CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagenboek Toelichting Bestemmingsplan IJzergieterij.pdf

Gemeenteraad GHG 27 mei 2021, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 6: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'IJzergieterij' - Raadsvoorstel15.687 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

toetsing.........................................................................................34 7 Conclusies en aanbevelingen....................................................................................................37 7.1 Aanleiding............................................................................................................................. 37 7.2 Beschermde gebieden.........................................................................................................37 7.2.1 Wet natuurbescherming..................................................................................................37 7.2.2 Verordening ruimte..........................................................................................................37 7.3 Bescherming van houtopstanden.........................................................................................38 7.4 Beschermde soorten............................................................................................................

38 7.4.1 Soorten Vogelrichtlijn......................................................................................................38 7.4.2 Soorten Habitatrichtlijn....................................................................................................38 7.4.3 Nationaal beschermde soorten.......................................................................................39 7.4.4 Tabel aanvullend onderzoek...........................................................................................39 7.5 Aanbevelingen...................................................................................................................... 40 8 Geraadpleegde bronnen............................................................................................................ 41 8.1 Internet................................................................................................................................. 41 Bijlage 1 Foto-impressie plangebied.............................................................................................43 Bijlage 2 Instandhoudingsdoelstellingen Biesbosch.....................................................................45

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

In opdracht van Kingfisher Natuurprojecten heeft Ecoresult B.V. een quickscan uitgevoerd voor het plangebied genaamd: De IJzergieterij, te Hardinxveld-Giessendam. De aanleiding betreft de sloop van de bebouwing en het verwijderen van de aanwezige vegetatie ten behoeve van geplande nieuwbouw. Zie verder hoofdstuk 3.3. Deze werkzaamheden kunnen schadelijke effecten hebben op beschermde soorten en natuurgebieden. Wet- en regelgeving voor flora, fauna en natuurgebieden kan hierdoor worden overtreden. Deze quickscan zoomt in op de (mogelijke) effecten door de activiteiten en op welke wijze gehandeld dient te worden. Mochten de voorgenomen ontwikkelingen wijzigen dient voorliggend ecologisch onderzoek te worden geactualiseerd. De resultaten in voorliggende quickscan zijn drie jaar geldig.

1.2

Doel

Door middel van een oriënterend bronnen- en veldonderzoek zal worden onderzocht of de voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot: • Overtreding van verbodsbepalingen voor (potentieel) aanwezige soorten flora en fauna. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). • Een (significant) negatief effect op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). • Overtreding van verbodsbepalingen voor (potentieel) aanwezige houtopstanden. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). • Een (significant) negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Of negatief effect op anderzijds beschermde natuurgebieden op provinciaal niveau (o.a. bijzondere provinciale natuurgebieden, bijzondere provinciale landschappen, belangrijke weidevogelgebieden en strategische reservering natuur). In het kader van de Omgevingsverordening ZuidHolland.

1.3

Onderzoeksmethodiek •

Het verkennend veldonderzoek is uitgevoerd op 14-08-2020 door M. van der Neut, 5

•

ecologisch deskundige1 bij Ecoresult B.V. Het complete plangebied is – daar waar nodig – met hulp van een verrekijker onderzocht. De Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is geraadpleegd om een indruk te krijgen over de aanwezigheid van beschermde soorten rondom het plangebied. De tabellen in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op waarnemingen uit de NDFF database van de afgelopen 5 jaar in het weergeven grid (zie Afbeelding 7). Op basis van het bronnenonderzoek en de aanwezige habitats was een goede inschatting van de potenties en aan- of afwezigheid van de beschermde soorten te maken. Voorliggende quickscan heeft een geldigheid van maximaal 3 jaar na uitvoering van het onderzoek.

Afbeelding 1. Grid waarbinnen NDFF-waarnemingen op 25-08-2020 zijn gezocht (Bron: https://www.ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal).

•

1.4

Voor het onderzoek naar beschermde natuurgebieden en houtopstanden is gebruik gemaakt van de online viewers die de provincie en gemeente ter beschikking heeft gesteld. Hierdoor zal in deze quickscan altijd aan actueel beeld worden weergegeven van gebiedsgrenzen, doelstelling etc.

Leeswijzer

In deze rapportage wordt allereerst het kader beschreven waar aan getoetst wordt. Vervolgens wordt het plangebied en de geplande activiteiten beschreven. Hierna worden per 1

6

Voor een definitie van ecologisch deskundige wordt verwezen naar https://mijn.rvo.nl/ecologischdeskundige?inheritRedirect=true

beschermingsregime de voor het plangebied relevante beschermde gebieden en beschermde soorten beschreven en beoordeeld. In de conclusie worden de resultaten van dit oriënterend onderzoek samengevat en wordt (indien van toepassing) geadviseerd welk aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Afgesloten wordt met een bronvermelding en een fotobijlage van het plangebied ten tijde van het oriënterend veldbezoek.

7

2

Toelichting onderzoekskader

2.1

Wet natuurbescherming

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze nieuwe wet is een vervanging en samenbundeling van drie voorgaande wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet2. Tevens heeft er een decentralisatie van het bevoegd gezag plaatsgevonden: per 1 januari 2017 zijn de provincies verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. De Wnb is op te delen in grofweg drie delen:

2.1.1

Bescherming van gebieden

De Wnb richt zich met de bescherming van natuurgebieden uitsluitend op Natura 2000gebieden. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura 2000-gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Invloeden (ook van buitenaf) mogen deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen.

2.1.2

Bescherming van soorten

De Wnb onderscheidt drie verschillende beschermingsregimes, met elk hun eigen verbodsbepalingen (zie tabel 1). De eerste twee categorieën zijn gebaseerd op de door de Europese Unie opgestelde Vogelrichtlijn (uit 1979) en de Habitatrichtlijn (uit 1992). Het derde beschermingsregime betreft soorten die niet op Europees niveau beschermd zijn, maar wel op landelijk niveau: de Nationaal beschermde soorten (in de wet aangeduid als “andere soorten”). Als bevoegd gezag heeft iedere afzonderlijke provincie (een aantal) algemene soorten uit deze derde categorie vrijgesteld van ontheffingsplicht. Wel geldt altijd voor alle soorten de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat men bij werkzaamheden met mogelijk negatief effect op planten en dieren, maatregelen dient te nemen (binnen wat redelijkerwijs van men verwacht kan worden) om onnodige schade aan planten of dieren te voorkomen3.

