Contouren Ondernemersfonds Hardinxveld-Giessendam DEF.pdf
Tekst van het document
Contouren Ondernemersfonds Hardinxveld-Giessendam
Aart van Bochove 12 juli 2021
Inhoud
1. Status van deze notitie 2. Waarom nu? 3. Een ondernemersfonds in het kort 4. Relatie met de ozb 5. Typering van Fonds Hardinxveld-Giessendam: een ondernemende start 6. Een ondernemend fonds: enkele overwegingen 7. De governance van een ondernemersfonds 8. Wat heeft de gemeente aan een fonds? 9. De rol van draagvlak 10. Type bestedingen uit het fonds 11. Omvang van het ondernemersfonds 12. Perspectief: co-creatie door ondernemers en gemeente 13. Investeringssuggesties voor Hardinxveld-Giessendam
2
1. Status van deze notitie
Deze notitie bevat een voorstel aan het College van B&W en Gemeenteraad van HardinxveldGiessendam om over te gaan tot de inrichting van een ondernemersfonds. Het voorstel is opgesteld door de leden van de stuurgroep economische visie. De stuurgroep bestaat uit de voorzitters van de beide ondernemersverenigingen Ondernemend Hardinxveld (globaal: het midden- en kleinbedrijf) en de Bedrijfskern (globaal: de grotere bedrijven op de terreinen), de Stichting Beveiliging Bedrijven Hardinxveld- Giessendam (de SBBHG) en vertegenwoordigers van Damen Shipyards Hardinxveld (maritieme sector) en Rabobank Lek en Merwede. De Gemeente Hardinxveld-Giessendam is zowel bestuurlijk als ambtelijk in de stuurgroep vertegenwoordigd. Een ondernemersfonds is een structurele financiële positie om de gezamenlijke omgevingsbelangen van ondernemers te financieren en om de organisatiegraad en betrokkenheid te verhogen. De positie wordt gefinancierd vanuit een meeropbrengst van de ozb voor niet-woningen. Dat maakt steun van de gemeenteraad onontbeerlijk. En die steun maakt een grondige voorbereiding weer noodzakelijk. Het resultaat van die voorbereiding treft u aan in deze notitie. Bij de gesprekken over nut, noodzaak en inrichting van het ondernemersfonds is volop gebruik gemaakt van inzichten opgedaan in de 45 reeds bestaande fondsen. De tekst hieronder heeft daardoor een ‘estafette karakter’ gekregen.
We schetsen steeds het landelijk spelveld en de keuze die de stuurgroep voor Hardinxveld-Giessendam daarin maakt op basis van de lokale omstandigheden en ambities.
2. Waarom nu?
Er zijn verschillende aanleidingen voor een reflectie op de mogelijkheden van een fonds, zowel algemene als ‘plaatsspecifieke’ aanleidingen. Plaatsspecifiek zijn:
Ondernemers en gemeente zijn de afgelopen jaren aan de hand van een gezamenlijke economische agenda een productieve dialoog aangegaan. De analyse daarbij is dat de gemeente en de regio het verdient om op een hoger plan te komen. Er wordt hard gewerkt, maar met name het verblijfsklimaat behoeft verbetering, om ook op langere termijn bezoekers en werkenden goed te kunnen ondersteunen. Ook de infrastructuur heeft aandacht nodig (de A15, aansluiting op de waterbus). Hardinxveld-Giesendam is mede sterk door de vele familiebedrijven: met elkaar optrekken. Dat is een goede basis om gezamenlijk te werken aan verrijking van het gebied. Maar daar is wel een goed vehikel voor nodig. De net genoemde agenda, de Economische Visie 2020-2024, is een stevige en praktische huiswerklijst. Uitvoering van de agenda vergt nauwe samenwerking tussen de gemeente en het bedrijfsleven. Daarbij inbegrepen het onderwijs – de agenda adresseert expliciet een aantal personeelsvraagstukken – de woningbouw en het regionale beleidsnetwerk. De visie schrijft al: “Voor een effectieve samenwerking tussen gemeente en het bedrijfsleven is een georganiseerd bedrijfsleven onmisbaar”. Er zijn ervaringen met een gebieds- en themagerichte aanpak via de BIZ. De voorwaarden van de BIZ zijn steeds meer gaan knellen. Er is behoefte aan meer stabiliteit en aan meer ontplooiingsruimte. 3
Er is een Stichting Beveiliging Bedrijven Hardinxveld-Giessendam. Die stichting zorgt voor beveiliging op meerdere plekken in de gemeente. Er is behoefte aan een meer structurele en breder gedragen financiering. Hardinxveld-Giessendam is verknoopt met de Drechtsteden. De ondernemers kijken uit naar mogelijkheden om hun belangen in regionaal verband goed over het voetlicht te brengen.
Meer generiek, maar ook zeker voor Hardinxveld-Giessendam van toepassing, zijn:
Tal van praktische voorzieningen die voor bedrijven belangrijk zijn, zijn veel gemakkelijker te organiseren en zijn veel goedkoper door ze gezamenlijk aan te pakken: promotie, parkmanagement, straatmanagement, beveiliging, afvalbehandeling, personenvervoer, internet, infrastructuur. Er komen grote uitdagingen op het bedrijfsleven af. De zorg om goed geschoold personeel is daar één van, duurzaamheid en de energietransitie komen daarbij. Dat zijn kwesties die vragen om een gezamenlijke aanpak door bedrijven. Daar zijn instrumenten voor nodig. De grens tussen economie en samenleving vervaagt. Bedrijven zijn niet meer alleen scheppers van welvaart en werkgelegenheid, maar ook van maatschappelijke kwaliteit. Een relevant signaal is de omarming door VNO-NCW van ‘brede welvaart’: niet alleen het nationaal inkomen, maar het hele spectrum van opleiding, gezondheid en vestigingsmilieu hoort bij de strategische doelen van het bedrijfsleven. De overheid heeft volwassen tegenspel nodig. Er kan niet meer volstaan worden met een bedrijfsleven dat overheidsregels uitvoert. De bedrijfsomgeving is in de brede zin van het woord uiteindelijk meer een verantwoordelijkheid van de bedrijven dan van de overheid. Daar komt bij dat ondernemers belang hebben bij stabiliteit.
Wisselende meerderheden in gemeenteraden en doorstroming van bestuurders en ambtenaren vragen om een antwoord van het bedrijfsleven: een eigen kennispositie en een goed vermogen tot overleg. Vaak is slechts een minderheid van de in een gebied aanwezige bedrijven georganiseerd. Zij betalen contributie en zorgen voor voorzieningen of activiteiten waar vervolgens alle nietgeorganiseerden ook van profiteren. De niet-leden staan bekend als ‘freeriders’. Maar dat is een negatief begrip. Het is soms ook wel begrijpelijk dat ondernemers zich niet verenigen: de context is niet stabiel, het zijn altijd dezelfde actievelingen die het werk doen en er is altijd tekort aan geld. Met de pet rond moeten voor zelfs eenvoudige uitgaven is enorm demotiverend. Een fonds zorgt ervoor dat iedereen meebetaalt, het is eerlijker. Het zorgt er ook voor dat er kwaliteit en continuïteit is. Na de komst van een fonds vliegt de organisatiegraad vaak omhoog: als context en structuur helder zijn en de collectepet kan blijven hangen, wordt het veel aantrekkelijker om erbij te zijn.
