CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 3 - Was-wordt tabel verordening Wmo.pdf

Gemeenteraad GHG 28 september 2023, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 9: Herijking Verordening maatschappelijke ondersteuning Hardinxveld-Giessendam - Raadsvoorstel8.148 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage 3 – Was-wordt-tabel Onderwerp Algemene bepalingen Begripsbepaling toegevoegd: Algemene voorzieningen

Was Geen

Begripsbepaling toegevoegd: Huisgenoot Begripsbepaling toegevoegd: Pgb-leverancier

Geen

Begripsbepaling toegevoegd: Zorgplan

Geen

Reikwijdte verordening

Artikel 1.2 Reikwijdte verordening 1. Deze verordening betreft de maatwerkvoorzieningen met betrekking tot de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. 2. Het college kan, onverminderd het bepaalde in deze verordening, nadere regels stellen over: a. het bepaalde in hoofdstuk 7. b. welke eisen, in aanvulling op de in artikel 8.1 gestelde eisen, worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

Geen

Wordt Artikel 1.1 Begripsbepalingen b. Algemene voorziening: de algemene voorziening als omschreven in artikel 1.1.1 van de wet, waarbij het college zich aan een aanbieder verbonden heeft; Artikel 1.1 Begripsbepalingen i. Huisgenoot: alle medebewoners die op hetzelfde adres verblijven als cliënt; Artikel 1.1 Begripsbepalingen s. Pgb-leverancier: de leverancier, zorgorganisatie en/of hulpverlener die via een persoonsgebonden budget een maatwerkvoorziening verstrekt of verleent; Artikel 1.1 Begripsbepalingen x. Zorgplan: een door de cliënt en de aanbieder of pgbleverancier gemaakt plan dat een concrete invulling bevat van de door deze aanbieder of pgb-leverancier te verlenen ondersteuning aan de cliënt, gebaseerd op de in het onderzoeksverslag noodzakelijk bevonden ondersteuning, en dat dient als werkdocument dat wordt aangevuld met de geleverde ondersteuning en bereikte effecten. Artikel 1.2 Reikwijdte verordening 1. Deze verordening heeft betrekking op de algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen met betrekking tot de zelfredzaamheid en participatie, met uitzondering van de voorzieningen ten aanzien van opvang en beschermd wonen. 4.

Het college kan, onverminderd het bepaalde in deze verordening, en in aanvulling op artikel 8.1 en artikel 8.3, nadere regels stellen over de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder begrepen de eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten.

Doelgroep verordening

Geen

Afstemming tussen domeinen

Geen

Algemene voorzieningen Toegang Algemene voorzieningen

Geen

Omschrijving Algemene voorzieningen

Geen

Ambulante ondersteuning

Artikel 2.3 Ambulante ondersteuning Het college draagt zorg voor niet- geïndiceerde ambulante ondersteuning. Deze ondersteuning omvat waar nodig:

Artikel 1.2 Reikwijdte verordening 2. Deze verordening richt zich op personen: a. die ingezetene zijn van de gemeente en; b. die ondersteuning nodig hebben bij hun zelfredzaamheid en/of participatie, of; c. die, al dan niet woonachtig in de gemeente, als mantelzorger ondersteuning aan een ingezetene van de gemeente bieden. Artikel 1.2 Reikwijdte verordening 3. Wanneer de cliënt te maken heeft met meervoudige domeinoverstijgende problematiek op het terrein van de Wet, de Jeugdwet, de Participatiewet en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening draagt het college zorg voor een goede afstemming van de ondersteuning. Artikel 2.1 Toegang algemene voorzieningen 1. De algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling. 2. Ingezetenen die een beroep wensen te doen op een algemene voorziening kunnen zich rechtstreeks wenden tot een aanbieder van deze voorziening. Artikel 3.1 Algemeen 1. Een algemene voorziening kan ingericht zijn voor alle ingezetenen van Hardinxveld-Giessendam of voor een specifieke doelgroep. 2. Het college bevordert en treft de algemene voorzieningen die naar zijn oordeel bijdragen aan: a. de bevordering van de zelfredzaamheid en de participatie van ingezetenen; b. het in staat stellen van mantelzorgers en vrijwilligers om hun taken als mantelzorger en vrijwilliger uit te voeren. 3.

Algemene voorzieningen sluiten zoveel mogelijk aan op eigen initiatieven van burgers of bestaande maatschappelijke initiatieven. Artikel 3.3 Ambulante ondersteuning Het college draagt zorg voor niet-geïndiceerde ambulante ondersteuning. Deze ondersteuning omvat waar nodig:

a. informatie, advies; b. vraagverheldering; c. kortdurende ondersteuning; d. langdurende ondersteuning.

a. informatie, advies; b. vraagverheldering; c. kortdurende ondersteuning; d. langdurende ondersteuning.

Dagactiviteiten

Artikel 2.4 Dagactiviteiten met lichte ondersteuning Het college draagt zorg voor niet-geïndiceerde dagactiviteiten met lichte ondersteuning met het oog op het aangaan van sociale contacten, het bieden van enige structuur alsmede het ontlasten van eventuele mantelzorgers.