2 3

www.rvo.nl Ministerie van Economische zaken (2016) Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen

9

Be sc he rm ingsre gim e soort e n V oge lric ht lijn § 3 .1 Wnb Art 3.1lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.1lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

Be sc he rm ingsre gim e Be sc he rm ingsre gim e soort e n H a bit a t ric ht lijn § N a t iona a l be sc he rm de 3 .2 Wnb soort e n (a nde re soort e n) § 3 .3 Wnb Art 3.5 lid 1 Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten in hun Het is verboden soorten natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.

Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Niet van toepassing Art 3.1lid 3 Art 3.5 lid 3 Het is verboden eieren te rapen Het is verboden eieren van en deze onder zich te hebben. dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

Art 3.1lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Tabel 1: Soortenbescherming en verbodsbepalingen volgens de Wnb

2.1.3

Bescherming van houtopstanden

De bescherming van houtopstanden betreft voornamelijk een voortzetting van Boswet en richt zich op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Deze voorwaarden zijn tevens van kracht als het slechts een deel van de houtopstand groter dan 10 are of 20 bomen in een rij betreft. Het bepaalde bij en krachtens deze paragraaf, met uitzondering van artikel 4.6, heeft geen 10

betrekking op: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; • houtopstanden op erven of in tuinen; • fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan • •

• •

twintig jaar; kweekgoed; uit populieren of wilgen bestaande: • wegbeplantingen; • beplantingen langs waterwegen, en • eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; het dunnen van een houtopstand; uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: • ten minste eens per tien jaar worden geoogst; • bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en zijn aangelegd na 1 januari 2013.

2.2

Omgevingsverordening

In de provinciale Omgevingsverordening is vastgelegd welke gebieden vanuit Nederlandse wetgeving worden beschermd. Onderdeel van de beschermd gebieden in de Omgevingsverordening is het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het Natuurnetwerk Nederland betreft een netwerk aan gebieden en verbindingszones die tezamen één geheel vormen en de Nederlandse natuurgebieden verbinden. Het NNN is verankerd in de bestemmingsplannen waarin de regels uit de provinciale Omgevingsverordening zijn verwerkt. Het ruimtelijke beleid voor het NNN kent het “nee, tenzij” principe wat inhoud dat ruimtelijke ontwikkelingen binnen het NNN niet zijn toegestaan tenzij deze geen schadelijke effecten op de aanwezige (natuur)waarden hebben. Deze waarden zijn vastgelegd als de “wezenlijke kenmerken en waarden” van het NNN. Elke provincie heeft zelf de regie over de invulling van deze kenmerken en waarden. In tegenstelling tot Natura 2000 is toetsing van externe effecten op de aanwezige kenmerken en waarden in de provincie Zuid-Holland niet van toepassing. Provincies zijn vrij dit nader in te vullen. Naast het NNN kunnen provincies gebieden planologisch beschermen. In de provincie Zuid- Holland betreft dit Belangrijk weidevogelgebieden en de Strategische Reservering Natuur. In sommige provincies zijn deze gebieden vervlochten binnen het kader van het NNN en geldt hiervoor eenzelfde toetsingskader. 11

3

Omschrijving plangebied

3.1

Algemeen

Het plangebied betreft een voormalig industrieterrein aan de Rivierdijk in het zuiden van Hardinxveld-Giessendam, gemeente Hardinxveld-Giessendam, provincie Zuid-Holland, zie Afbeelding 1. Het terrein was voornamelijk in gebruik als ijzergieterij. De bebouwing op het terrein bestaat uit diverse loodsen, containers en (verlaten) woningen. Tijdens het veldbezoek is het plangebied inclusief een buitenste schil op beschermde waarden en kenmerken onderzocht, Afbeelding 8 (onderzoeksgebied).

Plangebied Onderzoeksgebied

Afbeelding 2. Ligging plangebied en onderzoeksgebied, zie voor regionale ligging kaartinzet rechtsonder.

13

3.2

Beschrijving •

Het plangebied betreft, zoals gezegd, een voormalig industrieterrein met diverse

•

woningen, schuren, loodsen en containers. Ten noorden van het plangebied ligt de Rivierdijk met daarachter de Rijksweg A15. Ten zuiden bevindt zich de rivier de Beneden Merwede inclusief kribvakken, oeverzone en rivierdijk. De overige directe omgeving van het plangebied bestaat uit langs de Rivierdijk aanwezige lintbebouwing behorende tot Hardinxveld-Giessendam. De woningen zijn opgebouwd uit baksteen in combinatie met houten gevelpanelen en

•

kennen een plat bitumen of dakpannen zadeldak. Op enkele woningen is een dakkapel aanwezig. Verder kennen de woningen geen open stootvoegen en vindt afwatering via uitpandige regenpijpen plaats. Naast woningen bestaat de overige bebouwing in het plangebied uit loodsen, stallen,

•

schuren en containers. Deze zijn opgetrokken uit een combinatie van baksteen, hout en/of betonblokken en kennen een dakpannen zadeldak of een golfplatendak. In deze schuren is veelal nog materiaal van de voormalige ijzergieterij aanwezig. De hierboven beschreven bebouwing is oud en vervallen. Een woning langs de

•

Rivierdijk waarvan het dak is ingestort vormt hiervan een mooi voorbeeld. Tevens zijn in het bouwoppervlak van de overige bebouwing gaten, spleten en kieren aanwezig. Enkele woningen zijn middels antikraakwacht bewoond. Op de westerhelft van het plangebied is erfverharding in de vorm van grind aanwezig.