Al deze redenen onderstrepen de ambitie om te komen tot een structurele financiële positie voor het lokale bedrijfsleven. De stad Leiden was de eerste die daar in 2005 de consequenties aan verbond. Daar vroeg het bedrijfsleven in 2004 om een verhoging van de ozb voor niet-woningen, onder de conditie dat de opbrengst van die verhoging integraal aan een nieuw op te richten ondernemersfonds zou worden uitgekeerd. Er zijn inmiddels 45 van dergelijke fondsen, waaronder enkele in de nabije omgeving van Hardinxveld-Giessendam. De formule heeft zich als stabiel bewezen en is in al die gemeenten tot de infrastructuur van het bedrijfsleven gaan behoren. Het wordt ervaren als een bonus voor het vestigingsklimaat: een goede organisatie en een goede articulatie van ondernemersbelangen versterken de concurrentiepositie van de ondernemingen.
4
3. Een ondernemersfonds in het kort Het inzicht is dus gegroeid dat samenwerking en zelforganisatie van ondernemers cruciaal zijn in het weerbaar maken van een lokale economie. En daar is het inzicht bij gekomen dat die zelforganisatie niet alleen op basis van vrijwilligheid mogelijk is; er is een structurele voorziening nodig, die het mogelijk maakt om echt plannen te maken en niet afhankelijk te blijven van goedwillende enkelingen. Een ondernemersfonds bestaat op basis van een met de gemeente af te spreken verhoging van de ozb voor niet-woningen. De opbrengst van die verhoging wordt 1 op 1 beschikbaar gesteld aan het fonds. In een gemeentebreed fonds:
…doet de hele categorie niet-woningen – zowel commerciële bedrijven als ‘non-profit’ ondernemingen mee door een extra opbrengst van de ozb …krijgen de ondernemers de extra opbrengst integraal terug, in de vorm van een subsidie aan het Ondernemersfonds Hardinxveld-Giessendam, dat als stichting met een eigen bestuur optreedt …kan iedere ondernemer een plan indienen om gebruik te maken van de middelen in het fonds, de ondernemers beslissen in gezamenlijkheid initiatieven voor financiering in aanmerking komen ...spant het bestuur van het fonds zich in om ondernemers in de hele gemeente te organiseren en hen in staat te stellen gebruik te maken van het fonds en over de bestedingen mee te praten …worden afspraken gemaakt met de gemeente over ‘non-interventie’ (de gemeente bemoeit zich niet met de bestedingen uit het fonds, tenzij daartoe uitgenodigd, bijvoorbeeld in het geval van noodzakelijke cofinanciering) en ‘non-substitutie’ (de gemeente schuift geen overheidstaken op het fonds af) …kan gespaard worden over jaargrenzen heen, er is geen bestedingsdwang.
Natuurlijk zijn al deze regels weer in de tijd veranderlijk. Dat principe van non-substitutie, bijvoorbeeld, moet in het begin stevig gemarkeerd worden. Maar na verloop van tijd zijn gemeente en ondernemersverenigingen aan hun rol gewend en zal eerder sprake zijn van samenwerking en cofinanciering. We gaan hieronder op enkele aspecten van een fonds nader in.
4. Relatie met de ozb
De gemeentewet geeft de gemeenteraad de mogelijkheid om voor de beide categorieën woningen en niet-woningen een verschillend ozb-tarief vast te stellen. De gemeenteraad heeft daarmee een beleidsvrijheid om hetzij woningeigenaren, hetzij eigenaren en gebruikers van zakelijk vastgoed te ontzien dan wel zwaarder te belasten. Een ondernemersfonds maakt gebruik van deze mogelijkheid: de gemeenteraad kan besluiten om de ozb voor niet-woningen extra te verhogen. In het taalgebruik is dan sprake van een ‘opslag’ of iets dergelijks, maar dat is formeel niet juist. De ozb is een algemeen dekkingsmiddel en geen doelbelasting. De gemeenteraad heeft het recht om de ozb te verhogen om aan meer ‘algemene middelen’ te komen, ongeacht waar die algemene middelen aan besteed worden. Formeel vraagt een ondernemersfonds dus een subsidie aan uit de 5
algemene middelen. Maar er is een ‘herenakkoord’ tussen de gemeente en de aanvragers dat de algemene middelen verruimd worden door de ozb te verhogen. De raad heeft ten principale het recht om de belasting te verhogen om een fonds mogelijk te maken, zelfs zonder een aanvraag daartoe. Dat is ook enkele keren gebeurd, met als recent voorbeeld de raad van Heerlen. Daar had B&W de analyse dat de stad dringend toe was aan een extra instrument voor economische ontwikkeling. Het college stelde de komst van een fonds voor, te financieren vanuit een belastingverhoging. Dat is ook gebeurd. Het bijzondere van Heerlen is dat de ondernemers zonder mankeren zowel de belastingverhoging als het ondernemersfonds als een voldongen feit hebben geaccepteerd, onder het motto dat het tijd werd om een einde te maken aan zich voortslepende discussies. Dat is politiek wel bijzonder. Overigens heeft Heerlen gekozen voor het ‘Leids model’ in de volle breedte. Het is een fonds geworden 'voor en door ondernemers’, zonder gemeentelijke bemoeienis. De stijging van de ozb is niet door de wet, maar wel door politieke afspraken beperkt. De moraal is – althans: was dat tot de coronacrisis – dat de ozb-stijging globaal de prijsindexering moet volgen. Maar bij het toetsen van die moraal werd weer een uitzondering gemaakt voor gevallen waarin de stijging te maken had met de komst van een ondernemersfonds.
Kortom: er zijn geen wettelijke beletselen. De enige voorwaarde is dat het fonds in dienst staat van een publieke waarde. Wanneer in de statuten of een convenant staat dat het fonds er is voor economische stimulering, is dat genoeg. Een aspect van dit gebruiksgemak is dat de ozb-stijging voor de hele categorie niet-woningen geldt. Belastingrecht is gelijkheidsrecht en de gemeenteraad kan geen uitzonderingen maken. Deze omstandigheid wordt soms als een nadeel gezien – ook partijen als zorg, onderwijs, sport en cultuur betalen ozb en doen dus mee – en soms ook als een voordeel: een ondernemersfonds op ozb-basis schept een samenhang in bijna de hele economie. Alleen ondernemers die geen gebruik maken van vastgoed (thuiswerkende zzp'ers) doen niet mee. De enige partij met vastgoed die zich aan het fonds kan onttrekken is de gemeente zelf. Met daarbij aangetekend dat een deel van de non-profit gebouwen bij het gemeentelijk vastgoed dient te worden gerekend. We komen in hoofdstuk 8 nader terug op deze bijzondere gemeentelijke positie.
