Buitendams 45, bijlagen bij de toelichting - bijlage 7 Quickscan natuur.pdf
Tekst van het document
Quickscan natuurwetgeving Buitendams 37 t/m 47 te Hardinxveld-Giessendam
In opdracht van: CroonenBuro5
6 mei 2019 ir. J.P.M. Hovens, P.J.C.A Op het Veld en ir. C. de Koning
Tegelseweg 3 5951 GK Belfeld Tel: 077-4642999 www.faunaconsult.nl
Quickscan natuurwetgeving Buitendams 37 t/m 47 te HardinxveldGiessendam Opdrachtgever: Opstellers/controle: Veldwerk:
CroonenBuro5 ir. J.P.M. Hovens / ir. C. de Koning P.J.C.A. Op het Veld en ir. J.P.M. Hovens
Faunaconsult werkt volgens de protocollen in de kennisdocumenten van BIJ12. Onze onderzoeken voldoen daarmee aan de landelijk geldende normen en opdrachtgevers hebben een basis om ons aan te spreken op de kwaliteit van de door ons aangeleverde producten. Onze ecologen voldoen aan de deskundigheidseisen zoals gesteld door RVO. We hechten groot belang aan maatschappelijk verantwoord ondernemen en geven concreet invulling aan de participatiewet. Quickscan natuurwetgeving Buitendams 37 t/m 47 te Hardinxveld-Giessendam
1
Inhoud 1
Inleiding........................................................................................................................................... 3 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................... 3 1.2 Doel en status van dit document .............................................................................................. 3 1.3 Leeswijzer ............................................................................................................................... 4 2 Wet- en regelgeving ........................................................................................................................ 5 2.1 Inleiding................................................................................................................................... 5 2.2 Bescherming van Natura 2000-gebieden................................................................................. 5 2.3 Natuurnetwerk Nederland ....................................................................................................... 5 2.4 Beschermde planten en dieren .................................................................................................
6 3 Werkwijze ....................................................................................................................................... 8 3.1 Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden ............................................................... 8 3.2 Werkwijze ............................................................................................................................... 8 4 Aanwezige beschermde natuurwaarden .......................................................................................... 9 4.1 Beschrijving plangebied .......................................................................................................... 9 4.2 Natura 2000-gebieden ........................................................................................................... 11 4.3 Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................................... 11 4.4 Beschermde planten en dieren ............................................................................................... 12 5 Mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden ....................................................................... 16 5.1 Natura 2000 ...........................................................................................................................
16 5.2 Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................................... 16 5.3 Beschermde planten en dieren ............................................................................................... 16 6 Conclusies en aanbevelingen ......................................................................................................... 18 6.1 Natura 2000 ........................................................................................................................... 18 6.2 Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................................... 18 6.3 Beschermde planten en dieren ............................................................................................... 18 Literatuur ............................................................................................................................................... 20 Bijlage 1: Toelichting per beschermingsregime .................................................................................... 21
Quickscan natuurwetgeving Buitendams 37 t/m 47 te Hardinxveld-Giessendam
2
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
CroonenBuro5 begeleidt de herinrichting van Buitendams 37 t/m 47 te Hardinxveld-Giessendam. Hiervoor dient de huidige bebouwing gesloopt te worden.
Figuur 1.1. Ligging van het plangebied. Bron: Bing Maps.
De voorgenomen ontwikkeling heeft aanleiding gegeven voor deze quickscan natuurwetgeving. Hierin is nagegaan welke effecten de ingreep heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna. Daarnaast is nagegaan welke invloed de ingreep heeft op beschermde Natura 2000-gebieden en overige beschermde natuurgebieden.
1.2
Doel en status van dit document
Het risico bestaat dat het plangebied deel uitmaakt van leefgebieden van diverse beschermde soorten. Dit document geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en mogelijke effecten als gevolg van het project. Het doel van dit document is om vast te stellen of de natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de weg staat. De ingreep kan een negatief effect hebben op beschermde natuurwaarden (plant- en diersoorten en bijbehorende leefgebieden) en beschermde gebieden. Dit document geeft aan of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de minimale onderzoekinspanning vanuit de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland. Daarnaast worden mitigerende (verzachtende) maatregelen aangegeven om significant negatieve effecten op voorhand te voorkomen en daarmee te voldoen aan de natuurwetgeving.
Quickscan natuurwetgeving Buitendams 37 t/m 47 te Hardinxveld-Giessendam
3
1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt een korte beschrijving gegeven van de relevante wet- en regelgeving. Hoofdstuk 3 beschrijft de geplande werkzaamheden en de werkwijze van de inventarisaties van de natuurwaarden. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de beleids- en veldinventarisaties weergegeven. Hoofdstuk 5 beschrijft de effecten van de voorgenomen ingreep op Natura 2000gebieden, de in en nabij het plangebied aanwezige natuurwaarden, evenals de mogelijke overtredingen op de Wet natuurbescherming. Hoofdstuk 6 geeft de conclusies en aanbevelingen weer.