Artikel 3.4 Dagactiviteiten met lichte ondersteuning Het college draagt zorg voor niet-geïndiceerde dagactiviteiten met lichte ondersteuning met het oog op het aangaan van sociale contacten, het bieden van enige structuur alsmede het ontlasten van eventuele mantelzorgers.

Vervoersvoorzieningen

Geen

Mantelzorgondersteuning

Geen

Bijdrageplicht Algemene voorzieningen

Artikel 3.2 Bijdrageplicht algemene voorzieningen 1. De cliënt is een bijdrage verschuldigd voor het gebruik van een algemene voorziening. 2. De bijdrage is inkomensonafhankelijk. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het geven van korting aan door het college aan te wijzen groepen. 3. Het college kan nadere regels stellen inzake de aard, inhoud en hoogte van de bijdrage, zoals bedoeld in artikel 5.2.1, eerste lid.

Artikel 3.5 Vervoersvoorzieningen Het college draagt zorg voor een lokale algemeen toegankelijke vervoersvoorziening. Artikel 3.6 Mantelzorgondersteuning Het college draagt zorg voor ondersteuning ten behoeve van de mantelzorger met als doel het blijvend kunnen bieden van de mantelzorg en het voorkomen van overbelasting van de mantelzorger, door waar nodig (deels of tijdelijk) taken over te dragen aan een vrijwilliger of professional. Artikel 5.1 Bijdrageplicht algemene voorzieningen 1. Het college kan een bijdrage vragen voor het gebruik van een algemene voorziening. 2. De bijdrage is inkomensonafhankelijk.

Compensatie gebruikskosten

Artikel 3.1 Algemeen: Compensatie gebruikskosten 4. De aanbieder van een algemene of maatwerkvoorziening vraagt aan de cliënt een bijdrage voor de kosten die de cliënt uitspaart doordat deze onderdeel uitmaken van de voorziening, voor zover dat tussen het college en de aanbieder is afgesproken. Het gaat hierbij in elk geval om kosten: a. voor het gebruik van consumpties en maaltijden bij dag- en nachtopvang en;

Artikel 5.2 Algemeen: Compensatie gebruikskosten 1. De aanbieder van een algemene voorziening kan aan de cliënt een bijdrage voor de kosten vragen voor de kosten die de aanbieder maakt voor diensten die aanvullend op de voorziening worden aangeboden en waarvan de cliënt gebruik maakt. Het gaat hierbij in elk geval om kosten: a. voor het gebruik van consumpties en maaltijden bij dagopvang en; b. het gebruik van maaltijden bij dagbesteding;

5.

b. voor het doen van een was. De hoogte van de bijdrage is kostendekkend. De aanbieder maakt de verschuldigdheid en hoogte van de bijdrage zichtbaar voor de cliënten die de voorziening van hem betrekken.

Toezicht en handhaving

Klachtenafhandeling

Waardering mantelzorgers

Maatwerkvoorzieningen Toegang – Melding

Toegang – afzien van onderzoek als cliënt genoegzaam bekend is. Toegang – Aanvraag

Artikel 5.1 Regeling voor klachtenafhandeling 1. Het college regelt dat de aanbieder, waar nodig naar het oordeel van het college, een regeling voor klachtenafhandeling heeft. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders. Apart hoofdstuk, omdat dit formeel geen algemene voorziening is

Artikel 2.1 Melding 4. Het college wijst de cliënt op de mogelijkheid om gedurende zeven dagen een persoonlijk plan in te dienen.

c.

uitstapjes die vanuit de algemene voorziening voor dagbesteding of dagopvang worden georganiseerd. d. voor de gereden kilometers en eventuele parkeerkosten bij de vervoersvoorziening. 2. De hoogte van de bijdrage is maximaal de kostprijs van de voorziening. 3. De aanbieder maakt de verschuldigdheid van de bijdrage en hoogte van de kosten zichtbaar voor de cliënten die de voorziening van hem betrekken. Artikel 6.1 Kwaliteits- en calamiteitentoezicht algemene voorzieningen Het college zorgt voor kwaliteitstoezicht en een meldpunt voor calamiteiten voor de algemene voorzieningen waarbij dagopvang, begeleiding, respijtzorg en/of logeeropvang onderdeel uitmaken van de ondersteuning. Artikel 9.1 Regeling voor klachtenafhandeling 1. Iedere aanbieder heeft een regeling voor afhandeling van klachten van cliënten. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders. Artikel 10.1 Waardering van mantelzorgers Het college bepaalt in nadere regels waaruit de jaarlijkse blijk van waardering van mantelzorgers van cliënten van de gemeente bestaat. Artikel 2.2 Melding 4. Het college wijst de cliënt op de mogelijkheid om gedurende zeven dagen na dagtekening van de ontvangstbevestiging een persoonlijk plan in te dienen. Artikel 2.4 Onderzoek en gesprek 3.

Indien de cliënt en de ondersteuningsvraag genoegzaam bekend zijn kan het college, in afwijking van het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een onderzoek. Artikel 2.6 De aanvraag

Toegevoegd lid 2 en 3

2.