5. Typering van Fonds Hardinxveld-Giessendam: een ondernemende start
Alle gemeentebrede fondsen hebben een aantal trekken gemeenschappelijk. En op hoofdlijnen is er wel een beeld van wat werkt en wat niet werkt. Maar er is geen sjabloon. Elke gemeente is weer anders en een nieuw fonds moet goed passen bij de omstandigheden van dat moment. Zo zijn er fondsen die feitelijk een goed doordacht verdeelmechanisme zijn, met een bestuur dat vooral toezicht houdt op de correcte verdeling van de middelen en op de administratieve afwikkeling. Dat is een volkomen legitieme opstelling. De meeste fondsen werken met een systeem van ‘trekkingsrechten’ op een centrale kas. Gebieden of sectoren kunnen een recht uitoefenen op die kas naar rato van hun inleg, minus eventuele gezamenlijke of gemeentebrede acties. Een goed voorbeeld is het grootste fonds van het land, Utrecht. Er zijn bij elkaar 70 gebieden met een ‘trekkingsrecht’ op het fonds. Dankzij de status van 6
Utrecht als hoofdstad van zzp-Nederland, zijn er heel veel getalenteerde jonge mensen die graag tijd en energie steken in een gebiedsvereniging (en er een interessant netwerk mee opbouwen). Met zoveel energie, kan het bestuur zich beperken tot de rol van verdeelstation. En ook wel die van ceremoniemeester, want er valt regelmatig een succes te vieren. Een communicatiestrategie zorgt daar voor. Tegenover de rol van het bestuur als verdeelstation, staat een ondernemend bestuur, dat zelf ook initiatieven neemt, gesprekken aangaat, steun verwerft. Ook daar zijn goede voorbeelden van. Het fonds in Hardinxveld-Giessendam zal aan de ondernemende kant van het spectrum gaan verkeren. Dat heeft alles te maken met de ontstaansgeschiedenis: de twee verenigingen en drie belangrijke ‘stakeholders’ (SBBHG, maritiem cluster, bank) hebben gezamenlijk met de gemeente gewerkt aan de economische visie. Het fonds is uit die samenwerking voort gekomen. Het ligt daarom voor de hand dat de mensen die de economische visie hebben getrokken, ook betrokken zullen zijn bij het fonds, daar zit immers de kennis en de energie. Er komt dus geen ‘trekkingsrecht’, er komt een tafel waar iedereen voorstellen en plannen kan neerleggen. Aan die tafel wordt terdege rekening gehouden met de waardeopbouw in de gemeente. We gaan die waardeopbouw straks in een eerste versie weergeven.
Het gaat een kundig bestuur vergen om te zorgen dat straks alle partijen zich thuis voelen en dat met een zeker koopmanschap de plannen gehonoreerd en gerealiseerd gaan worden. Geen verdeelstation, maar een marktplein met een vaardige marktmeester. Maar de economie verandert en dat geldt ook voor de lokale organisatie. Elders is het ‘kleinekinderen-worden-groot-effect’ zichtbaar: in het begin is sturende en aanjagende bemoeienis van het bestuur van het fonds nodig. Maar na verloop van tijd zijn verenigingen of andere allianties in hun rol gegroeid. Dat is het moment waarop een andere rolverdeling overwogen kan worden: een meer beheersmatige rol voor het bestuur. En andersom kan natuurlijk ook. Om de aansluiting van de werkwijze van het fonds op de lokale economie te waarborgen, verplicht elk fonds zich tot een periodieke evaluatie. Een goed georganiseerde ‘uitvraag’ onder de gebruikers van het fonds en een vergelijking met goede praktijkvoorbeelden van elders moeten dan zicht geven op het vervolg. Het voorstel is om dat ook in Hardinxveld-Giessendam te doen. In de landelijke praktijk wordt een startperiode van ten minste drie volledige jaren aangehouden, gevolgd door een eerste evaluatie in het vierde jaar. De ervaring is dat met die drie jaar het fonds voldoende tijd heeft gekregen om zichzelf te bewijzen.
De organisatie staat, de bestedingen zijn losgekomen, nieuwe partijen zijn in positie gekomen, de non-profit is aangehaakt, en daar waar ondernemers nog niet waren georganiseerd hebben ze dat kunnen doen. Gebruikelijk is dat het fondsbestuur zelf een evaluatie initieert, de gemeente wordt uitgenodigd bijkomende vragen te stellen. Uitgaande van die landelijke norm zal het nieuwe fondsbestuur dus in het vierde jaar van zijn bestaan een evaluatie initiëren. In het slechtste geval kan de conclusie zijn dat het fonds niet gebracht heeft wat er van verwacht werd en dat er geen goede vooruitzichten zijn. In dat geval kan besloten worden dat het fonds verdwijnt en de ozb neerwaarts wordt aangepast. In een gunstig geval kan daarentegen besloten worden om het fonds een permanente status te geven. Ook dan is het slim om periodiek te evalueren, teneinde scherp te blijven.
7
6. Een ondernemend fonds: enkele overwegingen
Zoals opgemerkt werken de meeste fondsen met een zogeheten trekkingsrechtensysteem. Het grote voordeel van een gebiedsgewijs trekkingsrecht is het eigenaarschap: elk terrein, winkelcentrum of ander gebied krijgt een budget. Dit bevordert de samenhang en de organisatiekracht enorm. Maar het geld blijft wel zichtbaar in een centrale kas en verdwijnt niet naar kleine subfondsen. In de praktijk wordt er naar toe gewerkt dat elk gebied een rechtsvorm heeft (meestal een vereniging of een commissie van een vereniging), die plannen maakt en de ondernemers erbij betrekt. De plannen worden voorgelegd aan het bestuur van de stichting. Dat bestuur toetst marginaal (op criteria als: is er geld? Zijn er relaties met andere gebieden?) en kan vragen stellen. Bij goedkeuring betaalt het fonds de rekening en verrekent de btw (ondernemersfondsen zijn btw-plichtig). Tegenover de voordelen van het eigenaarschap, nabijheid en betrokkenheid staat het nadeel van de ‘territoriumdrift’. Bij vroeg gestarte fondsen zijn wel ervaringen dat gebiedsverenigingen hun trekkingsrecht gingen afschermen. Bovendien zijn er steeds meer ambities die over de grenzen van een gebied gaan. Daarom wordt in de latere fondsen rekening gehouden met een flink stuk ‘gemeentebreed’, waarover de ondernemers in gezamenlijkheid beschikken.
Er zijn zelfs enkele fondsen die 80% van hun middelen gemeentebreed besteden en alleen nog wat ‘handgeld’ voor kleinere projecten in gebieden overhouden. Het beste voorbeeld is de Drentse gemeente Westerveld, een samengestelde gemeente van vier oude dorpen. Nog steeds zijn veel activiteiten strikt lokaal, maar ze worden wel allemaal aan een gemeentebrede tafel besproken. Dat heeft zeer goed uitgepakt. Westerveld heeft met een betrekkelijk klein fonds een enorme dynamiek bereikt. Een korte illustratie. Het grootste fonds in het land – Utrecht – heeft ruim 70 trekkingsgerechtigde partijen, grotendeels gebieden, een paar sectoren. Het op een na grootste fonds – Groningen – heeft er vijf, vier stadsdelen en een ‘kenniscluster’. Helmond heeft er zelfs maar drie: een bedrijvencluster, een wijkencluster en een cluster ‘overig’ met daarin de zorg, cultuur en onderwijs. Deze drie voorbeelden geven al aan hoe veel variatie mogelijk is, op basis van lokale voorkeuren:
Utrecht heeft een paar grotere en heel veel kleinere gebieden. In Utrecht zijn zeer veel zzp’ers van het creatieve soort, die zich graag manifesteren in de verenigingen. Zij zorgen voor veel informatie en beweging, zodat er ook in kleine gebieden goede plannen tot stand komen. Er is veel kader. Het ondernemersfonds zelf speelt een rol in het stadsbrede agenderen van zaken, met nieuwsbrieven en manifestaties. Groningen voert de discussie vooral op stadsdeelniveau. De bestedingen kunnen zeer wel op kleinschalig niveau – straat of buurt – plaats vinden, maar het feit dat ondernemers met elkaar op wat grotere schaal het gesprek voeren, zorgt voor kwaliteit en scherpte. Groningen heeft in enkele jaren tijd maar liefst een kwart van het fonds vrij gemaakt voor stadsbrede bestedingen. Daar horen zaken bij die niet goed passen in de stadsdeelstructuur: stimuleren van technische starters, ict, popmuziek en cultuur, organiseren van bedrijfsbelangen in het licht van de aardbevingsschade. Helmond heeft een koepel voor alle bedrijventerreinen met een uitvoerende stichting voor parkmanagement, die alle terreinen bedient. Daarnaast een koepel voor alle winkelgebieden.
