bijlage 5 behorende bij bestemmingsplan Rivierdijk 135-135a Quickscan wet natuurbescherming.pdf
Tekst van het document
Quickscan HARDINXVELD-GIESSENDAM
RIVIERDIJK 135A QuickScan Wet natuurbescherming
Status:
Datum:
7 augustus 2023
Definitief
Project:
QS50854
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
INHOUD 1. Colofon
3
2. Samenvatting en advies
4
3. Inleiding
4
3.1
Aanleiding
5
3.2
Planlocatie
5
3.3
Ontwikkelingen en effecten
6
4. Kader en methode
8
4.1
Wettelijk kader
8
4.2
Onderzoeksmethode
12
4.3
Toepasbaarheid
13
5. Gebiedsbescherming
14
5.1
Natura2000
14
5.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
17
5.3
Stikstofdepositie
19
6. Soortbescherming
20
6.1
Flora
20
6.2
Fauna
21
6.3
Houtopstanden
29
Verantwoording
30
Bijlagen
31
Disclaimer
37 2
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
1. Colofon Onderzoek
QuickScan natuurtoets
Document
QS50854
Datum
7 augustus 2023
Locatie
Rivierdijk 135a; Hardinxveld-Giessendam
Opdrachtgever
Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V.
Opdrachtnemer
Ecofect B.V.
Ecoloog
Dhr. P. Wiegel
Adres
Laan 21, 8071 JG Nunspeet
Telefoon
06-12918775
info@ecofect.nl
Internet
www.ecofect.nl
KvK-nummer
87036487
Btw-identificatienr.
NL864184311B01
Rekeningnummer
NL39 RABO 0198 8908 69
3
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
2. Samenvatting en advies Uit de QuickScan is gebleken dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden de Wet natuurbescherming mogelijk wordt overtreden. Gebiedsbescherming Natura 2000 Gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand ten opzichte van Natura 2000-gebieden is een voortoets Natura 2000 niet noodzakelijk. Natuur Netwerk Nederland De planlocatie is gelegen buiten het Natuur Netwerk Nederland (Natuurnetwerk Zuid-Holland). Aangezien het Natuur Netwerk in Zuid-Holland geen externe werking kent is vastgesteld dat een verdere toetsing niet aan de orde is. Stikstof Gezien de geplande ontwikkeling en de afstand tot stikstofgevoelige natuur is een stikstofberekening (Aerius) voor de aanlegfase is noodzakelijk. Soortbescherming Flora Geen overtreding Wet natuurbescherming. Vleermuizen Geen overtreding Wet natuurbescherming. Vogels Geen overtreding Wet natuurbescherming. Reptielen en amfibieën Geen overtreding Wet natuurbescherming. Overige soorten Geen overtreding Wet natuurbescherming
4
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
3. Inleiding 3.1 Aanleiding Met de voorgenomen ontwikkelingen aan de Rivierdijk te Hardinxveld-Giessendam heeft opdrachtgever aan Ecofect B.V. gevraagd een QuickScan Wet natuurbescherming uit te voeren t.b.v. het vergunning traject en inzicht te verschaffen of de geplande uit te voeren werkzaamheden conflicteren met de Wet natuurbescherming. Voorliggend rapport geeft inzicht in het wettelijk kader, de gebruikte methodiek en de resultaten van het uitgevoerde onderzoek.
3.2 Planlocatie De planlocatie betreft een perceel gelegen aan de Rivierdijk 135a te Hardinxveld-Giessendam. Planlocatie is gelegen tussen de Rivierdijk en de Tiendweg. Op het erf staan een houten mantelzorgwoning (nr. 135a) en diverse opstallen opgetrokken uit verschillende materialen, doorgaans hout. De schuine daken zijn opgetrokken van damwandpanelen of golfplaat. (zie fotobijlage) In dit onderzoek is alle bebouwing achter op het perceel onderzocht op potentiële verblijfplaatsen van beschermde soorten. De hoofdwoning (nr. 135) blijft intact.
Figuur 1 planlocatie en onderzoeksgebied
5
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
3.3 Ontwikkelingen en effecten Het plan betreft de realisatie van een nieuwe woning met schuur op het te splitsen perceel Rivierdijk 135a te Hardinxveld-Giessendam. De bestaande woning nr. 135a en de in het verlengde gelegen schuren worden gesloopt. Voor inhoudelijke vragen over het ontwerp en de verdere inrichting van de planlocatie wordt verwezen naar opdrachtgever.
6
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn blijvend van karakter. De functie van het plangebied zal ecologisch veranderen. De ingrepen en effecten van de ingreep in relatie tot natuurwaarden: •
Algemene bouwwerkzaamheden
•
Aan- en afvoer (sloop)materiaal
•
Inrichting terrein behorend bij de gebruiksfunctie
Dit onderzoek is gericht om een inschatting te maken of beschermde soorten voorkomen en gebruik maken van de projectlocatie.
7
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
4. Kader en methode 4.1 Wettelijk kader Voor het uitvoeren van ruimtelijke ontwikkelingen is o.a. Wet natuurbescherming van kracht. Deze wetgeving vervangt de Flora- en faunawet, boswet en natuurbeschermingswet welke van kracht waren voor 1 januari 2017. In deze wet is de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld. In de toekomst zal deze wet worden opgenomen in de omgevingswet (1 juli 2023). Dit onderzoek beperkt zich tot de gebiedsbescherming en de soortenbescherming. In deze QuickScan worden de verschillende onderdelen van de Wet natuurbescherming getoetst. Omdat een veldbezoek en bureau-onderzoek geen zekerheid geeft of de Wet natuurbescherming wordt overtreden, wordt de potentie van het object ingeschat voor wat betreft beschermde soorten. Indien het object potentie heeft, zal een aanvullend onderzoek vast moeten stellen of uit moeten sluiten of er beschermde soorten gebruik maken van de opstallen. Potentie-inschatting vindt plaats op basis van habitatkenmerken, habitatseisen en ervaring van de ecoloog. Een goed voorbeeld is de kans op het waarnemen van vleermuizen tijdens het veldbezoek. De trefkans is nagenoeg nihil bij een bezoek overdag. Indien een object (gebouw of boom) potentie heeft, door bijvoorbeeld open stootvoegen, dan zal een nader onderzoek uit moeten wijzen of de beschermde soorten ook daadwerkelijk gebruik maakt van heb object.