Toegang – heronderzoek en evaluatie

Geen

Toegangscriteria – algemeen, verbijzonderd voor verhuiskosten

Artikel 3.2 Algemene toegangscriteria 2. Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening: f. indien de aanvraag betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan het moment van beschikken heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de maatwerkvoorziening noodzakelijk is en als goedkoopst passend aan te merken valt.

Individuele begeleiding

Artikel 3.6 Individuele begeleiding Er bestaat geen aanspraak op individuele begeleiding: a. indien verblijf een noodzakelijk onderdeel is van het totale ondersteuningspakket.

Bij de aanvraag voor persoonsgebonden budget voor ondersteuning in de vorm van dienstverlening moet de cliënt een budgetplan, een zorgplan en een verklaring omtrent gedrag van maximaal 6 maanden oud van de hulpverlener overleggen. 3. Bij de aanvraag voor persoonsgebonden budget voor ondersteuning in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing moet de cliënt een budgetplan en een offerte overleggen. Artikel 2.10 Heronderzoek en evaluatie 1. Na toekenning van een maatwerkvoorziening voor dienstverlenende ondersteuning wordt periodiek een evaluatie gepland om de ondersteuningsdoelen te monitoren. 2. Na toekenning van een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of aanpassing kan periodiek een evaluatie worden gepland om de doeltreffendheid van de voorziening te monitoren. 3. Indien de beschikkingsperiode afloopt en de ondersteuning nog niet is beëindigd, wordt cliënt benaderd voor een heronderzoek. 4. Voor het heronderzoek worden dezelfde stappen doorlopen als bij het reguliere onderzoeksproces zoals beschreven in artikel 2.4 tot en met 2.6. 5. Artikel 2.7 is van overeenkomstige toepassing. Artikel 4.7 Woonvoorzieningen en woningaanpassingen 1. Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening ter compensatie van door een cliënt ondervonden beperkingen in het normale gebruik van de woning en/of het zich verplaatsen in en om de woning indien: a.

de aanvraag betrekking heeft op verhuiskosten die de cliënt voorafgaand aan het moment van beschikken heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de maatwerkvoorziening noodzakelijk is en als goedkoopst passend aan te merken valt. Artikel 4.3 Individuele begeleiding 1. Er bestaat geen aanspraak op individuele begeleiding: a. indien verblijf een noodzakelijk onderdeel is van het totale ondersteuningspakket.

b. voor zover de compensatie kan worden bereikt met dagbesteding.

Dagbesteding

Geen

Huishoudelijke ondersteuning

Geen

Logeeropvang/kortdurend verblijf

Geen

b. voor zover de compensatie kan worden bereikt met dagbesteding. 2. Een voorziening voor lichte vormen van individuele begeleiding kan niet worden toegekend voordat is vastgesteld dat de ondersteuning vanuit de algemene voorzieningen, maatschappelijke initiatieven of het eigen netwerk niet toereikend is. Artikel 4.4 Dagbesteding 1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor dagbesteding als a. de cliënt als gevolg van een beperking of specifieke omstandigheid onvoldoende in staat is om zelf of met behulp van zijn netwerk zinvolle tijdsinvulling met sociale contacten of deelname aan het maatschappelijk verkeer te organiseren, of b. er sprake is van een beperking of specifieke omstandigheid, waardoor gedurende de dagbesteding deskundigheid vereist is, of c. overbelasting van mantelzorgers daardoor wordt voorkomen. 2. Een voorziening voor dagbesteding kan niet worden toegekend voordat is vastgesteld dat de ondersteuning vanuit de algemene voorzieningen, maatschappelijke initiatieven of het eigen netwerk niet toereikend is. 3. Indien meerdere opties voor passende dagbesteding beschikbaar zijn, wordt gekozen voor de dichtstbijzijnde passende locatie. Artikel 4.5 Huishoudelijke ondersteuning 1.

Onverminderd artikel 2.3.5 lid 3 van de wet kan een cliënt alleen in aanmerking komen voor huishoudelijke ondersteuning indien de cliënt wegens een beperking niet zelfstandig in staat is om huishoudelijke taken te verrichten of deze opnieuw aan te leren. 2. Het schoonhouden en/of schoonmaken van de buitenkant van de woning zoals het ramen lappen aan de buitenkant en het onderhouden van de tuin, maken geen deel uit van de huishoudelijke ondersteuning. Artikel 4.6 Logeeropvang of kortdurend verblijf 1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor logeeropvang of kortdurend verblijf, terugkerend met een maximum van

Primaat van verhuizen (verplaatst van algemeen artikel primaten, naar artikel woonvoorzieningen en woningaanpassingen)

Artikel 3.5 Primaten 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen bij het normale gebruik van de woning en het zich verplaatsen in de woning kan het college het primaat van verhuizen toepassen.

gemiddeld 3 etmalen per week of aaneengesloten, als er zonder de inzet hiervan overbelasting van de mantelzorger dreigt of in onverwachte situaties en a. de cliënt langdurig is aangewezen op meer dan gebruikelijke hulp, en b. ondersteuning vanuit de algemene voorziening voor respijtzorg, dagbesteding en ambulante ondersteuning niet voldoende oplossing bieden, en c. de cliënt geen aanspraak kan maken op de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg om de overbelasting te voorkomen. 2. Een voorziening voor logeeropvang of kortdurend verblijf kan niet worden toegekend voordat is vastgesteld dat de ondersteuning vanuit de algemene voorzieningen, maatschappelijke initiatieven of het eigen netwerk niet toereikend is. Artikel 4.7 Woonvoorzieningen en woningaanpassingen 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen bij het normale gebruik van de woning en het zich verplaatsen in de woning kan het college het primaat van verhuizen toepassen.