Het centrum van de stad heeft een grotere financieringsbehoefte dan de rest en heeft bovenop het ondernemersfonds ook nog een gebiedsgerichte reclamebelasting, die in z’n vormgeving naadloos aansluit op de beheersystematiek van het fonds.
In alle drie de voorbeelden is een eerste leereffect zichtbaar: begin met wat er al is. Utrecht had geen grote stadsbrede verenigingen en moest de gebiedsindeling van de grond af aan opbouwen. Groningen had toen het fonds kwam al een paar sterke stadsdeelverenigingen. En Helmond had al een grote traditie in parkmanagement, van waaruit weer goede contacten waren met de binnenstad.
8
In Hardinxveld-Giessendam zal een flink deel van de bestedingen ook gebiedsgericht zijn. Er is een mogelijke driedeling overwogen: bedrijventerreinen + winkelgebieden + non-profit. Maar de keuze is om de hele gemeente een ‘boost’ te geven en om te onderstrepen dat alle ondernemers in dezelfde boot zitten, inclusief de ‘non-profit’. Een gemeentebrede solidariteit. De volgende argumenten spelen daarbij een rol:
“We doen het overkoepelend voor Hardinxveld-Giessendam”. Het gaat in het fonds niet alleen om de bundeling van de bedrijfsbelangen. Het gaat ook om samen werken aan de kwaliteit van de samenleving. Kleine partijen kunnen zich aan een gemeentebrede tafel optrekken aan de grotere. De nonprofit krijgt een mooie omgeving aangeboden om zich met partijen te verbinden. “Onze mensen komen uit Hardinxveld-Giessendam”. Als er op de terreinen – waar het leeuwendeel van het fondsbudget wordt opgebracht - geld over is, kan dat via een gemeentebrede tafel snel ingezet worden voor andere doeleinden zoals dorpsactiviteiten en belangen die de non-profit dienen De ‘Westerveldambitie’ spreekt aan: vertegenwoordigers van alle sectoren bij elkaar, daar gaat de meeste dynamiek van uit.
Aan de gemeentebrede tafel worden zowel de herkomst van de middelen als de plannen vanuit de gebieden en sectoren transparant gemaakt. Er wordt inhoudelijk gediscussieerd over de plannen, waarbij iedereen kan meepraten en informatie kan aandragen en vragen kan stellen. Er wordt besloten over de toewijzing van gelden 'met gevoel' voor ieders’ belang en voor de herkomst van de middelen. Maar als partijen besluiten in elkaars’ doelen te investeren, wordt dat zeer aangemoedigd. De herkomst van de middelen ziet er als volgt uit (stand woz-waarde eind mei 2021): Herkomst Bedrijventerreinen waarvan Nieuweweg (1) waarvan Langeveer (2) waarvan De Peulen (3) waarvan De Blauwe Zoom (4) waarvan Rivierdijk + bedrijventerrein BovenHardinxveld (5) Winkelcentra en kernen waarvan centrum Giessendam-NH (6) waarvan overig kern Giessendam-NH (7) waarvan kern Boven-Hardinxveld (8) Sectoren Onderwijs en kinderopvang Sport Zorg (praktijkruimtes) Overig non-profit (overheid, buurtcentra) Agrarisch Polder / buiten bebouwde kom / overige Noord (9) Parallelweg, Sluisweg, Giessenzoom (10) TOTAAL 9
Opbrengsten bij een bijdrage van €75 € 205.000 € 48.000 € 35.000 € 45.000 € 10.000 € 67.000 € 36.000 € 20.000 € 12.500 € 3.500 € 49.500 € 18.000 € 9.500 € 6.500 € 8.000 € 7.500 € 9.500 € 3.500 € 6.000 € 300.000
De gemeentebrede ambitie kan Hardinxveld-Giessendam veel brengen. We onderstrepen nog eens de voorwaarden in de sfeer van ‘soft power’:
Er is een gunfactor nodig. Als de vraag ‘What is in it for me?’ voor op de lippen ligt, gaat het niet werken. Die vraag leidt eerder tot een dichtgetimmerd systeem waar elke euro teruggaat naar het gebied waar hij vandaan komt. Als de vraag wordt: ‘What is in it for Hardinxveld-Giessendam?’ kan het een succes worden. Er zijn kundige ondernemers-woordvoeders en bestuurders van verenigingen nodig, die zowel inhoud en innovatie kunnen aandragen als tot besluiten kunnen komen. Dat geldt ook voor de non-profit. Een hogere ozb is voor bijvoorbeeld sportverenigingen zeker een last. Daar staat de komst van een nieuw speelveld met mogelijk veel steun voor de verenigingen vanuit de omgeving tegenover. Die kans moet gezien worden.
Nog twee noten bij de waardetabel op de vorige pagina. 1. Deze is gebaseerd op de standcijfers die in mei 2021 bekend zij bij de regionale belastingdienst. Er kunnen – kleine – fluctuaties komen in de bedragen door waardeontwikkelingen of de bouw van nieuwe bedrijfsvestigingen. Het advies is om eenmaal per drie jaar een update uit te voeren om zicht te houden op veranderingen. 2. We gaan bij deze rekensom uit van gemeentelijke participatie in het fonds. Mocht de gemeente haar vastgoed buiten het fonds willen houden – waarover meer in hoofdstuk 8 – dan daalt met name de opbrengst in de non-profit sectoren. Vooral het onderwijsbudget en in iets mindere mate het sportbudget zal lager uitvallen in die situatie.
10
7. De governance van een ondernemersfonds
Het advies is om het fonds de rechtsvorm van een stichting mee te geven. Er is elders in het land geëxperimenteerd met een coöperatieve vereniging, maar dat bleek onnodig ingewikkeld. Een stichting dus. Die krijgt statutair de taak om als contractpartner van de gemeente op te treden en te zorgen voor een beheer van de middelen in het fonds. Er zijn geen ‘voorschriften’ voor de samenstelling van het bestuur (er zijn sowieso amper voorschriften voor de inrichting van een ondernemersfonds: het is een regelarm gebied dat ruimte biedt voor de creativiteit van de ondernemers). Het oudste ondernemersfonds van het land (Leiden, 2005) begon met alle partijen die een trekkingsrecht hadden op het fonds, in het bestuur te halen. Die samenstelling blijkt een beetje uitgewerkt. Het risico is dat in zo’n groot bestuur de leden er vooral ter controle zitten. De meeste fondsen kiezen tegenwoordig voor een compact bestuur, drie tot vijf onafhankelijke personen. In een democratie hoort iedereen tegen iemand anders aan te praten. Een vaste gespreksrelatie bevordert de scherpte, de verantwoording en de transparantie bij het bestuur van het fonds. In de meeste fondsen is daarom sprake van een adviesraad, raad van toezicht of toetsingscommissie. Die kan bestaan uit vertegenwoordigers van de partijen met trekkingsrecht.
De adviesraad wordt vaak gebruikt voor kennisdeling en informatie over nieuwe initiatieven. Een vuistregel is verder dat er enige afstand moet zitten tussen het feitelijk beheer van de gelden en de inhoudelijke besluitvorming. Het fonds is zogezegd de bankier van de georganiseerde ondernemers. Maar het gaat niet over hun besluiten. Omgekeerd heeft het fonds een eigen verantwoordelijkheid voor goed beheer. Stel dat de gebruikende ondernemers er niet uitkomen, verdeeld zijn of wat ook, dan heeft het bestuur van het fonds een eigen verantwoordelijkheid. Overigens is in de fondsbesturen bij betalingen het ‘vier ogen principe’ aan de orde. Het dringende advies is voorts om bij een fonds van enige omvang – zeg: meer dan 150.000 euro per jaar – een vorm van professionele capaciteit in te zetten. Dat gaat om twee taken: een administrateur voor de financiële afwikkeling en een (deeltijd) functionaris om het bestuur en de partijen met trekkingsrecht te ondersteunen bij het maken van plannen. De praktijkregel is dat omstreeks 6% van het fonds besteed wordt aan beheers- en ondersteuningskosten. Voor Hardinxveld-Giessendam zou het als volgt kunnen.