•

Verder liggen er in dit gedeelte uiteenlopende bouwmaterialen opgeslagen. Denk daarbij aan stapels betonblokken en bakstenen, houten planken, hekken, buizen en pijpen. Vegetatie bestaat hier vooral uit ruderale soorten als Canadese fijnstraal en kamille. De oostelijke helft van het plangebied kent een veel groenere uitstraling met struweel,

•

solitaire bomen, een kleine bosschage en opgaande vegetatie. Grote delen van het terrein zijn hier overgroeit met braam, bijvoet, klimop en grote brandnetel. De bosschage wordt voornamelijk gevormd door zwarte els, gewone es en schietwilg. Overige vegetatie bestaat uit opgaande planten als duizendblad, smalle weegbree, zilverschoon, koninginnekruid en guldenroede. Open water (watergangen, poelen etc.) en vochtige tot natte terreinen (natuurvriendelijke oevers etc.) zijn afwezig binnen het plangebied. De Beneden

•

Merwede vormt het dichtstbijzijnde open water. Noemenswaardige ondergrondse ruimten zijn in het plangebied aanwezig in de vorm

•

van een door braam overgroeide bunker. Woon- en werkverlichting is in het plangebied aanwezig. Verder is langs de Rivierdijk straatverlichting aanwezig.

14

Afbeelding 3. Overzichtsbeeld westelijk gedeelte plangebied (Foto: M. van der Neut | Ecoresult B.V.).

Afbeelding 4. Overzichtsbeeld oostelijk gedeelte plangebied (Foto: M. van der Neut | Ecoresult B.V.).

15

Bijlage 1 bevat een uitgebreide foto-impressie van het plangebied, hier wordt een algemene indruk van de bebouwing gegeven en er wordt ingezoomd op relevante details voor beschermde soorten.

3.3

Voorgenomen ontwikkelingen

De bebouwing, vegetatie en bomen binnen het plangebied zullen ten behoeve van nieuwbouw worden gesloopt en worden verwijderd. Op basis van de definitieve nieuwbouwplannen komen er drie appartementencomplexen aan de rivierzijde van elk zes verdiepingen hoog. Achter deze appartementencomplexen (vanuit de rivier gezien) komen ruime ééngezinswoningen met tuin en een groene openbare ruimte.

Afbeelding 5. Impressie toekomstige situatie nieuwbouw IJzergieterij (Bron: opdrachtgever).

3.4

Planning

De planning van dit project is ons op dit moment niet bekend.

16

4

Onderzoeksresultaten beschermde gebieden

4.1

Wet natuurbescherming

4.1.1

Natura 2000-gebieden

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Biesbosch op circa 480 meter ten zuiden van het plangebied, zie Afbeelding 6. Invloeden (ook van buitenaf) mogen de instandhoudingsdoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied niet in gevaar brengen. Ter hoogte van het plangebied zijn in de Biesbosch stikstofgevoelige habitats aanwezig. Dit betreffen de hooilanden en stroomdalgraslanden op de oostpunt van de Sliedrechtse Biesbosch. Denk daarbij aan ‘t Kraaiennest, de Thomaswaard, Kop van de Oude Wiel en de Hengstpolder. Deze stroomdalgraslanden vormen botanisch gezien de meest waardevolle terreinen van de Biesbosch en herbergen op nationale en Europese schaal zeldzame plantensoorten die kenmerkend zijn voor fluviatiele milieus. Voorbeelden van dergelijke plantensoorten zijn rode bremraap, weidekervel, sikkelklaver, grote bevernel, ruige weegbree en noords walstro. Op basis van de aanwezigheid van stikstofgevoelige habitats op niet al te grote afstand in combinatie met de grootschalige ontwikkeling van een woonwijk kan een negatief effect door stikstofemissie op deze habitats niet worden uitgesloten. Om dit effect te bepalen is een Aerius-berekening noodzakelijk. Andere vormen van verstoring van de instandhoudingsdoelstellingen (zie Bijlage 2) zijn op basis van de afstand tot Natura 2000gebieden en tussenliggende brede rivier uit te sluiten.

17

Afbeelding 6. Ligging plangebied (rode contour) ten opzichte van Natura 2000-gebied Biesbosch (lichtgroen) en in dit gebied voorkomende stikstofgevoelige habitats (paars) (Bron: Aerius-calculator).

4.2 4.2.1

Verordening ruimte Natuurnetwerk Nederland

Ter hoogte van het plangebied behoort de noordoever van de Beneden Merwede tot het Natuurnetwerk Nederland, zie Afbeelding 7. Deze oever bevindt zich op 30 meter ten zuiden van het plangebied en bestaat voornamelijk uit wilgenbos en rietmoeras. De bermen langs de N214 vormen de dichtstbij gelegen ecologische verbindingszone op een afstand van 3,7 kilometer ten noordwesten van het plangebied. Aangezien het plangebied niet overlapt met het NNN-gebied of met een ecologische verbindingszone hoeft geen rekening gehouden te worden met externe effecten op deze gebieden. Aanvullend onderzoek is niet nodig en een ontheffing op de omgevingsverordening is niet noodzakelijk. 18

4.2.2

Strategische reservering natuur

Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als Strategische reservering natuur bevindt zich op 10,3 kilometer afstand ten noordwesten van het plangebied. Het betreft een smalle strook land gelegen aan de dijkvoet van de zuidelijke dijk van de Groote of Achterwaterschap tussen de Boezems Kinderdijk in het westen en de Donkse Laagten in het oosten. Op basis van de afstand van dit gebied tot het plangebied valt op voorhand uit te sluiten dat er sprake is van (tijdelijke) negatieve impact op de wezenlijke kenmerken en waarden van bovengenoemd gebied. Aanvullend (veld)onderzoek is niet noodzakelijk. Een vergunning op de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk.