En zo ja, welke functie heeft het object. Voor diverse soorten zijn er vastgestelde protocollen waarin de optimale onderzoeksperioden, weersomstandigheden en onderzoeksinspanning staan omschreven. Het bevoegd gezag toetst of de onderzoeken op de correcte wijze zijn uitgevoerd. Vanuit de Provincie of omgevingsdiensten zijn er toezichthouders die ten alle tijden kunnen vragen naar de rapporten van de uitgevoerde onderzoeken. Tevens zijn zij bevoegd om op basis van eigen bevindingen het werk stil te leggen en/of een dwangsom op te leggen indien er gehandeld wordt in strijd met de Wet natuurbescherming. Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Artikel 1.11 Zorgplicht 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2.
De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a)
dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel,
8
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
b)
indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft
om die gevolgen te voorkomen, of c)
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan
maakt. Overtreding Wet natuurbescherming Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming Artikelen 2.1 tot en met 2.12 van de Wet natuurbescherming regelen de bescherming van Natura2000gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijn gebieden). Voor Natura2000-gebieden zijn instandhoudingsdoelen opgesteld voor habitats, soorten, broedvogels en/ of niet-broedvogels. In artikel 2.7 verplicht de Wet natuurbescherming om vooraf te beoordelen of ingrepen / activiteiten in of in de nabijheid van Natura2000gebieden significant negatieve effecten kunnen hebben op de voor deze gebieden aangewezen instandhoudingsdoelen.
Mocht sprake zijn van (significant) negatieve effecten dan kan het aanvragen van vergunning bij bevoegd gezag (veelal de provincie waarbinnen de ingreep of activiteit plaatsvindt) aan de orde zijn. Soortbescherming Artikelen 3.1 tot en met 3.11 van de Wet natuurbescherming regelen de bescherming van soorten. De bescherming is opgedeeld in vijf categorieën met soorten: •
Vogels met jaarrond beschermde nesten;
•
Overige vogels;
•
Soorten van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I);
•
Overige soorten die op nationaal niveau beschermd zijn en waarvoor provinciaal geen vrijstelling geldt;
•
Overige soorten die op nationaal niveau beschermd zijn, maar waarvoor provinciaal wel een vrijstelling geldt.
Voor vogels geldt dat er twee categorieën zijn: de vogels met jaarrond beschermde nesten (o.a. Huismus, Gierzwaluw en Buizerd) en de overige broedvogels. Vogels met jaarrond beschermde nesten hebben een strikte beschermingsstatus binnen de Wet natuurbescherming. Van overige broedvogels zijn hun nesten alleen tijdens het broedseizoen beschermd zijn (periode van nestbouw, eileg, broeden en voeren van de jongen op het nest).
9
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
Voor soorten van de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn zijn in artikel 3.5 verboden vastgelegd (o.a. verboden om dieren te doden en voortplantings- of rustplaatsen te vernielen) en geldt een strikte beschermingsstatus. Soorten die op nationaal niveau beschermd zijn, kunnen ingedeeld worden in twee categorieën. Provincies mogen besluiten om bepaalde soorten vrij te stellen van bescherming in het kader van ruimtelijke ingrepen, beheer en onderhoud. In de meeste provincies geldt - onder andere voor ruimtelijke ontwikkelingen - een vrijstelling voor een selectie van zoogdieren en amfibieën. Voor de overige soorten gelden vergelijkbare verboden (zie artikel 3.10) als voor soorten van de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn en geldt eveneens een strikte beschermingsstatus. Voor het overtreden van verbodsartikelen bij ruimtelijke ingrepen is het noodzakelijk om ontheffing aan te vragen bij bevoegd gezag (veelal de provincie waarbinnen de ingreep plaatsvindt). Voor het verkrijgen van een ontheffing dient een uitgebreide rapportage opgesteld te worden waarin o.a. wordt aangegeven hoe gezorgd wordt dat schade tot een minimum beperkt blijft en of compenserende maatregelen aan de orde zijn.
Bescherming houtopstanden Een houtopstand beslaat een oppervlakte van 10 are of meer, of bestaat uit een beplanting van twintig bomen of meer in een rij, gerekend over het totaal aantal rijen. Buiten de bescherming houtopstanden (artikel 4.2) vallen de •
Houtopstanden binnen door de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom houtopstanden,
•
Houtopstanden op erven of in tuinen en fruitbomen en windschermen om boomgaarden,
•
Naaldbomen bedoeld als kerstbomen en niet ouder dan twintig jaar en kweekgoed,
•
Uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen en beplantingen langs landbouwgronden (enkele rij)
•
Het dunnen van een houtopstand, Uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa en die:
•
Minimaal eens per tien jaar worden geoogst,
•
Bestaan uit ten minste tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid bestaande uit een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter,
•
Zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Volgens artikel 4.2 is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen zonder daar melding van te doen bij Gedeputeerde Staten. Dit geldt niet voor het periodiek vellen van griend- of hakhout. Binnen drie jaar moet het gevelde deel weer zijn herplant. Vrijstellingen gelden er wanneer het vellen gebeurt middels een goedgekeurde gedragscode of de werkzaamheden voortvloeien uit instandhoudingsdoelstellingen voor Natura2000-gebieden of nodig zijn voor aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen.
10
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wn
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wn
Beschermingsregime andere soorten § 3.3 Wn
Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.
Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantings- plaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.
Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.
Art 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
Niet van toepassing.
Niet van toepassing
Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidings- gebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidings- gebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
11
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
4.2 Onderzoeksmethode De volgende methoden zijn bij het onderzoek gebruikt: 1.
Door middel van bureauonderzoek is onderzocht welke beschermde flora en fauna in de omgeving van het plangebied recentelijk zijn waargenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van waarnemingen uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Op basis van het onderzoek in verspreidingsatlassen en overige beschikbare natuurinformatie is een inschatting gemaakt welke soorten er redelijkerwijs zijn te verwachten in het plangebied.
2.
