CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 1 Waterhuishoudingsplan 25 mei 2012.pdf

Gemeenteraad GHG 14 december 2023, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 17: Vaststellen Bestemmingsplan & Exploitatieplan De Blauwe Zoom West - Raadsvoorstel10.521 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Waterhuishoudingsplan De Blauwe Zoom

Concept

Gemeente Hardinxveld-Giessendam

Grontmij Nederland B.V. Arnhem, 25 mei 2012

GM-0061784

Verantwoording

Titel

:

Waterhuishoudingsplan De Blauwe Zoom

Subtitel

:

Projectnummer

:

318686

Referentienummer

:

GM-0061784

Revisie

:

Datum

:

25 mei 2012

Auteur(s)

:

ing. S.J.W. Hoegen

E-mail adres

:

sander.hoegen@grontmij.nl

Gecontroleerd door

:

ing. R.W. Buitelaar

Paraaf gecontroleerd

:

Goedgekeurd door

:

Paraaf goedgekeurd

:

Contact

:

ing. T.D.J. Bolder

Grontmij Nederland B.V. Velperweg 26 6824 BJ Arnhem Postbus 485 6800 AL Arnhem T +31 26 355 83 55 F +31 26 445 92 81 www.grontmij.nl

GM-0061784 Pagina 2 van 26

Inhoudsopgave

1 1.1 1.2 1.3

Inleiding ......................................................................................................................... 4 Opdracht ....................................................................................................................... 4 Doelstelling.................................................................................................................... 4 Leeswijzer ..................................................................................................................... 4

2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7

Oorspronkelijke situatie................................................................................................. 5 Inleiding ......................................................................................................................... 5 Riolering ........................................................................................................................ 5 Maaiveldhoogte ............................................................................................................. 5 Bodemopbouw .............................................................................................................. 5 Grondwater ................................................................................................................... 6 Waterstructuur en peilbeheer........................................................................................ 7 Waterkwaliteit ................................................................................................................ 8

3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6

Uitgangspunten ........................................................................................................... 10 Riolering ...................................................................................................................... 10 Kwel en wegzijging ..................................................................................................... 11 Watercompensatie ...................................................................................................... 11 Soorten bergingsvoorzieningen .................................................................................. 12 Waterkwaliteit .............................................................................................................. 12 Beheer en onderhoud ................................................................................................. 13

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10

Plansituatie.................................................................................................................. 15 Inleiding ....................................................................................................................... 15 Peilen .......................................................................................................................... 15 Waterstructuur ............................................................................................................ 15 Waterberging............................................................................................................... 16 Wateroevers ................................................................................................................ 16 Bruggen, duikers en een optionele stuw..................................................................... 17 Verkeersstructuur ........................................................................................................ 18 Riolering ...................................................................................................................... 18 Waterdoorlatende verhardingen ................................................................................. 18 Beheer en onderhoud ................................................................................................. 18

5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

Waterhuishoudkundige effecten ................................................................................. 20 Algemeen .................................................................................................................... 20 Waterberging............................................................................................................... 20 Kwel en wegzijging ..................................................................................................... 20 Peilstijgingen en stroomsnelheden in de watergangen .............................................. 21 Waterkwaliteit .............................................................................................................. 21 Overal beeld waterkwaliteit ......................................................................................... 23

6 6.1 6.2

Conclusies en aanbevelingen ..................................................................................... 25 Conclusie .................................................................................................................... 25 Aanbevelingen ............................................................................................................ 26

Bijlage 1:

SOBEK-modellering

Bijlage 2:

Water- en stoffenbalans

GM-0061784 Pagina 3 van 26

1

Inleiding

1.1 Opdracht De gemeente Hardinxveld-Giessendam is voornemens om in De Blauwe Zoom een woongebied en twee bedrijventerreinen te realiseren. De woningbouw zal in de tijd gefaseerd worden. De ontwikkeltijd zal langer dan 10 jaar bedragen. Het bestemmingsplan wordt opgesteld voor een periode van 10 jaar. In deze periode blijven de gronden in het westen van het plangebied in agrarisch gebruik. Ter voorbereiding op het bestemmingsplan is het waterhuishoudingsplan ‘De Blauwe zoom’ geactualiseerd (origineel plan is opgesteld door Grontmij d.d. 4 januari 2010). Dit rapport is het resultaat. Bij het opstellen van het waterhuishoudingsplan heeft afstemming plaatsgevonden met waterschap Rivierenland, als belangrijkste partij ten aanzien van het toekomstige waterbeheer. 1.2 Doelstelling In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening is het verplicht om een watertoets uit te voeren. In dit proces heeft afstemming plaatsgevonden tussen het waterschap en de gemeente over de uitwerking van het waterhuishoudkundige ontwerp en de criteria voor de waterhuishoudkundige toetsingen. Grontmij heeft vervolgens het waterhuishoudkundige ontwerp getoetst. Het resultaat van de overleggen met waterschap en gemeente, en de resultaten van de berekeningen zijn beschreven in dit waterhuishoudingsplan.

Het plan omvat: • een omschrijving van het bestaande watersysteem, • toekomstige bouw- en waterpeilen, • een overzicht van te dempen en nieuw aan te leggen watergangen, • een overzicht met daarin de ligging en dimensies van nieuwe kunstwerken, • een ruimtelijke claim voor waterberging; • een omschrijving van effecten van de voorgenomen ontwikkelingen. Op basis van het waterhuishoudingsplan dient de gemeente een ontheffing voor de Keur aan te vragen bij waterschap Rivierenland. 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk twee 2 een beschrijving van het oorspronkelijke watersysteem. Dit is de situatie voor de realisatie van de woongebieden en de bedrijventerreinen. In hoofdstuk 3 volgt een beschrijving van de randvoorwaarden en uitgangspunten voor het ontwerp. Hoofdstuk4 gaat in op de toekomstige situatie, ook wel plansituatie genoemd. In hoofdstuk5 zijn de effecten beschreven en tot slot volgen in hoofdstuk zes de conclusies en aanbevelingen met een beschrijving van de zaken die nog niet zijn uitgewerkt.

GM-0061784 Pagina 4 van 26

2

Oorspronkelijke situatie

2.1 Inleiding Het bestemmingsplangebied ligt in het westelijke gedeelte van de gemeente HardinxveldGiessendam en wordt omsloten in het noorden door de Schapedrift met hieraan parallel de Merwede-Lingelijn (spoorlijn) en ten zuiden het gebied Buitendams. Ten oosten bevindt zich de wijk West II, op de grens de Scholenstrook. Aan de westzijde is de Zwijnskade de plangebied. Dit is tevens de gemeentegrens met Sliedrecht. Het bestemmingsplangebied heeft een oppervlakte van ruim 49,5 hectare. 2.2 Riolering In oosten van het plangebied ligt de Scholenstrook. Dit gedeelte is voorzien van een dwastelsel, dat loost op het stelsel van de wijk West II. Het regenwater van de Scholenstrook wordt afgevoerd via een rwa-stelsel. De gebouwen langs Buitendams zijn aangesloten op een DWAstelsel. Figuur 2-1 geeft de ligging van de stelsels weer, inclusief de begrenzing van het plangebied De Blauwe Zoom.

Figuur 2-1: Rioolsysteem van Hardinxveld-Giessendam (bron: Gemeentelijk rioleringsplan HardinxveldGiessendam opgesteld door Grontmij d.d. 14 februari 2011)

2.3 Maaiveldhoogte Een deel van het oorspronkelijke landbouwgebied is voor de nieuwe woonwijk De Blauwe Zoom al opgehoogd met een zandpakket van 2 á 3 m. Na zetting resulteert de ophoging effectief in een maaiveldverhoging van circa 0,5 m. De hoogte van het maaiveld varieert van NAP -1,80 meter tot NAP 4,30 meter. De lage delen liggen ten zuiden van de Schapedrift en de hoge delen liggen langs de Buitendams en de spoordijk. 2.4 Bodemopbouw Voor de beschrijving van de bodemopbouw en de geohydrologie is gebruik gemaakt van gegevens uit het Regisloket (TNO, 2010) en de gebiedskennis van de gemeente. Holocene deklaag De oorspronkelijke bodemopbouw bestaat uit een toplaag van klei met daaronder veen. De toplaag is slecht waterdoorlatend en is afgezet door de rivieren. De veenlagen zijn ontstaan als gevolg van zeespiegelstijgingen. De dikte van de deklaag is 10,5 m, zie figuur 2-2.