4.2.3

Belangrijk weidevogelgebied

De Polder Giessen-Nieuwkerk vormt het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied op 2,3 kilometer ten noordoosten van het plangebied, zie Afbeelding 7. Op basis van deze afstand van dit gebied tot het plangebied valt op voorhand uit te sluiten dat er sprake is van (tijdelijke) negatieve impact op de wezenlijke kenmerken en waarden van bovengenoemd gebied. Aanvullend (veld)onderzoek is niet noodzakelijk. Een vergunning op de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk.

Afbeelding 7. Ligging plangebied (rode contour) ten opzichte van N2000, Natuurnetwerk Nederland, Strategische reservering natuur en Belangrijk weidevogelgebied (Bron: pzh.maps.arcgis.com/apps/ webappviewer).

19

5

Beschermde houtopstanden

Er zijn voor zover bekend werkzaamheden gepland waarbij houtopstanden groter dan 10 are of 20 bomen in een rij (of een deel ervan) verwijderd worden. Het plangebied bevindt zich echter binnen de bebouwde kom van Hardinxveld-Giessendam, zie Afbeelding 8. In dit geval wordt de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden niet overtreden.

Afbeelding 8. Ligging plangebied en onderzoeksgebied ten opzichte van bebouwde kom.

21

6

Onderzoeksresultaten beschermde soorten

6.1

Soorten Vogelrichtlijn

6.1.1

Bronnenonderzoek

6.1.1.1

Nationale Databank Flora en Fauna

Soorten Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Ooievaar Ransuil Roek Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw

Soortgroep Vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen Vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen Vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen Vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen Vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen Vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen Vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen Vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen Vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen Vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen Vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen Vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen Vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen Vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen

Tabel 2. Vogels met jaarrond beschermde nesten tot een afstand van 5 km tot het plangebied. Bron: NDFF – 25/08/2020.

6.1.2

Verkennend veldonderzoek

6.1.2.1

Vogels met jaarrond beschermde nesten

Het plangebied is geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van diverse vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in gebouwen. Voor huismus en gierzwaluw zijn potenties aanwezig in de woningen en schuren, waar openingen onder de dakpannen of asbestplaten aanwezig zijn. Ook zijn enkele kieren in de bebouwing potentiële vaste rust- en verblijfplaatsen van beide soorten. 23

Daarnaast zijn de schuren geschikt voor kerkuil en steenuil In deze panden ontbreken dakpannen of ruiten, waardoor deze uilensoorten in de gebouwen kunnen komen en daar vaste rust- en verblijfplaatsen kunnen hebben, zie Afbeelding 9

Afbeelding 9. Voor huismus, gierzwaluw, kerkuil en steenuil geschikte bedrijfsschuur in het plangebied.

Grote gele kwikstaart heeft zijn broedgebied langs beken en rivieren4 in het zuiden en oosten van Nederland en kan redelijkwijs worden uitgesloten op basis van het ontbreken van dergelijke plaatsen in en rond het plangebied. Voor ooievaar zijn tevens geen geschikte plekken in het plangebied aanwezig, zoals een kunstnest op het dak of broedpaal5. Slechtvalk broedt in stedelijke omgeving in nestkasten op hoge bebouwing, een situatie die afwezig is in het plangebied. Tijdens het verkennend veldonderzoek zijn in de bomen in en in de directe omgeving van het onderzoeksgebied geen nesten waargenomen die kunnen dienen als vaste rust- en verblijfplaats voor vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen. Vanwege het dikke bladerdak kunnen dergelijke nesten, van bijvoorbeeld sperwer, niet met zekerheid worden uitgesloten. Mede op basis hiervan kan aanwezigheid van soorten als boomvalk, buizerd, havik, sperwer, roek, ransuil wespendief en zwarte wouw niet geheel worden uitgesloten.

4 5

24

Sovon.nl Sovon.nl

6.1.2.2

Vogels met niet- jaarrond beschermde nesten (Categorie 5)

Het plangebied is potentieel geschikt als voortplantingsplaats voor vogels met niet jaarrond beschermde nesten (categorie 5 soorten). Het plangebied is geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met niet jaarrond beschermde nesten in gebouwen, zoals spreeuw, pimpelmees, boerenzwaluw en zwarte roodstaart. Verder is tijdens het verkennend veldonderzoek in de bosschage een eksternest aangetroffen, zie Afbeelding 10.

Afbeelding 10. Aangetroffen eksternest in bosschage (Foto: M. van der Neut | Ecoresult B.V.).

6.1.2.3

Algemene broedvogels

Het plangebied is potentieel geschikt als voortplantingsplaats voor algemene vogels. De gebouwen, struiken en bomen binnen het plangebied zijn een geschikte nestplaats. Dit betreft soorten als kauw, houtduif, witte kwikstaart, winterkoning en merel.

25

6.1.3

Effectbeoordeling en toetsing

6.1.3.1

Vogels met jaarrond beschermde nesten

Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten, namelijk huismus, gierzwaluw, steenuil en kerkuil. Potenties voor huismus en gierzwaluw bevinden zich in alle gebouwen, waar geschikte openingen onder de dakpannen aanwezig zijn en scheuren in de gevel. Voor kerkuil en steenuil bevinden zich potenties in de schuren en loodsen van de voormalige ijzergieterij. De geplande werkzaamheden behelzen de sloop van al de panden, waardoor de vaste rust- en verblijfplaatsen vernietigd zullen worden. Wanneer de panden worden gesloopt is aanvullend onderzoek noodzakelijk om te voorkomen dat gebodsbepalingen Art. 3.1 lid 2, lid 4 en lid 5 (zie tabel 1) van de Wnb worden overtreden. Dit aanvullend onderzoek zal aan moeten tonen of: • of voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van huismus in het plangebied

•

aanwezig zijn. Ook moet worden onderzocht of het plangebied tot (essentieel) functioneel leefgebied behoort. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd in de periode 1 april - 15 mei door middel van 2 veldonderzoeken of in de periode 10 maart - 20 juni door middel van 4 veldonderzoeken. De tussenliggende tijd tussen beide veldonderzoeken is minimaal 10 dagen. De aanpak voor het aanvullend veldonderzoek is conform de eisen6 die het bevoegd gezag hieraan stelt. Indien voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van huismussen aanwezig zijn én door de werkzaamheden een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming wordt overtreden dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met de werkzaamheden kan worden gestart. of voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van gierzwaluw in het plangebied