Op 11 juli 2023 is het plangebied door dhr. P. Wiegel bezocht. Daarbij werden de, in het plangebied aanwezige, natuurwaarden geïnventariseerd en beoordeeld. Tijdens dit veldbezoek was droog weer en ongeveer 27 graden Celsius. Er is gekeken naar mogelijke groeiplaatsen dan wel vaste rust- en verblijfplaatsen van de beschermde flora- en fauna. Dit is uitgewerkt in het hoofdstuk soortbescherming.
3.
Er is een visuele inspectie uitgevoerd op aanwezigheid van kieren, holten en spleten (voor zover aanwezig).
4.
De controle is te voet uitgevoerd en waar mogelijk zijn eventuele toegankelijke holtes en spleten verkennend geïnspecteerd (met zaklamp en/of endoscoop).
5.
Bewijslast is verzameld met fotomateriaal.
6.
De ligging van het plangebied ten opzichte van nabijgelegen beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN) werd opgezocht. Dit is uitgewerkt in het hoofdstuk gebiedsbescherming.
7.
In samenspraak met de opdrachtgever is de ingreep in kaart gebracht.
8.
Door middel van een nauwkeurige analyse van deze data en waarnemingen is: a.
bepaald of negatieve effecten op beschermde gebieden op voorhand zijn uit te sluiten of dat hiervoor een aanvullend onderzoek noodzakelijk is,
b.
een inschatting gemaakt van de redelijkerwijs te verwachten negatieve effecten op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten en functies,
c. 9.
bepaald of de bescherming van houtopstanden aan de orde is.
Er is gebruik gemaakt van de volgende hulpmiddelen (zie verantwoording).
10. De opgestelde rapportage is gecontroleerd en beoordeeld door een tweede lezer.
12
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
4.3 Toepasbaarheid Deze QuickScan is gericht op de mogelijke overtreding van de Wet natuurbescherming, niet aan andere (natuur)wetgeving. De resultaten van het onderzoek zijn 3 jaar geldig. Dit onderzoek kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen dat natuuronderzoek is verricht. Deze rapportage kan dan ook ingediend worden aan belanghebbende partijen zoals gemeente en provincie. Op basis van in de deze rapportage opgenomen projectgegevens (zie hoofdstuk 3; juni 2023) is dit onderzoek uitgevoerd en een inschatting gemaakt van de effecten hiervan op de beschermde soorten en gebieden. Latere wijzigingen van het project kunnen invloed hebben op deze effecten en zijn dus niet opgenomen in deze rapportage. Er zal dan een nieuwe beoordeling plaats moeten vinden. Deze verstrekte natuurinformatie is ten behoeve van de initiatief- en ontwerpfase van de planontwikkeling. Om in de uitvoerings- en beheerfase overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen, wordt – indien nodig- in deze rapportage aangegeven wanneer het noodzakelijk is om te werken volgens één van de volgende standaarden: •
Algemeen zorgvuldig handelen
•
Gedragscode ruimtelijke ontwikkeling
•
Ecologisch werkprotocol
•
Ontheffing/vergunning Wet natuurbescherming
13
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
5. Gebiedsbescherming 5.1 Natura2000 In Europa is een netwerk van beschermde gebieden opgezet. Dit zijn de zogenoemde Natura2000-gebieden. Deze gebieden zijn in de Wet natuurbescherming strikt beschermd. Volgens de Wet natuurbescherming is het volgens artikel 2.7 lid 2 verboden zonder vergunning projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Dit geldt ook voor projecten die fysiek buiten het Natura2000-gebied gelegen zijn, maar wel een effect kunnen hebben op het gebied (externe werking). Het plangebied ligt op een afstand van 1.5 kilometer het Natura2000 gebied de Biesbosch (figuur 2).
Figuur 2 – Natura 2000-gebied Biesbosch (1541 meter)
14
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
Figuur 3 Lingegebied & Diefdijk-Zuid
Figuur 4 Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem
U kunt te maken hebben met de zogenoemde externe werking van het Natura 2000-gebied. U moet daarbij bijvoorbeeld denken aan mogelijke effecten op de waterhuishouding, uitstoot van stikstof of effecten die het gevolg zijn van een groot project zoals aanleg van windmolens, zandwinning, een woonwijk of industrie. Om te bepalen of dit het geval is moet een natuurtoets (voortoets Natura 2000) worden uitgevoerd door een deskundig bureau. Als uw activiteit een negatief effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura2000-gebied is een vergunning nodig, voor meer info zie: vergunning Natura 2000-gebieden.
15
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
Het plangebied is gelegen op een afstand van 1.5 kilometer van Natura 2000-gebied de Biesbosch, 6.9 km van Natura 2000-gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid en 7.6 km ten opzichte van Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem. Vanwege de (effect)afstand en tussenliggende bebouwing wordt geen verstoring verwacht. De Biesbosch De Biesbosch was eeuwenlang een uitgestrekt zoetwatergetijdengebied, dat in Europa nauwelijks zijn weerga kende. Ontstaan in het begin van de vijftiende eeuw, tijdens de beruchte Sint- Elizabethsvloed, werd het gebied lange tijd gekenmerkt door verraderlijke wilgenvloedbossen (deels in gebruik als grienden), afgewisseld met kale zand- en slikplaten, rietgorzen en biezenvelden, maar door de uitvoering van de Deltawerken heeft de Biesbosch veel van zijn allure moeten prijsgeven. Na de afsluiting van het Volkerak in 1960 en het Haringvliet in 1970 viel het getij terug van gemiddeld 2 meter naar enkele decimeters. Het gebied bestaat uit drie delen: de Sliedrechtse en Dortsche Biesbosch ten noorden van de Merwede en de Brabantse Biesbosch ten zuiden ervan. Alleen in de Sliedrechtse Biesbosch resteert nog een getijdeverschil van ongeveer 70 centimeter door de open verbinding met de Oude Maas.