GM-0061784 Pagina 5 van 26

Oorspronkelijke situatie

Zandpakket Onder de deklaag bevindt zich een dik zandpakket. Het zandpakket ligt in De Blauwe Zoom op circa 10,5 m onder het huidige maaiveld en bestaat uit grof tot fijn materiaal. De BenedenMerwerde reikt tot het zandpakket waardoor de grondwaterstanden in de Blauwe Zoom onder invloed staan van het rivierpeil. Het zandpakket heeft een dikte van circa 30 m. deklaag ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------eerste watervoerend pakket ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------eerste scheidende laag -------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

tweede watervoerend pakket

Figuur 2-2: Opbouw van de bodem. Regisloket (TNO, 2010)

De waterstanden van het grondwater worden in de volgende paragraaf beschreven. 2.5 Grondwater Voor de beschrijving van het grondwatersysteem is gebruikt gemaakt van: • de Grondwaterbeleidsnotitie Gemeente Hardinxveld-Giessendam (Grontmij, maart 2010); • Waterbase, voor de rivierwaterstanden bij Werkendam; • Dino-loket, voor de grondwaterstanden. De freatische grondwaterstanden in de deklaag worden bepaald door een combinatie van factoren zoals neerslag, verdamping, bodemopbouw, grondwateronttrekkingen, mogelijk lekke riolering, polderpeilen en waterstanden op de rivier de Beneden-Merwede. De stijghoogte ter plaatse van de Beneden-Merwede is hoog (NAP +0,50 m) en in de noordelijk gelegen polders laag (NAP -1,0 m). Dit betekent dat de grondwaterstroming noordelijk gericht is. In DINO loket zijn de gegevens opgevraagd van grondwaterstanden in de omgeving van De Blauwe Zoom. Binnen een straal van 2 kilometer liggen 5 peilbuizen. Tabel 2-1 geeft een overzicht van de peilbuizen. Tabel 2-1: Meetperiode van de peilbuizen nabij de Blauwe Zoom Peilbuis

Afstand van De Blauwe Zoom

Meetperiode

B38D0345

2,0 km (ten noorden)

28-05-1990 t/m 30-11-1999

B38D0298

2,5 km (ten noordoosten)

29-01-1990 tot heden

B38D0310

2,9 km (ten oosten)

28-06-1994 tot heden

B38D0280

2,8 km (ten zuidoosten)

27-04-1990 t/m 14-10-1996

B38D0295

0,6 km (ten zuidoosten)

15-01-1999 tot heden

B38D0151

0,2 km (ten zuidwesten)

27-04-1990 t/m 17-12-1996

Figuur 2-3 geeft de grondwater- en rivierstanden weer voor de periode van juni 1996 tot januari 2004. De waterstanden van de rivier fluctueren van NAP -0,06 meter tot NAP +2,92 meter. De gemiddelde waterstand is NAP +0,64 meter. Bij hoge waterstanden op de rivier stijgen de grondwaterstanden in het eerste watervoerende pakket ook. Peilbuis B38D0295 ligt circa 200 meter van de rivier. Als gevolg van de hoge waterstand op 2 februari 1995 stijgt de waterstand in peilbuis B38D0295 tot NAP +2,95 meter. Hetzelfde verloop is in mindere mate ook te zien in peilbuis B38D0280 die ook circa 200 meter van de rivier is gelegen. De waterstanden in de deklaag laten dit verloop nauwelijks zien vanwege de grote weerstand die het klei- en veenpakket biedt. Ter plaatse van het bestemmingsplangebied zijn geen peilbuizen die de grondwaterstanden meten in de deklaag. GM-0061784 Pagina 6 van 26

stijghoogte (m+NAP)

Oorspronkelijke situatie

2,90 2,70 2,50 2,30 2,10 1,90 1,70 1,50 1,30 1,10 0,90 0,70 0,50 0,30 0,10 -0,10 -0,30 -0,50 -0,70 -0,90 -1,10 -1,30 -1,50 -1,70 -1,90 -2,10 -2,30 -2,50 1-6-1994

Rivierstand B38D0151_1eWVP B38D0280_1eWVP B38D0295_1eWVP B38D0298_deklaag B38D0310_deklaag B38D0310_1eWVP B38D0045_deklaag

14-10-1995

25-2-1997

10-7-1998

22-11-1999

5-4-2001

18-8-2002

31-12-2003

Figuur 2-3: Verloop van de grond- en rivierstanden

De oorspronkelijke kwelstroom is daar bij maximaal 1 á 2 mm/dag volgens het waterschap Rivierenland. Uit figuur 2-3 volgt dat het bestemmingsplangebied altijd onder invloed staat van kwel, want de grondwaterstand komt niet onder het oppervlaktewaterpeil. De invloed van de rivier is door de weerstand van de deklaag beperkt. 2.6 Waterstructuur en peilbeheer De watergangen in het bestemmingsplangebied vallen onder de Legger Alblasserwaard. In de legger is onderhoudsplicht aangegeven met categorieën: • A-watergangen: onderhoudsplicht berust bij waterschap Rivierenland Diepte minimaal 1 meter, breedte minimaal 5 meter; • B-watergangen: onderhoudsplicht berust bij de eigenaren van de aangrenzende percelen. De B-watergangen hebben een waterdiepte van 30-50 cm onder het vastgestelde zomerpeil; • C-watergangen: onderhoudsplicht berust bij de eigenaren van de aangrenzende percelen. De C-watergangen hebben een waterdiepte van 20 cm onder het vastgestelde zomerpeil. Figuur 2-4 geeft het wateroppervlak en een overzicht van de categorieën uit de legger. In het plangebied liggen twee watergangen met een A-status, namelijk: • Spoorwegwetering, verzorgt van de hoofdafvoer en is gelegen in peilgebied Giessendam • Karnemelksloot, ligt aan de zuidzijde van het plangebied. De overige watergangen hebben een B- en C-status en lozen uiteindelijk het water op de Spoorwegwetering.

Het oppervlak open water is bepaald op basis van de legger van waterschap Rivierenland (uit 2010?), met uitzondering van de watergangen langs de toekomstige weg Jonathan. Voor de watergangen langs de toekomstige weg Jonathan is uitgegaan van de GBKN die de gemeente in 2009 heeft aangeleverd.

GM-0061784 Pagina 7 van 26

Oorspronkelijke situatie

Figuur 2-4: Leggerwateren in het bestemmingsplangebied

In het peilbesluit Alblasserwaard zijn de peilen beschreven. Tabel 2-2 geeft de peilen voor peilgebied Giessendam en De Peulen. Het peilbesluit dateert van 27 november 2009. Tabel 2-2: Peilen uit het peilbesluit Alblasserwaard Peilgebied Giessendam De Peulen

Zomerpeil [m t.o.v. NAP] -1,75 +1,00

Winterpeil [m t.o.v. NAP] -1,80 +0,70

Het gemiddelde maaiveld ligt op een hoogte van plus minus NAP -1,20 m. De drooglegging van de gronden bedraagt 0,60 meter in de winter. 2.7 Waterkwaliteit Het oppervlaktewater binnen het bestemmingsplangebied is eutroof. Het water bevat namelijk hoge gehalten aan nutriënten (stikstof, fosfor). In figuren 2.5 en 2.6 zijn de meetwaarden en de meetlocaties weergegeven. Er zijn twee monsterlocaties. Meetpunt ALBL0104 is het meest representatief voor het plangebied. Helaas zijn er van dit meetpunt maar een beperkt aantal metingen beschikbaar. Op meetpunt ALBL0020 zijn veel meer chemische analyses uitgevoerd. Voor dit meetpunt geldt echter dat lozingen uit de gemengde stelsels vanuit de wijk Over ’t Spoor en aftromend water uit de landbouwgebieden dit meetpunt kunnen beïnvloeden. De grootte van de overstorten vanuit de wijk Over ’t Spoor is echter beperkt. Verder wordt er in de ‘Evaluatie waterplan Hardinxveld-Giessendam’ opgemerkt dat de waterkwaliteit van het water dat vanuit de wijk Over ’t Spoor stroomt (meetpunt ALBL0103) grote overeenkomsten vertoont met het meetpunt ALBL0104. Voor de jaren 2005 en 2006 is voor meetpunt ALBL0020 de zomergemiddelde concentratie stikstof 2,60 mg N/liter. Voor fosfor is dit 0,24 mg P/l. De MTR norm is 2,20 mg N/l en 0,15 mg P/l. Dit betekent de oorspronkelijke waarden voor stikstof en fosfaat niet voldoen aan de MTR.