Quickscan natuurwetgeving Buitendams 37 t/m 47 te Hardinxveld-Giessendam
4
2
Wet- en regelgeving
2.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt een korte toelichting gegeven op de juridische bescherming van de Nederlandse natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb), die per 1 januari 2017 is ingegaan, vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De Natuurbeschermingswet 1998 zorgde voor de bescherming van (natuur)gebieden en de Flora- en faunawet regelde de bescherming van alle in het wild levende planten- en diersoorten, dus ook buiten de beschermde gebieden. Bij werkzaamheden met betrekking tot ruimtelijke ingrepen, moest worden nagegaan of deze negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor beschermde soorten en/of beschermde gebieden. Bij kap van bomen moest worden bepaald of de Boswet van toepassing was (de Boswet regelde het behoud van bosopstanden of compensatie ervan). De basis van de nieuwe wetgeving blijft in grote lijnen gelijk, al verandert er wel een aantal zaken.
2.2
Bescherming van Natura 2000-gebieden
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Wat betreft gebiedsbescherming, vervalt de bescherming van de Beschermde natuurmonumenten. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS) en houden dus indirect wel bescherming, zij het niet in dezelfde mate. De provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzondere provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de Minister worden toegevoegd aan Natura 2000gebieden. Verder verandert er voor Natura-2000 gebieden weinig. De bescherming van deze gebieden is namelijk gebaseerd op internationale verplichtingen en die zijn niet veranderd. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning op de Wnb wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn opgenomen in Natura 2000-beheerplannen.
Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Wetlands worden beschermd door het internationale Ramsar-verdrag. Het zijn ook Natura 2000gebieden en daardoor beschermd door de Wnb. Toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan de Wnb wat betreft Natura 2000gebieden is opgenomen in hoofdstuk 5.
2.3
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving, die met ingang van de Wnb niet is veranderd. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; Quickscan natuurwetgeving Buitendams 37 t/m 47 te Hardinxveld-Giessendam
5
• •
ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid hiervoor verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met het rijk afgesproken om tot 2027 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. De provincies hebben – zoals ook al in paragraaf 2.2 aangegeven - de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzondere provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Veel provincies hebben de Nationale Landschappen (sinds 2011 geen onderdeel meer van nationaal beleid) in hun provinciale beleid opgenomen. De toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan het provinciale beleid is opgenomen in hoofdstuk 5.
2.4
Beschermde planten en dieren
De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wnb niet meer en andersom. Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven (zie bijlage 1 voor een toelichting op verboden handelingen, afwijkingsmogelijkheden en criteria voor ontheffing/vrijstelling per beschermingsregime): - Vogels alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken.
- Internationaal beschermde soorten alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb); - Overige beschermde soorten soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wnb). Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de Floraen faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol, die onder de Wnb niet meer is beschermd). De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten (Provinciale Staten van Zuid-Holland, 2016). Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden
Quickscan natuurwetgeving Buitendams 37 t/m 47 te Hardinxveld-Giessendam
6
gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen. De toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan de Wnb wat betreft flora en fauna is opgenomen in hoofdstuk 5.
Quickscan natuurwetgeving Buitendams 37 t/m 47 te Hardinxveld-Giessendam
7
3
Werkwijze
3.1
Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden
Alle bebouwing in het plangebied wordt gesloopt en alle vegetatie wordt verwijderd. Vervolgens wordt er een appartementencomplex gerealiseerd. De exacte invulling is echter nog onbekend. Zie figuur 3.1.
Figuur 3.1. Tekening van de mogelijk toekomstige situatie. Bron: CroonenBuro5.
3.2
Werkwijze
De quickscan is uitgevoerd door middel van een veldbezoek en een bronnenonderzoek. Op 25 april 2019 heeft Faunaconsult het plangebied bezocht voor een habitatgeschiktheidsonderzoek. Hierbij werd beoordeeld voor welke plant- en diersoorten het plangebied geschikte habitat biedt. Met behulp van een zaklamp, boomcamera en ladder werden alle gebouwen in het plangebied van buitenaf geïnspecteerd. Op de gebouwen aan de Buitendam 37 en 43 na, werden alle gebouwen ook van binnenuit geïnspecteerd. Waarnemingen van soorten in het plangebied zijn genoteerd. Met betrekking tot zoogdieren werd speciaal gelet op pootafdrukken, krabsporen, wissels, uitwerpselen, haren, graafsporen, holen en potentieel geschikte verblijfplaatsen. Het bureauonderzoek is gebaseerd op vrij verkrijgbare verspreidingsbronnen en waarnemingen van soorten: - Synbiosys alterra (www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase). - RAVON (www.ravon.nl). Verspreidingsgegevens van amfibieën, reptielen en vissen. - FLORON (www.floron.nl) - SOVON (www.sovon.nl) - Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl) - NDFF Verspreidingsatlas (www.verspreidingsatlas.nl)
Quickscan natuurwetgeving Buitendams 37 t/m 47 te Hardinxveld-Giessendam
8
4
Aanwezige beschermde natuurwaarden
4.1
Beschrijving plangebied
Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Hardinxveld-Giessendam (zie figuur 1.1). Naast enkele achtertuinen (zie figuur 4.1.1) bevat het plangebied een aantal gebouwen. Deze worden aan de hand van figuur 4.1.2 besproken.
