Ook wordt gewezen op het opzetten van een ketenaanpak door de Minister. Reclamant wijst erop het gesprek dat de minister zal aangaan met gemeenten om te zien wat zij nodig hebben voor een verantwoorde toepassing van secundaire bouwstoffen in het algemeen, af te wachten. Dan kan pas beoordeeld worden of nadere regels op gemeentelijk niveau voor één of meer stoffen opportuun zijn. En als die nadere regels dan toch opportuun worden bevonden, dan hoeft dat niet met een verbod maar kan dat ook worden vormgegeven door het stellen van nadere eisen in het Omgevingsplan, naar evenredigheid toegespitst op de betreffende stoffen.
Reactie In lijn met de voorgaande antwoorden op de onderwerpen, zijn de alternatieven voor instrumenten afgewogen door de gemeente. Dit is terug te lezen in de gewijzigde motivering. Daaruit blijken een informatie- of meldplicht onvoldoende. Ons doel is preventie en het beoordelen van een zorgvuldige toepassing. Bij toezicht kan alleen ingegrepen worden als de toepassing al heeft plaatsgevonden. Dat sluit niet aan op ons beleid. Het is wel zo dat is gekozen voor een iets minder vergaand instrument dan een verbod, namelijk een binnenplanse vergunningplicht, waarmee duidelijk wordt wanneer het bevoegd gezag een vergunning verleend voor de toepassing van deze bouwstoffen. Reclamant wijst op de landelijke ontwikkelingen. Op dit moment heeft de wetgever het toegestaan om decentraal maatwerkregels te stellen op de regeling voor bodem in het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor alle toepassingen geldt dat er voldoende waarborgen moeten zijn om verontreiniging van bodem, grondwater en/of oppervlaktewater te voorkomen. Wij zijn van mening dat de rijksregels op dit punt op dit moment tekort schieten. Zolang dit de situatie is willen wij met aanvullende regels en de voorgestelde binnenplanse vergunningplicht grip houden op het toepassen van de betreffende bouwstoffen in onze gemeente.
De zorgelijke signalen die wij door krijgen zijn reden om ons te beroepen op het voorzorgbeginsel en een binnenplanse vergunningplicht door te voeren. Dit biedt volgens ons voldoende bescherming tot er mogelijk landelijk een alternatief wordt doorgevoerd in de landelijke wetgeving.
Onderwerp 7 In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 11.19 moet rekening gehouden worden met een viertal maatregelen. Reclamant geeft aan dat de noodzaak voor deze maatregelen niet wordt onderbouwd. Ten aanzien van deze maatregelen maakt reclamant de volgende opmerkingen: - De voorwaarde dat de bouwstof onder gesloten verharding moet worden toegepast is niet aanvaardbaar. De AVI-bodemas die voldoet aan de kwaliteitscriteria in de - 10 -
-
Regeling bodemkwaliteit mag vrij worden toegepast. Een deel van die toepassing ligt niet onder een gesloten verharding, maar vormt bijvoorbeeld zelf de verharding. AVIbodemassen worden toegepast in waterpasserende systemen. Er is geen onderbouwing waarom die bewezen toepassing in Hardinxveld-Giessendam wordt uitgesloten. De maatregel dat de bouwstof boven de grondwaterstand moet worden toegepast is onduidelijk omdat het begrip grondwaterstand niet is gedefinieerd. De grens van 1.000 m2 is verder volstrekt willekeurig. Deze maatregelen kunnen net zo goed als maatwerkregel in het omgevingsplan worden opgenomen, wat minder verstrekkend is dan een verbod.
Reactie Er is gekozen om het verbod te wijzigen naar een binnenplanse vergunningplicht. Dit betekent dat de maatregelen die reclamant aanhaalt terugkomen als beoordelingsregels bij deze binnenplanse vergunningplicht. Als hieraan wordt voldaan, wordt de omgevingsvergunning verleend. De noodzaak voor deze maatregelen (nu beoordelingsregels) volgt in de gewijzigde motivering. Er zijn beoordelingsregels toegevoegd om zo goed als mogelijk vooraf duidelijk te maken op welke punten een aanvraag wordt beoordeeld. Vanwege de naar onze mening verouderde en onvolledige uitlogingsnormen is in de beoordelingsregels opgenomen dat de bouwstoffen nu en in de toekomst niet in contact mogen komen met het grondwater en ook niet met hemelwater. Daarnaast moet het project onder meer voldoende schaalgrootte hebben en moet ook bij de aanleg uitloging of verontreiniging van de onderliggende bodem, het grondwater of het oppervlaktewater voorkomen worden. De grondwaterstand wordt gedefinieerd als gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). Dit is, naar aanleiding van de opmerking van reclamant hierover, opgenomen in de toelichting van de aanvraagvereisten. Naar aanleiding van de opmerking van reclamant over de grens van 1.000 m2 is deze vervangen door de eis dat ‘de toepassing herkenbaar en beheersbaar is door voldoende schaalgrootte’.
