Motivering wijziging omgevingsplan Hardinxveld-Giessendam thema bodemkwaliteit.pdf
Tekst van het document
Motivering wijziging omgevingsplan Hardinxveld-Giessendam thema bodemkwaliteit mei 2025
Inhoud 1.
2.
3.
Inleiding .......................................................................................................................................... 3 1.1.
Aanleiding en reikwijdte ......................................................................................................... 3
1.2.
Begrenzing besluitgebied ...................................................................................................... 3
Doel en oogmerken van deze wijziging van het omgevingsplan ................................................... 3 2.1.
Doel........................................................................................................................................ 3
2.2.
Oogmerken ............................................................................................................................ 3
2.2.1.
Beschermen milieu ................................................................................................................ 4
2.2.2.
Waarborgen veiligheid en bescherming gezondheid ............................................................ 4
2.2.3.
Duurzaamheid en circulariteit ................................................................................................ 5
Planbeschrijving ............................................................................................................................. 5 3.1.
Regels voor het toepassen en opslaan van grond en baggerspecie .................................... 5
3.2.
Regels voor het toepassen van bouwstoffen......................................................................... 6
3.3.
Regels voor het graven in bodem .......................................................................................... 6
3.4.
Regels voor het saneren van de bodem en nazorg .............................................................. 6
3.5.
Regels voor het bouwen op verontreinigde grond ................................................................. 6
3.6.
Overnemen bruidsschatregels ............................................................................................... 7
3.7.
Opvolgen instructies uit het Bkl en provinciale omgevingsverordening ................................ 7
3.8.
Maatwerkregels in aanvulling op de regels in het Bal ........................................................... 7
3.9.
Schrappen bruidsschatregels ................................................................................................ 7
3.10. Conclusie .................................................................................................................................... 7 4.
Milieubeoordeling ........................................................................................................................... 7
5.
Instructieregels rijk en provincie ..................................................................................................... 7
6.
5.1.
Het rijk .................................................................................................................................... 7
5.2.
De provincie ........................................................................................................................... 8
Participatie en vooroverleg ............................................................................................................. 8 6.1.
Participatie ............................................................................................................................. 8
6.2.
Vooroverleg............................................................................................................................ 9
7.
Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................ 9
8.
Belangenafweging en conclusie ..................................................................................................... 9
9.
Notitie afweging bouwstoffen reguleren ....................................................................................... 10
-2-
1. Inleiding 1.1. Aanleiding en reikwijdte Aanleiding voor deze wijziging is het voorbereidingsbesluit met voorbeschermingsregels dat in december 2023 door de gemeenteraad is vastgesteld. Dit voorbereidingsbesluit was nodig om de omissies in de Omgevingswet, die per 1 januari 2024 in werking is getreden, op te lossen. Op die manier kon voorkomen worden dat in de overgangsperiode tot wijziging van het omgevingsplan voor bodemkwaliteit bodemactiviteiten moeten worden toegestaan waarvan bekend is dat deze schadelijk kunnen zijn voor mens en natuur. Binnen anderhalf jaar na inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit moet een omgevingsplanwijziging zijn vastgesteld om het beschermingsniveau voor mens en milieu te borgen. Voorliggend is de motivering behorende bij deze omgevingsplanwijziging. De regels in deze wijziging zijn samen ontwikkeld met de gemeenten en de omgevingsdienst van regio Zuid-Holland zuid. Het doel is om regionaal gelijkgesteld regels voor milieuthema's te krijgen, waaronder bodem. De wijziging van het omgevingsplan Hardinxveld-Giessendam voor het thema bodemkwaliteit is nodig om de volgende redenen: - Omissies in de Omgevingswet oplossen, o.a.
in het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna Bal) en de bruidsschat - Overzetten bodembeleid vanuit de regionale bodembeheernota naar omgevingsplan - Aanvullend bodembeleid dat aansluit bij de kenmerken en ontwikkelingen in het gebied Bij het voorliggende wijzigingsbesluit hoort een motivering. In deze motivering wordt gemotiveerd waarom de beoogde omgevingsplanwijziging bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente houdt hierbij rekening met alle betrokken belangen. In deze motivering wordt daar nader op ingegaan. 1.2. Begrenzing besluitgebied Het gebied waar dit besluit over gaat wordt begrensd door het ambtsgebied van de gemeente Hardinxveld-Giessendam. Dit gebied omvat alle gronden die binnen de grenzen van de gemeente Hardinxveld-Giessendam zijn gelegen.
2. Doel en oogmerken van deze wijziging van het omgevingsplan 2.1. Doel Het doel van deze wijziging met betrekking tot de bodemkwaliteit is zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving, waarbij het gebruik en de bescherming van de bodem en de ondergrond in balans zijn. Een duurzaam gebruik van de bodem (grond en grondwater) dient mogelijk te zijn. Zowel voor de huidige generatie als de toekomstige generaties. Ook dragen de regels gedeeltelijk bij aan het behoud van de biodiversiteit en energieneutraliteit. De bestaand chemische kwaliteit van de bodem mag op gebiedsniveau niet verslechteren en dient aan te sluiten bij de functie van de locatie. Bij het bepalen van de kwaliteitsdoelstelling van bodem en ondergrond spelen zowel gezondheidseffecten als ecologische effecten een belangrijke rol. 2.2. Oogmerken In het omgevingsplan worden oogmerken ten aanzien van de bodemkwaliteit opgenomen. De oogmerken vormen het kader voor de regel en sluiten aan bij de doelen van de Omgevingswet. De oogmerken voor bodemkwaliteit zijn: - Beschermen van het milieu en ecologie - Waarborgen van de veiligheid - Beschermen van de gezondheid - Zuinig gebruik van energie en grondstoffen - Het doelmatig beheer van afvalstoffen.
-3-
Hierna wordt toegelicht hoe de regels zich verhouden tot deze oogmerken. 2.2.1. Beschermen milieu Bodemonderzoek In de regels wordt het gebruik van de alleen de bodemkwaliteitskaart niet langer toegestaan, omdat de kaart niet de daadwerkelijke kwaliteit van de grond aangeeft. Er is minstens ook een bodemonderzoek nodig. Thermisch gereinigde grond en bouwstoffen als staalslakken, immobilisaat en bodemas Er is een vergunningplicht opgenomen voor het gebruik van thermisch gereinigde grond (verbrande grond) en aandachtsbouwstoffen (zoals staalslakken of AVI-bodemas). Alleen op de juiste manier en op de juiste plek mag dit worden toegepast. Dit is bijvoorbeeld onder een grote bedrijfsloods. Maar niet op onverharde plekken of plekken waar in de toekomst vaker gegraven zal worden zoals bij kabels en leidingen. De regels geven een sterke grip op deze toepassingen en verkleinen de kans op milieuschade. Nikkel Daar waar het nodig is zijn normen verruimd, zoals voor nikkel. Nikkel komt in heel de regio ZuidHolland Zuid wat verhoogd voor en heeft geen gezondheidsrisico’s. Deze grond is goed herbruikbaar. Bedrijven- en industrieterreinen Grond uit de regio van de kwaliteitsklasse industrie mocht al worden toegepast op bedrijven- en industrieterreinen. Dit oude beleid wordt gecontinueerd.