Figuur 4.1.1. Verwilderde achtertuin met bramen, laurierkers en een bankstel.
Figuur 4.1.2. Het plangebied. 1 = kerkgebouw (zie foto rechtsonder voorzijde); 2 = Buitendams 43 (zie figuur 4.1.3), 3 = “Twinkeltje” (zie figuur 4.1.3); 4 = “Die Kuiergat” (zie foto voorzijde linksboven), 5 = “Sluimer” (zie middelste foto voorzijde), 6 = houten tuinhuis, 7 = Buitendams 47 (zie figuur 4.1.4). Bron: Bing Maps. Quickscan natuurwetgeving Buitendams 37 t/m 47 te Hardinxveld-Giessendam
9
Figuur 4.1.3. Rechts half in beeld: Buitendams 43; links in beeld: "Twinkeltje" (Buitendams 41).
Figuur 4.1.4. Buitendams 47.
Quickscan natuurwetgeving Buitendams 37 t/m 47 te Hardinxveld-Giessendam 10
4.2
Natura 2000-gebieden
Figuur 4.2 laat de ligging van het plangebied zien ten opzichte van Natura 2000-gebieden en Wetlands. Het meest noordelijke deel van Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’ is het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied in de provincie Noord-Brabant op circa 1 kilometer ten zuiden van het plangebied. Een deel van dit gebied is tevens aangewezen als wetland ‘Biesbosch Zuidwaard’ (compleet blauw aangegeven in figuur 4.2 en op 7,3 kilometer afstand van het plangebied). ‘Donkse Laagten’ bevindt zich op circa 7 kilometer van het plangebied. Andere Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand.
Figuur 4.2. Natura 2000-gebieden (geel weergegeven) en wetland ‘De Biesbosch’ (blauw weergegeven) ten opzichte van het plangebied (rood omcirkeld). Bron: www.synbiosys.alterra.nl/natura2000.
4.3
Natuurnetwerk Nederland
Het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt op ruim 500 meter afstand ten zuiden van het plangebied. Zie figuur 4.3.
Quickscan natuurwetgeving Buitendams 37 t/m 47 te Hardinxveld-Giessendam 11
Figuur 4.3. Ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van het NNN (blauw en groen weergegeven). Bron: Provincie Zuid-Holland (http://pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN).
4.4
Beschermde planten en dieren
Vogels en zoogdieren De onderste rij dakpannen op de kerk zijn niet voorzien van vogelschroot; het is daardoor mogelijk dat er huismusnesten in het dak van de kerk aanwezig zijn. Aan de achterzijde bevat het kerkgebouw dakoverstekken, waarvan de onderzijde kiert met de buitengevel (zie figuur 4.4.1). Hier kunnen vleermuizen in principe naar binnen om vervolgens de spouw in te gaan. Op een plek onder het dak is de gevel beschadigd, waardoor hier zelfs een gierzwaluw zou kunnen nestelen (zie figuur 4.4.1). In de kerk zelf werden geen vleermuisuitwerpselen aangetroffen.
Figuur 4.4.1. Opening geschikt voor gierzwaluwnest (rode pijl) en kieren waar vleermuizen door naar binnen kunnen (gele pijl) in het kerkgebouw. Quickscan natuurwetgeving Buitendams 37 t/m 47 te Hardinxveld-Giessendam 12
Het woonhuis op nr. 43 kon tijdens het veldbezoek niet van binnen worden geïnspecteerd. In de zijgevels bevinden zich meerdere open stootvoegen net onder het dak (zie figuur 4.4.2). Vleermuizen en andere kleine zoogdieren kunnen hier naar binnen. Aan de voor- en achterzijde van deze woning is het dak voorzien van losliggende gevelpannen. Naast vleermuizen en andere kleine zoogdieren, kunnen hier ook huismussen en gierzwaluwen naar binnen om te nestelen.