Het dynamische getijdengebied veranderde na de uitvoering van de Deltawerken in een verruigd moerasgebied waarin de hoogteverschillen tussen platen en geulen geleidelijk verminderden, wat ten koste ging van afkalving van de eilanden. De biezenvelden, rietgorzen en wilgenvloedbossen zijn grotendeels verdwenen; inpolderingen en de aanleg van reusachtige drinkwaterbekkens hebben verder hun tol geëist. Maar toch, ondanks dit alles bezit de Biesbosch ook in zijn huidige vorm grote botanische en faunistische kwaliteiten, terwijl het landschap van eilanden en slingerende waterwegen in wezen nog steeds bestaat.Naast Zuid-Flevoland het belangrijkste brongebied voor de blauwborst; een broedvogel van verruigd rietland. Daarnaast een belangrijk broedgebied voor andere moerasvogels (bruine kiekendief, porseleinhoen, snor en rietzanger) en broedvogels van waterrijke gebieden met opgaand bos (aalscholver en ijsvogel). Belangrijk rust- en foerageergebied voor fuut, lepelaar, kleine zwaan, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient, krakeend, wintertaling, kuifeend, grote zaagbek en grutto. daarnaast van enig belang voor aalscholver, pijlstaart, slobeend, tafeleend, nonnetje, visarend en meerkoet. Voor de meeste van deze soorten is zowel de Brabantse als de Dordtse Biesbosch als slaap- en foerageergebied van betekenis.
In de Dordtse Biesbosch heerst daarnaast voldoende rust voor een belangrijkde functie als ruigebied (wintertaling) en als pleisterplaats voor verstoringsgevoelige soorten als lepelaar en nonnetje. De Sliedrechtse Biesbosch is vooral van belang voor ganzen. Lingedijk en Diefdijk-Zuid Het Natura 2000 gebied Zuider Lingedijk en Diefdijk-Zuid omvat de oeverlanden van de rivier de Linge, die een smal stroomgebied heeft dat tussen Rijn en Waal ligt ingekneld. Door zijn omvang, schaal en dynamiek neemt de Linge een bijzondere positie in in het Nederlandse rivierenlandschap. Het landschap is minder dynamisch dan dat van de Rijn, Waal, Maas en IJssel, maar heeft in veel opzichten toch het karakter van een rivierenlandschap met daarbij behorende landschapselementen, begroeiingen en soorten. Samenhangend met de geringere dynamiek, wordt het gebied gekenmerkt door interessante overgangen naar laagveen, wat tot uiting komt door een diversiteit aan verlandingsgemeenschappen. Door zijn kleinschaligheid is het gebied van groot belang voor de kamsalamander. Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem (Noord-Brabant) Het Natura 2000 gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem bestaat uit drie aparte deelgebieden. Het deelgebied Loevestein ligt rond het gelijknamige slot en bestaat uit graslanden en moeras in de uiterwaarden van de Waal en de Afgedamde Maas.
Het deelgebied Pompveld omvat moeras, grienden, bosjes en vochtige
16
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
graslanden. Het is een kleine polder met eigen watrerhuishouding. Ook de Kornsche Boezem is een kleine boezempolder, met veel grienden. Het Natura 2000 gebied heeft in zijn geheel een rijke visfauna. Conclusie Natura 2000 Gezien de afstand tot Natura 2000 en de effectafstanden is een aanvullend onderzoek- voortoets - niet nodig.
17
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
5.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • • • • •
Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; Alle Natura 2000-gebieden.
Conclusie Natuurnetwerk Nederland Aangezien het plangebied is gelegen buiten het NNN van Zuid-Holland en het NNN in Zuid-Holland geen externe werking kent, is nadere toetsing niet aan de orde.
18
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
5.3 Stikstofdepositie Door de uitspraak van de Raad van State inzake het Programma Aanpak Stikstof kan er geen beroep gedaan worden op de oude regeling PAS. Citaat uit de kamerbrief van 11 juni 2019: ‘Het is duidelijk dat het PAS niet meer gebruikt kan worden als passende beoordeling voor toestemmingsverlening. Dat wil niet zeggen dat alle vergunningverlening daarmee helemaal stil komt te liggen. Met een individuele passende beoordeling die voldoet aan de randvoorwaarden die de Afdeling schetst is dit wel mogelijk. Als gevolg van de uitspraak geldt als voorwaarde bij toestemmingsverlening dat zodanige maatregelen moeten worden getroffen dat verzekerd is dat de stikstofdepositie op daarvoor gevoelige Natura 2000gebieden niet toeneemt. Dat kan door maatregelen verbonden aan de activiteit zelf (intern salderen), of – onder strikte voorwaarden – door saldering met de effecten van beëindiging of beperking van andere activiteiten (extern salderen). Individuele toestemmingsverlening is ook mogelijk op basis van een andere ecologische onderbouwing waaruit blijkt dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende Natura 2000gebied niet worden aangetast, ondanks een toename van stikstofdepositie van het betreffende project. Het is aan het betreffende bevoegde gezag om hierover te oordelen. Hierbij is aandacht voor een eenduidige handelwijze tussen de bevoegde gezagen.
Wanneer uit een individuele passende beoordeling niet de vereiste zekerheid kan worden verkregen dat er geen sprake is van aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied, zal alleen toestemming kunnen worden verleend aan de hand van de ADC-toets. Een toestemming op basis van de ADC-toets kan alleen worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: er zijn geen alternatieve oplossingen (A), het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang (met inbegrip van redenen van sociale of economische aard) (D), en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura-2000 bewaard blijft (C). Het resultaat van de compensatie moet in beginsel bereikt zijn op het moment waarop het betrokken gebied schade van het project ondervindt.’ (einde citaat) De afstand tot depositiegevoelige Natura 2000-gebieden (inclusief habitatsoorten) is 1.5, 6.9 en 7.6 kilometer. Het gaat hier om respectievelijk het Natura 2000 gebied de Biesbosch, Lingegebied& Diefdijk Zuid en Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem. Er zijn instandhoudingsdoelstellingen voor stikstofgevoelige habitattypen of soorten met stikstofgevoelig leefgebied vastgesteld voor deze Natura 2000-gebieden.
Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied in relatie tot de geplande ontwikkelingen wordt een mogelijke toename van stikstofdepositie verwacht in de aanleg- en nieuwe gebruiksfase Advies / conclusie Een Aeriusberekening voor de aanleg- en nieuwe gebruiksfase wordt dan ook noodzakelijk geacht.