Voor het meetjaar 2007 is voor meetpunt ALBL0104 een gemiddelde zomerconcentratie van 0,18 mg P/l en 4,0 mg N/l gemeten. Ook deze waarden zijn te hoog voor de MTR maar de zomergemiddelde fosfaatconcentratie voldoet wel aan het doel voor het KRW waterlichaam NL09_28.

GM-0061784 Pagina 8 van 26

Oorspronkelijke situatie

De hoge concentraties stikstof en fosfor zijn mogelijk deels te verklaren door de graafwerkzaamheden die zijn uitgevoerd voor het bouwrijp maken van fase 1 en fase 2. Bij het aansnijden van het veenpakket kan het veen oxideren waardoor stikstof en fosfor kan uitspoelen. Dit is een tijdelijk proces dat na beëindiging van de werkzaamheden ophoudt.

10

2

9

1,8

8

1,6

7

1,4

6

1,2

5

1

4

0,8

3

0,6

2

0,4

1

0,2

0 1-2-2004

Figuur 2.5

ALBL0020, tot-N mg/l P

mg/l N

Naast de hoge nutriëntenconcentraties zijn ook de lage zuurstofconcentraties een probleem voor de ecologie. In het hele gebied van Hardinxveld-Giessendam komen structureel lage zuurstofconcentraties voor. Dit wordt veroorzaakt door de venige grondslag. De venige bodem verbruikt in combinatie met de hoge nutriëntenconcentraties veel zuurstof.

ALBL0104,, tot-N ALBL0020, tot-P ALBL0104, tot-P

0 15-6-2005

28-10-2006

11-3-2008

24-7-2009

Verloop van stikstof en fosfor

Figuur 2-5: Ligging van de meetpunten

Het plangebied ligt niet in of na bij een door de Provincie Zuid-Holland geplande EHS (Water-en groenstructuur) en er ligt ook geen KRW waterlichaam in het bestemmingsplangebied waarvoor specifieke eisen gelden.

GM-0061784 Pagina 9 van 26

3

Uitgangspunten

De gemeente Hardinxveld-Giessendam heeft een hoofdstructuur opgesteld voor de beoogde inrichting van De Blauwe Zoom, die een basis is voor de nadere uitwerking. De insteek van de gemeente is om de uitwerking van het ontwerp aan ontwikkelende partijen over te laten. Dit wil zeggen dat de projectontwikkelaar binnen een bepaalde (vastgelegde) bandbreedte de ontwikkelvelden kan uitwerken tot een definitief ontwerp. De gemeente wil de randvoorwaarden voor de uitwerking vastleggen in een bestemmingsplan en een exploitatieplan. De water gerelateerde randvoorwaarden volgen uit dit waterhuishoudingsplan. 3.1 Riolering 3.1.1 Industriegebied Het bedrijventerrein ten westen Schapedrift (voor indurstie tot en milieucategorie 3) wordt voorzien van een afzonderlijk regenwaterriool dat afvoert naar het dwa-stelsel (verbeterd gescheiden stelsel). Het regenwater dat op de daken valt, wordt rechtstreeks afgevoerd naar het oppervlaktewater. In het rapport ‘Ontwerp riolering De Blauwe Zoom’ van Grontmij d.d. 19 juni 2008 is een ontwerp opgesteld voor het industriegebied. De rwa-riolen stromen onder een afschot van 1 ‰ naar rioolgemaal R0011. Het rwa-stelsel wordt leeggepompt in het dwa-stelsel met een ontwerpdebiet van 0,2 mm/h. 3.1.2 Woongebied en het bedrijventerrein van De Blauwe Zoom Het woongebied en het bedrijventerrein van De Blauwe Zoom wordt voorzien van een dwa stelsel.

In de optimalisatiestudie ‘Sliedrecht De Peulen’ (Grontmij 2007) is gekozen voor het afvoeren van afvalwater van een aantal gebieden in Hardinxveld-Giessendam naar de rwzi Sliedrecht. Hiervoor zal een persleiding worden aangelegd langs de Schapedrift. Het rioolgemaal van De Blauwe Zoom zal inprikken op de persleiding. Het regenwater wordt niet op het dwastelsel afgevoerd, maar loost op het oppervlaktewater of op een doorlatende verharding. Afvoernormen: De afvoer naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) is gelimiteerd door de waterkwaliteitsbeheerder (zogenaamde normafvoer): droogweerafvoer (dwa) 10 l/h/inw. inwonerdichtheid (conform rioleringsplan dd. juli 2002) 2,8 inw./won. pompovercapaciteit (vgs) 0,2 mm/h De maximale afvoer uit het gebied wordt de maximale afvoer geschat op: DWA: 650 won. x 2,8 inw./won. = 1.820 inwoners x 0,010 = 18,2 m3/h DWA Bedrijven: 3,5 ha x 0,85 = 2,98 m3/h POC rwa stelsel: 2 ha x 0,2 mm/h = 4,6 m3/h Totaal 25,78 m3/h. Voor De Blauwe Zoom is er nog geen verkavelingsplan. Dit betekent dat de ligging van de wegen nog niet bekend is en dat er nog een ontwerp opgesteld kan worden voor het rioolstelsel. Bij de uitwerking van het ontwerp van de riolering dient het waterschap betrokken te worden. De ontwerpnormen voor het ontwerp van het rioolstelsel zijn in tabel 3.1 weergegeven.

GM-0061784 Pagina 10 van 26

Uitgangspunten

Tabel 3-1: Ontwerpnormen voor het rwa- en dwa stelsel type rioolstelsel: gescheiden stelsel

Rwa-stelsel

Dwa-stelsel

Bergingseis

• •

‘schoon’ rwa-stelsel

niet van toepassing niet van toepassing

Dwa-stelsel

Hydraulische eis

•

standaard neerslaggebeurtenis

buinummer: 09,

maximaal 50% vulling

volgens Leidraad Riolering, modu-

herhalingstijd T=2 jaar

tijdens piekafvoer

le C2100

•

Waking (hoogteverschil tussen optredende waterstand en weg-

minimaal 0,20 m

hoogte)

• •

drempelhoogte overstort

0,20 m boven

drempelbreedte

max. waterpeil

•

Buffercapaciteit

niet van toepassing

bij voorkeur 1,00 m. Toets uitvoeren

niet van toepassing

venkant buis

1,30 m *

1,30 m *

Buismateriaal

Beton

Pvc / keramiek

Minimale buisdiameter

Ø 300 mm

Ø 250 mm

Maten, materialen

• • • •

minimale dekking op de buitenbo-

Buisverhangen rwa-stelsel

1‰ 0 - 150 m 4‰

dwa-stelsel

150 - 300 m 3‰

•

300 - 600 m 2‰ onderlinge verticale afstand bij

0,20 m

0,20 m

75 m

75 m

kruisen van riolen

•

maximale strenglengten

*) De diepteligging van de riolen en overige kabels en leidingen moet worden afgestemd met van nutsbedrijven. (kruisen van huisaansluitingen) 3.2 Kwel en wegzijging Het waterschap hanteert voor nieuwe woon- en bedrijventerreinen strikte uitgangspunten die zijn gebaseerd op de wettelijke taken van een waterschap. Door het realiseren van De Blauwe Zoom mag de kwel en wegzijging niet noemenswaardig toenemen. De berekeningen kunnen op meerdere wijzen worden uitgevoerd. Dat is afhankelijk van de omvang van de ruimtelijke ontwikkeling, de mate van kwel, de te verwachten effecten naar de omgeving en de economische gevolgen. In overleg met het waterschap is geen kwelberekening uitgevoerd maar worden de verwachte effecten beargumenteerd voor de toekomstige situatie. 3.3 Watercompensatie In het woongebied en bij de bedrijventerrein worden een aantal watergangen met een B- en Cstatus gedempt. Daarnaast neemt het verhard oppervlak toe door de aanleg van wegen, huizen en bedrijven. Voor de gedempte watergangen en de toename aan nieuwe verhardingen dient waterberging aangelegd te worden in het plangebied. Waterschap Rivierenland hanteert vuistregels voor compenserende waterberging: • Het oppervlak open water van te dempen watergangen dient 1:1 gecompenseerd te worden door de aanleg van open water.