Figuur 4.4.2. Open stootvoegen in de zijgevels van nr. 43.
Drie van de vier gevels van “Twinkeltje” zijn bedekt met stalen platen (zie figuur 4.4.3). De voorgevel bevat geen open stootvoegen. Vleermuizen of andere kleine zoogdieren kunnen hier nergens naar binnen. Op de zolder zijn nergens vleermuisuitwerpselen aanwezig. Onder de eternieten golfplaten op het dak is in principe ruimte voor huismusnesten aanwezig.
Figuur 4.4.3. De zijgevels van "Twinkeltje" zijn bedekt met stalen platen. Het dak is belegd met eternieten golfplaten.
“Die Kuiergat” bevat geen open stootvoegen en het dak is belegd met oude handpannen. Het dak is daardoor te tochtig voor vleermuizen. Doordat de zijgevels boven het dak uitkomen, kunnen er aan de zijkanten geen vleermuizen het dak in. De ruimte onder het dak bestaat uit een zolderkamer die zeer recent nog door mensen werd bewoond. Vleermuisverblijven zijn in “Die Kuiergat” dus afwezig. “Sluimer” kon tijdens het veldbezoek van binnen niet worden geïnspecteerd. Doordat de kop- en achtergevel boven het dak uitkomen, kunnen hier echter geen vleermuizen het gebouw in (onder de overige gevels is een dakgoot aanwezig die voorkomt dat vleermuizen naar binnen gaan). In de gevels bevinden zich geen open stootvoegen. Het is daarom zeer onwaarschijnlijk dat er vleermuisverblijven
Quickscan natuurwetgeving Buitendams 37 t/m 47 te Hardinxveld-Giessendam 13
in “Sluimer” aanwezig zijn. Omdat het dak niet is voorzien van vogelschroot, kunnen er wel huismusnesten aanwezig zijn. Voor gierzwaluwnesten is “Sluimer” ongeschikt. De gevels en het dak van het houten tuinhuis (6 in figuur 4.1.2) zijn enkelwandig en openingen zijn afwezig (zie figuur 4.4.4). Vogelnesten of zoogdierverblijven zijn hier zeker afwezig.
Figuur 4.4.4. Het houten tuinhuis bevat geen vogelnesten of zoogdierverblijven.
Het woonhuis op nr. 47 bevat geen open stootvoegen en de gevelpannen liggen op een gladde lat, die vogels en vleermuizen geen houvast biedt. Het houtwerk van de dakoverstek en tegen de gevels bevat geen enkele kier (zie figuur 4.4.5). Gierzwaluwen of kleine zoogdieren kunnen deze woning niet in (voor gierzwaluwen is het dak ook te laag). Doordat het dak niet is voorzien van vogelschroot, is de aanwezigheid van huismusnesten niet uit te sluiten. Een zolder is afwezig (bewoonde slaapkamers onder het dak). Tabel 4.5.1 geeft een overzicht van de mogelijk voorkomende strenger beschermde soorten per gebouw.
Figuur 4.4.5. Het houtwerk onder het dak en tegen de gevels van nr. 47 bevat geen enkele kier. Tabel 4.5.1. Overzicht van de mogelijk voorkomende strenger beschermde soorten.
Kerkgebouw Buitendams 43 Twinkeltje Die Kuiergat Sluimer Houten tuinhuis Buitendams 47
Huismusnesten mogelijk mogelijk nee nee mogelijk nee mogelijk
Gierzwaluwnesten mogelijk mogelijk nee nee nee nee nee
Vleermuisverblijven mogelijk mogelijk mogelijk mogelijk nee nee nee
Quickscan natuurwetgeving Buitendams 37 t/m 47 te Hardinxveld-Giessendam 14
Massa-winterverblijven van vleermuizen zijn op grond van Korsten et al. (2016) alleen in het kerkgebouw te verwachten; dit is het enige gebouw met grote spleetvormige ruimten (spouwen). Alhoewel de aanwezigheid van huismusnesten in het plangebied niet kan worden uitgesloten, werd er tijdens het veldbezoek in het plangebied geen enkele huismus waargenomen. Vogels die tijdens het veldbezoek werden waargenomen zijn gierzwaluw, pimpelmees, tjiftjaf, merel en winterkoning. In het plangebied zijn geen holle bomen, roofvogelnesten, eekhoornnesten etc. aanwezig. Voor (kleine) marterachtigen is de ligging van het plangebied te geïsoleerd (midden in de bebouwde kom). In het plangebied leven mogelijk wel enkele algemene zoogdieren zoals de veldmuis (zie tabel 4.5.2). Planten In het plangebied zijn alleen algemene, niet beschermde planten waargenomen (zie paragraaf 4.1). Amfibieën en andere soorten In het plangebied zijn geen wateren aanwezig. Voortplantingswateren voor amfibieën zijn dus afwezig. Het is wel mogelijk dat enkele algemene amfibieënsoorten het plangebied als landhabitat zullen gebruiken. Reptielen en andere soorten, die beschermd zijn onder de Wnb, zijn niet te verwachten in het plangebied. Tabel 4.5.2 geeft de beschermde soorten weer die mogelijk in of direct naast het plangebied voorkomen. Tabel 4.5.2. (Potentieel) in het gebied voorkomende beschermde soorten.