Er worden drie onafhankelijke personen gezocht die als bestuur willen optreden in de opbouwperiode: het concept van het fonds uitdragen, zorgen dat er overal in de gemeente iets gebeurt, de administratie (laten) inrichten, verantwoordelijkheid nemen voor een tijdige jaarrekening naar de gemeente. Het bestuur stimuleert de inhoudelijke discussie, en draagt daaraan bij door vragen te stellen. De huidige initiatiefgroep met de twee verenigingen, de SBBHG, de Rabobank en het maritiem cluster gaat de eerste vier jaar door als platform voor de inhoudelijke besluitvorming. Zo blijven de ideeën over het fonds onder handbereik. De groep wordt uitgebreid met vertegenwoordigers van de non-profit en mogelijke sectoren.
De gemeente zal gevraagd worden om beide platforms met ambtelijke adviescapaciteit bij te staan.
11
Zoals al opgemerkt wordt elk fonds periodiek geëvalueerd. Bij de eerste evaluatie van het fonds – na vier jaar – wordt bekeken of strakkere afspraken nodig zijn.
8. Wat heeft de gemeente aan een fonds?
Zoals tot nu toe beschreven is het fonds vooral een instrument in handen van ondernemers. De beginselen van ‘non-interventie’ (de gemeente bemoeit zich niet met de bestedingen uit het fonds) en ‘non-substitutie’ (de gemeente probeert niet om te bezuinigen door eigen activiteiten naar het fonds te schuiven) worden immers in een convenant vastgelegd. Maar voor een gemeente is de financiële positie en de controle over die financiële positie niet het belangrijkste. Zelfs een goed gevuld fonds is op de begroting van de gemeente niet veel meer dan een detail. Met een greep op het fonds zou de gemeente zich nauwelijks extra slagkracht geven. Het publieke belang van een fonds is veel meer het ontstaan van een stabiele wederpartij. De ervaring in gemeenten waar al langer een fonds bestaat, is dat tot in de verste uithoeken een vorm van ondernemersorganisatie tot stand komt. De gemeente treft overal gesprekspartners aan met lokale kennis en met eigen investeringsmogelijkheden. De komst van een fonds betekent ook een flinke verzakelijking van de verhoudingen. Voor ondernemers die zelf geen greep hebben op hun bedrijfsomgeving, is het een gemakkelijke weg om te klagen over de gemeenschappelijke ‘vijand’, de gemeente. Dat verandert wanneer de ondernemers zelf een platform krijgen en investeringen kunnen doen.
In deze zin verbetert de sfeer sterk: er zijn altijd verschillen van inzicht, maar die worden met een fonds bij de hand veel meer vanuit een gelijkwaardige positie besproken. Doorslaggevend daarbij is dat het fonds er volgend jaar ook nog is, en het jaar daarna en het jaar... Het ondernemersgeluid is niet meer afhankelijk van vrijwillige inzet alleen. Er kunnen plannen voor de langere termijn gemaakt worden. Zo bezien is een ondernemersfonds en de versterking van de organisatiegraad een nieuw soort ‘civil society’, of een vorm van participatiedemocratie. De relatie tussen de gemeente en een ondernemersfonds wordt in de regel in een convenant vastgelegd. Er is een sterke voorkeur voor om dat convenant licht en regelarm te houden. Hoe meer de verantwoordelijkheid bij de ondernemers ligt, hoe groter de prikkel om goed werk af te leveren. En het is niet nodig om een noodrem af te spreken voor de eventualiteit van fraude of malversaties. Het fonds is juridisch een gesubsidieerde stichting. De gemeente heeft wettelijk de bevoegdheid om ten allen tijde in te grijpen bij dergelijke eventualiteiten. En afzonderlijke overweging is of de gemeente zelf ook mee gaat doen aan het fonds. De gemeente heeft twee gedaanten. De gemeente is ten eerste een publiekrechtelijke partij, een overheid. Maar de gemeente is ook een privaatrechtelijke partij, een bedrijf.
In die laatste hoedanigheid betaalt de gemeente ook ozb over het eigen vastgoed. Het gemeentelijk vastgoed zit in beginsel in drie rubrieken: 1. De gemeente heeft zelf panden in gebruik: het gemeentehuis, het gemeentelijk afvalpunt; 2. De gemeente is eigenaar / financier van een aantal maatschappelijke objecten zoals scholen voor primair onderwijs (allemaal), sportvelden en clubgebouwen (sommige), cultuurgebouwen;1 1 Een deel van de non-profit betaalt wel mee als gebruiker of eigenaar en gebruiker van maatschappelijk vastgoed.
12
3. Een lokale overheid heeft doorgaans ook ‘historische’ posities: panden die ooit verworven zijn om later iets mee te doen, maar die nog steeds in bezit zijn. Het is natuurlijk vestzak-broekzak. De gemeente zou als enige ‘freerider’ in HardinxveldGiessendam kunnen overblijven door de opbrengst van de ozb over het eigen vastgoed af te trekken van de subsidie aan het fonds. Een argument om dat inderdaad te doen is het in achtnemen van het uitgangspunt van noninterventie. Op het moment dat college of raad als publiekrechtelijke partij uitspraken willen doen over de bestedingen uit het fonds omdat ze daar als privaatrechtelijke partij in participeren, kan dat een bedreiging voor het fonds worden. Het argument om weldegelijk te participeren, is de solidariteit. Wanneer de ondernemers een instrument opzetten om de verantwoordelijkheid voor hun omgeving vorm te geven, is het een vertrouwenssignaal wanneer de gemeente gewoon mee gaat doen. De stuurgroep heeft een voorkeur voor de tweede optie: de gemeente doet gewoon mee en er wordt afgesproken dat het gemeentelijk aandeel in de ozb-opbrengst voor gemeentebrede doeleinden wordt ingezet. Het wordt goed mogelijk geacht dat de gemeente de eigen participatie zal gebruiken voor een goede informatie-uitwisseling, zonder de ondernemersbesluiten over de besteding te beïnvloeden.
9. De rol van draagvlak
De vroege starters onder de ondernemersfondsen (Leiden, Lisse, Gouda, Leeuwarden) zorgden voor een alertheid in politiek Den Haag: kennelijk was er bereidheid om op lokaal niveau te investeren in het ondernemingsklimaat. Er is een wetgevingsproces in gang gezet dat uiteindelijk heeft geleid tot de BIZ-regeling. Voor de lokale ondernemers is het naast elkaar bestaan van het ‘Leids model’ en de BIZ wel opportuun. Wanneer de ambitie uitgaat naar het financieren van beperkte voorzieningen (bijvoorbeeld beveiliging) op een overzichtelijk terrein, dan is de BIZ een aangewezen pad. Wanneer de ambitie is om het vestigingsklimaat in de hele gemeente een stimulans te geven voor de langere termijn, dan kom je bij een ondernemersfonds uit. Voor gemeenteraden is het naast elkaar bestaan van de twee modaliteiten in zoverre lastig dat ze om een andere taakopvatting van de gemeenteraad vragen. De BIZ bevat een nauw omschreven ‘draagvlakpeiling’. Er is precies bepaald hoe de ondernemers in een gebied geïnformeerd moeten worden en moeten worden uitgenodigd om een stem uit te brengen. De rol van de raad is feitelijk beperkt tot toezicht houden op het correct uitvoeren van de wettelijke voorschriften. Bij een ondernemersfonds is de raad veel meer teruggeworpen op de eigen verantwoordelijkheid. Er zal altijd weerstand zijn tegen een plan, BIZ of ondernemersfonds.