• Bij toename van verhard oppervlak geldt 436 m3 extra waterberging per hectare toename van verhard oppervlak indien dat verhard oppervlak loost op open water. Voor de verhardingen die lozen op een waterdoorlatende verhardingen (kunstmatige bergingsvoorzieningen) hanteert het waterschap een compensatie van 664 m3/ha.

GM-0061784 Pagina 11 van 26

Uitgangspunten

3.4 Soorten bergingsvoorzieningen Bij de keuze van het soort bergingsvoorziening hanteert het waterschap de trits vasthouden-bergen-afvoeren uit het NBW. In aansluiting hierop hanteert het waterschap de volgende voorkeursvolgorde: 1. regenwater vasthouden door hergebruik of infiltratie (bovengronds) 2. regenwater bergen in open water 3. kunstmatige bergingsvoorzieningen (wadi’s, bassins, kratten, kelders) Ad 1: Regenwater vasthouden of infiltreren In het gebied De Blauwe Zoom is de ontwateringsdiepte te klein om het regenwater te infiltreren. Het waterschap hanteert de richtlijn dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) meer dan 50 cm onder de bodem van de bergingsvoorziening moet liggen. Hieraan wordt niet voldaan. Het infiltreren van regenwater is dan ook geen optie voor De Blauwe Zoom. Dit betekent dat het water geborgen moet worden. Ad 2: Regenwater bergen in open water De compensatie van bergingsverlies bij verhardingen gebeurt meestal (waar infiltratie niet mogelijk is) door het creëren van bergingsvoorzieningen. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van nieuw oppervlaktewater, dat wordt aangesloten op bestaande A- of B-watergangen of door het verruimen van het profiel van bestaande watergangen. Er zal niet worden gecompenseerd in C-watergangen. Een mogelijkheid is ook het bergen in retenties.

Een retentie is een watergang of waterpartij, die gescheiden is van het grotere watersysteem in de omgeving. De afvoer vanuit de retentie naar de A- of B-watergangen mag maximaal 1,5 l /s/ha zijn dat via een debietregulerend kunstwerk wordt bewerkstelligd. Als richtlijn wordt gehanteerd dat bij een achterliggend stedelijk gebied dat kleiner is dan 25 ha bij voorkeur een stuw wordt geplaatst in de vorm van een V-vormige overlaat (1e voorkeur) of een vlotterconstructie (2e voorkeur). Bij stedelijke gebieden groter dan 25 ha wordt een geautomatiseerde stuw (TMX-systeem) gekozen. Ad 3: Kunstmatige bergingsvoorzieningen Als er argumenten zijn om te bergen in kunstmatige voorzieningen (voorkeur 3) dan is dat in laatste instantie (en na overleg met het waterschap) ook een mogelijkheid. 3.5 Waterkwaliteit In de watergangen is een goede waterkwaliteit een vereiste. Het gaat daarbij om een goede fysisch-chemische waterkwaliteit en een goede ecologische kwaliteit. Waterkwaliteitseisen De chemische waterkwaliteit komt onder andere tot uitdrukking in de concentratie van opgeloste stoffen in het water. Voor alle watergangen gelden de MTR-waarden. De MTR-waarden zijn maximaal aanvaardbare stoffenconcentraties die niet mogen worden overschreven. In het nationale waterbeleid (vierde Nota Waterhuishouding) zijn voor allerlei stoffen MTR-waarden aangegeven.

Voor de ecologische waterkwaliteit is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) in principe bindend. Voor elke type water gelden specifieke waterkwaliteitseisen. De KRW normen gelden tot nu toe echter alleen voor de aangewezen waterlichamen. De watergangen in De Blauwe Zoom maken geen onderdeel uit van een aangewezen waterlichaam en behoren tot het ‘overig water’. In hoeverre de KRW doelen voor aangewezen waterlichaam ook gelden voor de overige watergangen die afwateren op de waterlichamen is nog niet duidelijk. Het afstromende water uit De Blauwe Zoom mag de waterkwaliteit van het waterlichaam: ‘Veenvaarten nederwaard’, code NL09_28 niet zodanig beïnvloeden dat de KRW doelen in het waterlichaam niet kunnen worden gehaald. Vooralsnog geldt voor het overige water de MTR voor de fysisch fysisch-chemische waterkwaliteit en STOWA-klasse III (zie het waterbeheerplan van het waterschap Rivierenland 2010-2015). Pas in de planperiode 2010-2015 zullen gebiedsgerichte doelstellingen worden uitgewerkt die meer aansluiten aan de KRW-systematiek. Mogelijk zullen de doelstellingen voor fosfaat en stikstof vergelijkbaar zijn met de landelijke doelstellingen van het type M8, mogelijk zullen deze nog regionaal voor de Alblasserwaard worden aangepast. GM-0061784 Pagina 12 van 26

Uitgangspunten

Wel kan gesteld worden dat de achtergrondconcentratie van fosfaat in de Alblasserwaard hoog is waardoor het MTR vaak niet wordt gehaald. Een concentratie voor P tussen 0,15 en 0,20 mg P/l is voor het oppervlaktewater in de Alblasserwaard een ‘normale’ waarde. Het KRW doel voor het KRW waterlichaam NL09_28 is voor fosfaat 0,20 mg P/l en voor stikstof 2,8 mg N/l. Dimensioneren watergangen Belangrijk is dat het watersysteem robuust is en de watergangen voldoende volume hebben zodat ze niet te snel opwarmen in de zomer. Dit voorkomt dat de zuurstofgehaltes snel dalen en nalevering vanuit de waterbodem gaat optreden. De kans op eutrofiëring en kroosvorming wordt daardoor verlaagd. De waterdiepte dient bij voorkeur 1 meter bij zomerpeil te zijn en een breedte van minimaal 5 meter bij wateroppervlak. (uit onderzoek van Grontmij en HH Schieland en Krimpenerwaard geven aan dat wateren met een breedte groter dan 5 meter minder kroosdek hebben). Daarnaast zijn een aantal diepe plekken van > 1,20 m bij winterpeil noodzakelijk voor het overwinteren van vissen. Natuurvriendelijke oever In het watersysteem zelf kan veel kwaliteit worden gewonnen door het realiseren van natuurvriendelijke oevers. Voor nieuwe A-watergangen (in stedelijk gebied) geldt als uitgangspunt dat 35% van de oeverlengte natuurvriendelijk wordt ingericht.

In principe zijn er twee typen natuurvriendelijke oevers: een flauwe oever en een plasdras oever. Een plas-dras oever ligt maximaal 30 cm onder zomerpeil en circa 10 cm onder winterpeil. Het plas-dras banket is minimaal 2 m. breed. Het talud boven de plas-dras oevers heeft minimaal een helling van 1:6; liever 1:14. Nagegaan moet worden of er voldoende ruimte is voor een 1:14 talud. Vanaf een talud van 1:6 kan rijdend worden onderhouden. In overleg met het waterschap wordt vorm gegeven aan de natuurvriendelijke oevers. Riolering en afkoppelen van hemelwater Het waterschap kent op dit moment (2010) een gewijzigd (interim) beleid ten aanzien van de kwaliteit van het hemelwater dat afstroomt via de openbare verharding. Met dit beleid wordt geanticipeerd op de nieuwe wetgeving (i.c. het Besluit lozingen buiten inrichtingen, Blbi), waarin als uitgangspunt geldt dat het afstromende hemelwater uiteindelijk schoon genoeg moet zijn om zonder verdere maatregelen terug in het milieu gebracht te worden’. Dit betekent dat bij afkoppelen de eerste 4 mm neerslag moet worden afgevoerd via een bodempassage. Als dit niet mogelijk is, moet er ruimte worden gereserveerd voor een bodempassage. Als laatste alternatief kan een lamellenfilter of iets vergelijkbaars worden toegepast.