Voldoende schaalgrootte is flexibeler en nader toegelicht in de toelichting bij de beoordelingsregel. Het doel van de schaalgrootte is dat de toepassing herkenbaar en beheersbaar is. In de artikelsgewijze toelichting bij de beoordelingsregels en aanvraagvereisten is extra toelichting toegevoegd over deze maatregelen, in lijn met het verzoek van reclamant. Als reclamant meent dat een toepassing die niet past binnen onze beoordelingsregels wel zou moeten worden toegestaan, kan hiervoor alsnog een verzoek via een buitenplanse omgevingsvergunning worden aangevraagd.
Onderwerp 8 Volgens reclamant is het mogelijk een sluitende regeling op te nemen in het omgevingsplan die recht doet aan de wens om het belang van mens en milieu bij de toepassing van AVIbodemassen zonder dat een verbod nodig is. Zo verwijst reclamant naar informatie die is aangeleverd in het kader van een Woo-verzoek. Daaruit blijkt dat voor een verbod is gekozen omdat dit de regels simpeler maakt. Reclamant geeft aan dat hiermee een verdere uitwerking in de regels niet onmogelijk werd bevonden. Daarnaast vindt reclamant het argument simpeler onbegrijpelijk. Want het vormt een aanzienlijke belemmering voor de toepassing van secundaire bouwstoffen en de transitie naar circulariteit, terwijl met goed doordachte regels het belang van mens en milieu evengoed gediend kan worden.
- 11 -
Reclamant geeft aan dat wanneer een initiatiefnemer vooraf kan inschatten of aan de geldende toetsingscriteria kan voldaan, dit rechtszekerheid geeft en secundaire bouwstoffen zullen worden gekozen waar dat ook volgens de gemeente aanvaardbaar wordt gevonden. Reclamant merkt het volgende op ten aanzien van de gevraagde informatie in de artikelsgewijze toelichting: - Onduidelijk welke concrete informatie overlegd moet worden en wat daarvan de waarde is voor verdere beoordeling. - Waarborging van de eisen van het productcertificaat is nodig, indien een milieuhygiënische verklaring een productcertificaat is. Reclamant begrijpt dit niet, omdat dit toch juist met het productcertificaat wordt geborgd. - Kritische aspecten zoals grondwater en oppervlaktewater in de nabijheid worden beschreven. Het is volgens reclamant onduidelijk wanneer sprake is van "nabijheid"? Verder is de opsomming niet uitputtend, zodat onduidelijk is wat de gemeente als kritische aspecten beschouwt. Dat is rechtsonzeker. - De "grondwaterstand" is niet gedefinieerd, zodat niet goed kan worden aangegeven wat de toepassingshoogte is ten opzichte van de grondwaterstand. - Informatie over de zetting voor de komende 100 jaar moet worden gegeven. Dit snapt reclamant niet. Dat is in de eerste plaats een overdreven lange periode en vergt een onnodig onderzoeksinspanning. Verder blijkt niet wat de relevantie hiervan is.
Reclamant meent dat deze aanvullende informatie op het Bal niet gevraagd hoeft te worden. De noodzaak is ook niet beschreven en zal alleen maar leiden tot onnodige onderzoeksverplichtingen en belemmeringen. Deze verplichting kan eenvoudig in het omgevingsplan opgenomen worden en daarom is geen vergunningplicht nodig. Kortom, de eisen van noodzakelijkheid en rechtszekerheid staan in de weg aan een vergunningplicht voor de toepassing van AVI-bodemas. Voor zover aanvullende lokale eisen nodig zouden zijn, gebiedt de evenredigheid dat hooguit een eenduidige maatwerkregel wordt opgenomen in het omgevingsplan met lokale aanvullende eisen waaronder AVIbodemas, als alternatief voor een vergunningplicht. Reactie Naar aanleiding van dit onderwerp is de regeling voor een verbod op het toepassen van bouwstoffen in het ontwerpbesluit heroverwogen. Wij kunnen ons voorstellen, in lijn met het bezwaar van reclamant, dat een absoluut verbod een ingrijpend en zwaar instrument is. Daarom is het voorstel om de zienswijze deels tegemoet te komen door in de plaats van een verbod een binnenplanse vergunningplicht op te nemen waarmee met beoordelingsregels duidelijk wordt wanneer meegewerkt wordt met een toepassing door de gemeente. Van de andere kant houden wij daarmee voldoende beoordelingsruimte en kunnen daarmee onze doelen uitoefenen. Daarmee is het beoordelingskader verandert.