In het geval van de BIZ zijn daar stemprocedures voor. In het geval van het ondernemersfonds is de enige stemming die er echt toe doet, die in de gemeenteraad. We hebben al gezien dat in enkele gevallen – Heerlen voorop – college en raad een eigen verantwoordelijkheid hebben genomen. Er waren BIZzen mislukt en langs de weg van draagvlakpeilingen zou er weinig tot stand gaan komen. Daarom nam de politiek zelf het initiatief, met goed resultaat. 13
Bij een ondernemersfonds is de vraag aan de politiek of er voldoende vertrouwen is in het voorstel om het mogelijk te maken. Het vertrouwen wordt niet getalsmatig onderbouwd (zoveel procent voor, zoveel procent tegen), maar met argumenten, zoals elk politiek voorstel dat geld kost onderbouwd moet worden. Dat gebeurt aan de hand van vragen als:
Is het duidelijk op welk probleem het voorstel een antwoord is? Heeft dat probleem ook een publiek karakter? Is het aannemelijk dat het belang van inwoners en bedrijven in Hardinxveld-Giessendam met het voorstel gediend is? Is het initiatief betrouwbaar in de zin dat er goede mensen en organisaties achter staan en dat er een goede uitvoeringspraktijk tot stand kan komen? Zijn er voorbeelden van elders en zijn daar leereffecten van benut? Zijn de financiële gevolgen van het voorstel hanteerbaar en is er dekking? Zijn er anderszins risico’s voor de gemeente? Is er kritiek op en weerstand tegen het voorstel onder betrokken bedrijven en organisaties in Hardinxveld-Giessendam? Hoe ziet de balans van argumenten pro en argumenten contra er uit? Is er een gerede kans dat het voorstel tot een succesvolle uitvoeringspraktijk leidt?
Om het kort uit te drukken: bij de BIZ kan de raad volstaan met toezicht houden op een peiling, bij een ondernemersfonds gaat het om de politieke bereidheid zelf verantwoordelijkheid te nemen en een goed burgerinitiatief te steunen.
10. Type bestedingen uit het fonds
De bestedingen vanuit een Ondernemersfonds zijn als aangegeven in principe geheel vrij. De praktijk laat een ontwikkeling zien in het bestedingspatroon vanuit ondernemersfondsen. De eerste jaren worden veelal gebruikt om de ‘acute noden’ op te lossen: voorzieningen en activiteiten die op de plank liggen maar voorheen niet of slechts gedeeltelijk konden worden opgepakt: goede sfeerverlichting en aankleding van winkelgebieden, KVO, parkmanagement op bedrijventerreinen, publieksevenementen. Na enige jaren komen er nieuwe bestedingen in zicht. De basis is dan op orde en er kan worden toegewerkt naar meer lange termijnplannen en eigen visieontwikkeling: een jaarlijks terugkerende winterfair met ijsbaan, kortingsacties en arrangementen, leegstandsbestrijding, collectieve inkoop(korting), glasvezelaanleg, sectorale acties voor personeelswerving. Weer een generatie verder gaan fondsen investeren in digitale winkelstraten, zelfbeheer en winkelstraatmanagement, klimaat- en energiemaatregelen, infrastructuur, onderzoek en grote projecten. Deze drie generaties bestedingen zijn gebaseerd op het bestedingspatroon van de 45 al langer bestaande fondsen. De ‘derde generatie’ bestedingen hebben een grote symbolische waarde.
Ondernemers die vanuit een visie opereren en zelf hun belangenbehartiging betalen en organiseren, de gemeente tegenspel geven, zelf plannen maken voor verduurzaming, voor technisch onderwijs: 14
dat betekent veel voor het zelfvertrouwen van het lokale bedrijfsleven en voor het vermogen om zelf de agenda te bepalen. We moeten deze generaties niet gevolgtijdelijk zien. De opdracht voor een vereniging is niet om na verloop van tijd alleen nog derde generatie bestedingen te doen. De opdracht aan het fonds is om een flinke diversiteit aan bestedingen te hebben. De ondernemers zijn net zo divers als de rest van de samenleving en dat mag zichtbaar zijn in het uitgavepatroon. Het onderscheid in bestedingen is vooral bedoeld om de verbeeldingskracht los te maken: alles kan betaald worden uit het fonds, zolang de ondernemers het er maar over eens zijn. Dat kan gaan van direct zichtbare zaken als de Sinterklaasintocht tot lange termijn strategieën over duurzaamheid. In onderstaand overzicht van een aantal voorbeelden maken we onderscheid naar een aantal gangbare gebieden en sectoren die actief zijn binnen een ondernemersfonds.
Winkelcentra / dorpskernen / bezoekerseconomie
Eerste generatie
Tweede generatie
Derde generatie
Grote evenementen: winterfair, ijsbaan, meerdaagse markten
Evenementenkalender afgestemd met omgeving
Kennis & kunde bijeenkomsten voor winkeliers (o.a. internetmarketing)
‘Dorpspas’ met kortingsacties
Eigen retail-visie inclusief zicht op gewenste branchering
Leegstandsbestrijding
Pilots ‘zelfbeheer’
Duurzaamheid / klimaatneutraliteit o Zonne-energie o Koude-warmte opslag o Benutten restwarmte en – stoffen
Cofinanciering infrastructuur oplossingen
Contra-expertise bij ruimtelijke plannen
Aantrekken onderzoeksgeld in greenport verband
Agrarisch
Collectieve waterzuivering, leveren restwarmte
Cofinanciering infrastructuur oplossingen
Sfeerverlichting Promotie / folders Braderieën, voorjaarsmarkten
Keurmerk Veilig Ondernemen
Collectieve presentie op internet
Bedrijventerreinen en kantorenparken
Sinterklaasintocht
Parkmanagement (schoon, heel veilig)
Camerabewaking en surveillance
Extra maaien, strooien KVO inclusief schouwrondes
Bezoekerspakketten met horeca, cultuur ontwikkelen
Glasvezel
Zelfregie over groenbeheer
Leegstandsbestrijding
Collectieve energie inkoop Collectiviteitskorting organiseren (verzekeringen, bhv cursussen, etc.)
Publieksactiviteiten (Kom in de Kas, e.d.)