Lozingen De meeste lozingen worden gereguleerd door middel van vergunningen of algemene regels op grond van de Waterwet en bijbehorende lozingenbesluiten. Voor de lozingen moeten vergunningen worden aangevraagd bij de afdeling Vergunningverlening van het waterschap. Wegen Het is belangrijk dat afspoeling van vervuilende stoffen van het wegdek naar de naastgelegen watergangen wordt voorkomen. Bij de aanleg en reconstructie van wegen dient daarom rekening te worden gehouden met de algemene regels van het (concept) Besluit lozingen buiten inrichtingen. Beplanting van de oevers Schaduwwerking van bomen op de oevers en de bijbehorende bladval op de oevers kunnen een zeer negatieve invloed hebben op de waterkwaliteit. Daarom adviseert het waterschap om eventuele bomen op het talud minimaal 4 meter uit de waterkant te planten. Indien er toch bomen worden geplant dan is de schaduwwerking het kleinst als de bomen alleen op de noordzijde of de oostzijde worden geplant. 3.6 Beheer en onderhoud Bij het realiseren van nieuwe watergangen is het van belang om zo goed mogelijk aan te sluiten bij alle uitgangspunten, die zijn opgenomen in de Keur en de beleidsregels voor de Keur van het waterschap. GM-0061784 Pagina 13 van 26

Uitgangspunten

De hierin opgenomen regels hebben betrekking op onder andere de profilering van de watergangen, de stabiliteit van de oevers, objecten op de oevers, duikers, bruggen, de bereikbaarheid voor onderhoud, in- en uitlaatplaatsen voor maaiboten, opslagmogelijkheden voor slootvuil en kroos, enzovoorts. Meer informatie hierover is te vinden in de Keur en de beleidsregels voor de Keur.

GM-0061784 Pagina 14 van 26

4

Plansituatie

4.1 Inleiding De bestemmingsplankaart (voorontwerp) vormt de basis voor het waterhuishoudingsplan. Op de plankaart is de waterstructuur aangegeven. In het woongebied en de bedrijventerrein is het wateroppervlak toegenomen. In paragraaf 4.3 wordt dit beschreven. Het gebied bij Buitendams is niet gewijzigd ten opzichte van de oorspronkelijke situatie. Ook vinden er geen ontwikkelingen plaats in de Scholenstrook, dat ten oosten van de weg Bellefleur is gelegen. Beide gebieden zijn dus consoliderend. 4.2 Peilen Het zomer- en het winterpeil blijft gelijk aan het zomer- en winterpeil van peilgebied Giessendam. In het peilbesluit is het zomerpeil NAP -1,75 meter en het winterpeil NAP -1,80 meter. Het oorspronkelijke landbouwgebied wordt voor de nieuwe woonwijk De Blauwe Zoom opgehoogd met een zandpakket van 2 á 3 m. Na zetting resulteert de ophoging effectief in een maaiveldverhoging van circa 0,5 m. De openbare ruimte en de wegen worden aangelegd op een hoogte van NAP -0,85 meter. De drooglegging in de winter is dan 1,0 meter. De watergangen krijgen een bodemhoogte van NAP -2,75 meter. De waterdiepte is dan 1,0 m in de zomer. 4.3 Waterstructuur Het water speelt een belangrijke rol in de stedenbouwkundige opzet van De Blauwe Zoom. Water versterkt de openheid en vormt een ruimtelijk kader voor het woongebied.

De Singel, in oost-westrichting, vormt met de waterloop langs de Schapedrift een omzoming van het noordelijke woongebied. In de noord-zuidrichting zijn waterlopen aanwezig die voor de afwisseling van de lineaire structuur zorgen. Centraal in het gebied ligt een brede wateras die naar de zuidzijde van de singel, de zogenaamde Lintzone, doorsteekt. Aan de oostzijde scheidt het water het woongebied van de voorzieningen (Scholenstrook). In de noord-oosthoek zal het water verbreed worden zodat een ruimtelijke aansluiting met het water aan de scholenstrook zal ontstaan. In het bestemmingsplangebied wordt minimaal 4,978 hectare water aangelegd. Het wateroppervlak is het wateroppervlak op de waterlijn, bij zomerpeil. Figuur 4.1 geeft de waterstructuur voor de plansituatie. De watergang om de noordelijke wooneilanden heeft in figuur 4-1 een Astatus. Echter is het nog niet zeker of deze watergang ook een A-status zal krijgen, maar dat is wel de intentie. De gemeente gaat dit bespreken met waterschap Riverenland. Het waterschap adviseert om de watergang ten westen van de noordelijke wooneilanden ook te voorzien van een A-status. De effecten in relatie met peilgebied Giessendam is beschreven in paragraaf 5.2 beschreven.

GM-0061784 Pagina 15 van 26

Plansituatie

Figuur 4-1: Waterstructuur voor de plansituatie

4.4 Waterberging Tabel 5-1 geeft het wateroppervlak voor de plansituatie en de oorspronkelijke situatie, de ligging van de waterstructuur is weergeven in figuur 2-4 en figuur 4-1. De berging in het oppervlak open water neemt toe van 6094 m3 tot 9956 m3. Dit is een toename van 3862 m3. Deze hoeveelheid berging is voor de compensatie van nieuwe verhard oppervlak. Bij toename van verhard oppervlak geldt 436 m3 extra waterberging per hectare toename van verhard oppervlak indien dat verhard oppervlak loost op open water. Dit betekent dat er 8,858 ha nieuwe verhardingen aangelegd kan worden. De bouw van de woningen wordt uitgevoerd door de ontwikkelaars. In het exploitatieplan wordt vastgelegd hoeveel verhard oppervlak er maximaal gerealiseerd kan worden op basis van de waterstructuur uit het bestemmingsplan. Als de ontwikkelaar meer wil verharden, dan zal hij zelf extra waterberging moeten aanleggen. Voor de aanleg van de extra verhardingen is het gewenst om waterberging in de vorm van open water te realiseren. Mocht dit niet haalbaar zijn is het ook mogelijk om waterdoorlatende verhardingen aan te leggen waarop de nieuwe verhardingen lozen. Waterschap Rivierenland hanteert voor verhardingen die lozen op een waterdoorlatende verharding een bergingsnorm van 664 m3/ha. 4.5

Wateroevers

GM-0061784 Pagina 16 van 26

Plansituatie

In het openbare gebied worden de zachte groene oevers afgewisseld met harde oevers door middel van schanskorven. De schanskorfmuren worden in het gebied toegepast op plaatsen waar de ruimtebehoefte dat vereist en de ruimtelijke structuur versterkt. Op de daarvoor geëigende plaatsen kan oevervegetatie het karakter versterken. De schanskorfmuren, die ook in de Scholenstrook toegepast zijn, worden een bindend element in de openbare ruimte langs het water. Deze elementen zijn duurzame en ecologisch interessante gebieden. Het is wel noodzakelijk dat er voldoende aandacht aan onderhoud besteed zal worden. De oevers van de nieuwe watergangen worden voor 35% van de oeverlengte voorzien van natuurvriendelijke oevers. 4.6

Bruggen, duikers en een optionele stuw

De Blauwe Zoom is geïnspireerd op het oorspronkelijke slotenpatroon in het landschap. Belangrijke langzaamverkeerroutes kruisen een aantal maal de geprojecteerde waterlijnen (singels) met bruggen. Het materiaalgebruik en de vormgeving van deze bruggen zal aansluiten op het type zoals al eerder is geplaatst in de aansluitende scholenstrook, dit type brug bestaat uit hout op staal. Op een aantal plaatsten wordt het water verbonden door middel van ovale duikers van minimaal 800 millimeter. Daarnaast worden een aantal bruggen aangelegd. De ligging en het aantal duikers en bruggen kan wijzigen. Figuur 4-2 geeft de indicatieve ligging van de kunstwerken weer. Een ovale duiker van minimaal 800 millimeter geldt als minimum.

Figuur 4-2: Indicatieve ligging van duiker en bruggen

GM-0061784 Pagina 17 van 26

Plansituatie

4.7 Verkeersstructuur De Blauwe Zoom krijgt vier auto-ontsluitingen vanaf de Schapedrift naar de woonbuurten. De wegen voor erfontsluiting worden uitgevoerd met een waterdoorlatende verharding. Als basisverharding voor de wegen is gekozen voor betonnen straatstenen. Dit materiaal wordt in de gehele openbare ruimte van De Blauwe Zoom toegepast. 4.8 Riolering Het afvalwater en regenwater wordt gescheiden ingezameld en afgevoerd. Het afvalwater stroomt via een droogweerafvoerstelsel (dwa) naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie Sliedrecht en het regenwater komt uiteindelijk op het oppervlaktewater terecht. Het bedrijventerrein in het westen van het bestemmingsplangebied vormt hierop een uitzondering. In dit industriegebied zijn bedrijven tot en met milieucategorie 3 gepland. Hier is gekozen om het regenwater af te voeren naar het dwa-stelsel. Het afvoerend oppervlak (3,5 hectare) is overgenomen uit het rioleringsplan. De pompovercapaciteit (poc) is 0,2 mm/uur en de berging in het stelsel is 4,2 mm. De daken van de bedrijven lozen wel direct op het oppervlaktewater. Voor De Blauwe Zoom is er nog geen verkavelingsplan. Dit betekent dat de ligging van de wegen nog niet bekend is en dat er nog een ontwerp opgesteld kan worden voor het rioolstelsel. Bij de uitwerking van het ontwerp van de riolering dient het waterschap betrokken te worden.