Bij een verbod geldt het beoordelingskader dat het moet bijdragen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij een binnenplanse vergunningplicht vormt het beoordelingskader de beoordelingsregels in het omgevingsplan. Op deze manier kan vooraf beter ingeschat worden of aan de toetsingscriteria in de beoordelingsregels voldaan kan worden. Wanneer hier sprake van is, wordt de omgevingsvergunning verleend door het bevoegd gezag. Een binnenplanse vergunningplicht geeft meer rechtszekerheid dan een verbod. In lijn met het verzoek van reclamant over de gevraagde informatie en andere onduidelijkheden zijn de beoordelingsregels en aanvraagvereisten aangepast. Ook zijn deze beter afgestemd op de vereiste informatie vanuit het Besluit activiteiten leefomgeving.
- 12 -
Ten aanzien van de noodzakelijkheid en rechtszekerheid is de motivering van het besluit gewijzigd en aangevuld. Ook bij de eerdere onderwerpen van deze zienswijze is hierop ingegaan. Onderwerp 9 Tot slot wijst reclamant erop dat de invoering van een verbod geen geschikte maatregel is, omdat daarmee niet op een coherente wijze uitvoering wordt gegeven aan het Nederlandse bouwstoffenbeleid. Reclamant verwijst naar de eerdere onderwerpen: - Rijksbeleid richt zich op toepassing van secundaire bouwstoffen ten aanzien van circulariteit en voorziet in toepassingsmogelijkheden, haaks op de gemeentelijke regelgeving. - Daarmee dreigt een lappendeken van verschillende regels voor de toepassing van bouwstoffen, of vergelijkbare regels met procedures. Dat alles levert tegenstrijdigheden op, is niet coherent en daarmee ook om die reden in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Reclamant verzoekt daarom af te zien van de vaststelling van paragraaf 11.2.3 en in de plaats maatwerkregels op te stellen waarmee het belang van mens en milieu ook op adequate wijze kan worden behartigd. Reactie In onze ogen is onderbouwd waarom een regeling voor bouwstoffen noodzakelijk en evenredig is.
Daarbij zien wij af van een verbod, maar stellen in de plaats een binnenplanse vergunningplicht voor die meer rechtszekerheid biedt naar de buitenwereld, gedeeltelijk tegemoet komt aan deze zienswijze en tegelijk voldoende beoordelingsruimte biedt voor het bevoegd gezag om op basis van het voorzorgbeginsel haar preventieve taken uit te voeren. Op deze manier worden mens en milieu beschermd en wordt voorkomen dat de bodemkwaliteit verslechterd. Voorstel
Wij stellen de gemeenteraad voor om deze zienswijze deels gegrond en deels ongegrond te verklaren en de regels gedeeltelijk aan te passen zoals aangegeven in de staat van wijzigingen. 2.3. Zienswijze Waterschap Rivierenland Ontvankelijkheid
De zienswijze is op 11 maart 2025 ontvangen en daarmee ontvankelijk. Behandeling zienswijze
Allereerst wordt de zienswijze verkort weergegeven en vervolgens wordt de zienswijze van een reactie voorzien. Onderwerp 1 Redelijkheid en billijkheid van toepassingsvereisten en saneringsopgave 1. De aanwezigheid van PFAS is in het algemeen niet te relateren aan de activiteiten van het waterschap, met uitzondering van (effluentlozingen van) zuiveringsinstallaties en eventuele specifieke puntbronnen. Wij zijn daarmee ook niet in staat om verontreiniging van de bodem met PFAS, die veelal veroorzaakt is door atmosferische depositie, te voorkomen of het risico daarop te beperken. Als waterschap voeren wij onze taken zo veel mogelijk duurzaam uit. Door de aanscherping van het bodembeleid zal minder grond bruikbaar zijn voor hergebruik - 13 -
in onze projecten. In plaats daarvan moeten we meer grond afvoeren naar een verwerker voor reiniging. De kosten voor de verwerking van grond met verhoogde concentraties aan PFAS zijn aanzienlijk hoger. We hebben RHDHV gevraagd hiervoor een indicatieve berekening te maken. Ze ramen de extra kosten op circa 140 euro per m3 af te voeren grond. Het nieuwe beleid vergroot de impact op het milieu. We moeten grond reinigen en over grotere afstanden transporteren. Dit vraagt extra energie en leidt tot meer uitstoot. En we moeten vaker een beroep doen op primaire grondstoffen (bijvoorbeeld zand, klei of teelaarde). Dit is ook strijdig met de doelstelling voor duurzaam grondstoffengebruik van het bodembeleid. We stellen de redelijkheid en billijkheid van de terugsaneerwaarde van 2,3 µg/kgds voor PFOA voor wegbermen en moestuinen ter discussie. Het waterschap is geen veroorzaker. Als gevolg van het nieuwe beleid moeten we, in tegenstelling tot andere grondeigenaren, op regelmatige basis grond ontgraven, afvoeren en toepassen. Het gaat daarbij om grootschalig grondverzet voor herinrichting van het hoofdwatersysteem en kadeversterking. 2. Daarnaast zal het nieuwe omgevingsplan leiden tot een aanzienlijke kostenpost (circa 140 euro per af te voeren kubieke meter).