Vervoer omvang

Artikel 3.4 Omvang maatwerkvoorziening voor vervoer Een te verstrekken maatwerkvoorziening voor vervoer ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie stelt de cliënt in staat zich lokaal te verplaatsen met een omvang van maximaal 2000 kilometer per jaar.

Artikel 4.8 Vervoer 2. Een te verstrekken maatwerkvoorziening voor vervoer ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie stelt de cliënt in staat zich lokaal te verplaatsen met een omvang van maximaal 1500 kilometer per jaar.

Primaat collectief vervoer

Artikel 3.5 Primaten 1. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening kan het college het primaat van collectieve voorzieningen, zoals het collectief vraagafhankelijk vervoer van deur tot deur, hanteren. Geen

Artikel 4.8 Vervoer 3. Bij het verstrekken van een vervoersvoorziening kan het college het primaat van het collectief vraagafhankelijk vervoer van deur tot deur hanteren.

Vervoer algemeen

Artikel 4.8 Vervoer 1. Het college kent geen vervoersvoorziening toe als a. de cliënt redelijkerwijs in staat is zelfstandig het openbaar vervoer te bereiken en te gebruiken of dit (opnieuw) aan kan leren of b. de cliënt door gebruik van de in hoofdstuk 3 genoemde

Persoonsgebonden budget

Geen

Persoonsgebonden budget – criteria

Artikel 4.1 Criteria persoonsgebonden budget 1. Onverminderd artikel 2.3.6 van de wet bestaat er geen aanspraak op een persoonsgebonden budget: f. indien naar het oordeel van het college onvoldoende aannemelijk is dat met het persoonsgebonden budget zal worden voorzien in toereikende ondersteuning van goede kwaliteit;

Persoonsgebonden budget – criteria

Artikel 4.1 Criteria persoonsgebonden budget 1. Onverminderd artikel 2.3.6 van de wet bestaat er geen aanspraak op een persoonsgebonden budget: h. indien de beperkingen kunnen worden gecompenseerd met een collectieve voorziening; Artikel 4.1 Criteria persoonsgebonden budget 1. Onverminderd artikel 2.3.6 van de wet bestaat er geen aanspraak op een persoonsgebonden budget: i. indien op voorhand vaststaat dat binnen korte tijd vervanging van de maatwerkvoorziening nodig is; Artikel 4.1 aangevuld

Persoonsgebonden budget – criteria

Persoonsgebonden budget – criteria

algemene vervoersvoorzieningen in zijn vervoersbehoefte kan voorzien. Artikel 4.9 Soorten persoonsgebonden budget Er zijn twee soorten persoonsgebonden budget (pgb) te onderscheiden, te weten: 1. persoonsgebonden budget ten behoeve van de inkoop van diensten, zoals begeleiding, dagbesteding of huishoudelijke ondersteuning. 2. persoonsgebonden budget voor de aanschaf van een hulpmiddel, aanpassing van een hulpmiddel, vervoersvoorziening, dan wel een woningaanpassing. Geschrapt – geregeld in de wet

Geschrapt – niet toegestaan op basis van jurisprudentie

Geschrapt – geregeld in het landelijk convenant meeverhuizen hulpmiddelen

Artikel 4.10 Criteria persoonsgebonden budget 1. Een cliënt komt alleen in aanmerking voor een persoonsgebonden budget voor de inkoop van diensten, indien het persoonsgebonden budget wordt besteed bij een hulpverlener die minimaal voldoet aan de in artikel 8.3 eerste lid opgenomen kwaliteitseisen. 2. Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een persoonsgebonden budget, toetst het college of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6 van

de wet opgenomen voorwaarden. In het budgetplan, zoals bedoeld in artikel 2.6, is ten minste opgenomen: a. wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen; b. welke voorziening de cliënt met het pgb zou willen inkopen en bij welke uitvoerder; c. hoe de onderbouwde begroting eruit ziet, de kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; d. op welke wijze de cliënt een juiste administratie gaat bijhouden; e. op welke wijze de cliënt een overeenkomst aangaat met de pgb-aanbieder; f. of de voorziening voldoet aan alle kwaliteitseisen die het college stelt aan de voorziening in natura en als dit niet het geval is waarom de voorziening volgens cliënt toch van voldoende kwaliteit is; g. op welke wijze is gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening geschikt is voor de te behalen doelen en resultaten waarvoor het pgb wordt verstrekt; h. op welke wijze de (kwaliteit) van de ondersteuning wordt gecontroleerd; i. hoe cliënt omgaat met geconstateerde onjuistheden; j. hoe de cliënt zelf of met ondersteuning van iemand uit het sociale netwerk of diens vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren; k. indien van toepassing: wie cliënt heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren.