19
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
6. Soortbescherming De Wet natuurbescherming kent twee vormen van soortbescherming voor ruimtelijke ontwikkeling gekoppeld aan de juridische status van de soorten: • •
Algemene zorgplicht Zorgvuldig handelen
Algemene zorgplicht Heb respect voor alle wilde flora en fauna en tracht het doden, verontrusten en beschadigen van aanwezige soorten te voorkomen of, indien voorkomen in redelijkheid niet mogelijk is, dit zo veel mogelijk te beperken. Zorgvuldig handelen Deze vorm van soortbescherming is gekoppeld aan soorten met een juridisch beschermde status. Er dient invulling te worden gegeven aan zorgvuldig handelen tijdens de uitvoering van werken die vallen onder ruimtelijke ontwikkeling. Zorgvuldig handelen betreft: 1.
Voorkomen dat schade optreedt aan beschermde planten en dieren (bijvoorbeeld andere projectlocatie kiezen).
2.
Beperken van schade aan beschermde planten en dieren (bijvoorbeeld beschermingszone hanteren rondom een bewoond vogelnest of verplaatsen beschermde planten).
3.
Ongedaan maken van schade aan beschermde planten en dieren:
Preventief: alternatieve verblijfplaats (mitigerende maatregelen) realiseren voordat het werk uitgevoerd wordt (bijvoorbeeld aanleg van een poel voor de gewone pad). Achteraf: opgelegd door het bevoegd gezag indien onzorgvuldig is gehandeld.
6.1 Flora Toetsing aan gebiedsbescherming vindt uitsluitend plaats indien beschermde gebieden in het geding zijn, terwijl toetsing aan de soortbescherming altijd vereist is, zowel binnen als buiten beschermde gebieden. Bevinding veldbezoek Het perceel is nauwkeurig onderzocht op inheemse en uitheemse beschermde vegetatie. Er zijn geen (groeiplaatsen van) beschermde soorten aangetroffen. Ook de geraadpleegde databanken geven geen aanwijzingen naar beschermde soorten op de projectlocatie.
20
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
6.2 Fauna Bureaustudie geeft, op basis van data uit het NDFF, aanleiding om de in de omgeving (<2 km) voorkomende soorten ecologisch onderbouwd nader te beoordelen. Habitatgeschiktheid en waarnemingen van aanwezigheidsaanwijzingen zullen bepalend zijn om een nader onderzoek te adviseren om vast te stellen of uit te sluiten of het plangebied een functie heeft voor deze soorten en wat de ingreep voor effect heeft. Op de planlocatie is, zoals eerder omschreven, bebouwing aanwezig. De opstallen die deel uit maken van de planontwikkeling hebben geen toegankelijke (pannen)daken. Er ontbreekt bij de meeste opstallen dakbeschot waardoor er geen holte is waar een huismus zich zal vestigen. In potentie zijn deze daken ongeschikt voor soorten als de huismus en de gierzwaluw, De directe omgeving rondom de planlocatie heeft weinig opties en de omgeving weinig alternatieven voor de huismus (vb. bestaande woningen). De ingreep heeft geen invloed op het habitat of nestplaatsen van de huismus. Een nader onderzoek naar de huismus is niet noodzakelijk om vast te stellen of uit te sluiten of de huismus gebruik maakt van de te slopen opstallen. De gierzwaluw maakt ook gebruik van menselijke bebouwing als nestplaats. Deze 90- dagenvogel broedt veelal onder dakpannen. Een aantal voorwaarden stelt de gierzwaluw aan zijn nestplaats (kolonie).
Een potentiële nestplaats is vrijwel nooit onder de 3 meter te vinden in verband met het aan- en afvliegen en doorgaans ook niet in de onmiddellijke omgeving van bomen. Gierzwaluwen hebben invliegopeningen nodig van ca 55 x 20 mm. In potentie is het onmogelijk dat ook deze soort de opstallen gebruikt als nestlocatie. Aangezien er met de geplande ingreep geen verblijfplaatsen verloren gaan, wordt ook hier geadviseerd geen nader onderzoek uit te voeren. De opstallen heeft ook voor de gierzwaluw (evenals de huismus) geen potentie om bovengenoemde redenen. Gedurende het veldbezoek zijn individuen, nesten en/of sporen niet aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 1.000 meter van en op de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid vogels met jaarrond beschermde nesten wel bekend (NDFF 2019- 2022). Van de vogels uit categorie 5 (zie tabel 3) kunnen in de omgeving worden verwacht: vink (Fringillidae), pimpelmees (Cyanistes caeruleus), koolmees (Parus major), ekster (Pica pica) kokmeeuw (Chroicocephalus ridibundus), en spreeuw (Sturnus vulgaris). Wat betreft de spreeuw kan er buiten het broedseizoen worden gewerkt omdat dit soort een soort is dat makkelijk uitwijkt naar alternatieve verblijfplaatsen (doorgaans gebouwen).
Hiernaast kunnen binnen het plangebied zangvogels aanwezig zijn die in tuinen en landelijk gebied broeden zoals de merel (Turdus merula), heggenmus (Prunella modularis) en winterkoning (Troglodytes troglodytes) en overige vogels die broeden in gebouwen onder bijvoorbeeld dakpannen, zoals de kauw (Coloeus monedula). Er zijn geen sporen aangetroffen van uilen of roofvogels die duiden op het gebruik van de opstallen of bomen als verblijfplaatsen en het omliggende terrein als foerageergebied (o.a. braakballen, prooiresten, geplukte vogels, zitplaatsen met uitwerpselen/krijtsporen). Met de planontwikkeling gaan er naar verwachting geen nest- of rustplaatsen van deze soorten verloren. Het foerageergebied blijft voor deze soorten in stand tenzij anders ingericht. Sporen van uilen, zoals braakballen en meststrepen zijn niet gevonden. Het voorkomen van vogels zoals genoemd in de verdragen van Bonn en Bern kan niet worden uitgesloten. Deze soorten vallen zowel onder het beschermingsregime Vogelrichtlijn als het beschermingsregime Habitatrichtlijn. Voor deze soorten geldt dat ze niet opzettelijk mogen worden verstoord, ongeacht hun staat van instandhouding. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren.