Wij vragen ons af of de extra maatschappelijke kosten opwegen tegen de te realiseren winst voor de bescherming van het milieu en de omgeving. We vinden dat andere aspecten zoals herverontreiniging doordat de bron niet wordt weggenomen, uitstoot, energie en beschikbaarheid van primaire grondstoffen, onvoldoende zijn meegewogen. Reactie 1. Bij grond ontgraven en toepassen heeft het waterschap over het algemeen niet te maken met terugsaneerwaarden. Er is namelijk over het algemeen geen sprake van de milieubelastende activiteit '"saneren van de bodem". Er is sprake van de milieubelastende activiteit '"Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit", "Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit " of “Toepassen van grond of baggerspecie. Bij deze activiteiten gelden geen terugsaneerwaarden. 2. Waterschap heeft geen saneringsopgave. Bij toepassen van grond komt het waterschap wel in aanraking met de verscherpte normen voor toe te passen grond. Hier wordt hieronder door het waterschap verder op ingegaan.
Onderwerp 2 Onderscheid normen in toepassingsvereisten en terugsaneerwaarden PFAS 1. In het nieuwe omgevingsplan bedraagt de terugsaneerwaarde PFOA 7 µg/kgds voor woongebieden en 2,3 µg/kgds voor wegbermen en moestuinen. We verzoeken om wegbermen, mede gelet op het gebruik, voor wat betreft de terugsaneerwaarde voor PFOA gelijk te stellen aan groenzones binnen woongebieden (bodemfunctie ‘Wonen’) met bijbehorende terugsaneerwaarde van 7 µg/kgds (0,007 mg/kgds). Tevens vragen we om de criteria voor toepassing van grond hier ook op aan te passen. Dit is weliswaar nog steeds een aanscherping ten opzichte van de huidige situatie met toepassingsnorm van 10 µg/kgds, maar de impact op de uitvoerbaarheid en kosten zal beduidend minder zijn. 2. In het omgevingsplan ontbreekt beleid voor het tijdelijk uitnemen van grond met concentraties boven de (nieuwe) toepassingswaarden voor PFAS. We vragen - 14 -
duidelijkheid te verschaffen over de mogelijkheid van tijdelijk uitnemen, dat wil zeggen het ontgraven en op of nabij en onder dezelfde condities terugplaatsen van grond, bij concentraties boven de toepassingswaarde. Reactie 1. Zoals hierboven aangegeven zijn de terugsaneerwaarden niet van toepassing op graafwerkzaamheden en toepassen van grond. Bij toepassen van grond zijn wel lokale maximale waarden voor PFOA van toepassing. Deze zijn voor wegbermen die volgens de bodemfunctiekaart in de zone landbouw/natuur liggen 2,3 ug/kg ds. Maar zoals hierboven aangegeven gaat het volgens het waterschap om hergebruik van grond binnen een project, zodat afvoer wordt voorkomen. Binnen een project is het op basis van rijksregels toegestaan om grond die niet sterk verontreinigd is her te gebruiken. Hiervoor heeft het rijk regels gesteld in artikel 4.1222a van het Bal (tijdelijke uitnemen). Deze regels worden verder uitgelegd door het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO): https://iplo.nl/thema/bodem/regelgeving/hergebruik-bouwstoffen-grondbaggerspecie/tijdelijk-uitnemen-grond-baggerspecie/ Voor het eventueel niet onder dezelfde omstandigheden terugplaatsen van grond (dit is een afwijking op artikel 4.1222a Bal) kan een maatwerkbesluit met maatwerkvoorschriften worden aangevraagd.