Aan deze behartiger zijn dezelfde voorwaarden gebonden als aan de pgb-houder. 4. In aanvulling op lid 2 geldt voor diensten dat in het budgetplan ten minste omschreven staat: a. wie de directe hulpverlener(s) is; b. wat de deskundigheid is van de directe hulpverlener(s); c. wie de directe hulpverlener(s) kan vervangen bij afwezigheid en de deskundigheid van deze vervanger; d. op welke wijze de cliënt de hulpverlener(s) aanstuurt in 3.

de praktijk. 5. Een gesprek met cliënt, zijn vertegenwoordiger en/of de persoon uit het sociale netwerk die de aan een pgb verbonden taken gaat uitvoeren maakt onderdeel uit van de toetsing als bedoeld in lid 2. Het budgetplan vormt de basis voor dit gesprek. Lid 6 is onveranderd, met uitzondering van bovengenoemde aanpassingen (oud artikel 4.1 lid 1) 7. Het beheer van het persoonsgebonden budget, zoals bedoeld in het zesde lid onder f kan niet worden uitgevoerd door een hulpverlener die de ondersteuning levert. 8. Indien bij heronderzoek of tussentijdse evaluatie blijkt dat te weinig vooruitgang is geboekt met de ingezette ondersteuning, de gestelde doelen onvoldoende bereikt worden en de ondersteuning onvoldoende bijdraagt aan participatie en zelfredzaamheid van de cliënt kan het college besluiten (een deel van) de ondersteuning te vervangen door specialistische ondersteuning. Persoonsgebonden budget – criteria – lid 2 verplaatst naar hoofdstuk Kwaliteitseisen

Artikel 4.1 Criteria persoonsgebonden budget 2. Een cliënt komt alleen in aanmerking voor een persoonsgebonden budget indien het persoonsgebonden budget wordt besteed bij een hulpverlener die voldoet aan de volgende eisen: a. de hulpverlener biedt ondersteuning die veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt verleend; b. de hulpverlener werkt actief en integraal samen met andere hulpverleners/aanbieders in het belang van de cliënt, en zorgt ervoor dat de ondersteuning aansluit bij hulp die wordt geboden vanuit het sociale netwerk van de cliënt; c. de hulpverlener werkt aantoonbaar (met een ondersteunings- of zorgplan) aan de doelen van de beschikking; d. de hulpverlener heeft een heldere en eenduidige administratie van de gemaakte ondersteuningsuren. Deze administratie bevat ten minste de volgende onderdelen:

Zie artikelen 8.1 t/m 8.3 hieronder

-

Persoonsgebonden budget – hoogte

Ondersteuningsplan/zorgplan per cliënt waarin gemaakte afspraken en communicatie zijn opgenomen; - Urenregistraties - Urendeclaraties - Evaluaties e. de hulpverlener kan aangeven wanneer andere ondersteuning is gewenst of wanneer op- of afgeschaald dient te worden; f. de hulpverlener moet, als dat wordt gevraagd, een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) hebben die niet ouder is dan 12 maanden voorafgaand aan de ingangsdatum van de ondersteuningsverlening; g. de hulpverlener handelt niet in strijd met relevante wetgeving of beleidsregels, misleidt niet, pleegt geen fraude en biedt geen ondeskundige ondersteuning, en heeft dit in het verleden ook niet gedaan. Artikel 4.2 Hoogte persoonsgebonden budget 1. De hoogte van een persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen en woningaanpassingen is gelijk aan de prijs van de goedkoopst passende voorziening, inclusief onderhoud, reparatie en verzekering, zoals die door het college aan de gecontracteerde aanbieder zou zijn verschuldigd, met dien verstande dat het persoonsgebonden budget nooit hoger is dan de werkelijke kosten.

Artikel 4.11 Hoogte persoonsgebonden budget 1. De hoogte van een persoonsgebonden budget wordt voor de afzonderlijke voorzieningen berekend volgens de in deze verordening opgenomen wijze. De berekening van de hoogte van het persoonsgebonden budget betreft een maximum. Het definitieve persoonsgebonden budget is nooit hoger dan de werkelijke kosten. 8. Het persoonsgebonden budget voor een hulpmiddel a. is gelijk aan het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte, die is verstrekt door een gecontracteerde leverancier van het college, met dien verstande dat het persoonsgebonden budget nooit hoger is dan de werkelijke kosten. b. de verschillende categorieën van hulpmiddelen worden nader uitgewerkt in beleidsregels. c. het persoonsgebonden budget voor onderhoud en de verzekering van het hulpmiddel wordt jaarlijks vastgesteld en is gelijk aan de door het college geaccepteerde offerte, die is verstrekt door een gecontracteerde leverancier van het college, met dien verstande dat het persoonsgebonden budget nooit