Het beschermingsregime van de soorten in de Wnb is eveneens weergegeven.
Nederlandse naam en wetenschappelijke naam Bruine kikker (Rana temporaria) Gewone pad (Bufo bufo) Aardmuis (Microtus agrestis) Veldmuis (Microtus arvalis) Bosmuis (Apodemus sylvaticus) Huisspitsmuis (Crocidura russula) Laatvlieger (Eptesicus serotinus) Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Huismus (Passer domesticus) Gierzwaluw (Apus apus)
Vogels Internationaal met jaarrond beschermde beschermd nest soorten
Overige beschermde soorten X X X X X X
X X X X X
Quickscan natuurwetgeving Buitendams 37 t/m 47 te Hardinxveld-Giessendam 15
5
Mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden
5.1
Natura 2000
Het plangebied bevindt zich circa 1 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’. Overige Natura 2000-gebieden liggen op een grotere afstand van het plangebied. Het hierboven genoemde Natura 2000-gebied is opgenomen in de zogenaamde PAS (Programma Aanpak Stikstof), omdat er meerdere stikstofgevoelige habitattypen voorkomen die te maken hebben met overbelasting door stikstof. De sloop van de huidige bebouwing, de bouw en het gebruik van de nieuwbouw zal leiden tot wat stikstofuitstoot. Er komt namelijk stikstof vrij bij de verbranding van verbrandingsmotoren. Doordat de nieuwe appartementen beter worden geïsoleerd en niet op het gas worden aangesloten, is er echter ook een gunstig effect. Vanwege de afstand tot Natura 2000-gebieden en de relatief beperkte omvang van de voorgenomen maatregelen, verwachten we geen significant negatieve effecten op stikstofgevoelige habitats. Vanwege de afstand tot Natura 2000 gebieden en het feit dat het plangebied wordt omringd door bebouwde kom, zijn directe effecten op beschermde natuurwaarden in Natura 2000-gebieden uitgesloten.
5.2
Natuurnetwerk Nederland
Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt op 500 meter afstand van het plangebied. Omdat het hier een matig voedselrijk vegetatietype betreft, is dit beheertype niet bijzonder gevoelig voor Ndepositie te noemen. De voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden en de ingebruikname van de nieuwbouw hebben waarschijnlijk geen noemenswaardig effect op de natuurwaarden in het NNN.
5.3
Beschermde planten en dieren
- Bij de werkzaamheden kunnen vaste rust- en verblijfplaatsen van algemene beschermde zoogdieren worden aangetast. Individuen kunnen hierbij worden verwond of gedood. - Als de opgaande vegetaties tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, kunnen broedende vogels worden verstoord (hun jongen kunnen hierdoor te lang worden achtergelaten en eieren kunnen te lang niet worden bebroed) of vernietigd. Ook kan het leiden tot sterfte van eieren en jonge vogels. - Een aantal gebouwen bevat mogelijk zomerverblijven, (massa)winterverblijven, kraamverblijven en/of paarverblijven van verschillende soorten vleermuizen. Door de sloop verdwijnen mogelijk vaste voortplantings- of rustplaatsen. Eventueel aanwezige vleermuizen kunnen daarbij bovendien worden gestoord, verwond en/of gedood. - In een aantal gebouwen bevinden zich mogelijk huismusnesten en/of gierzwaluwnesten. Indien de sloop tijdens het broedseizoen plaatsvindt, kan dit leiden tot sterfte van huismussen, gierzwaluwen en/of hun eieren. Jaarrond leidt de sloop mogelijk tot het vernietigen van jaarrond beschermde vogelnesten. In de volgende tabel zijn de mogelijke overtredingen van de verbodsbepalingen van de Wnb weergegeven. In hoofdstuk 6 wordt uitgelegd hoe deze overtredingen kunnen worden voorkomen.
Quickscan natuurwetgeving Buitendams 37 t/m 47 te Hardinxveld-Giessendam 16
Tabel 5.3. Mogelijke overtredingen van algemene verbodsbepalingen van de Wnb. Zie bijlage 1 voor een verklaring van de beschermingscategorieën en een overzicht van alle verbodsbepalingen.