Lokale belangenbehartiging
Extra maaien/snoeien weg- en slootkanten
Glasvezel, collectieve waterzuivering
15
Netwerkevenementen, bedrijfsbezoeken
Digitale winkelstraat Actieve regiomarketing
Cultuur en sportevenementen
Rolstoel-, dementievriendelijke gemeente projecten
Non-profit
Business-to-business (solitair en verspreid)
Netwerkbijeenkomsten met relevante sprekers Culinaire festivals voor personeel en klanten (in eigen kern)
Cultuur en sportevenementen als onderdeel van algemene evenementen
Cultuurmakelaar: verbindingen tussen cultuur en bedrijfsleven leggen
Kunst in bedrijvengebieden
Bedrijfsbezoeken
Collectieve werving personeel in tekortsectoren (techniek, zorg, onderwijs)
Gezondheid projecten op werkvloer (met lokale bedrijfsleven)
Kennis en kunde bijeenkomsten (bootcamps, masterclasses) Glasvezel (oa buitengebied) Poolen stages / leerwerkplekken
Organisatie techniekdagen / dag van de zorg
Collectieve inkoop cursussen (bhv, sociale hygiëne)
Business-event kalender Gezamenlijke inkoop (verzekering, energiescans, ict en webdiensten)
We geven nog een verbijzondering van dit overzicht. Corona heeft veel gangbare activiteiten (zoals promotie, cultuur en evenementen) stil gelegd. Maar de bestedingen in de bestaande fondsen zijn niet stil gevallen. Een impressie. Winkelcentra / toeristische sector Online portals en bezorgdiensten Groningen, Helmond, Westerveld
Gemeentebreed / bedrijventerreinen / non-profit Online inspiratiesessies, workshops en kennisdeling Groningen, Hilversum
Cadeaubonnen / verraskaarten Alblasserdam, Helmond
Collectieve inkoop van seo-diensten, fotograaf, vertaler videomontage Westerveld
Buy local acties Sudwest Fryslan, Laarbeek Blauwe / rode loper Delft, Utrecht Coronaproof winkelomgeving (stickers, zuilen, looproutes, handgel, stewards) Utrecht, Assen, Heerlen
Particuliere corona (snel)testservice Helmond Kennisopbouw, ondernemerscourant Groningen Online buurtactiviteiten Helmond
Social media campagnes Terschelling (zomer)campagnes voor binnenlandse bezoekers Leiden
16
De kunst is dus om in het onderlinge gesprek over de bestedingen ook een behoorlijke diversiteit te bereiken: meer generaties, basisvoorzieningen, innovaties, noem maar op. Een criterium kan zijn het ontstaan van nieuwe samenwerkingsrelaties. Een criterium kan ook zijn het vinden van cofinanciering van buiten, bijvoorbeeld van de kant van de overheid. En het gaat ook nog om de ‘verborgen’ opbrengst van een project. Er is een voorbeeld van een industriestraat die z’n geld voortdurend aan een groot feest besteedde. Dat mag volgens het concept van ‘voor en door ondernemers’, maar het begon wel een beetje op te vallen. Bij navraag bleek er een achterliggende problematiek: de sfeer in de straat was niet goed, er werd geparkeerd op opritten, bedrijven waarschuwden elkaar niet bij onraad. De sfeer klaarde meten na de eerste straatbarbecue enorm op. En enkele barbecues later, begonnen de bedrijven onderling personeel uit te wisselen.
11. Omvang van het ondernemersfonds
Een ondernemersfonds is een investeringsinstrument, betaald uit de algemene middelen van de gemeente, die gevoed worden met een hogere ozb-opbrengst. Bij het bepalen van de omvang van een fonds is het zaak een balans te treffen. Aan de ene kant wil je een financiële positie scheppen die de ondernemers in staat stelt om voor een reeks van jaren slagkracht te ontwikkelen. Aan de andere kant moet de last van een hogere ozb draaglijk zijn. Er zijn fondsen die beginnen met het vaststellen van hun ambitie. Er zijn ook fondsen die beginnen bij de kostenkant. In de praktijk naderen die uitgangspunten elkaar wel. Er is een bandbreedte – voor zover wij het overzicht hebben – van 30 euro voeding voor het ondernemersfonds per 100.000 euro woz-waarde tot 95 euro per 100.000 woz-waarde. Ondernemers in de gemeente die met 30 euro begonnen, hadden in eerste instantie alleen het financieren van park- en gebiedsmanagement als doel op het oog. Toen het fonds er eenmaal was en de ondernemers het gemak ervan ontdekten, liep het fonds al snel tegen z’n grenzen aan. De meeste fondsen komen uit bij een start van omstreeks 60 euro. Voor Hardinxveld-Giessendam is de initiatiefgroep uitgegaan van bedragen die ofwel nu al circuleren, ofwel in discussie zijn geweest bij eerdere pogingen om een gebiedsfonds (BIZ) op te zetten. De som ziet er als volgt uit:
Er is een beveiligingsproject in enkele gebieden en de wens bestaat om dat naar de hele gemeente uit te breiden. Financiële zekerheid voor de langere termijn maakt het bovendien mogelijk de beveiliging up to date te houden. Het huidige kostenniveau is omstreeks €125.000, plus € 15.000 aan gemeentelijke bijdragen. Voor werkbudgetten voor de centra is €30.000 nodig: 20.000 voor Neder-Hardinxveld, 5.000 voor Boven-Hardinxveld en 5.000 voor andere gebieden. De uitbreiding van parkmanagement naar alle terreinen zal de kosten voor het management op €50.000 brengen. De ambitie is om naast deze min of meer reguliere voorzieningen ook te beschikken over een innovatiebudget van circa 100.000 voor de ‘non-profit’, voor de uitvoering van de Economische Visie en ‘public affairs’ en voor investeringen op de terreinen.
Dat brengt de gewenste fondsomvang tussen de €300.000 en € 320.000. De totale zakelijke vastgoedwaarde van Hardinxveld-Giessendam bedraagt volgens het CBS omstreeks 400 miljoen 17
euro. Dat is een behoorlijk bedrag, gezien de omvang van de gemeente. Hardinxveld-Giessendam is een ‘werkpaard’. Als we uitgaan van een fonds van €300.000 betekent dat een investering van 75 euro per €100.000 vastgoedwaarde. De uitgangssituatie in Hardinxveld-Giessendam wordt erdoor bepaald dat er al veel geldstromen zijn in het bedrijfsleven. De meerwaarde van het fonds is niet dat er voor dat ‘reguliere’ deel veel geld bij komt, maar dat het geld eerlijker wordt opgebracht (namelijk door iedereen), eenvoudiger beheerd kan worden en structureel van karakter is. Zo kunnen ook de bedrijven op de Nieuweweg ervoor kiezen de BIZ te laten vervallen na de huidige termijn die loopt tot eind 2022. In onderste matrix geven we drie rekenvoorbeelden van de inleg in het fonds. Rekenend met het voorgestelde tarief van € 75 per 100.000 woz-waarde te verdelen over gebruiker (45%) en eigenaar (55%).
Winkelpand van 300.000 Sportclubgebouw van 500.000 Bedrijvenloods met kantoor van 8 ton
Gebruiker
Eigenaar
€ 101,25 € 168,75 € 270
€ 123,75 € 206,25 € 330
Gebruiker + eigenaar € 225 € 375 € 600
Ter verduidelijking: een huurder van een winkelpand betaalt dus jaarlijks iets meer dan 100 euro aan het fonds. Is de ondernemer ook eigenaar dan komt zijn investering neer op 225 euro. Het gaat om beperkte lasten zeker ten opzichte van een BIZ waar een beperkter aantal bedrijven meedoet. Juist het spreiden van de investering over alle bedrijven en non-profitondernemingen in Hardinxveld beperkt de investeringslast per individu. Overigens, ten overvloede: het gaat om een fonds, dat wil zeggen dat geld er gewoon in kan blijven zitten. Je kunt sparen. Er kunnen lange termijn plannen mee gemaakt worden. En dat gebeurt ook.