•

aanwezig zijn. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd in de periode 1 juni - 15 juli door middel van 3 veldonderzoeken. De tussenliggende tijd tussen beide veldonderzoeken is minimaal 10 dagen. De aanpak voor het aanvullend veldonderzoek is conform de eisen7 die het bevoegd gezag hieraan stelt. Indien voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van gierzwaluw aanwezig zijn én door de werkzaamheden een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming wordt overtreden dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met de werkzaamheden kan worden gestart. kerkuilen in het plangebied broeden. Om een vaste rust- en verblijfplaats van een

•

kerkuil vast te stellen zijn minimaal 3 bezoeken van 1 februari t/m 31 augustus in de avond of nacht nodig8. steenuilen in het plangebied broeden. Om een vaste rust- en verblijfplaats van een steenuil vast te stellen zijn minimaal 3 bezoeken nodig van 1 februari t/m 30 april, met

6 7 8

26

https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-011-Kennisdocument-Huismus-1.0.pdf https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-011-Kennisdocument-Gierzwaluw-1.0.pdf https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-011-Kennisdocument-Kerkuil-1.0.pdf

•

minstens één maand tussen het eerste en laatste bezoek9. zich in de bosschage potentieel jaarrond beschermde nesten bevinden. Dit dient te worden onderzocht middels een controle in de winter (zonder blad) zodat eventuele nesten gemakkelijker waarneembaar zijn.

Een ontheffingsaanvraag wordt op hoofdlijn getoetst aan de volgende criteria: • Afwezigheid van reële alternatieven (planning, werkwijze, locatie). •

Wettelijk belang van de werkzaamheden (verschilt per beschermingscategorie).

•

Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Dit is onder andere afhankelijk van de ruimtelijke spreiding van de soort in de directe omgeving. Dit kan worden voorkomen door het treffen van voldoende mitigerende/compenserende maatregelen.

6.1.3.2

Vogels met niet- jaarrond beschermde nesten (Categorie 5)

Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen vogels met nietjaarrond beschermde nesten, zoals spreeuw en zwarte roodstaart. Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor categorie 5 soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft regionaal algemene vogels. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden. • Tijdelijke schadelijke effecten op Categorie 5 soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord.

Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk. Op aanwijzing van de betreffende persoon dient het werk te worden uitgevoerd teneinde in gebruik zijnde nesten van vogels niet te verstoren. Voorafgaand aan de werkzaamheden dienen eventuele aanwezige ongebruikte nesten te worden verwijderd en wordt kort (maximaal 1 week) voor aanvang van de werkzaamheden door een ecoloog gecontroleerd of er aanwezige nesten gebruikt worden. De werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd of uitgesteld op aanwijzingen van de ecoloog. 9

https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-019-Kennisdocument-Steenuil-1.0.pdf

27

6.1.3.3

Algemene broedvogels

Het plangebied is potentieel geschikt voor algemene broedvogels om te broeden. Zij kunnen nestelen in de verschillende struiken en panden die aanwezig zijn binnen het plangebied. • Tijdelijke schadelijke effecten op algemene broedvogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk. Op aanwijzing van de betreffende persoon dient het werk te worden uitgevoerd teneinde in gebruik zijnde nesten van vogels niet te verstoren. Voorafgaand aan de werkzaamheden dienen eventuele aanwezige ongebruikte nesten te worden verwijderd en wordt kort (maximaal 1 week) voor aanvang van de werkzaamheden door een ecoloog gecontroleerd of er aanwezige nesten gebruikt worden. De werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd of uitgesteld op aanwijzingen van de ecoloog.

6.2

Soorten Habitatrichtlijn

6.2.1

Bronnenonderzoek

Soorten Soortgroep Bever Zoogdieren Gewone dwergvleermuis Zoogdieren – Vleermuizen Gewone grootoorvleermuis Zoogdieren – Vleermuizen Ruige dwergvleermuis Zoogdieren – Vleermuizen Meervleermuis Zoogdieren – Vleermuizen Rosse vleermuis Zoogdieren – Vleermuizen Heikikker Amfibieën Kamsalamander Amfibieën Poelkikker Amfibieën Platte schijfhoren Weekdieren Rugstreeppad Amfibieën Rivierrombout Libellen Tabel 3: Habitatrichtlijnsoorten tot een afstand van 5 km tot het plangebied. Bron: NDFF – 25/10/2020.

28

6.2.2

Verkennend veldonderzoek

6.2.2.1

Vleermuizen

De bebouwing in het plangebied is potentieel geschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Op diverse plaatsen bevinden zich openingen in het gebouwoppervlak die door vleermuizen gebruikt kunnen worden als vaste rust- en verblijfplaats. Het gaat bij de woningen specifiek om spleten tussen de dakpannen, onder boeidelen en nabij dakranden, dakkapellen en schoorstenen. Verder zijn in de bakstenengevels kieren en spleten aanwezig die voor gebouwbewonende vleermuizen als verblijfplaats kunnen fungeren.

Afbeelding 11. Voor gebouwbewonende vleermuizen geschikte woningen in plangebied (Foto: M. van der Neut | Ecoresult B.V.).

Tevens zijn de bakstenen schuren met dakpannendaken geschikt voor gebouwbewonende vleermuissoorten. Vaste rust- en verblijfplaatsen van dergelijke soorten kunnen hier in gaten, spleten en kieren nabij dakpannen en dakranden aanwezig zijn. Verder vormen de in de schuren aanwezige houten pen-gatverbindingen bekende verblijfplaatsen voor vleermuizen. Tevens zijn de donkere zolders van de schuren door het ontbreken van dakpannen op sommige plekken toegankelijk voor vleermuizen. Overige loodsen en overkappingen zijn veelal opgebouwd uit hout, plastic of damwanden en kennen golfplaten daken. Dergelijke bebouwing is ongeschikt voor vleermuizen, zie Afbeelding 12.