Voor werkzaamheden met schadelijke effecten op broedvogels wordt veelal geen ontheffing verleend, omdat het uitvoeren van de werkzaamheden
21
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
buiten het broedseizoen over het algemeen een goed alternatief vormt. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Voor de meeste soorten kan de periode tussen half maart en eind juli worden aangehouden als broedseizoen. Advies / conclusie Ten aanzien van vogels worden geen nadere onderzoeken noodzakelijk geacht.
22
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
Jaarrond beschermde nesten In onderstaande tabel (volgende pagina) zijn opgenomen de nesten welke door de wetgever jaarrond beschermd zijn. Geen van deze nesten zijn aangetroffen.
Nederlandse naam
Bescherming
Nederlandse naam
Bescherming
Nederlandse naam
Bescherming
Steenuil
Categorie 1
Blauwe reiger
Categorie 5
Kleine vliegenvanger
Categorie 5
Gierzwaluw
Categorie 2
Boerenzwaluw
Categorie 5
Koolmees
Categorie 5 Categorie 5
Huismus
Categorie 2
Bonte vliegenvanger
Categorie 5
Kortsnavelboomkruip er
Roek
Categorie 2
Boomklever
Categorie 5
Oeverzwaluw
Categorie 5
Grote gele kwikstaart
Categorie 3
Boomkruiper
Categorie 5
Pimpelmees
Categorie 5
Kerkuil
Categorie 3
Bosuil
Categorie 5
Raaf
Categorie 5
Oehoe
Categorie 3
Brilduiker
Categorie 5
Ruigpootuil
Categorie 5
Ooievaar
Categorie 3
Draaihals
Categorie 5
Spreeuw
Categorie 5
Slechtvalk
Categorie 3
Eidereend
Categorie 5
Tapuit
Categorie 5
Boomvalk
Categorie 4
Ekster
Categorie 5
Torenvalk
Categorie 5
Buizerd
Categorie 4
Gekraagde roodstaart
Categorie 5
Zeearend
Categorie 5
Havik
Categorie 4
Glanskop
Categorie 5
Zwarte kraai
Categorie 5
Ransuil
Categorie 4
Grauwe vliegenvanger
Categorie 5
Zwarte mees
Categorie 5
Sperwer
Categorie 4
Groene specht
Categorie 5
Zwarte roodstaart
Categorie 5
Wespendief
Categorie 4
IJsvogel
Categorie 5
Zwarte specht
Categorie 5
Zwarte wouw
Categorie 4
Kleine bonte specht
Categorie 5
Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming het gehele seizoen: Categorie 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil). Categorie 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus). Categorie 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk). Categorie 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil). Categorie 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.
Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Indien dit het geval is, is een omgevingscheck benodigd.
23
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
Vleermuizen Het leefgebied van beschermde vleermuizen (artikel 3.5 Habitatrichtlijn bijlage IV) bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. In de toelichting vleermuizen (volgende pagina) worden deze onderdelen nader toegelicht. Verblijfplaatsen voor vleermuizen moeten voldoen aan een geschikt microklimaat: temperatuur, verschillende temperaturen binnen één object (gradiënten), snelheid van opwarmen of afkoelen (bufferwaarde) en vochtigheid. Essentieel is dat de verblijfplaats tochtvrij is in verband met de temperatuurregulatie en het voorkomen van uitdroging in de winter. Winterverblijven moeten daarnaast grotendeels vorstvrij zijn. Vleermuizen zijn gevoelig voor licht. Bij een verblijfplaats wordt dan ook niet vaak een lichtbron gevonden. De toegang tot de verblijfplaats, de in- en uitvliegopeningen en de aanvliegroute moet vrij van obstakels zijn. De opstallen hebben geen spouwmuren en open stootvoegen waardoor er geen potentie is voor vleermuisverblijven. Ook de ruimten tussen de nokaansluiting zijn in potentie ongeschikt om toegang te verschaffen tot de opstallen omdat e.e.a. volledig dicht zit (zie fotobijlage). Aangezien de gebouwen kiervrij zijn, wordt een vleermuisonderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen niet noodzakelijk geacht. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat het plangebied in gebruik is door vleermuissoorten.
Nabij en op de planlocatie zijn geen bomen aanwezig met vleermuispotentie. Hierbij kan gedacht worden aan holten en loshangende schors hetgeen aanwezig is op de planlocatie. Eventueel aanwezige soorten zullen geen hinder ondervinden van de geplande ontwikkeling en er zullen geen verblijfplaatsen verloren gaan vanwege eerder genoemde redenen. Schade op onmisbare vliegroutes en foerageergebieden, verblijfplaatsen van vleermuizen kan mogelijk ontstaan wanneer de lijnelementen verdwijnen uit het landschap. Nabij de planlocatie zijn deze lijnelementen aanwezig. Hiertussen staan ook bomen met holten welke in potentie een verblijfplaats kan zijn voor de vleermuis. Aangezien deze bomenrijen buiten het plangebied liggen is er in het onderzoek van uit gegaan dat deze intact blijven zal dit geen invloed hebben voor de vleermuis. Het foerageergebied blijft intact. Een nader onderzoek naar foerageergebied en vliegroutes is niet noodzakelijk. Het biotoop en habitat laat zich het beste omschrijven door stedelijke omgeving. Advies / conclusie Nader onderzoek naar vleermuizen wordt niet noodzakelijk geacht.
24
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
Toelichting vleermuizen Verblijfplaats Een object (gebouw, boom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s winters, met enige regelmaat). Zomerverblijfplaats: Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. Kraamverblijfplaats Een verblijfplaats van een kraamgroep met vrouwtjes met jongen. Paar(verblijf)plaats Een verblijfplaats of de omgeving daarvan, waar ten minste een baltsend mannetje of meerdere vleermuizen overdag verblijven en paren of komen zwermen. Welk gedrag is waar te nemen, is afhankelijk van de soort. Te herkennen aan zwermgedrag en/of baltsroepen. (Zwermen bij het invliegen komt bij meer verblijfsfuncties voor.) Winterverblijfplaats Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Het betreft bij soorten die jaarrond in hun leefgebied blijven nogal eens een voormalige paarplaats of een andere verblijfplaats.