Dit maatwerk is gezien de situatie acceptabel: Het wijzigt de samenstelling van en emissie uit de bodem nauwelijks en leidt niet tot (extra) aantasting van de bodem. En er wordt zodoende zuinig omgaan met energie en grondstoffen. 2. Zoals hierboven aangegeven voorziet het rijksbeleid in het tijdelijke terugplaatsen. Zie in het besluit activiteiten leefomgeving de regels voor de milieubelastende activiteit "Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit" (paragraaf 3.2.21 en paragraaf 4.119. En zie het IPLO: https://iplo.nl/thema/bodem/regelgeving/hergebruik-bouwstoffen-grondbaggerspecie/tijdelijk-uitnemen-grond-baggerspecie/
Onderwerp 3 Algemene kwaliteit wegbermen In de decentrale beleidsregels zijn wegbermen specifiek benoemd, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen wegbermen binnen de bebouwde kom en wegbermen buiten de bebouwde kom. Voor wegbermen is bepaald dat met het oog op het beschermen van het milieu bij wegbermen buiten de bebouwde kom sprake moet zijn van een bodemkwaliteit die voldoet aan de kwaliteitsklassen wonen of landbouw/natuur. Dit betekent ook dat alleen grond of baggerspecie toegepast mag worden met de kwaliteitsklassen wonen of landbouw/natuur. Voor wegbermen binnen de bebouwde kom is een dergelijke bepaling niet opgenomen. We vragen om geen onderscheid te maken in bermen binnen de bebouwde kom en wegbermen buiten de bebouwde kom, aangezien de mate van bescherming van het milieu niet wezenlijk verschilt. Tevens vragen we, mede gelet op de blootstelling, om de toepassingswaarden voor toe te passen grond gelijk te stellen aan de bodemfunctieklasse ‘wonen’. Reactie - 15 -
Als we geen onderscheid maken, dan zou de kwaliteitseis uit het rijksbeleid (Bal, artikel 4.1272) gelden. Op basis daarvan mag in wegbermen buiten de bebouwde kom, met uitzondering van bermen bij enkele lintbebouwingen, alleen grond van de kwaliteitsklasse landbouw/natuur worden toegepast. Bij sommige lintbebouwing mag volgens rijksbeleid de kwaliteitsklasse wonen worden toegepast. Zie ook de toepassingskaart op website OZHZ: https://geo.ozhz.nl/?@Bodeminformatie Ons lokale beleid is een versoepeling ten opzichte van het rijksbeleid en stelt dat in alle wegbermen buiten de bebouwde kom grond van de kwaliteitsklasse wonen (of schoner) mag worden toegepast. Wegbermen binnen de bebouwde kom liggen volgens de bodemfunctiekaart veelal in de zone wonen of industrie. Voor wegbermen in deze zones geld het landelijke beleid, die aangeeft dat de toe te passen grond van de kwaliteitsklasse wonen of industrie of schoner moet zijn als de bodemkwaliteit in die zone volgens de bodemkwaliteitskaart schoner is. Dan geldt de kwaliteit van de bodemkwaliteitskaart voor de toe te passen grond. De noodzakelijke kwaliteit is te zien op de toepassingskaart op de website van OZHZ: https://geo.ozhz.nl/?@Bodeminformatie. In sommige gevallen betekent dat dat de grond van kwaliteitsklasse landbouw/natuur moet zijn en in andere gevallen klasse wonen of industrie.
De gebieden waarin de kwaliteit landbouw/natuur geld dat deze zones die kwaliteit ook hebben. Een versnippering van de bodemkwaliteit is in deze zones niet wenselijk. Onderwerp 4 Zoutgehalte wegbermen in relatie tot gladheidbestrijding In de decentrale beleidsregels zijn eisen gesteld aan het chloride gehalte in de bodem. Aangezien wij wegbeheerder zijn voor een aantal wegen, hebben we ook een verplichting ten aanzien van gladheidsbestrijding. Deze gladheidsbestrijding vindt met name plaats door het strooien van zout in perioden waarin kans op gladheid aanwezig is. Door oppervlakkige afstroming vanaf de wegen komt dit zout vervolgens in de randen en de bodem langs de wegen terecht. In de decentrale regels is geen uitzonderingsbepaling opgenomen voor een verontreiniging met chloride als gevolg van gladheidsbestrijding. Dit kan resulteren in een verplichting (zorgplicht) tot het wegnemen van verontreinigde grond als gevolg van deze gladheidsbestrijding. We vragen om een uitzonderingsbepaling op te nemen voor situaties die ontstaan als gevolg van de bestrijding van gladheid. Reactie Met het opnemen van een uitzonderingsbepaling gaan we er vanuit dat u bedoeld of er mogelijkheden bestaan voor de gemeente om een maatwerkregel op te nemen voor een bodemverontreiniging als gevolg van de gladheidsbestrijding.
Een maatwerkregel is een lokale uitwerking van een algemene regel van het Rijk of de provincie. Decentrale bestuursorganen kunnen alleen maatwerkregels stellen als ze daarvoor de bevoegdheid krijgen van een hoger bestuursorgaan. Allereerst merken we op dat u (zoals u zelf al stelt) als wegbeheerder op grond van de Omgevingswet een zorgplicht heeft om alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd te nemen om de nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving te voorkomen, dan wel zo veel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Naast de algemene zorgplichten is er nog een specifieke zorgplicht op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Op grond van artikel 2.12 van het Bal kan een gemeente maatwerkregels opnemen in zijn Omgevingsplan. Het is echter niet mogelijk om met een maatwerkregel af te wijken van deze specifieke zorgplicht (deze mag niet versoepeld worden). Uitzonderingsbepalingen opnemen doormiddel van een maatwerkregel is dus niet mogelijk.