29

Afbeelding 12. Voor vleermuizen ongeschikte bebouwing (Foto: M. van der Neut | Ecoresult B.V.).

In het oostelijk gedeelte van het plangebied bevindt zich een met braam overgroeide bunker. Deze bunker was ten tijden van het verkennend veldonderzoek niet toegankelijk. In potentie kan deze bunker als overwinteringsplaats dienen voor de volgende vleermuissoorten: baardvleermuis, watervleermuis, meervleermuis, gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis.

Afbeelding 13. Overgroeide bunker in plangebied in potentie geschikt als overwinteringsplaats voor vleermuizen (Foto: M. van der Neut | Ecoresult B.V.).

30

Op basis van de lokale verspreidingsgegevens (o.a. NDFF) en de hierboven beschreven aanwezige potenties, voor verblijfplaatsen bestaat er potentie voor de volgende soorten en type verblijven: Soort Functie Meervleermuis Zomer-, kraam- en paarverblijfplaats Baardvleermuis Winterverblijfplaats Watervleermuis Winterverblijfplaats Gewone dwergvleermuis Zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaats Gewone grootoorvleermuis Zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaats Laatvlieger Zomer-, kraam- en paarverblijfplaats Ruige dwergvleermuis Zomer-, paar- en winterverblijfplaats Tabel 4: Overzicht van de potentiële functies van verblijfplaatsen van mogelijk aanwezige vleermuissoorten in het plangebied.

Massawinterverblijfplaatsen van vleermuizen zijn op voorhand uit te sluiten vanwege het de beperkte hoogte van de panden en de beperkte thermische huishouding. Voor boombewonende vleermuizen (rosse vleermuis) is in het plangebied ongeschikt vanwege de afwezigheid van geschikte bomen met holten. Er is mogelijk sprake van essentieel functioneel leefgebied in de vorm van een vliegroute langs de dijk aan de Beneden Merwede en de hiernaast aanwezige essenrij.

6.2.2.2

Overige Habitatrichtlijn soorten

Het plangebied is ongeschikt voor overige Habitatrichtlijnsoorten die volgens het bronnenonderzoek in de omgeving aanwezig zijn, namelijk diverse soorten amfibieën, bever, platte schijfhoren en rivierrombout. In het plangebied is geen open water aanwezig. Vaste verblijf- en voortplantingsplaatsen van de genoemde soorten zijn daarom uitgesloten. Bever en rivierrombout komen ter hoogte van het plangebied voor langs de oever van de Beneden Merwede. Gezien Afbeelding 5 blijft de oever in huidige situatie behouden. Wanneer de wezenlijke waarde en kwaliteit van de oever als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling onveranderd blijven, is naar beide soorten geen aanvullend onderzoek noodzakelijk. Indien dit wel het geval is, dient een herbeoordeling naar de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op bever en rivierrombout plaats te vinden. Geschikte poelen, vijvers en plassen voor heikikker, poelkikker en kamsalamander ontbreken in het plangebied. Verder komt platte schijfhoren voor in schone watergangen met een uitbundige watervegetatie. Dergelijk habitat is in het plangebied afwezig.

6.2.3

Effectbeoordeling en toetsing

In deze effectbeoordeling worden uitsluitend de Habitatrichtlijnsoorten behandeld waarvoor het plangebied – op basis van dit oriënterende onderzoek – potentie biedt. In dit geval betreft dit potentie voor verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van vleermuizen. Aanwezigheid van vleermuizen in gebouwen (baardvleermuis, meervleermuis, gewone 31

dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger) is in het plangebied niet uit te sluiten. Wanneer de panden worden gesloopt zal dit permanent impact hebben op de aanwezige potenties. Verbodsbepalingen Art. 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb kunnen worden overtreden. Aanvullend onderzoek is daarom noodzakelijk om te bepalen of: • Zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen aanwezig zijn. De onderzoeksperiode en het aantal veldbezoeken zal worden bepaald conform de eisen10 die het bevoegd gezag hieraan stelt. Indien vleermuizen aanwezig zijn dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met verstorende werkzaamheden kan worden gestart. Bij aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen wordt er van uitgegaan dat de bebouwing ook geschikt is als winterverblijfplaats tijdens milde winters. Daarbij dient de bunker in de periode november – februari eenmaal separaat onderzocht te worden om overwintering van vleermuizen vast te stellen. Verder vormt de dijk langs de Beneden Merwede en de hier aanwezige essenrij een potentiële essentiële vliegroute. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal 6 maanden. Een ontheffingsaanvraag wordt op hoofdlijn getoetst aan de volgende criteria: • Afwezigheid van reële alternatieven (planning, werkwijze, locatie). •

Wettelijk belang van de werkzaamheden (verschilt per beschermingscategorie).

•

Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Dit is onder andere afhankelijk van de ruimtelijke spreiding van de soort in de directe omgeving. Dit kan worden voorkomen door het treffen van voldoende mitigerende/compenserende maatregelen.

10 Vleermuisprotocol 2017

32

6.3

Nationaal beschermde soorten

6.3.1

Bronnenonderzoek NDFF

Soort Aardmuis Bastaardkikker Boommarter Bosmuis Bruine kikker Bunzing Das Dwergmuis Egel Gewone pad Grote modderkruiper Grote vos

Soortgroep Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Amfibieën Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Amfibieën Vissen Dagvlinders

Vrijstelling Ja Ja Nee Ja Ja Ja Nee Ja Ja Ja Nee Nee

Soort Haas Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn Meerkikker Ree Rosse woelmuis Steenmarter Veldmuis Vos Wezel

Soortgroep Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Amfibieën Zoogdieren Amfibieën Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren

Vrijstelling Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Nee Ja Ja Ja

Tabel 5. Nationaal beschermde soorten tot een afstand van 5 km tot het plangebied. Bron: NDFF – 25/10/2020.