12. Perspectief: co-creatie door ondernemers en gemeente De gemeente Hardinxveld-Giessendam en de ondernemers hebben gezamenlijk een Economische Visie vastgesteld. De kern van die visie is dat leefklimaat en ondernemingsklimaat vergaand samenvallen: een investering in de verblijfskwaliteit van het dorp is een investering in de concurrentiekracht en een investering in de veiligheid op terreinen en in winkelgebieden is een investering in de leefbaarheid. De ondernemers zijn bereid om een volgende stap te zetten door zich nog beter te organiseren en door een structurele financiële positie op poten te zetten. Maar de ondernemers kunnen en willen het niet alleen doen. De bedrijven nodigen de gemeente nadrukkelijk uit om mee te doen, te blijven investeren in de publieke ruimte, welwillend te staan tegenover initiatieven uit het bedrijfsleven en ondernemers nadrukkelijk betrekken bij gemeentelijke planvorming. Grote vraagstukken als de leefbaarheid, de duurzaamheid, de energietransitie en de omgevingswet vergen een inzet van beide kanten. Het ondernemersfonds is bovendien het meest vergaande experiment in zelfbestuur en participatie in jaren. Dat vergt respons van de hele gemeentelijke organisatie. 18
Het klinkt als een open deur maar het is niet zomaar gedaan. De ervaringen van de ondernemers met de gemeente zijn nogal gemengd. Het commitment bij het College van B&W en het economisch loket van de gemeente is er wel, maar dat houdt in de gemeentelijke ‘back office’ niet altijd stand. In bijvoorbeeld ruimtelijke kwesties ervaren ze soms als ‘vreemde’ partij behandeld te worden, in plaats van als mede vormgever van de dorpsgemeenschap. De komst van het ondernemersfonds biedt een uitstekende kans om dat te doorbreken. Dat betekent niet dat alle ondernemersplannen kritiekloos moeten worden goedgekeurd. Wel is er de wens om als gelijkwaardige partners te bouwen aan een gezond economisch klimaat. Met een fonds beschikken de ondernemers over de gereedschapskist om die ambitie te verzilveren.
13. Investeringssuggesties voor Hardinxveld –Giessendam “In Hardinxveld-Giessendam gaat het goed, het stikt van de ondernemers, je krijgt bij de geboorte niet alleen een bsn –nummer, maar ook een nummer van de kamer van koophandel. We hebben een hoge werkmoraal met prachtige bedrijven”. Zo uitte een van de leden van de initiatiefgroep van het Ondernemersfonds HardinxveldGiessendam zijn enthousiasme voor het vestigingsklimaat in dit gebied. Dat enthousiasme is tekenend voor de sfeer waarin over het fonds wordt nagedacht. Het gaat niet alleen om de financiering van een aantal concrete voorzieningen. Het gaat ook om het verder toerusten van het hele gebied. “Een fijn vestigingsklimaat is geld waard voor je bedrijf”, merkt een van de initiatiefnemers op. Een collega: “We willen het gebied verrijken. Daar krijgen we nu een instrument voor.” We zagen hierboven dat een deel van het geld besteed zal worden aan het uitbouwen van al bestaande activiteiten: beveiliging, parkmanagement, promotie in winkelgebieden. We kunnen in de toekomst verwachten dat er aandacht zal komen voor onderwerpen uit de gezamenlijke Economische Visie. Waaronder:
Verhoging van het opleidingsniveau van de (jonge) beroepsbevolking Aanpakken van het tekort aan personeel, met name in de techniek (maritiem, bouw) Scholieren voor de regio behouden, met name in de techniek Verhoging van de arbeidsparticipatie Benutten van de ruimte die de Omgevingswet biedt Verduurzaming van en kwaliteitsverhoging op bedrijventerreinen Komst van werklandschappen, goede dosering in afwisseling woon- en werkfuncties Kantorenleegstand Huisvesting voor tijdelijke arbeidskrachten Impuls voor het centrum, samenwerking tussen ondernemers Agenderen van de filedruk op de A15 Oplossingen voor sluipverkeer Personenvervoer over water Toeristische voorzieningen gebruiken voor kwaliteitsverbetering Participatie in regionale innovatieprocessen, over de gemeentegrenzen heen.
Vanuit de stuurgroep kunnen we enkele specificaties aandragen: 19
Het gevoelen is dat er meer mogelijk is in het centrumgebied. De samenwerking tussen ondernemers (retail, dienstverleners, anderen) zou met een ondernemersfonds eindelijk een structurele grondslag krijgen en zeker ondersteund moeten worden met een gebiedsmanager, die ondernemers daadwerkelijk werk uit handen neemt. Er is ruimte voor meer activiteiten, om bezoekers en eigen inwoners meer te binden. Het kernwinkelgebied is klein geworden, de suggestie is om het in het fonds te ‘verpakken’ in een groter gebied. Dat kan de dynamiek ten goede komen. Sowieso mag de verblijfskwaliteit omhoog. Het is een werkdorp, maar bij werken hoort tegenwoordig ook een goed verblijfsklimaat. Zakelijke bezoekers, bijvoorbeeld, moeten naar Dordrecht uitwijken voor een hotel. Hardinxveld-Giessendam ligt aan de grens van een gebied dat de komende jaren gestaag ontsloten gaat worden voor ‘groen toerisme’. Dat moet ook in het dorp voelbaar worden. het is een uitdaging om het toerisme te gebruiken als een facelift voor de hele omgeving. De capaciteit van de A15 is een probleem voor de regio. Nu bouw je met een ondernemersfonds geen snelwegen. Maar er zijn wel goede voorbeelden van fondsen waaruit goede beleidsbeïnvloeding vanuit het bedrijfsleven wordt gefinancierd.
En er zijn enkele voorbeelden dat een zeer beperkte private medefinanciering (vanuit een ondernemersfonds) versnelling bracht in de investeringsschema’s van rijk of provincie. In deze zin is er een link tussen een Ondernemersfonds Hardinxveld-Giessendam en de A15. Het maritieme cluster beschikt al over goede relaties met het onderwijs (het tekort aan technisch personeel bestaat al heel lang). Het cluster kijkt naar het fonds als vehikel om een goede praktijk te scheppen in vergunningverlening, en als platform voor discussies over infrastructuur en huisvesting van (tijdelijke) werknemers. En bijdragen aan de verblijfskwaliteit van de streek, inclusief betere gastronomie. Het (sport-)verenigingsleven is zeer belangrijk in het dagelijks leven van HardinxveldGiessendam. Dat moet een goede plaats krijgen in het fonds. Er speelt nog een zeer praktische kwestie: er is op verschillende plekken in de gemeente een systeem voor camerabeveiliging aanwezig. Dat systeem heeft technisch en organisatorisch onderhoud nodig. Het ligt voor de hand om dat niet gebiedsgewijs, maar voor heel Hardinxveld-Giessendam op te pakken.
Tenslotte melden we dat er een afzonderlijk treffen heeft plaatsgevonden van de initiatiefgroep met vertegenwoordigers van de ‘non-profit’ (waaronder in ieder geval HKC Korfbalvereniging, Sporthal Het Dok, Museum de Koperen Knop, basisschool De Regenboog, Scouting A15, de bibliotheek, watersportvereniging De Snap, Calvijn school). De ‘non-profit’ ziet het fonds als een mooi initiatief om verbindingen te leggen en gezamenlijk aan ambities voor het dorp voor de langere termijn te werken. De ‘non-profit’ pleit voor laagdrempeligheid en benaderbaarheid van het fonds. Op voorhand is er al belangstelling voor participatie in de collectieve beveiliging, voor bedrijfsbezoeken van leerlingen uit het basisonderwijs en gastlessen op de scholen en het ondersteunen van ‘ontdekkend leren’. In de non-profit groep wordt een ondernemersfonds gezien als iets wat goed bij HardinxveldGiessendam past. “Het gaat hier om constant zoeken naar de verbinding tussen partijen. Door het plat te slaan en inzicht te bieden in bedragen per gebied of per sector, maak je het gemakkelijker. Het ontzorgt ook, omdat er geld komt voor alledaagse voorzieningen. Maar de kracht is elkaar vinden in gemeenschappelijke doelen”. 20