Er
zijn
bij
soorten
als
gewone
dwergvleermuis
massa
winterverblijfplaatsen
en
winterverblijfplaatsen voor kleinere groepen te onderscheiden. Vliegroute Een vaste route van een vleermuis of een groep van vleermuizen vanaf een verblijfplaats naar een foerageergebied of tussen verblijfplaatsen visa versa. Migratieroute Een vaste route van zomerleefgebied naar winterverblijfplaats of winterleefgebied en visa versa. Foerageergebied Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert.
25
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
Overige zoogdieren Soorten van Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn Tijdens het veldbezoek zijn geen vaste verblijfplaatsen van overige zoogdieren die zijn opgenomen op Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn aangetroffen. Bever en otter In het plangebied zijn geen sporen van de otter (Lutra lutra) of bever (Castor fiber) aangetroffen. Het voorkomen van beide soorten kan hiermee redelijkerwijs worden uitgesloten. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Vanwege het karakter van het plangebied is het habitat voor deze soort ongeschikt. Hamster, hazelmuis en noordse woelmuis Het verspreidingsgebied van de hamster (Cricetus cricetus) en hazelmuis (Muscardinus avellanarius) is beperkt tot Zuid-Limburg. Voor de noordse woelmuis (Microtus oeconomus) geldt dat deze soort een zeer natte, kruidenrijke vegetatie behoeft en dat de verspreiding zich beperkt tot de lage, natte delen van Nederland. Derhalve kan worden gesteld dat binnen het plangebied geen van de genoemde soorten voorkomen. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Slaapmuizen Het verspreidingsgebied van de eikelmuis (Eliomys quercinus) beperkt zich tot specifieke gebieden in ZuidLimburg. De soort kan voor het plangebied worden uitgesloten.
In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Ware muizen Het verspreidingsgebied van de grote bosmuis (Apodemus flavicollis) beperkt zich tot de oostgrens van Nederland en ligt ver buiten het plangebied. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Voor de overige ware muizen geldt dat zij door de provincie Zuid-Holland voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. Spitsmuizen Het verspreidingsgebied van de veldspitsmuis (Crocidura leucodon) betreft Twente en Zeeuws-Vlaanderen en ligt derhalve buiten het plangebied. De waterspitsmuis (Neomys fodiens) is gebonden aan schone wateren met een rijke oevervegetatie. Derhalve kan worden gesteld dat beide soorten niet in het plangebied voorkomen. Voor de overige spitsmuizen geldt dat zij door de provincie Zuid-Holland voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Woelmuizen De verspreiding van de molmuis (Arvicola scherman) is beperkt tot Limburg. Sporen zijn van deze soort niet aangetroffen. De planlocatie leent zich dan ook niet voor deze soort. De overige onder dit beschermingsregime vallende woelmuizen zijn door de provincie Zuid-Holland voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming.
In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied.
26
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
Eekhoorn Tijdens het veldbezoek werden geen nesten van de eekhoorn (Sciurus vulgaris) of knaagsporen aangetroffen. De bomen nabij het plangebied zijn onderzocht. Het plangebied vertoont dan ook geen essentiële functie voor de eekhoorn. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Haasachtigen, egel en vos Deze soorten zijn door de provincie Zuid-Holland voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. Marterachtigen De planlocatie biedt geen geschikt leefgebied voor marterachtigen. Verblijfplaatsen gaan niet verloren. Daarnaast zijn er geen sporen als krabsporen in bomen, prooiresten of uitwerpselen aangetroffen. De planlocatie biedt derhalve geen vaste rust- of voortplantingsplaats. Het is op basis van habitatgeschiktheid uitgesloten dat de steenmarter op de planlocatie voorkomt. Het plangebied heeft geen vaste rust-of verblijfplaatsen. Overige soorten De in Nederland voorkomende zoogdieren betreffen of zeezoogdieren of slechts zelden in Limburgse bossen waargenomen soorten (de wilde kat (Felis silvestris) en lynx (Lynx lynx) en de in Nederland gevestigde wolf (Canis lupus)) ofwel in het bos of open veld levende grote hoefdieren. Derhalve kan worden gesteld dat binnen het plangebied geen overige zoogdieren voorkomen.
In de diverse databases zijn wel verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied (het ree: capreolus capreolus). Reptielen en amfibieën en vissen De planontwikkeling waarbij graafwerkzaamheden aan watergangen zijn voorzien, is op de planlocatie bepaald of geschikt leefgebied voor heikikker, kamsalamander en grote modderkruiper aanwezig is. Bittervoorn is niet langer beschermd sinds invoering van de Wet natuurbescherming. Voor kamsalamander vormen de kavelsloten in het plangebied geen geschikt voortplantingsbiotoop en ook is geen geschikt landbiotoop. Negatieve effecten op deze soort kunnen worden uitgesloten. De kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris), gewone pad (Bufo bufo), bruine kikker (Rana temporaria), bastaardkikker (Pelophylax esculentus) en meerkikker (Pelophylax ridibundus) zijn door de provincies voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. De effectafstanden en invloeden van genoemde soorten zijn dus irrelevant. De ingreep heeft geen invloed op het habitat van deze soorten. De beschermde vissen zijn rivieroptrekkende zoutwater soorten die niet of nauwelijks in Nederland worden aangetroffen.
De beekdonderpad (Cottus rhenanus), beekprik (Lampetra planeri), elrits (Phoxinus phoxinus) en gestippelde alver (Alburnoides bipunctatus) zijn soorten van schone heldere continu stromende beken en zijn (grotendeels) beperkt tot de provincie Limburg. De beekprik komt ook elders op de hogere zandgronden voor en van de elrits bevindt zich een geïsoleerde populatie op de Veluwe. De kwabaal (Lota lota) is een soort van grote wateren en riviertjes. Dergelijke leefgebieden komen in het plangebied ook niet voor. Derhalve kan worden gesteld dat in het plangebied geen onder dit beschermingsregime voorkomende vissen te verwachten zijn. De ingreep heeft geen invloed op het habitat van deze soorten.