Soort
Beschermingsregime Wnb
Algemene in het plangebied broedende vogels Huismus en gierzwaluw
Vogels
Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren Vleermuizen
Vogels (met een jaarrond beschermd nest) Overige soorten Internationaal beschermde soorten
Art. Art. Art. Art. Art. Art. Art. 3.1 3.1 3.5 3.5 3.5 3.5 3.10 lid 1 lid 2 lid 1 lid 2 lid 3 lid 4 lid 1 X X X
X X X
X
X
Artikel 3.1 (m.b.t. Vogels) - lid 1: het opzettelijk doden en vangen van vogels - lid 2: het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten Artikel 3.5 (m.b.t. Internationaal beschermde soorten): - lid 1: het opzettelijk doden of vangen van soorten - lid 2: het opzettelijk verstoren van soorten - lid 3: het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van soorten - lid 4: het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van soorten Artikel 3.10 lid 1 (m.b.t. A-soorten): het is verboden (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen; en De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb).
Quickscan natuurwetgeving Buitendams 37 t/m 47 te Hardinxveld-Giessendam 17
6
Conclusies en aanbevelingen
6.1
Natura 2000
Omdat er geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn te verwachten, is er geen vergunning nodig op grond van de Wnb.
6.2
Natuurnetwerk Nederland
De sloop van de huidige bebouwing en de realisatie en ingebruikname van de nieuwbouw hebben waarschijnlijk geen noemenswaardig negatieve effecten op het NNN; er zijn daarom op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid.
6.3
Beschermde planten en dieren
Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Zuid-Holland een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Vogels Vernietiging en verstoring van vogelnesten is te vermijden, door het verwijderen van opgaande vegetaties buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) uit te voeren. Vleermuizen: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf Een aantal gebouwen bevat mogelijk vleermuisverblijven. Het slopen van deze gebouwen kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven.
Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2017) te worden onderzocht. Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 4 onderzoeksronden nodig: - 2 ronden (2 avonden) onderzoek met batdetectors in de kraamtijd (periode 15 mei – 15 juli, waarbij er minimaal 30 dagen zit tussen de twee bezoeken); - 2 ronden (1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de paartijd (15 augustus – 1 oktober, waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken). Het kerkgebouw bevat daarnaast mogelijk massawinterverblijven: Conform het vleermuisprotocol dient dit gedurende twee midnachtelijke bezoeken in de periode 1 augustus – 10 september te worden onderzocht, waarbij er minstens 10 dagen zit tussen beide bezoeken. Indien blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, dient de functionaliteit daarvan te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gesloopt (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er nieuwe vleermuisverblijven gecreëerd moeten worden. Om vertraging te voorkomen, is het verstandig om vooruitlopend op de resultaten van het vleermuizenonderzoek alvast vleermuiskasten verspreid over de wijk op te hangen.
Gewone dwergvleermuizen hebben bijvoorbeeld de tijd nodig om aan nieuwe verblijfplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beide aanwezig zijn (BIJ12, 2017a). Het is daarom beter om voor zekerheid te gaan en alvast vleermuiskasten op te hangen. Dit dient te gebeuren aan niet te slopen gebouwen binnen een straal van 100 à 200 meter van het plangebied (BIJ12, 2017a). Als blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig
Quickscan natuurwetgeving Buitendams 37 t/m 47 te Hardinxveld-Giessendam 18
zijn die door de sloop zullen worden vernietigd, wordt vertraging van de werkzaamheden (in verband met de gewenningsperiode) in de meeste gevallen voorkomen. Indien blijkt dat er in de te slopen gebouwen vleermuisverblijven aanwezig zijn, dan dient er een veelvoud van het aantal gevonden vleermuisverblijven te worden gerealiseerd. Vleermuiskasten die geschikt zijn om te dienen als permanente vervanging, dienen zich inwendig in het gebouw te bevinden. Het gaat om typen als Vivara IB VL 01 Inbouwsteen, die wordt gekoppeld aan een extra compartiment (Vivara IB VL 02). Een goedkoper en beter alternatief bestaat uit het maken van een open stootvoeg van minstens 2 cm breed, waarbij er in de achterliggende spouw een stuk geplastificeerd volièregaas van 2 bij 1 meter wordt geplaatst waaraan de vleermuizen kunnen hangen. Huismussen: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf In de daken van een aantal gebouwen broeden mogelijk jaarlijks huismussen. Nesten van de huismus zijn jaarrond beschermd. Voordat de gebouwen worden gesloopt, dient daarom eerst het voorkomen van huismusnesten conform Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017b) te worden onderzocht. Hierbij wordt voor de huismus uitgegaan van 2 ochtendbezoeken in de periode 1 april – 15 mei.