hoger is dan de werkelijke kosten. 9. Het persoonsgebonden budget voor een woningaanpassing opgenomen in het Prijsafsprakenboek a. is voor de aanschaf van de woningaanpassing gelijk aan de prijs van de goedkoopst passende woningaanpassing in natura conform de lijst van prijzen zoals opgenomen in het contractueel overeengekomen Prijsafsprakenboek; b. is voor het onderhoud gelijk aan het bedrag, zoals dat door het college aan de gecontracteerde aanbieder zou zijn verschuldigd. 10. Het persoonsgebonden budget voor een woningaanpassing die niet is opgenomen in het Prijsafsprakenboek a. is voor de aanschaf van de woningaanpassing gelijk aan het bedrag van de kosten van de woningaanpassing in natura middels een kostenbepaling door een door het college gecontracteerd(e) bouwbedrijf of leverancier. b. is voor het onderhoud gelijk aan het bedrag, zoals die door het college aan de gecontracteerde aanbieder zou zijn verschuldigd. 11. Het persoonsgebonden budget voor de kosten van verhuizing en inrichting: a. is voor de verhuizing gelijk aan de kosten voor een gecontracteerd verhuisbedrijf in natura. b. is voor stofferingskosten gelijk aan de door het Nibud gehanteerde bedragen voor stoffering met inachtneming van de bijbehorende afschrijvingstermijn. De totale hoogte van de stofferingskosten is gelijk aan: i.

100% van de maximale vergoeding als huidige stoffering niet ouder dan één jaar; ii. 75% van de maximale vergoeding als huidige stoffering tussen één en drie jaar oud is; iii. 50% van de maximale vergoeding als huidige stoffering tussen drie en vijf jaar oud is; iv. 25% van de maximale vergoeding als huidige stoffering tussen vijf en zeven jaar oud is;

v.

Persoonsgebonden budget – hoogte

Artikel 4.2 Hoogte persoonsgebonden budget 2. Het persoonsgebonden budget voor vervoerskosten bedraagt: a. voor het gebruik van een bruikleen auto: maximaal € 793,47 per jaar. b. voor het gebruik van een (eigen) auto: maximaal € 982,99 per jaar. c. voor het gebruik van een taxi: maximaal € 1.312,04 per jaar. d. voor het gebruik van een rolstoeltaxi: maximaal € 1.947,23 per jaar. e. voor de medisch noodzakelijke begeleiding in het collectief vervoer: maximaal € 223,88 per jaar.

0% van de maximale vergoeding als huidige stoffering ouder is dan zeven jaar;

12. In aanvulling op de in lid 11 genoemde kosten kan bij overbrugging de eerste huur van de nieuwe woning worden vergoed voor de duur van maximaal een maand. Artikel 4.11 Hoogte persoonsgebonden budget Sub a geschrapt, sub b t/m e gewijzigd 7. Het persoonsgebonden budget voor een vervoersvoorziening a. is gelijk aan het gemiddelde kilometertarief voor het totale regionale gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer van het voorgaande kalenderjaar, indien cliënt gebruik kan maken van het collectief vervoer maar kiest voor een voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget; b. is gebaseerd op de tarieven voor taxivervoer zoals vermeld in de Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer, indien cliënt op grond van zijn beperkingen geen gebruik kan maken van het collectief vervoer. Het totale budget voor een kalenderjaar wordt, indien het een gedeelte van het jaar betreft, naar rato berekend voor de resterende maanden van een kalenderjaar. Het totale jaar wordt berekend door de som van i. het kilometertarief en minutentarief vermenigvuldigd met het maximaal aantal kilometers zoals opgenomen in artikel 4.8 en, ii. het opstaptarief vermenigvuldigd met het quotiënt van het maximum aantal kilometers en de gemiddelde kilometerafstand collectief vervoer van het voorgaande kalenderjaar; c.

is gebaseerd op de tarieven voor rolstoeltaxivervoer zoals vermeld in de Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer, indien cliënt op grond van zijn beperkingen geen gebruik kan maken van het collectief vervoer en is aangewezen op een rolstoeltaxi. Het totale budget voor een kalenderjaar

wordt, indien het een gedeelte van het jaar betreft, naar rato berekend voor de resterende maanden van een kalenderjaar. Het totale jaar wordt berekend door de som van i. het kilometertarief en minutentarief vermenigvuldigd met het maximaal aantal kilometers zoals opgenomen in artikel 4.8 en, ii. het opstaptarief vermenigvuldigd met het quotiënt van het maximum aantal kilometers en de gemiddelde kilometerafstand collectief vervoer van het voorgaande kalenderjaar; d. is gebaseerd op de belasting- en premievrije kilometervergoeding zoals die gehanteerd wordt door de belastingdienst, indien cliënt op grond van zijn beperkingen geen gebruik kan maken van het collectief vervoer en vervoer met eigen auto gezien de beperkingen en vervoersbehoefte de goedkoopst compenserende oplossing is; e. is voor vervoer naar dagbesteding gebaseerd op de tarieven voor (rolstoel)taxivervoer zoals vermeld in de Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer, en wordt vergoed tot maximaal het aantal kilometers vanaf het woonadres naar de dichtstbijzijnde passende dagbestedingslocatie. Persoonsgebonden budget – hoogte