27
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
Vlinders en libellen Volgens het NDFF (2017-2022) komt er in het 5 km-cohort één beschermde libellesoort voor. Het gaat om de libellensoort beekrombout. Deze soort is aangewezen op beken en riviertjes. De agrarische graslandpercelen binnen het plangebied zijn ongeschikt voor deze en anderenieuw beschermde planten en ongewervelden. Het plan leidt niet tot negatieve effecten op soorten die sinds de invoering van de Wet natuurbescherming beschermd zijn. Overige ongewervelden Het oeveraas (Palingenia longicauda), de juchtleerkever (Osmoderma eremita) en Bataafse stroommossel (Unio crassus) zijn uit Nederland verdwenen. Van de vermiljoenkever (Cucujus cinnaberinus) is slechts een populatie nabij Maarheeze (Noord-Brabant) bekend. Omdat veensloten en vennen met schoon water ontbreken in het plangebied kan het voorkomen van andere overige ongewervelden redelijkerwijs worden uitgesloten. Het plangebied bevindt zich buiten het bekende verspreidingsgebied van de Europese rivierkreeft (Astacus astacus) en het vliegend hert (Lucanus cervus). In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied.
28
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
6.3 Houtopstanden Op de planlocatie worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming. Overtreding op dit onderdeel Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Hoofdstuk 4 in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van houtopstanden. Een bij wet beschermde houtopstand betreft een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend buiten de bebouwde kom, die een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Voor het kappen (van een deel) van een beschermde houtopstand geldt meld- (artikel 4.2) en herplantplicht (artikel 4.3). Er geldt een verbod op de kap als het voornemen daartoe niet (maximaal een jaar en minimaal een maand) vooraf is gemeld bij bevoegd gezag. Binnen drie jaar moet dezelfde grond op bosbouwkundig verantwoorde wijze zijn herbeplant. De gemeenteraad stelt de grens bebouwde kom Wet natuurbescherming vast. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Provinciale staten kunnen in de provinciale verordening regels opnemen over de melding en de herplant, zoals herplant op andere gronden dan waar de (deels) gevelde opstand stond. Deze regel geldt niet voor : 1.
Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom;
2.
Houtopstanden op erven of in tuinen;
3.
Fruitbomen en windschermen om boomgaarden;
4.
Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar;
5.
Kweekgoed;
6.
Uit populieren of wilgen bestaande: a.
Wegbeplantingen;
b.
Beplantingen langs waterwegen, en
c.
Eenrijige beplantingen langs landbouwgronden;
7.
Het dunnen van een houtopstand;
8.
Uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: a.
Ten minste eens per tien jaar worden geoogst;
b.
Bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en
c.
Zijn aangelegd na 1 januari 2013.
29
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
Verantwoording Literatuur / bronnen •
Wet natuurbescherming
•
Omgevingsverordening
•
Fauna inventarisatie, Rik Schoon
•
150416_Rapport_Effectafstanden_Natura_2000.pdf
Materiaal •
Camera
•
Zaklamp
•
Thermometer
•
Windmeter
•
Verrekijker
•
Endoscoop
•
Ladder (5 meter)
•
Uv lamp
Internet •
www.rvo.nl
•
www.bij12.nl
•
wwww.verspreidingsatlas.nl
•
www.zoogdiervereniging.nl
•
www.ndff.nl
•
www.synbiosys.alterra.nl/natura2000
•
https://atlasnatuurlijkkapitaal.nl/kaarten
•
www.natura2000.nl
•
https://www.infomil.nl
30
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
Bijlagen
Groningen
Friesland
Drente
Overijssel
Flevoland
Gelderland
Utrecht
Noord- Braband
Zuid-Holland
Zeeland
Noord-Holland
Limburg
Ministerie EZ(AmvB RN art. 3.31)
Vrijgestelde soorten per provincie
Aardmuis
Microtus agrestis
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Bosmuis
Apodemus sylvaticus
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Bunzing
Mustela putorius
x
x
Dwergmuis
Micromys minutus
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Dwergspitsmuis
Sorex minutus
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Egel
Erinaceus europaeus
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Eekhoorn
Sciurus vulgaris
Gewone bosspitsmuis
Sorex araneus
x
x
x
x
x
x
x
x
Haas
Lepus europeus
x
x
x
x
x
x
x
x
Hermelijn
Mustela erminea
x5 x
Huisspitsmuis*
Crocidura russula
x
x
x
x
x
x
x
x
Konijn
Oryctolagus cuniculus
x
x
x
x
x
x
x
x
Molmuis
Arvicola scherman
Ondergrondse woelmuis
Pitymys subterraneus
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Ree
Capreolus capreolus
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Rosse woelmuis
Clethrionomys glareolus
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Steenmarter
Martes foina
Tweekleurige bosspitsmuis
Sorex coronatus
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Veldmuis*
Microtus arvalis
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Vos
Vulpes vulpes
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Wezel
Mustela nivalis
x
x5 x
x
x
Wild zwijn
Sus scrofa
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Zoogdieren
Woelrat
Sus scrofa
x5 x
x
x
x x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x2
x
x x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Amfibiën en reptielen Bruine kikker
Rana temporaria
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Gewone pad
Bufo bufo
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Hazelworm
Anguis fragilis
Kleine watersalamander
Lissotriton vulgaris
Levendbarende hagedis
Zootoca vivipara
Meerkikker
Pelophylax ridibundus
x3 x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x4 x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Middelste groene kikker / bastaardkikker Pelophylax klepton esculentus x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
* voor deze soorten daarnaast algemene vrijstelling in/op gebouwen en bijbehorende erven Wnb 3.10 3e lid x1 = vrijstelling geldt in de periode maart- april en juli tot en met november x2 = vrijstelling geldt in de periode 15 augustus tot en met februari x3 = vrijstelling geldt in de periode juli, augustus en september x4 = vrijstelling geldt in de periode 15 augustus tot en met 15 oktober x5 = de vrijstelling voor deze soorten wordt ingetrokken met de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening 2022
31
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
32
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
33
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
34
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
35
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
36
QUICKSCAN 50854 – RIVIERDIJK 135A HARDINXVELD-GIESSENDAM
Disclaimer Deze rapportage is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven. Niets uit deze rapportage mag, met uitzondering van de opdrachtgever, worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, kopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van Ecofect B.V., noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecofect B.V. is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere gegevens verkregen. De opdrachtgever vrijwaart Ecofect B.V. voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie. © 2023 Ecofect B.V.; Nunspeet
37