Bij het saneren van een bedrijfs- of industrieterrein werd eerder al het afdekken met een zogenaamde leeflaag met een dikte van een halve meter toegestaan. Dit is nu ook in de regels opgenomen. Ecologie Voor de ecologie is de juiste bodemkwaliteit van belang. Zo mag in de wegbermen buiten de bebouwde kom alleen grond van de klasse wonen of schoner worden toegepast. Voorheen mocht hier klasse industrie worden toegepast, maar dit is niet goed voor de ecologie. Ook zijn er normen opgenomen voor de zuurgraad (pH) en het zoutgehalte van grond. Deze waren nooit duidelijk, maar zijn wel belangrijk voor de ecologie. De zuurgraad en het zoutgehalte moeten aansluiten bij wat in de regio normaal is. Deze waarden zijn nu opgenomen in de regels. 2.2.2. Waarborgen veiligheid en bescherming gezondheid Er is gekozen voor een gezond, veilig en duurzaam bodemgebruik. In grond die wordt toegepast mogen volgens de rijksregels best veel bodemvreemde bijmengingen zitten. Echter is dit niet wenselijk in een woonwijk, volkstuin of buitengebied waar de bodem schoon hoort te zijn. PFOA Voor hergebruik van grond binnen de regio zijn nieuwe normen opgenomen. Deze bieden meer ruimte dan het landelijke beleid, maar zijn strenger dan de oude normen uit 2018. De normen zijn gebaseerd op de adviezen van het RIVM en regionaal onderzoek.
De normen gelden bijvoorbeeld bij het ophogen van een perceel (toepassen van grond). Er is ook maatwerk mogelijk. Dat betekent dat in bepaalde situaties afgeweken kan worden van de normen. Hiervoor zijn randvoorwaarden opgesteld. Een van de voorwaarden is dat de locatie waar grond wordt hergebruikt nooit vuiler mag worden en het hergebruik nooit mag leiden tot gezondheidsrisico’s. Voor het saneren bij bouw is een strengere norm opgenomen dan vorig jaar landelijk was vastgesteld. Dit omdat het RIVM in haar advies aangaf dat de norm strenger moet zijn omdat iedereen in Nederland al blootgesteld wordt aan PFAS. De norm geldt bijvoorbeeld bij het bouwen van een nieuwe woning. Bij graafwerkzaamheden moet ook rekening gehouden worden met PFOA, dit is overgenomen uit de voorbeschermingsregels. Lood De norm die het Rijk meegeeft is niet voldoende voor een gezonde leefomgeving voor kinderen. Het RIVM, GGD en provincie adviseren een strengere norm. Dit resulteert in regels met een strengere norm voor het toepassen van grond (afkomstig van binnen en buiten onze regio) in woonwijken en volkstuinen. Voor het saneren bij bouw is ook een strengere norm opgenomen. De norm geldt bijvoorbeeld bij het bouwen van een nieuwe woning en bij het toepassen van grond in een woonwijk waar ook kinderen spelen.
-4-
Vluchtige stoffen Een vluchtige stof is een stof die snel verdampt. Dit treedt ook op in de bodem en dat kan stinken of zelfs gezondheidsklachten veroorzaken. Bijvoorbeeld als de stoffen uit de bodem dampen tot in een woning. In de regels is daarom opgenomen dat deze stof bij sanering moet worden verwijderd. Afdekken (met bijvoorbeeld een leeflaag) mag niet, want dan kan de stof nog steeds uitdampen. Onder de oude wetgeving (voor 2024) werd de stof ook altijd zo goed mogelijk verwijderd. De Omgevingswet voorziet hier niet in. Daarom was dit opgenomen in de voorbeschermingsregels en wordt dit overgenomen in de lokale regels. 2.2.3. Duurzaamheid en circulariteit Met betrekking tot een circulaire economie wordt ingezet op hergebruik van primaire grondstoffen en minder afvalstoffen. Door zoveel mogelijk grond en baggerspecie te hergebruiken, wordt minder materiaal gestort en worden minder primaire grondstoffen gewonnen. Dit mag alleen niet leiden tot een achteruitgang van de gebiedskwaliteit. Daarom wordt met deze regels gestreefd naar een balans tussen de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu én ruimte voor maatschappelijke ontwikkelingen (duurzaam bodembeheer). Doel is het mogelijk maken van ontwikkelingen zonder de bodem of het oppervlaktewater te schaden.
Met dit oogmerk zijn daar waar mogelijk de normen voor hergebruik van gebiedseigen grond en baggerspecie versoepeld en is er mogelijkheid tot maatwerk. Zoals bij het hergebruik van nikkel of PFAS-houdende grond.
3. Planbeschrijving Deze wijziging omgevingsplan voor het thema bodemkwaliteit heeft betrekking op de volgende set met regels die toegevoegd wordt aan het omgevingsplan Hardinxveld-Giessendam: - Regels voor het toepassen en opslaan van grond en baggerspecie; - Regels voor het toepassen van bouwstoffen; - Regels voor het graven in de bodem; - Regels voor het saneren van de bodem en nazorg; - Regels voor het bouwen op verontreinigde grond; - Overnemen van bruidsschatregels; - Opvolgen instructies uit het Bkl en de provinciale omgevingsverordening; - Maatwerkregels in aanvulling op de regels in het Bal. Het betreft enerzijds een beleidsneutrale omzetting en het overnemen van instructieregels en anderzijds een invulling van maatwerkmogelijkheden en beleidsvernieuwing. Hierna wordt per onderwerp inzichtelijk gemaakt waar sprake is van beleidsvernieuwing. 3.1. Regels voor het toepassen en opslaan van grond en baggerspecie De regelingen voor het toepassen van grond en baggerspecie waren voor de Omgevingswet opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit met een uitwerking in de regionale bodembeheernota. De regelingen worden grotendeels beleidsneutraal overgenomen in het omgevingsplan. Een beleidsvernieuwing betreft het opnemen van een vergunningplicht voor het toepassen van thermisch gereinigde grond.