Indien blijkt dat er huismusnesten aanwezig zijn, dan dienen voor elk nest dat verloren gaat meerdere alternatieve nestlocaties voor de huismus te worden gerealiseerd (BIJ12, 2017b). Dat kan door het plaatsen van vogelvides of nestkasten. Huismussen hebben de tijd nodig om aan nieuwe nestplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beiden aanwezig zijn (minimaal 3 maanden voor de start van de werkzaamheden). Om vertraging te voorkomen is het daarom verstandig om vooruitlopend op de onderzoeksresultaten al huismusnestkasten van duurzaam materiaal op te hangen. Dit dient te gebeuren onder begeleiding van een deskundige en op minder dan 200 meter rond het plangebied. Om schade aan jongen en eieren van de huismus te voorkomen, dienen woningen met huismusnesten (nadat het huismussenonderzoek is afgerond) buiten de periode 1 maart – 1 oktober te worden gesloopt of ongeschikt te worden gemaakt voor de huismus. Gierzwaluwen: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf In de daken een aantal gebouwen broeden mogelijk jaarlijks gierzwaluwen. Omdat gierzwaluwnesten jaarrond beschermd zijn, dient hun voorkomen conform het Kennisdocument Gierzwaluw (BIJ12, 2017c) nader te worden onderzocht. Hierbij wordt uitgegaan van 3 avondbezoeken in de periode 1 juni – 15 juli.
Pas nadat het gierzwaluwonderzoek is afgerond, mag worden begonnen met de sloopwerkzaamheden. Indien blijkt dat er gierzwaluwnesten aanwezig zijn, dient de functionaliteit daarvan te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er buiten de broedtijd (15 april – 31 augustus) van de gierzwaluw wordt gesloopt (zodat er geen gierzwaluwen, hun eieren of jongen worden gedood) of dat de gebouwen buiten deze periode ongeschikt worden gemaakt voor gierzwaluwen. Voor elk nest dat zijn functie niet meer kan vervullen, dienen in de eindsituatie meerdere nieuwe alternatieve nestlocaties aanwezig te zijn. Vervangende nestlocaties moeten voor de eigenlijke werkzaamheden en voor terugkomst van de gierzwaluwen uit het zuiden al beschikbaar zijn. Om vertraging te voorkomen is het verstandig om vooruitlopend op de onderzoeksresultaten al gierzwaluwnestkasten rond het plangebied op te hangen. Dit dient te gebeuren onder begeleiding van een deskundige en op minder dan 200 meter afstand van het plangebied. Gierzwaluw, vleermuis en huismus: mogelijk ontheffing aanvragen Indien uit de aanvullende onderzoeken blijkt dat er jaarrond beschermde vogelnesten of vleermuisverblijven aanwezig zijn, is het nodig een ontheffing aan te vragen, voordat er schade aan deze verblijven mag worden toegebracht.
Quickscan natuurwetgeving Buitendams 37 t/m 47 te Hardinxveld-Giessendam 19
Literatuur • • • • • •
•
BIJ12. 2017a. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Versie 1.0. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017b. Kennisdocument Huismus Passer domesticus. Versie 1.0. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017c. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus. Versie 1.0. Korsten, E., H. Bouman en D. Tuitert. 2016. (Massa-)winterverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen: discussiestuk Vleermuisprotocol 2017. Ministerie van Economische Zaken, 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Provinciale Staten van Zuid-Holland. 2016. Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland. Website: http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/ZuidHolland/436034/436034_1.ht Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging. 2017. Vleermuisprotocol 2017, maart 2017. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl.
Quickscan natuurwetgeving Buitendams 37 t/m 47 te Hardinxveld-Giessendam 20
Bijlage 1: Toelichting per beschermingsregime Vogels Verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden Het beschermingsregime voor vogels is neergelegd in de artikelen 3.1 tot en met 3.4 van de Wnb. Deze bepalingen gelden voor alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Op grond van de artikelen 3.1 en 3.2 gelden voor deze vogels de volgende verboden: • het opzettelijk doden en vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1 Wnb) • het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2 Wnb) • het rapen en houden van eieren (artikel 3.1 lid 3 Wnb) • het opzettelijk storen van vogels indien dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (artikel 3.1 lid 4 en 5 Wnb) • het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 1 Wnb) • het, anders dan voor verkoop, houden en vervoeren van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 6 Wnb) • het, voor zover bij of krachtens de Wnb toegestaan, vangen of doden van vogels met – kort gezegd – verboden middelen en het achtervolgen met behulp van in de Vogelrichtlijn genoemde vervoermiddelen overeenkomstig
de in de Vogelrichtlijn omschreven wijze (artikel 3.4 lid 1 Wnb). Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde schadelijke handelingen verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming kan worden verleend door middel van een ontheffing of vrijstelling. Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde staten (‘GS’) kunnen van vrijwel alle hierboven omschreven verboden ontheffing verlenen. Provinciale staten (‘PS’) kunnen daarnaast bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden. Voor een paar specifieke verboden is de minister van Economische Zaken (de ‘minister’) het bevoegd gezag, namelijk de verboden die zien op de verkoop en het vervoer van vogels. Indien een afwijking van een verbodsbepaling wordt toegestaan, moet daarbij in ieder geval worden bepaald op welke soort de afwijking betrekking heeft, welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan en welke voorwaarden gelden ter beperking van de risico’s en met betrekking tot het tijdstip en de plaats van de handeling. Daarnaast moet voor de verlening van een ontheffing of vrijstelling aan een aantal cumulatieve criteria zijn voldaan.