6.3.2

Verkennend veldonderzoek

6.3.2.1

Grondgebonden zoogdieren

Het plangebied is geschikt als leefgebied voor steenmarter. In de schuren bevinden zich openingen in het dak en ontbreken ruiten, waardoor steenmarter toegang heeft tot de panden. Verder bevatten de schuren voor steenmarter geschikte (rommel)zolders. Tijdens het veldbezoek zijn er echter geen sporen van deze marterachtigen waargenomen in het plangebied. Daarnaast is binnen het plangebied niet-essentieel leefgebied voor grondgebonden zoogdiersoorten waar een vrijstelling voor geldt (diverse algemene (spits)muissoorten, bunzing, wezel, egel en konijn) aanwezig. Er is genoeg alternatief leefgebied aanwezig in de nabije omgeving voor deze soorten. Het plangebied is, naast steenmarter, niet geschikt als potentieel essentieel leefgebied voor andere grondgebonden zoogdieren waar geen vrijstelling voor van toepassing is. Verblijfplaatsen van boommarter en das kunnen op basis van habitatvoorkeur redelijkerwijs worden uitgesloten vanwege het ontbreken van grote bosschages in het plangebied. Daarnaast bevindt het plangebied zich buiten het bekende verspreidingsgebied van beide soorten.

33

6.3.2.2

Dagvlinders

Het plangebied is ongeschikt voor grote vos. De soort komt vooral voor in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen en heeft als waardplanten iep en zoete kers. Dit beschreven habitat is in het plangebied afwezig.

6.3.2.3

Amfibieën en vissen

Het plangebied is enkel geschikt voor Nationaal beschermde soorten amfibieën waarvoor in Zuid-Holland een provinciale vrijstelling geldt. Dit betreffen o.a. de bruine kikker en gewone pad. Aanwezigheid van hazelworm, levendbarende hagedis, alpenwatersalamander en grote modderkruiper is uitgesloten in het plangebied wegens de afwezigheid van geschikt habitat, waaronder open water, binnen het plangebied.

6.3.2.4

Vaatplanten

Beschermde plantensoorten zijn tijdens het verkennend veldonderzoek niet aangetroffen. Ook wordt niet verwacht dat zij in het plangebied aanwezig zijn. Binnen het plangebied zijn bossen, zeeduinen, voedselarme of kalkrijke bodem en akkerreservaten afwezig11. Op basis hiervan, de zeldzaamheid en bekende verspreiding van deze soorten is de aanwezigheid in het plangebied op voorhand uit te sluiten. Tijdens het veldbezoek werd geen muurvegetatie aangetroffen.

6.3.3

Effectbeoordeling en toetsing

In het plangebied bestaat potentie voor vaste rust- en verblijfplaatsen van steenmarter. In de schuren zijn voldoende openingen aanwezig waardoor deze marterachtige in de panden kunnen geraken. In de gebouwen zijn voldoende schuilmogelijkheden. Wanneer deze panden zullen worden gesloopt gaan deze potenties voor vaste rust- en verblijfplaatsen verloren. Hierbij kunnen de verbodsbepalingen Art 3.10 lid1A en lid 1B (zie Tabel 1) van de Wnb worden overtreden. Aanvullend onderzoek is nodig in de periode maart tot en met augustus middels: • het plaatsen van enkele cameravallen, om te bepalen of voortplantingsplaatsen en/of vaste rust- en verblijfplaatsen steenmarter aanwezig zijn in de schuren. De cameravallen dienen minimaal 1,5 maand op scherp te staan op geschikte locaties in het veld12. De locaties en het aantal worden nader bepaald. De aanpak voor het aanvullend veldonderzoek is gebaseerd op kennis, Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming13 en expert judgement van deskundig ecologen. Indien steenmarters aanwezig zijn dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met verstorende werkzaamheden kan worden gestart. 11 www.vlinderstichting.nl 12 https://www.zoogdiervereniging.nl/sites/default/files/imce/nieuwesite/0verigen/downloads/ 15908%20Handreiking%20kleine%20Marters%20DIGITAAL.pdf 13 Bouwens, 2017

34

Het plangebied is daarnaast geschikt voor Nationaal beschermde soorten met een provinciale vrijstelling. Verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van o.a. diverse algemene (spits)muissoorten, egel, bunzing, wezel, konijn, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en bastaardkikker) zijn in het plangebied niet uit te sluiten. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijke effecten zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het werken in één richting waarbij de dieren een vlucht mogelijkheid hebben.

35

7

Conclusies en aanbevelingen

7.1

Aanleiding

In opdracht van Kingfisher Natuurprojecten heeft Ecoresult B.V. een quickscan uitgevoerd voor het plangebied genaamd: De IJzergieterij, te Hardinxveld-Giessendam. De aanleiding betreft de sloop van de bebouwing en het verwijderen van de aanwezige vegetatie ten behoeve van geplande nieuwbouw. Zie verder hoofdstuk 3.3. Deze werkzaamheden kunnen schadelijke effecten hebben op beschermde soorten en natuurgebieden. Wet- en regelgeving voor flora, fauna en natuurgebieden kan hierdoor worden overtreden. Deze quickscan zoomt in op de (mogelijke) effecten door de activiteiten en op welke wijze gehandeld dient te worden.

7.2 7.2.1

Beschermde gebieden Wet natuurbescherming

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Biesbosch op 480 meter ten zuiden van het plangebied. Invloeden (ook van buitenaf) mogen de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden niet in gevaar brengen. Negatieve effecten omtrent stikstofdepositie kunnen op basis van de aard van de activiteiten die hier zullen plaatsvinden en de afstand tot het Natura 2000-gebied niet worden uitgesloten. Aanvullende onderzoek is middels een Aerieus-berekening nodig.