Artikel 4.2 Hoogte persoonsgebonden budget 3. Bij dienstverlening is sprake van een gedifferentieerde tariefstelling voor inkoop via een persoonsgebonden budget bij een professionele hulpverlener en inkoop bij een nietprofessionele hulpverlener of persoon uit het sociaal netwerk. 4. Van een professionele hulpverlener is sprake indien de hulpverlener voldoet aan de in artikel 4.1, tweede lid opgenomen eisen én voldoet aan de volgende eisen: a. de hulpverlener staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel; b. de hulpverlener beschikt aantoonbaar over een afgeronde opleiding die passend is bij de te verrichten activiteiten en voldoen aan de kwaliteitseisen die voor betreffende

Artikel 4.11 Hoogte persoonsgebonden budget Oud artikel 4.2 lid 4 geschrapt, en inhoud deels verplaatst naar Hoofdstuk 8 Kwaliteitseisen 1. De hoogte van een persoonsgebonden budget wordt voor de afzonderlijke voorzieningen berekend volgens de in deze verordening opgenomen wijze. De berekening van de hoogte van het persoonsgebonden budget betreft een maximum. Het definitieve persoonsgebonden budget is nooit hoger dan de werkelijke kosten. 2. Bij dienstverlening is sprake van een gedifferentieerde tariefstelling voor inkoop via een persoonsgebonden budget

ondersteuning worden gesteld; c. de hulpverlener voldoet bij het verrichten van de activiteiten aantoonbaar aan de relevante professionele en branchegerichte standaarden; d. de hulpverlener zorgt voor vervanging bij diens afwezigheid, zodat de ondersteuning gegeven blijft worden. e. de hulpverlener behoort niet tot het sociale netwerk van de cliënt; f. de hulpverlener heeft een meldplicht bij calamiteiten en geweld, en doet dit bij de Dienst Gezondheid & Jeugd; g. de hulpverlener heeft een heldere en eenduidige administratie van de gemaakte ondersteuningsuren. Deze administratie bevat ten minste de volgende onderdelen: o cliëntadministratie o ondersteuningsplan/zorgplan per cliënt waarin gemaakte afspraken, risico-inventarisatie (veiligheid) en communicatie is opgenomen o urenregistraties o urendeclaraties o evaluaties o zorgovereenkomsten met derdenbeding o diploma's van de medewerkers per functie (indien van toepassing) o VOG van de medewerkers (indien van toepassing) o meldcode huiselijk geweld h. de hulpverlener conformeert zich aan de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling; i. de hulpverlener werkt met een systematische kwaliteitsbewaking en kan dit aantonen met een in zijn branche geldend kwaliteitsborgingscertificaat, in ieder geval betrekking hebbende op ondersteuning, maatschappelijke en/of aanpalende dienstverlening. 5.

De hoogte van een persoonsgebonden budget voor dienstverlening is, indien sprake is van dienstverlening door een professionele hulpverlener, die de ondersteuning verleent vanuit een van de in artikel 5.22, eerste lid, onderdeel a tot en met c Regeling langdurige zorg genoemde situaties en die de ondersteuning verleent conform de

bij een formele hulpverlener en inkoop bij een informele hulpverlener of persoon uit het sociaal netwerk. 3. Het persoonsgebonden budget voor huishoudelijke ondersteuning a. is gelijk aan het loon uit de cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg behorende bij de hoogste trede van functiegroep ‘Hulp bij het huishouden’, vermeerderd met 15,7% in verband met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren, indien sprake is van dienstverlening door een formele hulpverlener. b. in afwijking van sub a is een persoonsgebonden budget bij betrekking van huishoudelijke ondersteuning van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, waaronder een echtgenoot of een bloed- of aanverwante in de eerste of tweede graad, of een persoon of hulpverlener die niet voldoet aan de in artikel 8.3 genoemde kwaliteitseisen, gelijk aan het per 1 januari van het kalenderjaar geldende minimumloon als bedoeld in artikel 8 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag per uur, vermeerderd met 15,7%. 4. Het persoonsgebonden budget voor individuele begeleiding en/of dagbesteding a. is gelijk aan de onderliggende prijs waarvoor het college deze diensten heeft gecontracteerd, indien sprake is van dienstverlening door een formele hulpverlener. b.