In de Omgevingswet is het hergebruik van thermisch gereinigde grond onvoldoende gereguleerd om de grond veilig voor mens en milieu te kunnen gebruiken. Het Bal bevat maatwerkmogelijkheden om af te wijken van de kwaliteitseisen voor stoffen. Ten behoeve van de volksgezondheid zijn daarom strengere normen voor lood, barium, asbest en PFOA gesteld. Dit is ook aan de orde bij de zuurgraad (pH). De bescherming hierbij volgde voorheen uit de zorgplicht, maar daar kan nu niet meer op teruggevallen worden in de Omgevingswet. In het omgevingsplan is daarom een norm gesteld voor pH. De nieuwe pH norm sluit beter aan bij de pH die in deze regio normaal is, ter bescherming van het milieu. Een versoepeling is doorgevoerd voor nikkel. Het voorkomende hogere gehalte in deze regio heeft geen gezondheidsrisico's. Dit hogere gehalte wordt daarom uitgangspunt. Vanuit de bodembeheernota zijn de regels voor bedrijventerreinen, de milieuverklaring en bodemvreemd materiaal beleidsneutraal overgenomen. Het Bal maakt het mogelijk om maatwerkregels op te nemen ten aanzien van het opslaan van grond en baggerspecie. Ten aanzien van de bodembeschermende voorzieningen is gekozen om aanvullende -5-
voorzieningen (hekwerk/zeil) voor te schrijven bij het opslaan van grond om te voorkomen dat er hinder van ontstaat en illegaal grond wordt bijgestort. Dit is een strenger beleid dan voorheen. 3.2. Regels voor het toepassen van bouwstoffen Onder de Omgevingswet zijn aandachtsbouwstoffen onvoldoende gereguleerd en kan niet worden teruggevallen op een (algemene) zorgplicht. Dit hiaat in de regelgeving is al met het voorbereidingsbesluit opgelost en wordt nu overgenomen in het omgevingsplan. Uit rapportages en publicaties van het RIVM en ILT blijkt dat de wetgeving niet of onvoldoende toereikend is om aandachtsbouwstoffen (zoals staalslakken, AVI-bodemas en immobilisaat) veilig voor mens en milieu te kunnen gebruiken. Toepassing van deze bouwstoffen kan niet worden tegengegaan. Daarnaast geldt voor bouwstoffen geen meldplicht, waardoor toezicht en handhaving moeilijk is. Dit is een nieuw probleem dat is ontstaan door ontwikkelingen in deze sector. De Omgevingswet dekt net als de huidige regelgeving de risico's voor mens en milieu onvoldoende af. Hier is dus sprake van beleidsvernieuwing om een opkomend probleem te reguleren. 3.3. Regels voor het graven in bodem De regeling voor kleinschalig graven vanuit de bruidsschat wordt niet overgenomen in het omgevingsplan om de beperkte impact op het milieu.
In de voorgaande regelgeving voor de Omgevingswet waren maatregelen verplicht bij het graven in sterk verontreinigde grond. Onder de Omgevingswet zijn deze maatregelen alleen verplicht als de verontreinigende stof op de stoffenlijst in het Bal staat. De stof PFOA staat hier niet in. Dit is een hiaat in de huidige regelgeving die ervoor zorgt dat zonder maatregelen gegraven kan worden in sterk met PFOA verontreinigde grond. Dit hiaat is met het voorbereidingsbesluit opgevangen en wordt nu overgenomen in het omgevingsplan. Dit is een beleidsneutraal ten aanzien van de wetgeving voor de Omgevingswet. 3.4. Regels voor het saneren van de bodem en nazorg In het Bal is het mogelijk om aanvullende maatwerkregels in het omgevingsplan op te nemen voor het saneren van de bodem. Daar waar het nodig is zijn normen verruimd/versoepeld. Zoals bij de saneringsaanpak op industrieterreinen. Hier volstaat ook een leeflaag van 0,5 meter dikte (i.p.v. 1 meter) omdat het gebruik van de bodem weinig gevoelig is en de blootstelling aan verontreiniging ook me een minder dikke leeflaag voldoende kan worden beperkt. In de regelingen vooraf aan de Omgevingswet moest bij de activiteit saneren een vluchtige, uitdampende stof tot zover verwijderd worden dat er geen uitdamping naar de binnenlucht (van bijvoorbeeld een woning) meer plaatsvindt.
Onder de Omgevingswet hoeft een uitdampende stof niet verwijderd te worden en hoeft uitdamping naar de binnenlucht niet voorkomen te worden. Dit kan leiden tot gezondheidsrisico's. Met het voorbereidingsbesluit is dit hiaat opgevangen en nu wordt deze regel opgenomen in het omgevingsplan. Dit is een beleidsneutrale aanvulling op het voorbereidingsbesluit, maar nieuw ten opzichte van de Omgevingswet. In het kader van digitalisering worden extra gegevens en bescheiden gevraagd. Op die manier wordt ook voldaan aan de wetgeving hiervoor. De regels voor nazorg betreffen een beleidsneutrale omzetting van instructies uit het Bkl en regels in de bruidsschat over nazorg na sanering en van tijdelijke beschermingsmaatregelen en de registratie daarvan. Voor 2024 werden nazorglocaties ook geregistreerd. 3.5. Regels voor het bouwen op verontreinigde grond Het grootste deel van de regels over het bouwen op verontreinigde grond volgen uit instructies uit het Bkl en vervangen artikelen van de bruidsschat. De regels voor bouwen op een grondwatergevoelige locatie volgen uit instructies in de provinciale omgevingsverordening. Het betreft dus grotendeels een beleidsneutrale toevoeging van regels. Met het voorbereidingsbesluit is al een hiaat in de Omgevingswet opgevangen voor toelaatbare kwaliteit van de bodem.
Het hiaat is dat er gebouwd kan worden op sterk verontreinigde grond wanneer de betreffende verontreiniging niet in de stoffenlijst van het Bal zijn opgenomen. De verontreinigde stof PFOA staat niet op deze lijst. De regel uit het voorbereidingsbesluit wordt overgenomen in het omgevingsplan. Het is een beleidsvernieuwing ten aanzien van de Omgevingswet omdat strengere normen worden doorgevoerd, maar beleidsneutraal ten aanzien van het regionale beleid en voorbereidingsbesluit. Daarnaast is ook het vangnetartikel uit het voorbereidingsbesluit overgenomen om ook bij andere niet genoemde stoffen in te kunnen grijpen. Het doel is om eenzelfde beschermingsniveau (voor mens en milieu) te borgen zoals onder de voormalige wetgeving. -6-
3.6. Overnemen bruidsschatregels De bruidsschatregels voor bodemkwaliteit zijn grotendeels beleidsneutraal overgenomen, met waar nodig aanscherpingen of verduidelijkingen (op basis van het maatwerk vanuit het Bkl). Het gaat dan om de regels voor de onderwerpen: bodemgevoelig gebouw bouwen en historische bodemverontreinigingen. Een aantal onderwerpen worden niet uit de bruidsschat overgenomen: bodemonderzoek en kleinschalig graven. Bij bodemonderzoek zijn de landelijke regels voldoende. 3.7. Opvolgen instructies uit het Bkl en provinciale omgevingsverordening Ten aanzien van bodemkwaliteit worden alle instructies opgevolgd; de regels worden in het omgevingsplan toegevoegd. Zo bepaalt het Bkl dat in het omgevingsplan het bodembeheergebied wordt aangewezen. In lijn met de instructies van de provincie worden de regels voor historische bodemverontreinigingen overgenomen. 3.8. Maatwerkregels in aanvulling op de regels in het Bal Uitgangspunt van de Omgevingswet is om meer decentraal te regelen. Bodemkwaliteit is een thema dat van het rijks/provinciaal niveau naar het gemeentelijk niveau schuift. Van belang is om de regels te laten aansluiten bij de lokale kenmerken. Het Bal biedt daarom een algemene mogelijkheid om maatwerkregels te stellen over milieubelastende activiteiten in het belang van het milieu en de gezondheid.