7.2.2

Verordening ruimte

In de provincie Zuid-Holland is geen sprake van externe effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van NNN gebieden14. Gezien het plangebied niet overlapt met NNN gebied hoeft er geen rekening gehouden te worden met externe effecten op deze gebieden. Aanvullend onderzoek is niet nodig en een ontheffing op de omgevingsverordening is niet noodzakelijk.

14 Verordering ruimte, provincie Noord-Brabant.

37

7.3

Bescherming van houtopstanden

Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom en er zijn werkzaamheden gepland waarbij houtopstanden groter dan 10 are of 20 bomen in een rij of een deel ervan verwijderd worden. In dit geval is de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden niet van toepassing.

7.4

Beschermde soorten

7.4.1

Soorten Vogelrichtlijn

7.4.1.1

Vogels met jaarrond beschermde nesten

De voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot schadelijke effecten op potentieel aanwezige verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van de huismus, gierzwaluw, kerkuil en steenuil. Aanvullend veldonderzoek is nodig. Indien één of meerdere van de genoemde soorten aanwezig is en een overtreding van een verbodsbepaling niet kan worden voorkomen, dient een ontheffing of vergunning te worden aangevraagd. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal 6 maanden. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van voorzieningen. Deze dienen aanwezig te zijn tenminste 3 maanden voor de start van het werk.

7.4.1.2

Algemene vogels en vogels met niet- jaarrond beschermde nesten

Tijdelijke schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van vogels met niet jaarrond beschermde nesten en algemene vogels zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk.

7.4.2

Soorten Habitatrichtlijn

7.4.2.1

Vleermuizen

De voorgenomen ontwikkelingen leiden tot een negatief effect op potentieel aanwezige voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen (baardvleermuis, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis, gewone dwergvleermuis, ruige 38

dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis). Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb worden overtreden. Aanvullend onderzoek is nodig. Indien voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn én door de werkzaamheden een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming wordt overtreden dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met de werkzaamheden kan worden gestart. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal 6 maanden. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van tijdelijke voorzieningen. Deze dienen aanwezig te zijn tenminste 3 maanden voor de start van het werk, maar hier zijn striktere uitzonderingen op mogelijk. Overige Habitatrichtlijnsoorten worden niet verwacht.

7.4.3

Nationaal beschermde soorten

In het plangebied bestaan potenties voor vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van Nationaal beschermde soorten, te weten steenmarter. Nader onderzoek met cameravallen is noodzakelijk voor de sloop van de panden. Wanneer de aanwezigheid van steenmarter wordt vastgesteld, dient een ontheffing aangevraagd te worden. Verder is het plangebied enkel geschikt voor verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van Nationaal beschermde soorten die met een provinciale vrijstelling, o.a. diverse algemene (spits)muissoorten, egel en konijn, wezel, bunzing, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en bastaardkikker. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijke effecten zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het werken in één richting waarbij de dieren een vlucht mogelijkheid hebben.

Vleermuizen Huismus Gierzwaluw Kerkuil Steenuil Steenmarter Aerieus-berekening* Nestencheck

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

Tabel aanvullend onderzoek januari

7.4.4

Locatie Bebouwing, functioneel leefgebied en bunker Bebouwing Bebouwing Bebouwing Bebouwing Bebouwing – Bosschage in plangebied

Tabel 6. Samenvattend benodigd onderzoek met periode en locatie. * Aerius-berekening kan het gehele jaar worden uitgevoerd.

39

7.5

Aanbevelingen

Los van de onderzoeksresultaten, maar als duurzame inrichtingsmaatregel “inclusief bouwen voor vleermuizen en vogels, heeft het de ecologische voorkeur om rekening te houden met de wensen van vleermuizen en vogels in het nieuwe ontwerp. Gebruik bijvoorbeeld inbouwkasten voor vleermuizen en broedvogels binnen het plangebied. Tevens kan worden ingespeeld op te verwachten ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied.

40

8

Geraadpleegde bronnen

8.1

Internet

Beschermde gebieden • Verordening ruimte provincie Noord-Brabant •

Natuurbeheerplan Noord-Brabant: https://www.brabant.nl/onderwerpen/natuur-enlandschap/natuur/natuurnetwerk-nederland-(voorheen-ehs)/natuurnetwerk-brabant(nnb)

Nationale Databank Flora en Fauna • https://ndff-ecogrid.nl/ Natuurwetgeving en kennisdocumenten • http://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2017-01-01#Hoofdstuk2 •

www.rvo.nl

•

https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/kennisdocumenten-soortenontheffingen-wet-natuurbescherming/

PDOK – Publieke Dienstverlening op de Kaart • http://pdokviewer.pdok.nl Vleermuisprotocol 2017 • http://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol Handreiking kleine marters • Bouwens, S. 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Zoogdiervereniging, Provincie Noord-Brabant, ’s-Hertogenbosch. Soortinformatie • Soortenbank: http://www.soortenbank.nl/ •

NDFF Verspreidingsatlas – https://www.verspreidingsatlas.nl/

•

Vleermuizen – http://www.vleermuis.net/

•

Zoogdieren – http://www.zoogdiervereniging.nl/ 41

42

•

Amfibieën – http://www.ravon.nl/

•

Vlinders – https://www.vlinderstichting.nl/

Bijlage 1

Foto-impressie plangebied

Afbeelding oostelijk gedeelte plangebied gezien vanaf de Beneden Merwede dijk.

Afbeelding vervallen bebouwing aan de Rivierdijk.

43

Afbeelding interieur opslagloods in plangebied

Afbeelding voormalig industrieterrein met overgroeide opslagcontainers.

44

Bijlage 2

Instandhoudingsdoelstellingen Biesbosch

45

46

47

Bijlage 3 Aanvullend vleermuisonderzoek, NWC, november 2017

Vleermuisonderzoek project “IJzergieterij”, Hardinxveld-Giessendam Concept

November 2017 P16-128/W1396 Auteur: S. Rinzema Natuur-Wetenschappelijk Centrum 078-6213921 nwcadvies@nwcadvies.nl www.nwcadvies.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/565/documents/17761