- 16 -
Onderwerp 5 Bruikbaarheid bodemkwaliteitskaarten 1. In het omgevingsplan is bepaald dat toepassing van grond enkel op basis van bodemkwaliteitskaarten niet mogelijk is. Dit is van toepassing ongeacht de eisen die zijn gesteld aan de statistische betrouwbaarheid van de bodemkwaliteitskaarten. In een dergelijke situatie is een aanvullend bewijsmiddel met een verkennend bodemonderzoek of partijkeuring verplicht gesteld. Hoewel niet specifiek benoemd, lijkt tijdelijk uitnemen zonder aanvullend bodemonderzoek of een partijkeuring nog steeds mogelijk te zijn. 2. Voor de werken waar tijdelijk uitnemen niet toereikend of mogelijk is, is een aanvullend bewijsmiddel met een verkennend bodemonderzoek of partijkeuring verplicht. Dit leidt tot extra kosten voor het noodzakelijkerwijs laten uitvoeren van verkennend bodemonderzoek of het uitvoeren van een partijkeuring op te definiëren partijen. 3. We vragen om voldoende ruimte te bieden voor het tijdelijk uitnemen (ontgraven en op of nabij dezelfde plek en onder dezelfde omstandigheden terugbrengen) van grond bij concentraties boven de toepassingswaarde voor nieuw toe te passen grond. 4. Tevens vragen we om, gelet op de eisen aan de statistische onderbouwing van bodemkwaliteitskaarten, hergebruik van grond binnen het samenwerkingsverband beheergebied Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid zonder aanvullend bodemonderzoek mogelijk te maken.
Reactie 1. Het klopt . Dit valt onder de activiteit "graven" en niet onder de activiteit "toepassen van grond of baggerspecie". Bij het verrichten van de activiteit “Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit”, bedoeld in artikel 4.1219 Bal, moet worden voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Bal. 2. Dat klopt, maar in het werkgebied van WSRL dat binnen de regio Zuid-Holland Zuid (met uitzondering van een deel van de Hoeksche Waard) valt, is de bodem verdacht op het voorkomen van PFOA. Daardoor is onderzoek vanuit de rijks onderzoeksprotocollen ook al verplicht. Zie hiervoor ook het Besluit activiteiten leefomgeving paragraaf 5.2.2 (voorafgaand bodemonderzoek) en de onderliggende NEN5725, NEN5740. En ook het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit met onderliggende BRL1000 SIKB protocol 1001. Daarnaast vinden wij de bodemkwaliteitskaart weinig betrouwbaar, aangezien deze de gemiddelde kwaliteit van grond in een gebied aan geeft en niet de daadwerkelijke kwaliteit van een partij toe te passen grond. Om die reden is tenminste een verkennend onderzoek verplicht gesteld. 3. In deze vraag staat een tegenstrijdigheid. Voor tijdelijk uitnemen zijn rijksregels geldig, hieraan moet u voldoen.
Nieuw toe te passen grond valt niet onder tijdelijke uitnemen maar betreft de milieubelastende activiteit "Toepassen van grond of baggerspecie". Hiervoor zijn ook rijksregels van toepassing ten aanzien van onderzoek en daarbij de lokale regel die een minimum aan onderzoek verplicht. Voor concentraties PFOA boven de waarden behorende bij de kwaliteitsklasse kan een maatwerkbesluit met maatwerkvoorschriften worden aangevraagd. Voor de maatwerkmogelijkheden/ruimte is lokaal beleid ontwikkeld. Deze is nog in concept. 4. De statistische eisen aan de onderbouwing zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit. Deze gaan uit van een gemiddelde per zone. De kans is dus groot dat een partij grond niet aan de kwaliteit voldoet die in die zone is vastgesteld als (gemiddelde) bodemkwaliteit. Vanwege deze statistische onderbouwing en om de kwaliteit van de (buiten)gebieden te beschermen tegen verslechtering (schoon houden wat schoon is) gaan wij niet in op uw verzoek. Wij merken op dat voor PFOA geen bodemkwaliteitskaart is of wordt vastgesteld, dit omdat de gehalten binnen de zones heterogeen zijn en een gemiddelde weinig zegt. - 17 -
Onderwerp 6 Baggerdepots In de wijziging van het omgevingsplan zijn de activiteiten ‘verspreiden op de kant’ van baggerspecie en het inrichten van zogeheten ‘weilandbaggerdepots’ niet specifiek benoemd. Voor het opslaan van grond en baggerspecie is het algemene principe geformuleerd dat geen achteruitgang of verslechtering van de bestaande gebiedskwaliteit moet worden nagestreefd. In tegenstelling tot grond zijn geen bepalingen opgenomen in de wijze waarop deze opslag fysiek moet worden afgeschermd om contactmogelijkheden te voorkomen. Het vigerende beleid ten aanzien van ‘verspreiden op de kant’ van baggerspecie en het inrichten van zogeheten ‘weilandbaggerdepots’ lijkt daarmee niet gewijzigd. We vragen om te bevestigen dat het vigerende beleid ten aanzien van ‘verspreiden op de kant’ van baggerspecie en het inrichten van zogeheten ‘weilandbaggerdepots’ niet wijzigt. Reactie Dat klopt vrijwel geheel. Enige wijziging (artikel 11.10) die wij hebben aangebracht voor verspreiden van baggerspecie is het vaststellen van een norm voor chloride. Deze norm geldt niet als sprake is van verspreiding op een naastgelegen perceel. Onderwerp 7 Verwijzing naar normdocumenten In het omgevingsplan wordt niet altijd verwezen naar de meest recente normdocumenten, wat strijdigheid veroorzaakt.