Bij verschillende onderwerpen binnen bodemkwaliteit wordt dit maatwerk benut en stellen wij nieuwe regels. Voorbeelden zijn: PFOA, lood, zuurgraad (pH). In lijn met de wetgeving voor de Omgevingswet blijft het mogelijk om naast maatwerkregels altijd een verzoek tot maatwerk in te dienen, waarna maatwerkvoorschriften (in een maatwerkbesluit) worden voorgeschreven voor die specifieke situatie. Ook biedt de wet de mogelijkheid gebruik te maken van een gelijkwaardige oplossing. 3.9. Schrappen bruidsschatregels In deze omgevingsplanwijziging worden verschillende regels over het onderwerp bodemkwaliteit in de bruidsschat geschrapt. Het gaat om regels in de paragrafen 22.2.7.2, 22.2.7.3 en 22.3.7. Deze zijn beleidsneutraal overgenomen, tenzij hiervoor anders aangegeven. 3.10. Conclusie Deze wijziging betreft grotendeels een beleidsneutrale toevoeging in het omgevingsplan HardinxveldGiessendam. Waar dat nodig is worden extra regels gesteld; dit is een beleidsvernieuwing van het omgevingsplan.
4. Milieubeoordeling De Omgevingswet verplicht de gemeente om na te gaan of de voorgenomen activiteiten mogelijk tot nadelige milieueffecten kunnen leiden. Indien de regels activiteiten mogelijk maken die opgenomen zijn in kolom 1 bijlage V van het Omgevingsbesluit kan een m.e.r.(beoordeling) verplicht zijn. De m.e.r. beoordeling is er dan op gericht na te gaan of uitvoering van het plan kan leiden tot aanzienlijke effecten op het milieu. Zijn er aanzienlijke effecten, dan is er een m.e.r. procedure noodzakelijk.
5. Instructieregels rijk en provincie Hoofdstuk 5 van het Bkl van het rijk bevat de instructieregels voor het omgevingsplan. De instructieregels van de provincie voor het omgevingsplan staan in hoofdstuk 7 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV). 5.1. Het rijk Het rijk verplicht gemeenten om het volgende ten aanzien van bodemkwaliteit op te nemen in het omgevingsplan: a. Aanwijzen bodembeheergebieden en indeling landbodem in functieklassen (§ 5.1.4.5.3 Bkl). In het omgevingsplan moet de geometrische begrenzing van het aangewezen bodembeheergebied worden vastgesteld. Daarnaast moet de indeling in de
-7-
bodemfunctieklassen worden vastgesteld, zo wordt rekening gehouden met functie die in het omgevingsplan aan de locatie is toegedeeld. b. Een gemeente moet in het omgevingsplan regelen dat op welke wijze en binnen welke termijn een afdeklaag of maatregelen ter voorkoming van blootstelling aan verontreiniging in het kader van toevalsvondst bodem moeten worden onderhouden of vervangen (§ 5.1.4.5.2. Bkl Nazorg) c. De definities voor een bodemgevoelig gebouw en bodemgevoelige locatie moeten worden vastgelegd in het omgevingsplan. Ook moet een waarde voor de toelaatbare kwaliteit voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw opnemen voor de in bijlage XIIIa genoemde stoffen. Ook worden de vergunningplichten, meldplichten en saneringsmaatregelen voorgeschreven in het omgevingsplan (§ 5.1.4.5.1 Bkl). Deze instructies worden met deze wijziging van het omgevingsplan overgenomen. Daarnaast zijn de maatwerkmogelijkheden in het Bal benut. Een groot gedeelte van deze omgevingsplanregels moeten in navolging van de bepalingen in het Bal gelezen worden. De regels stellen aanvullende eisen aan de bepalingen in het Bal. 5.2. De provincie Op 9 november 2022 heeft de provincie een voorbereidingsbesluit ten aanzien van de grondwaterkwaliteit genomen. Dit voorbereidingsbesluit is overgenomen in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (in werking per 24 juli 2024).
De provincie verplicht gemeenten in hun ZuidHollandse omgevingsverordening het volgende op te nemen in hun omgevingsplan ten aanzien van bodemkwaliteit: a. § 7.3.5 Grondwaterkwaliteit; b. Regels ten aanzien van het toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie. Daarbij horen een toepassingsbereik, definities, risicobeoordeling, sanerende maatregelen bij verontreiniging, een vergunning- en meldplicht; c. Regels ten aanzien van het saneren van de bodem ter uitvoering van een bronaanpak. Voorgeschreven wordt de saneringsaanpak afdekken voor te schrijven, samen met een maatwerkvoorschriftmogelijkheid. Ook bepaalt het omgevingsplan dat de gegevens en bescheiden aan gedeputeerde staten worden verstrekt; d. Activiteiten op een locatie met een historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar verspreidingsrisico: in aanvulling op de bruidsschatregel moet voor grondwater ook een verplichting tot het nemen van mitigerende maatregelen worden opgenomen. Deze instructies worden met deze wijziging van het omgevingsplan overgenomen. In deze paragraaf staan ook regels ten aanzien van lozen op of in de bodem (§ 7.3.5.3) en milieubelastende activiteiten met gevolgen voor watersystemen (§ 7.3.5.5). Deze instructies zijn nog niet opgenomen, omdat deze niet vallen onder het thema bodemkwaliteit.
Op een later moment zullen deze instructies worden opgenomen in het omgevingsplan Hardinxveld-Giessendam.
6. Participatie en vooroverleg 6.1. Participatie Op grond van artikel 16.29 Omgevingswet en artikel 10.2 Omgevingsbesluit is het verplicht om het voornemen voor het wijzigen van het omgevingsplan bekend te maken voorafgaand aan de formele procedure. In dit voornemen wordt ook aangegeven hoe de participatie plaats vindt. Op 16 oktober 2024 heeft deze kennisgeving in het Gemeenteblad en in het Gemeentenieuws in het Kompas gestaan. Hierin is aangegeven hoe en met wie over de in voorbereiding zijnde wijziging is geparticipeerd. Omdat de wijziging een erg technisch verhaal is, is gekozen voor informeren. Op de gemeentelijk website is op een speciale pagina informatie verstrekt over de bodemregels met de mogelijkheid om vragen te stellen/te reageren. Hier zijn geen reacties op gekomen. Voor de professionele partijen (grondverzet, aannemers, adviesbureaus regio Zuid-Holland Zuid) heeft in regionaal verband een informatiebijeenkomst plaatsgevonden op 16 oktober 2024. Deze partijen zijn schriftelijk uitgenodigd en daarbij zijn gedeeld de conceptregels, handreiking en beleidsregels.