4.9 Waterdoorlatende verhardingen In de woonwijk worden delen van de verhardingen en daken aangesloten op een doorlatende verharding, die onder de wegen wordt aangelegd. In figuur 3 is een principetekening weergegeven van een waterdoorlatende verharding (rapport ‘Ontwerp riolering De Blauwe Zoom’ Grontmij, 19 juni 2008).

Figuur 4-3: Constructie waterpasserende verhardingen (indicatief)

Voor de ondoorlatende verhardingen wordt geen rekening gehouden met infiltratie van regenwater naar het grondwater (gedurende de extreme regenbui). De reden hiervoor is dat de afstand tussen de GHG en de onderkant van de infiltratievoorziening kleiner is dan 50 cm. Het regenwater moet dus worden geborgen in de funderingslaag, en zal bij verzadiging overstorten naar het oppervlaktewater (via een slokop). De berging in de infiltratievoorziening is wel volledig beschikbaar. 4.10 Beheer en onderhoud Bij het realiseren van nieuwe watergangen is het van belang om afspraken te maken over de onderhoudsplicht. Er zijn drie mogelijkheden: • A-watergangen: onderhoudsplicht berust bij waterschap Rivierenland; • B-watergangen: onderhoudsplicht berust bij de eigenaren van de aangrenzende percelen. De B-watergangen hebben een waterdiepte van 30-50 cm onder het vastgestelde zomerpeil; • C-watergangen: onderhoudsplicht berust bij de eigenaren van de aangrenzende percelen. De C-watergangen hebben een waterdiepte van 20 cm onder het vastgestelde zomerpeil.

GM-0061784 Pagina 18 van 26

Plansituatie

In het overleg van 28 februari 2011 is met waterschap Rivierenland en gemeente HardinxveldGiessendam de plankaart en de mogelijkheden voor onderhoud besproken. Naar aanleiding aan dit overleg heeft het waterschap informatie opgestuurd met betrekking tot het onderhoud. Indien het onderhoud vanaf het water wordt uitgevoerd geldt: • kunstwerken (duikers en fietsbruggen) moeten doorvaarbaar zijn: 1.00 meter doorvaarhoogte over een breedte van 2.00 meter; • er moet een voorziening komen waarmee het vuil kan worden verwijderd en de boot kan worden in- en uitgelaten; • de beschermingszone van 5 meter vervalt wanneer er sprake is van een rechte oever. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer woningen in het water worden gebouwd en waarbij er geen sprake is van een onderwatertalud. De A-status kan in dat geval tot de oever worden doorgetrokken, het water kan dan tot de rechte oever worden onderhouden met een boot; • de beschermingszone van 5 meter kan tot 1 meter worden teruggebracht indien er sprake is van schuine taluds. Het waterschap heeft deze niet nodig voor het onderhoudsmaterieel maar wil deze zone van 1 meter wel vrijhouden van obstakels. Het onderhoud kan ook vanaf de kant worden uitgevoerd. Bij eenzijdig onderhoud (bijvoorbeeld vanaf de rijbaan en een onderhoudspad) dient de maximale breedte van insteek tot insteek, 8 meter te bedragen.

Is de afstand groter dan 8 meter maar kleiner dan 16 meter) dan is tweezijdig onderhoud een optie. Dit betekent echter dat er ook een rijstrook moet worden gerealiseerd aan de overzijde van de watergang (uitgangspunt bij randvoorwaarden t.a.v. inrichting eilanden). Is de watergang (van insteek tot insteek) breder dan 16 meter, is varend onderhoud mogelijk. Uit figuur 4-1 volgt dat er meerdere watergangen breder zijn dan 8 m. Dit betekent dat het onderhoud vanaf twee zijden uitgevoerd dient te worden. Daarnaast zijn er een aantal trajecten die breder zijn dan 16 meter. De gemeente wil samen met het watershap overleg gaan voren over de uitwerking van het onderhoud. Opgemerkt wordt dat mogelijk de inzet van een kraan met een verlengde giek een alternatief is voor een dubbelzijdig onderhoudspad.

Figuur 4-4: Breedte van de watergangen, gemeten tussen insteek van de watergang.

GM-0061784 Pagina 19 van 26

5

Waterhuishoudkundige effecten

5.1 Algemeen In dit hoofdstuk worden de waterhuishoudkundige effecten beschreven van de aanleg van de nieuwe woonwijk en het bedrijventerrein. De beoordeling van het toekomstige watersysteem is gebaseerd op het voorlopige ontwerp, waarbij het maximaal verharde oppervlak is berekend op basis van de bergingsnormen van het waterschap. 5.2 Waterberging In het bestemmingsplangebied wordt extra bergingscapaciteit aangelegd ter compensatie van het nieuwe oppervlak aan verhardingen. Tabel 5-1 geeft het wateroppervlak voor de plansituatie en de oorspronkelijke situatie. De ligging van de waterstructuur is weergeven in figuur 2-4 en figuur 4-1. Tabel 5-1: Wateroppervlak en waterberging Wateroppervlak [ha]

Waterberging [m3]

Plansituatie

4,978

9956

Oorspronkelijke situatie

3,047

6091

De berging in het oppervlak open water neemt toe van 6094 m3 tot 9956 m3. Dit is een toename van 3862 m3. Dit betekent dat er 8,858 ha nieuwe verhardingen aangelegd kan worden. Als de ontwikkelaar meer wil verharden, dan zal hij zelf extra waterberging moeten aanleggen. Effecten in relatie met peilgebied Giessendam In het oosten van peilgebied Giessen ligt weinig open water in verhouding met het westen van peilgebied, waarin De Blauwe Zoom is gelegen. In de oorspronkelijke situatie ligt er ruim 6% (3,047 ha) open water in het plangebied. Het oorspronkelijke oppervlak open water blijft gehandhaafd, want de watergangen die worden gedempt worden voor 100% gecompenseerd door open water. Voor de aanleg van verhardingen wordt gecompenseerd door de aanleg van waterberging. Op de bestemmingsplankaart is ruim 10% open water (4,978 ha) opgenomen. Als de ontwikkelaar meer verhardingen wil aanbrengen dan 8,585 ha dient de ontwikkelaar extra waterberging aan te leggen. Kortom omdat het huidige oppervlak open water niet vermindert en er berging wordt aangelegd voor nieuwe verhardingen heeft de ontwikkeling van De Blauwe Zoom geen negatieve effecten voor het oosten van peilgebied Giessendam. Het oostelijke deel van Giessendam, waar weinig berging is, kan gebruik blijven maken van de berging in het westelijke deel van Giessendam omdat er geen stuw wordt aangelegd.

5.3 Kwel en wegzijging Binnen het bestemmingsplangebied is in sprake van een kwelsituatie. De deklaag biedt een weerstand waardoor de kwel wordt beperkt tot maximaal 1 tot 2 millimeter per dag. Door het graven van nieuwe watergangen zal de kwel licht toenemen omdat de deklaag gedeeltelijk wordt vergraven. Figuur 5-1 geeft de oorspronkelijke dikte van de deklaag weer.

GM-0061784 Pagina 20 van 26

Waterhuishoudkundige effecten

Figuur 5-1: Dikte van de deklaag (boringen uit Dinoloket)

Uit figuur 5-1 blijkt dat de dikte van de deklaag ruim 10,5 meter is. Bij een boring is niet dieper geboord dan 9,8 meter. Bij deze boring is de deklaag dus dieper dan 9,8 meter. Door de aanleg van de watergangen wordt de dikte van de deklaag niet minder dan 8,6 meter. Daarbij gaan we uit van een waterdiepte van 1,0 meter en een drooglegging van 0,95 m bij winterpeil. De effecten naar de omgeving zullen minimaal zijn omdat het waterpeil gehandhaafd blijft. 5.4 Peilstijgingen en stroomsnelheden in de watergangen Grontmij heeft voor het waterhuishoudingsplan De Blauwe Zoom d.d. 4 januari 2010 het watersysteemsysteem doorgerekend. Hieruit bleek dat de ovale duikers van 800 mm ruimschoots voldoen aan de norm van maximaal 5 mm opstuwing (de berekende opstuwing was gemiddeld 0,15 mm/duiker en de maximale opstuwing was 1,3 mm). Dit betekent dat alle bruggen en duikers voldoen aan de randvoorwaarden. De drooglegging voldoet met 0,9 m ook aan de randvoorwaarden. De watergangen zijn ook getoetst aan de randvoorwaarde voor de maximale stroomsnelheden. Uit de resultaten blijkt dat de stroomsnelheid in alle watergangen beneden de 0,3 meter per seconde blijft. Dit betekent dat de watergangen voldoen.