We verzoeken om verwijzingen naar de normdocumenten niet in het decentrale omgevingsplan op te nemen, maar daarvoor het landelijke juridische kader als verwoord in de Regeling bodemkwaliteit 2022 te hanteren. Aanvulling WSRL per mail 7 april 2025: Het gaat om de verwijzingen in bijlage 1 (begripsbepalingen). In onze zienswijze verzoeken we om geen normdocumenten met versies en andere kenmerken te benoemen, maar altijd te verwijzen naar de Regeling Bodemkwaliteit. Ook voor de normdocumenten die nu wel met de juiste versie zijn vermeld in bijlage 1. Reactie In bijlage 1 staan geen normdocumenten genoemd. Wel staat bij de begripsbepaling voor een bodemonderzoek (Bodemonderzoek: onderzoeken als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving). In de regels wordt met een bodemonderzoek bedoelt een onderzoek zoals aangegeven in de begripsbepaling. Indien hiermee een ander bodemonderzoek wordt bedoelt dan staat dit aangegeven in de regel waarin het bodemonderzoek genoemd staat. De Regeling bodemkwaliteit is alleen van toepassing voor bij de milieubelastende activiteit toepassen van grond of baggerspecie. In de artikel 11.10 lid 2, 11.15, 11.16 lid2a en 11.16 lid2b die gaan over deze milieubelastende activiteit staat ook een bodemonderzoek genoemd.
Alleen in artikel 11.16 lid 2b van het ontwerp wordt naar een bodemonderzoek gerefereerd als bedoeld in de Regeling bodemkwaliteit. Dit is mogelijk niet geheel duidelijk en wordt toegevoegd in lid 2 van deze regel (een rapport van een bodemonderzoek als bedoeld in de Regeling bodemkwaliteit). Dit wordt tijdens de vaststelling aangepast in artikel 11.18 lid2b. Voorstel
Wij stellen de gemeenteraad voor om zienswijze 2 deels gegrond en deels ongegrond te verklaren. Voor wat gegrond is, is het voorstel om de regels aan te passen zoals aangegeven in de staat van wijzigingen. - 18 -
2.4. Zienswijze HVC Ontvankelijkheid
De zienswijze is op 3 april 2025 ontvangen en daarmee niet-ontvankelijk. Reclamant geeft aan dat niet voorafgaand aan de ter inzage termijn een kennisgeving is gedaan van de ter inzage. De kennisgeving van het ontwerp is op dezelfde dag gedaan als de start van de inzagetermijn. De zienswijze is twee weken na afloop van de ter inzage termijn ingediend. Daarnaast was de reclamant op de hoogte van de omgevingsplan wijzigingen in de regio Zuid-Holland Zuid en heeft daar op tijd zienswijzen ingediend. Hierdoor is de zienswijze regionaal beantwoord. Gelet op het bovenstaande nemen wij de zienswijze en betreffende beantwoording mee in deze nota. Behandeling zienswijze
Allereerst wordt de zienswijze verkort weergegeven en vervolgens wordt de zienswijze van een reactie voorzien. Deze zienswijze heeft betrekking op artikel 11.19. Zienswijze Reclamant geeft aan dat in deze zienswijze uitgelegd zal worden dat een algeheel verbod om AVI-bodemassen toe te passen als bouwstof niet nodig én niet wenselijk is. Een verbod zal reclamant en dus ook de gemeente, aandeelhouder van reclamant, belemmeren in het bereiken van haar doelstellingen op het gebied van het recyclen van grondstoffen. Dit verbod brengt de afzet in gevaar en strookt niet met het landelijke beleid. Reclamant stelt voor om een uitzondering te maken voor gereinigde bodemassen die voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen, zodat tevens het belang van het milieu wordt gediend. Met oog op het beschermen van het milieu reinigt reclamant al sinds 2016 haar bodemassen. Zij vormt al jaren de voorhoede als het gaat om het integraal wassen van haar AVI-bodemassen en heeft als eerste afvalenergiecentrale (hierna 'AEC') invulling gegeven aan de Green Deal Verduurzaming nuttige toepassing AEC-bodemas. Op basis van het voorbeeld in 2021 in Katwijk waarbij batterijen in het eindproduct zijn aangetroffen, ondanks dat het voldeed aan de normen, heeft reclamant daarna het reinigingsproces stelselmatig verbetert.