-8-
Tijdens deze bijeenkomst zijn voornamelijk vragen gesteld over de voorgestelde wijzigingen en wat dit betekent voor de professionals. Van deze avond is een verslag gemaakt, zie bijlage 1. Naar aanleiding van deze bijeenkomst is het niet nodig gebleken om de bodemregels aan te passen. 6.2. Vooroverleg Het conceptvoorstel tot deze wijziging van het omgevingsplan voor bodemkwaliteit is ter beoordeling toegestuurd aan de volgende organisaties: 1. Rijkswaterstaat; 2. Waterschap Rivierenland; 3. Oasen; 4. Prorail; 5. TenneT; 6. TSO; 7. Gasunie; 8. Stedin; 9. Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid; 10. Provincie Zuid-Holland. Het uitgebreide verslag met de beantwoording is als bijlage 2 bijgevoegd bij deze motivering. Ter informatie is het conceptvoorstel ook gedeeld mede andere omgevingsdiensten in Zuid-Holland, de GGD en RIVM en het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Vanuit Rijkswaterstaat is de reactie gekomen dat zij geen opmerkingen hebben ten aanzien van de bodemregels. Waterschap Rivierenland en Oasen hebben gereageerd met opmerkingen en vragen op de inhoudelijke teksten van de gedeelde stukken. De opmerkingen en vragen zijn schriftelijk beantwoord. Een aantal reacties geven aanleiding om samen met deze partijen verder te onderzoeken of hun belangen door de bodemregels geschaad worden en mogelijk een aanpassing van de bodemregels nodig is.
Met beide partijen worden vervolg overleggen gevoerd. Op basis van de reactie tot nu toe is nog geen aanpassing van de regels nodig. Dit kan in de vervolgfase tussen ontwerp en vaststelling wel aan de orde komen. TenneT heeft een reactie gegeven ten aanzien van graafwerkzaamheden onder een hoogspanningsverbinding. Deze activiteit wordt in een andere afdeling van het omgevingsplan vergunningplichtig gesteld waardoor hun belang geborgd blijft. Er is geen aanpassing aan de regels nodig. De reactie van de provincie Zuid-Holland geeft aanleiding om een aantal wijzigingen in de bodemregels door te voeren omtrent grondwaterverontreiniging. Het betreft een aantal tekstuele aanvullingen en verbeteringen ten aanzien van het opvolgen van hun instructieregels. Verder zijn een aantal vragen van hun beantwoord. Vanuit de organisaties Prorail, Gasunie, Stedin en Veiligheidsregio ZHZ zijn geen reacties ontvangen en zijn dus geen belangen betrokken bij het onderwerp bodemkwaliteit.
7. Economische uitvoerbaarheid De voorgestelde regels maken geen activiteiten mogelijk die verplichten tot kostenverhaal, als bedoeld in artikel 8.13 Omgevingsbesluit. De uitvoering van deze regels leiden naar verwachting niet tot extra kosten voor de gemeente. Aan de ene kant komen er lasten bij door het invoeren van nieuwe vergunningplichten en vragen naar aanvullende informatie, aan de andere kant zijn indieningsvereisten versoepeld, regels geschrapt en zijn activiteiten uitgezonderd van een maatwerkbesluit (er is geen besluit meer nodig, het is direct toegestaan).
8. Belangenafweging en conclusie In het kader van de Omgevingswet wordt gestreefd naar een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zijn enkele algemene doelen geformuleerd in artikel 1.3 Omgevingswet. Hierin staat dat de bepalingen in de wet gericht zijn op het volgende: • het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur; -9-
•
het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
In artikel 4.2 Omgevingswet is vervolgens ook aangegeven dat het gemeentelijke omgevingsplan met voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels. De regels zijn niet in strijd met instructieregels en/of milieubelangen. Ook de uitkomsten met betrekking tot de uitvoerbaarheid laten zien dat uitvoering van deze wijziging van het omgevingsplan geen nieuwe negatieve effecten met zich meebrengt. Op basis hiervan kan dan ook worden geconcludeerd dat uitvoering van dit plan bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij is de toedeling van functies of activiteiten aan locaties afhankelijk van de bodemkwaliteit. Het is de vraag of de bodemkwaliteit deze functies en activiteiten op die locaties toelaat. Een slechte bodemkwaliteit kan risico's voor de gezondheid en het milieu opleveren. Deze wijziging van het omgevingsplan heeft tot doel de gezondheid en het milieu beter te beschermen en een verslechtering van de bodemkwaliteit te voorkomen. De regels zorgen ervoor dat zorgvuldiger wordt omgegaan met de verdeling van functies. Het doel is de juiste balans te vinden tussen beschermen en benutten.
9. Notitie afweging bouwstoffen reguleren Motivering regeling voor (secundaire) bouwstoffen Inleiding In deze notitie, behorend bij de motivering van de wijziging omgevingsplan van gemeente HardinxveldGiessendam voor onder andere het onderwerp bodemkwaliteit, beschrijven we de onderbouwing en noodzaak voor een regeling voor het toepassen van (secundaire) bouwstoffen (AVI-bodemassen, grondstabilisatie, metaalslakken en immobilisaten) en thermisch gereinigde grond. Onder de Omgevingswet zijn deze bouwstoffen en thermisch gereinigde grond onder beperkte voorwaarden vrij toepasbaar. Daarbij geldt wel een informatieplicht. Vanuit het voorbereidingsbesluit geldt in Hardinxveld-Giessendam sinds 1 januari 2024 een verbod op het toepassen van deze bouwstoffen en thermisch gereinigde grond. Het toepassen van deze stoffen is alleen mogelijk met een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In de ontwerpwijziging van het omgevingsplan hebben we het verbod doorgezet. Naar aanleiding van zienswijzen hebben we dit instrument heroverwogen. In het definitieve wijziging van het omgevingsplan zetten we het verbod om naar een binnenplanse vergunningplicht. Hieronder wordt beschrijven wat voor de gemeente aanleiding geeft om aanvullende regels te stellen voor het toepassen van (secundaire) bouwstoffen en thermisch gereinigde grond. Vervolgens motiveren we de keuze van de regeling.