In overleg met het waterschap is afgesproken dat het niet nodig is om het watersysteem voor de bestemmingsplankaart opnieuw door te rekenen met Sobek mits een ovale duikers worden uitgevoerd met een afmetingen van minmaal 800 mm. 5.5 Waterkwaliteit Grontmij heeft voor het waterhuishoudingsplan De Blauwe Zoom d.d. 4 januari 2010 een nutrientenbalans opgesteld. De berekende stikstof- en fosforconcentraties zijn getoetst om na te gaan of de toekomstige situatie zal voldoen aan de MTR waarden uit de Vierde nota waterhuishouding. Deze nutriëntenbalans is berekend met behulp van een door Grontmij ontwikkeld spreadsheet NUANSE, waarmee zowel de nutriëntenbalans als een indicatie van de daadwerkelijke waterkwaliteit wordt berekend. Deze spreadsheet berekent de nutriëntenbalans aan de hand van kengetallen van de belasting (recent aangevuld met de nieuwe emissiemodule). Dit is uitgevoerd voor de oorspronkelijke situatie met landbouw. GM-0061784 Pagina 21 van 26

Waterhuishoudkundige effecten

Vervolgens is voor de toekomstige stedelijke situatie, rekening houdende met het rioolstelsel, het oppervlak open water en het peil een nieuwe nutriëntenbalans opgesteld. Ter verificatie van de oorspronkelijke situatie zijn de berekende concentraties stikstof en fosfor vergeleken met meetgegevens. In bijlage 2 zijn de resultaten van de water- en stoffenbalans opgenomen alsmede een toelichting op de invoerdata. In figuur 5-2 en figuur 5-3 zijn de berekende concentraties stikstof en fosfor weergegeven voor de oorspronkelijke- en toekomstige situatie. De toekomstige situatie is de situatie na aanleg van de woonwijk en het bedrijventerrein. De resultaten uit de stoffenbalans worden hieronder samengevat:

• de belasting van stikstof en fosfor door de aanleg van verhardingen is kleiner dan de belas• • • •

ting vanuit een landbouwgebied. Dit is te verklaren doordat er in een woonwijk en bedrijventerrein weinig meststoffen kunnen afspoelen naar het oppervlaktewater; de retentie van stikstof en fosfor wordt groter door de toename van het oppervlak open water. Door de retentie worden meer stikstof en fosfor vastgelegd in de waterbodem en waterplanten waardoor de concentraties stikstof en fosfor in het oppervlaktewater afnemen; de totale belasting (emissie) is circa 25% kleiner dan in de oorspronkelijke situatie; de totale belasting op het wateroppervlak is circa 55% kleiner dan in de oorspronkelijke situatie. Dit is te verklaren door een afname van de belasting van emissies (-25%) en het vergroten van het wateroppervlak (+165%); de belasting fosfor op het wateroppervlak is kleiner dan de kritische belasting van 2 g/m2. In de oorspronkelijke situatie was de belasting te groot (>2 g/m2). Als de kritische belasting wordt overschreden kan in sloten leiden tot kroosdekken.

Samenvattend neemt de belasting van stikstof en fosfor sterk af na aanleg van de woonwijk en het bedrijventerrein. Met NUANSE zijn de concentraties stikstof berekend voor de oorspronkelijke en toekomstige situatie, zie figuur 5-2 en figuur 5-3. Interessant is de hoge stijging van fosfor op 4 juli 2005. Op dat moment viel er 51 mm neerslag op het landelijke gebied. Een deel van de neerslag stroomt via het maaiveld direct naar het oppervlaktewater (runoff) omdat de bodem de neerslag niet zo snel kan verwerken. Bij afstroming over het maaiveld komen in het landbouwgebied veel voedingstoffen (meststoffen) in de watergangen terecht, waardoor de concentraties stikstof en fosfor direct stijgen naar 3,20 mg N/l en 0,38 mg P/l. Na aanleg van de woonwijk en het bedrijventerrein komt de neerslag snel tot afvoer via het afgekoppelde oppervlak, maar de concentratie stikstof en fosfor van het afstromende water zijn lager dan de concentratie in het runoff water. 6

stikstof in mg/l

5 4 toekomstige situatie 3

huidige situatie

2 1 0 1‐1‐2005

1‐1‐2006

1‐1‐2007

fosfor in mg/l

Figuur 5-2: Berekende concentratie stikstof voor de oorspronkelijke- en toekomstige situatie 0,5 0,45 0,4 0,35 0,3 0,25 0,2 0,15 0,1 0,05 0 1‐1‐2005

toekomstige situatie huidige situatie

1‐1‐2006

1‐1‐2007

Figuur 5-3: Berekende concentratie fosfor voor de oorspronkelijke- en toekomstige situatie GM-0061784 Pagina 22 van 26

Waterhuishoudkundige effecten

Uit figuur 5-2 en figuur 5-3 volgt ook dat voor het zomerhalfjaar de verschillen voor de oorspronkelijke en de toekomstige situatie klein zijn. Wij zien een vermindering van de zomergemiddelden van stikstof en fosfor van 30% (3,14 → 2,24 mg/l en 0,25 → 0,17 mg/l). Wij zijn van menig dat 30% vermindering aanzienlijk is voor de waterkwaliteit, in positieve zin. Het blijkt dat de emissiereductie voornamelijk in de winter plaatsvindt en niet in de zomer. Hierdoor is in het ecologische meest actieve deel van het jaar het verschil klein. De gemiddelde zomerwaarden zijn hieronder samengevat. Tabel 5-2: Berekende zomergemiddelde concentraties stikstof en fosfor. huidig

toekomstig

stikstof

fosfor

stikstof

fosfor

Gemeten

2,60

0,24

n.v.t.

n.v.t.

berekend

3,14

0,25

2,24

0,17

Voldoet aan MTR?

nee

nee

nee

Nee

Vooralsnog geldt voor het overige water de MTR voor de fysisch fysisch-chemische waterkwaliteit. De MTR normen voor fosfor en stikstof worden beide net overschreden. Pas in de planperiode 2010-2015 zullen gebiedsgerichte doelstellingen worden uitgewerkt die meer aansluiten aan de KRW-systematiek. Mogelijk zullen de doelstellingen voor fosfaat en stikstof vergelijkbaar zijn met de landelijke doelstellingen van het type M8, mogelijk zullen deze nog regionaal voor de Alblasserwaard worden aangepast. Wel kan gesteld worden dat de achtergrondconcentratie van fosfaat in de Alblasserwaard hoog is waardoor het MTR vaak niet wordt gehaald. Een concentratie voor P tussen 0,15 en 0,20 mg P/l is voor het oppervlaktewater in de Alblasserwaard een ‘normale’ waarde. Het KRW doel voor het KRW waterlichaam NL09_28 is voor fosfaat 0,20 mg P/l en voor stikstof 2,8 mg N/l. Indien mogelijk in de toekomst de landelijke doelstellingen voor type M8 gaan gelden wordt wel voldaan aan de doelstelling. De optie om eventueel water in te laten vanuit de Karnemelksloot is daardoor niet zinvol. De effectiviteit van de natuurvriendelijke oevers zou iets verbeterd kunnen worden door het water continue rond te pompen. Zonder pomp stroomt er weinig water door de natuurvriendelijke oevers en worden minder stikstof en fosfaat vastgelegd.