Dit betekent dat er: • geen andere bevredigende oplossing mag bestaan, • de maatregelen niet mogen leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort en • de ontheffing nodig is in verband met één van de volgende zes gronden: - het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; - het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; - ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; - ter bescherming van flora of fauna; - voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten of voor de daarmee samenhangende teelt; of - om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Quickscan natuurwetgeving Buitendams 37 t/m 47 te Hardinxveld-Giessendam 21
Internationaal beschermde soorten Internationaal beschermde soorten zijn strikt beschermd Deze soorten worden in de praktijk vaak aangeduid als de ‘strikt beschermde soorten’, omdat voor deze soorten alleen onder strikte voorwaarden ontheffing van een verbodsbepaling kan worden verkregen. Bekende voorbeelden van habitatsoorten zijn de drijvende waterweegbree, de rugstreeppad en de zandhagedis. Verbodsbepalingen De belangrijkste verboden uit de Wnb zijn: • het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 1 Wnb) • het opzettelijk verstoren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 2 Wnb) • het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 3 Wnb) • het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 4 Wnb) • het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 5 Wnb) • het, anders dan voor verkoop, onder zich hebben of vervoeren van habitatsoorten (artikel 3.6 lid 2 Wnb). Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde Staten kunnen van deze verboden ontheffing verlenen en Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden (artikel 3.8 lid 2 en 3.9 lid 2 Wnb).
Er is een aantal (cumulatieve) criteria (opgesomd in artikel 3.8 lid 5 Wnb) om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen; deze worden slechts verleend indien: • er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets); • er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; • de ontheffing of vrijstelling nodig is: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich
te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Quickscan natuurwetgeving Buitendams 37 t/m 47 te Hardinxveld-Giessendam 22
Overige beschermde soorten Algemeen Overige beschermde soorten zijn niet beschermd vanwege de Europese wet- en regelgeving. Het gaat hier om de in het wild levende diersoorten die worden genoemd in onderdeel A van de bijlage bij de Wnb. Voorbeelden zijn de hermelijn en de wezel (‘A-soorten’). Daarnaast worden vaatplanten beschermd van de soorten die worden genoemd in onderdeel B in de bijlage bij de Wnb, zoals de akkerboterbloem en de muurbloem (‘B-soorten’). Uit de wetsgeschiedenis is gebleken dat het nodig is om deze soorten bij wet aan te wijzen, omdat zij niet voldoende worden beschermd door enkel de zorgplicht. Het gaat daarbij in het bijzonder om soorten die in Nederland in hun voortbestaan worden bedreigd. Op de bijlagen zijn dan ook bijvoorbeeld de Rode Lijst-soorten aangewezen. Verboden handelingen Het is verboden op grond van artikel 3.10 lid 1 Wnb: (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en (c) B-soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb). Voor deze overige soorten gelden dus minder verboden dan voor de strikt beschermde soorten. Zo is bijvoorbeeld het (opzettelijk) verstoren van soorten niet verboden. Ruimere afwijkingsmogelijkheden Voor de overige soorten gelden bovendien ruimere afwijkingsmogelijkheden dan voor de strikt beschermde soorten. Artikel 3.8 Wnb (dat de afwijkingsmogelijkheden voor Habitatsoorten bepaalt) is grotendeels van overeenkomstige toepassing op de overige soorten.
Dit betekent dat een ontheffing of vrijstelling slechts wordt verleend indien: • er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets); • er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; • de ontheffing of vrijstelling nodig is: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling
vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Anders dan voor Habitatsoorten, kan voor de overige soorten ook ontheffing of vrijstelling worden verleend als dit noodzakelijk is (artikel 3.8 lid 2): - in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; Quickscan natuurwetgeving Buitendams 37 t/m 47 te Hardinxveld-Giessendam 23
-
-
-
ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of ten behoeve van het algemeen belang.
Overzicht verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Ministerie van Economische Zaken, 2016)
Quickscan natuurwetgeving Buitendams 37 t/m 47 te Hardinxveld-Giessendam 24