Waarom aanvullende regels? In paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna Bal) zijn rijksregels opgenomen voor het toepassen van bouwstoffen. Met een informatieplicht moet een aantal gegevens bij de gemeente worden aangeleverd over de toepassing van AVI bodemassen en immobilisaat. De kwaliteitseisen van de toe te passen bouwstoffen zijn vast gelegd in de Regeling bodemkwaliteit 2022. Als voldaan wordt aan de eisen van het Bal en de Regeling bodemkwaliteit dan zijn de betreffende bouwstoffen vrij toepasbaar. Dat wil bijvoorbeeld zeggen dat ze onafgedekt mogen worden toegepast of in contact mogen komen met grond- of hemelwater. In de praktijk vinden incidenten plaats bij het toepassen van bouwstoffen. Deze incidenten veroorzaken onder andere verontreiniging van de bodem, grondwater en/of oppervlaktewater. Waar het mis gaat zijn het vaak de betreffende gemeenten die met de problematiek worden opgezadeld. Daarnaast is er de afgelopen jaren onderzoek gedaan naar het toepassen en de gezondheidsrisico’s van de bouwstoffen en naar de regels die hierbij gelden. De onderzoeksrapporten geven een zorgelijk - 10 -
beeld over de vrije toepasbaarheid van deze bouwstoffen en over de geldende regels, want die schieten tekort. Bovenstaande leidt bij ons tot de conclusie dat de huidige landelijke regels voor het toepassen van AVIbodemassen, grondstabilisatie, metaalslakken, immobilisaten en thermisch gereinigde grond onvoldoende bescherming bieden om verontreiniging van bodem, grondwater en/of oppervlaktewater te voorkomen. De omgevingswet stelt maatschappelijke doelen met het oog op duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid van het land en het beschermen en verbeteren van het leefmilieu. Hiertoe stellen we in het omgevingsplan lokale normen vast. Op basis van het voorzorgbeginsel kunnen overheden preventief maatregelen nemen als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat activiteiten negatieve gevolgen en risico’s kunnen hebben voor het milieu en de gezondheid. Op grond van het voorzorgbeginsel nemen wij , aanvullend op de landelijke regels, een binnenplanse vergunningplicht voor het toepassen van de hierboven genoemde stoffen op in het omgevingsplan. In bijlage 1 bij deze memo beschrijven we een aantal voorbeelden recente incidenten met het toepassen van bouwstoffen en een aantal recente onderzoeken naar het toepassen en de regels daarbij.
Regeling in het omgevingsplan De voorbeelden en onderzoeken geven inzicht in de (mogelijk) negatieve gevolgen van het toepassen van de bouwstoffen AVI-bodemassen, metaalslakken, immobilisaten, grondstabilisatie en thermisch gereinigde grond voor het milieu en de gezondheid. In onze ogen zijn dit voldoende zorgelijke signalen over de mogelijke milieuschade die kan optreden bij de (verkeerde) toepassing van deze bouwstoffen en thermisch gereinigde grond om terug te vallen op het voorzorgbeginsel. Het is al jaren bekend dat er milieurisico’s kunnen zijn bij het toepassen van bouwstoffen en thermisch gereinigde grond. De huidige wetgeving biedt op dit punt onvoldoende bescherming. Wij zijn van mening dat een binnenplanse vergunningplicht het meest geschikte instrument is om grip te krijgen op de problematiek. Een belangrijk voordeel van de vergunningplicht is dat de toepassing vooraf beoordeeld kan worden, indien gewenst of nodig in afstemming met de aanvrager of met partners (bijvoorbeeld andere overheden of het waterschap). We hebben beoordelingsregels toegevoegd om zo goed als mogelijk vooraf duidelijk te maken op welke punten een aanvraag wordt beoordeeld. Vanwege de verouderde en onvolledige uitlogingsnormen hebben we in de beoordelingsregels opgenomen dat de bouwstoffen nu en in de toekomst niet in contact mogen komen met het grondwater en ook niet met hemelwater.
Daarnaast moet het project onder meer voldoende schaalgrootte hebben en moet ook bij de aanleg uitloging of verontreiniging van de onderliggende bodem, het grondwater of het oppervlaktewater voorkomen worden. In bijlage 2 hebben we de kenmerken van de verschillende instrumenten op een rij gezet.
- 11 -
BIJLAGE 1 Voorbeelden van incidenten o -
-
Voorbeelden waar metaalslakken (verkeerd) zijn toegepast en milieueffecten ontstonden1: Spijk: 700.000 ton voor uitbreiding golfclub. Eerbeek: 240.000 ton staalslakken in een afvalberg om zonnepark te bouwen. Hellevoetssluis: onder een weg Oude Tonge: Verkeerd toegepast Onder provinciale wegen in Zeeland (en Flevoland) Fietspaden van Staatsbosbeheer: uitlogen van giftige Vanadium 2
Uit deze voorbeelden blijkt ook dat veelal staalslakken verkeerd worden toegepast met gevolgen van dien. Ondanks de wetgeving. Ons doel is dit te voorkomen en beoordelingsruimte in te bouwen om een zorgvuldige toepassing te kunnen beoordelen (en afdwingen).
o -
Voorbeelden waar AVI-bodemassen (verkeerd) zijn toegepast en milieueffecten ontstonden: Tjalmaweg Katwijk: onder nieuwe provinciale weg is Beaumix toegepast 3 Elsloo: bij verbreding van de A2 is het voorstel om Beaumix toe te passen, maar deze bevatten hoge gehalten metalen en PFAS4
Voorbeelden van onderzoeken •
Evaluatie normeringskader (her)gebruik secundaire bouwstoffen, RIVM-rapport 2024-00745 Dit recente rapport van het RIVM evalueert de huidige normen (in de landelijke wet- en regelgeving) voor het toepassen van secundaire bouwstoffen. Het RIVM schrijft in het rapport: - Dat de (landelijke) normen nu niet genoeg rekening houden met de bijzondere eigenschappen die sommige bouwstoffen hebben. Ze worden te algemeen beoordeeld. - De bouwstoffen worden in dikkere lagen en met grotere hoeveelheden toegepast dan was gedacht. Daardoor kunnen de bouwstoffen bij toetsing wel aan de normen voldoen, maar in de praktijk toch ongewenste milieueffecten veroorzaken. Op basis van deze zorgwekkende constateringen geeft het RIVM aanbevelingen aan het rijk mee voor vervolgonderzoek: - Rekening houden met het effect van de zuurgraad van bouwstoffen. “Sommige bouwstoffen hebben kort nadat ze zijn gemaakt een lage zuurgraad (of hoge pH). Na een tijd kan de zuurgraad door natuurlijke processen toenemen (de pH zakt), waardoor sommige metalen in grotere hoeveelheden uit bouwstoffen kunnen vrijkomen.” - Methode ontwikkelen om nieuwe stoffen in bouwstoffen op tijd op te merken. - Opnieuw in kaart brengen welke (nieuwe) stoffen in secondaire bouwstoffen kunnen zitten en bepaal hiervoor normen. - Methode ontwikkelen om te beoordelen of bouwstoffen meerdere keren veilig kunnen worden (her)gebruikt.