De aanleg van een pomp kan zo het rendement van de natuurvriendelijke oevers iets vergroten. Uiteraard heeft een natuurvriendelijke oever een belangrijke functie voor de aquatische ecologie. Het waterschap merkt op dat het rondpompen van water geen duurzame oplossing is en verwacht daarvan niet veel effect. 5.6 Overal beeld waterkwaliteit In de oorspronkelijke situatie voldoet de waterkwaliteit niet. De nutriëntenconcentraties zijn te hoog en er zijn problemen met de zuurstofhuishouding. In de toekomstige situatie worden een aantal factoren gewijzigd: • de (hoofd)watergangen worden dieper; • de (hoofd)watergangen worden breder; • er worden natuurvriendelijke oevers aangelegd; • er is meer doorstroming met schoner regenwater; • de uitspoeling vanuit de oorspronkelijke landbouw stopt; • het oorspronkelijke veen wordt bedekt met een laag ophoogzand van 2 tot 3 meter. Hierdoor wordt het veenpakket geheel onder de waterspiegel gedrukt. Deze verandering heeft tot gevolg dat de externe belasting van het water sterk wordt verminderd. Door wegvallen van de landbouw spoelen er minder meststoffen uit. Het water wordt vervangen door regenwater dat (deels) wordt voorgezuiverd. Door het wegdrukken van het veen onder de waterspiegel vermindert de mineralisatie van het veen. Ook dit zorgt voor een verminderde belasting.

Dit leidt tot concentraties van nutriënten die geen beperking meer vormen voor de ontwikkeling van een levensgemeenschap die hoort in dit gebied. De inrichting van de watergangen verandert ook. De diepte wordt vergroot waardoor het water minder snel opwarmt. Ook worden de watergangen voorzien van natuurvriendelijke oevers. De aanleg van natuurvriendelijke oevers zorgt ervoor dat de externe belasting met nutriënten minder effect heeft. De natuurvriendelijke oevers stimuleert de groei van onderwaterplanten die juist veen nutriënten kunnen opnemen. Hierdoor krijgen kroosdekken en algen minder kans. GM-0061784 Pagina 23 van 26

Waterhuishoudkundige effecten

De vorming van kroosdekken wordt ook tegengegaan door de watergangen breder aan te leggen. Hierdoor krijgt de wind meer vat op het water waardoor kroos minder goed kan groeien. Conform de evaluatie waterplan Hardinxveld-Giessendam wordt met deze inrichting de randvoorwaarde gecreëerd voor de ontwikkeling van klasse III (of beter). Of uiteindelijk klasse II of beter wordt behaald hangt mede af van het beheer van de watergangen. De oevers en de onderwaterplanten moeten op een natuurvriendelijke wijze worden gemaaid. Daarnaast moeten andere belastende factoren die in stedelijk gebied voorkomen worden beperkt. Hengelaars en het ‘eendjes voeren’ kunnen belangrijke bronnen van nutriënten zijn. Uit recent onderzoek van Grontmij (publicatie begin 2011) blijkt dat normaal gebruik als hengelwater een verwaarloosbare belasting oplevert. Hengelaars die intensief voeren zijn wel een probleem. Ook het eendjes voeren is een knelpunt. In islamitische wijken wordt zoveel gevoerd dat de waterkwaliteit duidelijk slechter wordt. Ook goedwillende ‘dierenvrienden’ die grote hoeveelheden oud brood bij bakkers ophalen om eenden bij te voeren zijn individueel een knelpunt. Daarnaast komen de eenden op het brood af en blijven in het water zwemen. Als ze even geen brood krijgen woelen ze de bodem om. Hierdoor wordt het water troebel en kunnen oeverplanten zich niet ontwikkelen.

Voorlichting is een van de beste methoden om de humane beïnvloeding tegen te gaan.

GM-0061784 Pagina 24 van 26

6

Conclusies en aanbevelingen

6.1 Conclusie Watergangen, duikers en bruggen Het toekomstige watersysteem is getoetst aan de randvoorwaarden die gelden voor de afvoeren bergingscapaciteit. Hieruit blijkt dat alle duikers (ovaal 800 mm) en bruggen voldoende ruim zijn gedimensioneerd. De drooglegging voldoet met 0,9 m ook aan de randvoorwaarden, zoals die met het waterschap zijn besproken. Waterberging In De Blauwe zoom wordt voldoende waterberging gerealiseerd. De berging in het oppervlak open water neemt toe van 6094 m3 (oorspronkelijke situatie) tot 9956 m3 (bestemmingsplankaart). Dit is een toename van 3862 m3. Deze hoeveelheid berging is voor de compensatie van nieuwe verhard oppervlak. Bij toename van verhard oppervlak geldt 436 m3 extra waterberging per hectare toename van verhard oppervlak indien dat verhard oppervlak loost op open water. Dit betekent dat er 8,858 ha nieuwe verhardingen aangelegd kan worden. De bouw van de woningen wordt uitgevoerd door de ontwikkelaars. In het exploitatieplan wordt vastgelegd hoeveel verhard oppervlak er maximaal gerealiseerd kan worden op basis van de waterstructuur uit het bestemmingsplan. Als de ontwikkelaar meer wil verharden, dan zal hij zelf extra waterberging moeten aanleggen. Waterschap Rivierenland hanteert voor verhardingen die lozen op een waterdoorlatende verharding een bergingsnorm van 664 m3/ha.

Kwel Door het graven van nieuwe watergangen wordt de deklaag plaatselijk vergraven. Uit metingen blijkt dat de dikte van de deklaag ruim 10,5 meter is. Door de aanleg van watergangen wordt de dikte van de deklaag niet minder dan 8,6 meter. De weerstand van de deklaag neemt af van 900 dagen naar 860 dagen. Door deze grote resterende weerstand is het effect op meer wegzijging en kwel beperkt. Waterkwaliteit Met de spreadsheet NUANSE zijn de effecten van de nieuwe situatie op de waterkwaliteit berekend. Uit de berekeningen blijkt dat de belasting van stikstof en fosfor door de aanleg van verhardingen kleiner wordt dan de belasting vanuit het landbouwgebied was. Dit is te verklaren doordat er in een woonwijk en een bedrijventerrein weinig meststoffen kunnen afspoelen naar het oppervlaktewater. De totale belasting op het wateroppervlak is circa 55% lager dan in de oorspronkelijke situatie. Dit is te verklaren door een afname van de belasting van emissies (25%) en het vergroten van het wateroppervlak (+165%). De belasting fosfor op het wateroppervlak is kleiner dan de kritische belasting (<2 g/m2). In de oorspronkelijke situatie is de belasting te groot (>2 g/m2). Wij zien een vermindering van de concentratie stikstof en fosfor. De zomergemiddelden verminderen met 30% (3,14 → 2,24 mg/l en 0,25 → 0,17 mg/l).

Wij zijn van menig dat 30% vermindering aanzienlijk is voor de waterkwaliteit, in positieve zin. Vooralsnog geldt voor het overige water de MTR voor de fysisch-chemische waterkwaliteit. Indien mogelijk in de toekomst de landelijke doelstellingen voor type M8 gaan gelden wordt wel voldaan aan deze doelstelling (fosfaat <0,20 mg P/l en voor stikstof <2,8 mg N/l. De optie om eventueel water in te laten vanuit de Karnemelksloot is daardoor niet zinvol.

GM-0061784 Pagina 25 van 26

Conclusies en aanbevelingen

De effectiviteit van de natuurvriendelijke oevers zou iets verbeterd kunnen worden door het water continue rond te pompen. Zonder pomp stroomt er weinig water door de natuurvriendelijke oevers en worden minder stikstof en fosfaat vastgelegd. De aanleg van een pomp kan zo het rendement van de natuurvriendelijke oevers iets vergroten. Uiteraard heeft een natuurvriendelijke oever een belangrijke functie voor de aquatische ecologie. Het waterschap merkt op dat het rondpompen van water geen duurzame oplossing is en verwacht daarvan niet veel effect. 6.2 Aanbevelingen Uit dit waterhuishoudingsplan volgen de volgende aanbevelingen: • aangeraden wordt om De Blauwe Zoom conform de uitgangspunten en het (voorlopige)ontwerp uit dit waterhuishoudingsplan uit te werken; • aangeraden wordt om de inlaat vanuit de Karnemelksloot niet aan te leggen. Indien mogelijk in de toekomst de landelijke doelstellingen voor type M8 gaan gelden wordt wel voldaan aan deze doelstelling (fosfaat <0,20 mg P/l en voor stikstof <2,8 mg N/l. De optie om eventueel water in te laten vanuit de Karnemelksloot is niet zinvol; • aangeraden wordt om wegen en parkeerstroken te voorzien van doorlatende verhardingen. Daarmee wordt de afspoeling van vervuilende stoffen van het wegdek/parkeerstroken naar de naastgelegen watergangen beperkt. Zaken die bij de uitwerking van het ontwerp nog uitgewerkt moeten worden zijn:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/796/documents/27634