Daardoor voldoen de bodemassen aan de kwaliteitseisen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022 en aangekondigde strengere normen voor restmetaal en batterijen. Reclamant geeft aan dat het reinigen van bodemassen aanzienlijk duurder is dan geïmmobiliseerde toepassing. Om die reden kiezen veel andere AEC's voor de goedkopere route van immobiliseren. De landelijke overheid vindt dit onwenselijk. Daarbij verwijst reclamant naar het ontwerp-Circulair Materialenplan waarin staat dat gestuurd gaat worden op het reinigen van bodemassen tot een materiaal dat voldoet aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen. En dat voor AVI-bodemassen die na het opwerken voldoen aan deze kwaliteitseisen het ontwerp-CMP geen beperkingen kent. De keuze van de gemeente om een algeheel verbod om AVI-bodemassen toe te passen op te nemen is niet in lijn met het ontwerp-Circulair Materialenplan. Reclamant verwijst daarbij naar een bijeenkomst met partijen als de VNG, ODNL en bedrijfstak waarin staat: 'Actief uitdragen dat vergunningsplicht niet geldt voor gereinigde bodemas'. Reclamant geeft aan dat op een andere wijze moet worden voorzien in een uitzondering op het verbod op het toepassen van AVI-bodemassen als bouwstof voor zover het gaat om - 19 -
gereinigde bodemassen. Een algeheel verbod en daarmee vergunningplicht (BOPA) zal in de praktijk niet werken en uiteindelijk leiden tot het toepassen van schaarse primaire grondstoffen, zoals schoon zand. Reclamant geeft aan dat gereinigde bodemassen hoofdzakelijk, zo niet uitsluitend worden toegepast als ophoogmateriaal. Voor de gebruikers van dit materiaal is er (te) weinig tijd tussen het moment van vergunningverlening en het moment van uitvoering. Vergunningverlening blijkt in de praktijk bovendien een onzekere factor te zijn en dat heeft grote gevolgen voor de planning. Niet in de laatste plaats, omdat het toepassen van gereinigde bodemassen in het begin van het project zit. In de praktijk wordt ophoogmateriaal zo snel als mogelijk aangebracht, om zettingen voldoende tijd te geven om grotendeels uit te werken. Het finale ontwerp is dan nog niet uitgekristalliseerd. Reactie Naar aanleiding van deze zienswijze is de regeling voor bouwstoffen uit het ontwerpbesluit heroverwogen. Wij kunnen ons voorstellen, in lijn met het bezwaar van reclamant, dat een absoluut verbod een ingrijpend en zwaar instrument is. Daarom is het voorstel om de zienswijze deels tegemoet te komen door in de plaats van een verbod een binnenplanse vergunningplicht op te nemen en met beoordelingsregels duidelijk te maken onder welke voorwaarden een activiteit vergunbaar is.
Aan de andere kant houden wij daarmee voldoende beoordelingsruimte en dragen we hiermee bij aan de doelen van de omgevingsvisie. In de omgevingsvisie 1.0 stellen wij onszelf tot doel om preventief maatregelen te nemen gericht op het voorkomen van verslechtering van de bodemkwaliteit. Wij begrijpen dat wij daarmee niet helemaal tegemoetkomen aan het verzoek van reclamant, waarin gevraagd wordt om een uitzondering voor h gereinigde bodemassen. Deze bouwstoffen ziijn, als voldaan wordt aan het Bal en de Regeling Bodemkwaliteit 2022, vrij toepasbaar. In de praktijk heeft dat in een aantal gevallen tot incidenten geleid waarbij de bodem, het grondwater en/of het oppervlaktewater verontreinigd is geraakt. Daarnaast zijn er meerdere onderzoeksrapporten verschenen die een zorgelijk beeld over de vrije toepasbaarheid en de geldende regels schetsen. De regels schieten naar onze mening te kort. Dat geldt ook voor de regels voor gereinigde bodemassen. Wij zien daarom geen mogelijkheid om een uitzondering voor deze categorie te maken. In de gewijzigde motivering bij de regeling wordt uitgebreid ingegaan op deze zorgelijke signalen. De huidige landelijke regels bieden onvoldoende bescherming in onze ogen. Daarmee beroepen wij ons op het voorzorgbeginsel en nemen een binnenplanse vergunningplicht op. Ons doel is om zorgwekkende situaties te voorkomen (omgevingsvisie).