“Op basis van de resultaten van deze studie en de vervolgstudies kan de beoordeling van het (her)gebruik bouwstoffen worden verbeterd. Op termijn kan de normstelling hierop worden aangepast.” In onze ogen is het een zorgwekkend signaal uit dit onderzoek over dat bouwstoffen alleen algemeen worden beoordeeld, terwijl elke bouwstof, zeker AVI-bodemassen, metaalslakken,
1 Zie: https://nos.nl/r/445697 en https://nos.nl/l/2542672 2 Zie: Risico's verkeerd gebruik staalslakken waren al tientallen jaren bekend - EenVandaag 3 Zie https://nos.nl/regio/zh-west/artikel/442931-schadelijke-stoffen-gevonden-in-water-onder-nieuwe-provinciale-
weg-mogelijk-verband-met-beaumix 4 Zie https://elsloo.info/nieuws/nieuws-dossiers/3766-verbreding-a2 5 Dit rapport is te raadplegen via https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=2024D32286
- 12 -
grondstabilisatie en immobilisaten, unieke eigenschappen hebben. De huidige landelijke normen zijn niet toereikend genoeg aan de gevolgen van de toepassing van deze bouwstoffen en dekken dus niet dat milieuschade wordt voorkomen. Uit de aanbevelingen wordt duidelijk dat aanpassing van de normen, maar ook meer kennis over de bouwstoffen en registratie hiervan, nodig is. Ook moet rekening gehouden worden met de zuurgraad en moeten nieuwe stoffen op tijd opgemerkt worden. •
Rekenkameronderzoek 2024: Resultaten verantwoordingsonderzoek 2023 ministerie van IenW6 In dit onderzoek van de Algemene Rekenkamer wordt ingegaan op de beleidsresultaten (en uitgaven) ten aanzien van het gebruik van secundaire bouwstoffen in en op de bodem. Ten aanzien van de doelstellingen van het ministerie op gebied van een circulaire economie wordt ingezet op het gebruik van secundaire bouwstoffen in en op de bodem. Echter mag dit niet ten koste gaan van de bodemkwaliteit in Nederland en kleven er risico's aan het gebruik van secundaire bouwstoffen voor bodem, water en volksgezondheid. De Algemene Rekenkamer geeft aan dat in een circulaire economie het toepassen van secundaire bouwstoffen veilig hoort te zijn. Daarvoor moeten waarborgen worden ingebouwd om hoogwaardig hergebruik van bouwstoffen en bescherming van de bodem te garanderen. De Rekenkamer concludeert echter dat de verantwoordelijk staatssecretaris niet weet of de maatregelen die daarvoor moeten zorgen (in de huidige wetgeving) voldoen, terwijl zij wel op de hoogte is van de verschillende risico’s (5.3.6 Conclusie). De Algemene Rekenkamer constateert verder in het rapport dat de regels bepaalde risico’s voor mens en milieu niet goed ondervangen, namelijk: - Risicovolle toepassingen zijn toegestaan.
AEC-bodemas, vermengd met cement of andere bindmiddelen, wordt op veel plekken toegepast en hoeft niet gemonitord te worden, maar in die toepassing zit nog steeds verontreinigde bodemas. Aan de buitenkant is dit niet te zien en als deze beschadigd raken komt de verontreiniging in de bodem. Bovendien blijkt uit een studie van het ministerie dat na een lange periode door chemische processen en verwering van de bouwstof ook verontreinigde stoffen kunnen vrijkomen. - De regels niet meer actueel zijn voor de veranderde praktijk. De normen voor schadelijke stoffen in secundaire bouwstoffen zijn berekend op de manier van werken in 2008, terwijl de praktijk nu anders is. “Destijds ging het ministerie bij de toepassing van staalslakken uit van een dunne laag van maximaal 50 centimeter. Uit onderzoek van het RIVM, in opdracht van de ILT, blijkt dat er veel meer staalslakken in dikkere lagen worden toegepast. Laboratoriumtesten die worden gebruikt om inzicht te geven in de veiligheid van de secundaire bouwstoffen gaan nog uit van een dunnere laag.” - Sinds 2008 zijn er daarnaast veel nieuwe stoffen op de markt gekomen die niet in de wet- en regelgeving zijn opgenomen. Als deze nieuwe stoffen worden gebruikt in producten of verpakkingen, komen deze in ons afval terecht en daarmee in de AEC-bodemas.
Het probleem is dat producenten van secundaire bouwstoffen niet hoeven te letten op veel van deze nieuwe stoffen. In 2006 is voor het laatst onderzoek gedaan naar welke stoffen in AECbodemas zitten. - De huidige wetgeving houdt ook geen rekening met de omstandigheden op de locatie waar het materiaal wordt gebruikt. Volgens de huidige wetgeving mogen alle secundaire bouwstoffen overal worden toegepast. Dat maakt het mogelijk om op dit moment secundaire bouwstoffen in de beschermde drinkwatergebieden toe te passen. Als er dan verontreiniging vrijkomt brengt dat de kwaliteit en beschikbaarheid van drinkwater in gevaar.
6 Dit rapport is te raadplegen via:
https://www.rekenkamer.nl/binaries/rekenkamer/documenten/rapporten/2024/05/15/resultatenverantwoordingsonderzoek-2023-ministerie-van-infrastructuur-en-waterstaat/XII+IenW+WR.pdf Zie ook:https://www.rekenkamer.nl/actueel/nieuws/2024/05/15/snel-maatregelen-nodig-voor-veilig-hergebruikvan-afvalstoffen
- 13 -
-
De bodemregelgeving is voor het laatst herzien in 2008. Door de staatssecretaris is een herijking van de bodemregelgeving aangekondigd. Alleen pas vanaf halverwege 2025 kan pas duidelijk worden aangegeven welke wetswijzigingen worden voorgesteld.
Kortom, de overheid weet onvoldoende over de kwaliteit van secundaire bouwstoffen, want dan moet eerst achterhaald worden wat er precies in zit. En dat is in 2006 voor het laatst onderzocht (wat er in ons afval zit en wat er in bodemas overblijft). De problemen met secundaire bouwstoffen spelen al jaren, maar er lijkt geen haast te worden gemaakt met de oplossing. De oplossing zit in de regels, opnieuw tegen het licht houden, verbeteren en handhaven, maar dit volgt pas na halverwege 2025 7. In onze ogen is dit een duidelijk signaal dat het landelijk beleid is verouderd en achterloopt op de praktijk en dus maatregelen op korte termijn nodig waren/zijn voor de bouwstoffen AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en staalslakken. Een oplossing op korte termijn wordt niet door het ministerie geboden. Vandaar dat er een voorbereidingsbesluit door de gemeente is genomen op 1 januari 2024 en dit gaat worden voortgezet met een omgevingsplanwijziging. Het is, zoals de Algemene Rekenkamer constateert, nodig om in een voorfase al maatregelen te kunnen opleggen om de risico’s op verontreiniging in te perken. Dat is niet mogelijk met huidige informatieplicht van het rijk. Daarnaast is sprake van nalatigheid van het ministerie.
Het meest recente nieuwsbericht is: https://www.nu.nl/klimaat/6349022/ministerie-negeert-oproepen-om-vervuilende-staalslakken-harderaan-te-pakken.html?referrer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F •
Andere relevante onderzoeken en stukken o Notitie Circulaire Bouwstoffen in de praktijk ODNL (2022) o Literatuurstudie van het RIVM naar de Milieuhygienische kwaliteit van LD-staalslakken (april 2023)8 o Quickscan gezondheidsrisico's van werken met grond die hergebruikte bouwstoffen bevat, RIVM (2013) o Signaalrapportage ILT, 20199 en juni 2022 o Omgevingsdienst Arnhem: gevaren van immobilisaat o Onderzoek RHDHV immobilisaten o Toepassing van thermisch gereinigde grond. Een evaluatie en opties voor een toepassingskader, RIVM 202110
7 Bron: https://www.rekenkamer.nl/actueel/andere-rubrieken/weblog/2024/pak-de-verontreiniging-door-
bouwstoffen-aan# 8 Te raadplegen via: https://www.rivm.nl/publicaties/milieuhygienische-kwaliteit-ld-staalslakken 9 Zie: Analyse risico's in de keten van bodemas | Signaalrapportage | Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) 10 Zie https://www.rivm.nl/publicaties/toepassing-van-thermisch-gereinigde-grond
- 14 -
BIJLAGE 2 De verschillende mogelijkheden voor aanvullende bodemregels in het omgevingsplan. •
Verbod
Met dit instrument geldt een absoluut verbod op de betreffende activiteit. Het is alleen mogelijk via een BOPA (buitenplanse omgevingsplanactiviteit) af te wijken waarvoor het beoordelingskader ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ geldt. Dit is het instrument met de hoogst mogelijke bescherming om in te zetten vanuit omgevingsrecht. Vanuit het voorbereidingsbesluit werd een verbod voorgesteld. Dit verbod impliceert geen medewerking. Dat is niet het uitgangspunt, want dat is een zorgvuldige toepassing. Zolang de risicovolle bouwstoffen en thermisch gereinigde grond zorgvuldig worden toegepast, is toepassing mogelijk. •
Binnenplanse vergunningplicht
Met dit instrument kan de toepassing vooraf worden beoordeeld en kunnen indien nodig of gewenst vooraf maatregelen worden voorgeschreven. De voordelen: -
-
-
•
Met een binnenplanse verguninngplicht staan we het toepassen van de betreffende stoffen toe en kunnen we vooraf toetsen of de toepassing zorgvuldig is en welke voorschriften dat moeten borgen. Maatregelen achteraf meegeven is te laat, de activiteit is dan al gebeurd en moet dan worden hersteld. Uitloging of verontreiniging kan dan al hebben plaatsgevonden. De toepassing of verontreiniging achteraf ongedaan maken is in de praktijk lastig en (heel) duur. Aan de hand van de indieningsvereisten krijgen we voldoende gegevens om te kunnen beoordelen of de toepassen zorgvuldig is. Het geeft de gemeente beoordelingsruimte om elke aangevraagde toepassing zorgvuldig en op maat te beoordelen en vergunnen. Met de beoordelingsregels wordt zo veel als mogelijk duidelijkheid gegeven over de vergunbaarheid van het toepassen van een bouwstof. Er is ruimte om vooraf de zorgvuldige toepassing en eventuele maatregelen met de aanvrager of partners af te stemmen, te toetsen of voor te schrijven. Hiermee kan voorafgaand aan een werk consensus worden gezocht en wordt een ambtshalve (eenzijdig) opgelegd maatwerkbesluit, zoals bij een melding, voorkomen.
Informatieplicht
Bij een informatieplicht moet de indiener op een bepaald moment gegevens doorgeven aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag kan alleen toetsen of de gevraagde informatie wordt aangeleverd. De activiteit (toepassing) is al toegestaan. Een informatieplicht is onvoldoende om de volgende redenen: -
-
-
Dit instrument biedt geen ruimte om de toepassing en risico's te beoordelen. Als bevoegd gezag kun je alleen de gegevens die worden aangeleverd verwerken. Het bevoegd gezag mag niet beoordelen en mag de indiener ook niet aanspreken. Als er geen gegevens worden aangeleverd is de toepassing nog steeds toegestaan. De toepassing kan niet worden tegengehouden, ook al past deze niet bij de functie van een locatie of gebied. Kleinschalige toepassingen kunnen niet tegengegaan worden, waardoor versnipperde toepassing mogelijk is, deze slecht terugneembaar is, later niet herkenbaar is als secundaire bouwstof en kan leiden tot diffuse verslechtering van de milieukwaliteit. Maatregelen om tijdens en na toepassing de zorgplicht te monitoren zijn niet te vragen/controleren. Er kan niet getoetst worden aan provinciale regelgeving ZHOV. Instructieregels of belangen van de provincie kunnen niet worden getoetst. - 15 -
-
•
Het bevoegd gezag kan de partij die de bouwstoffen toepast alleen aanspreken op de zorgplicht tijdens en na toepassen. Het gevoegd gezag moet zelf met bewijslast komen wanneer zij vindt dat een toepassing het milieu schaadt (pH strookje gaat nog wel, maar labanalyse is al duurder). Meestal is dat pas als de flora en fauna zichtbaar doodgaat. Het milieu heeft dan al schade opgelopen.
Meldingsplicht
Bij een meldingsplicht moet de indiener een aantal weken voordat hij de activiteit (toepassen) gaat uitvoeren melden aan het bevoegd gezag dat een toepassing gaat plaatsvinden. Het bevoegd gezag kan alleen toetsen of de indieningsvereisten compleet zijn. De activiteit (toepassing) is toegestaan als de melding compleet is. Een meldingsplicht is onvoldoende om de volgende redenen: -
-
-
Zie ook de overwegingen bij de informatieplicht. Het bevoegd gezag kan alleen beoordelen of aan alle indieningsvereisten wordt voldaan. Het is alleen mogelijk om de indiener aan te schrijven op vereisten die missen. Het is niet mogelijk om preventieve maatregelen ten aanzien van de toepassing voor te schrijven. Na de melding maatwerkvoorschriften opstellen is mogelijk, maar vraagt een ambtshalve procedure (lastig uitvoerbaar binnen de termijn, omdat het gedegen onderbouwing en onderzoek vraagt). En de indiener krijgt in een laat stadium of achteraf nog extra maatregelen opgelegd. Buiten de meldplicht is het alleen mogelijk om aan te schrijven op basis van de zorgplicht. Dit kan alleen achteraf en dan heeft de toepassing al plaatsgevonden. Het is dan alleen mogelijk om mitigerende maatregelen voor te schrijven, maar de toepassing blijft op die plek en eventuele schade moet achteraf gemitigeerd worden. Het is verboden om zonder melding de activiteit uit te voeren. De indiener kan pas aan de slag na het melden. De melding is akkoord als voldaan wordt aan de indieningsvereisten. Voor toepassing kunnen alleen algemeen geldende regels worden vastgesteld, maar de toepassingen wil je juist per toepassing op een locatie afwegen. Weinig flexibel en alleen achteraf maatwerkvoorschriften op te leggen.
- 16 -