In afwijking van sub a is een persoonsgebonden budget bij betrekking van respectievelijk individuele begeleiding of dagbesteding van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, waaronder een echtgenoot of een bloed- of aanverwante in de eerste of tweede graad, of een persoon of hulpverlener die niet voldoet aan de in artikel 8.3 genoemde kwaliteitseisen, gelijk aan het in artikel 5.22, eerste lid, Regeling langdurige zorg genoemde bedrag.

geldende kwaliteitsstandaarden: a. bij kortdurend verblijf gelijk aan de onderliggende prijs waarvoor het college de verblijfscomponent van kortdurend verblijf heeft gecontracteerd, met dien verstande dat het persoonsgebonden budget nooit hoger is dan de werkelijke kosten. b. bij huishoudelijke ondersteuning gelijk aan het per 1 januari van het kalenderjaar geldende loon uit de cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg behorende bij de hoogste trede van functiegroep ‘Hulp bij het huishouden’, vermeerderd met 20% in verband met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren en bij huishoudelijke ondersteuning+ gelijk aan het persoonsgebonden budget voor huishoudelijke ondersteuning, vermeerderd met 22,5%. c. bij overige diensten gelijk aan de onderliggende prijs waarvoor het college deze diensten heeft gecontracteerd, met dien verstande dat het persoonsgebonden budget nooit hoger is dan de werkelijke kosten. 6. De hoogte van een persoonsgebonden budget voor dienstverlening bedraagt, indien sprake is van dienstverlening door een niet-professionele hulpverlener of een persoon uit het sociaal netwerk, waaronder begrepen de personen waarop artikel 5.22, derde lid van de Regeling langdurige zorg van toepassing is,: a. bij kortdurend verblijf per etmaal gelijk aan anderhalf maal het in artikel 5.22, eerste lid, Regeling langdurige zorg genoemde bedrag; b.

bij individuele begeleiding per uur gelijk aan het in artikel 5.22, eerste lid, Regeling langdurige zorg genoemde bedrag; c. bij dagbesteding per dagdeel gelijk aan het in artikel 5.22, eerste lid, Regeling langdurige zorg genoemde bedrag; d. bij huishoudelijke ondersteuning en huishoudelijke ondersteuning+ per uur gelijk aan het per 1 januari van het kalenderjaar geldende minimumloon als bedoeld in artikel 8 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag per uur, vermeerderd met 20%.

5. Het persoonsgebonden budget voor kortdurend verblijf en/of logeeropvang a. is gelijk aan de onderliggende prijs waarvoor het college de verblijfscomponent van kortdurend verblijf en/of logeeropvang heeft gecontracteerd, indien sprake is van dienstverlening door een formele hulpverlener. b. In afwijking van sub a is een persoonsgebonden budget bij betrekking van kortdurend verblijf en/of logeeropvang van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, waaronder een echtgenoot of een bloed- of aanverwante in de eerste of tweede graad, of een persoon of hulpverlener die niet voldoet aan de in artikel 8.3 genoemde kwaliteitseisen, gelijk aan anderhalf maal het in artikel 5.22, eerste lid, Regeling langdurige zorg genoemde bedrag. 6. Van een formele hulpverlener, zoals bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid, is sprake indien de hulpverlener voldoet aan alle in artikel 8.3 opgenomen kwaliteitseisen.

Persoonsgebonden budget – besteding verantwoordingsvrij bedrag

Persoonsgebonden budget – besteding

Eigen bijdrage

Artikel 4.3 Besteding persoonsgebonden budget 2. De cliënt hoeft, indien het persoonsgebonden budget is verstrekt voor ondersteuning die bestaat uit dienstverlening, van het persoonsgebonden budget 5% per jaar niet te verantwoorden, met een minimum van € 20,- per jaar en een maximum van € 250,- per jaar. Wanneer de budgetperiode minder is dan een jaar, wordt het verantwoordingsvrije bedrag berekend naar rato. geen

Artikel 5.1 Maatwerkvoorziening 1. De cliënt is een bijdrage verschuldigd voor een maatwerkvoorziening, met uitzondering van: a. woningaanpassingen voor minderjarige kinderen. b. de vergoeding voor het gebruik van een bruikleenauto, een (eigen) auto, een taxi of rolstoeltaxi. c. elektrische deuropeners in gemeenschappelijke ruimten. d. de verhuiskostenvergoeding. 2. De cliënt betaalt een bijdrage voor het gebruik van het collectief vervoer, die per rit bestaat uit een opstaptarief à € 0,60 en een kilometertarief van € 0,13. 3. De startdatum van de bijdrage is de datum waarop de

Geschrapt

Artikel 4.12 Besteding persoonsgebonden budget 2. Het pgb mag niet worden besteed aan: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; c. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; d. kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige (eindejaars)uitkering; e. kosten voortgezette diagnostiek; f. kosten voor het volgen van cursussen en informatiemateriaal over het pgb; g. de bijdrage; h. reiskosten van de hulpverlener. Deze zijn in het uurtarief inbegrepen; i. indirect cliëntgebonden uren en niet cliëntgebonden uren. Deze zijn in het uurtarief inbegrepen. 3. Betaling vanuit een PGB is alleen op declaratiebasis mogelijk. Artikel 5.4 Bijdrage maatwerkvoorziening 1. De cliënt is een bijdrage verschuldigd voor een maatwerkvoorziening, met uitzondering van: a. woningaanpassingen voor minderjarige kinderen; b. de vergoeding voor het gebruik van een (eigen) auto; c. woningaanpassingen in gemeenschappelijke ruimten; d. vergoeding voor kosten ter overbrugging eerste huur. 2. De cliënt betaalt een bijdrage voor het gebruik van het collectief vervoer, die per rit bestaat uit: a. een opstaptarief van € 0,648 en een kilometertarief van € 0,108 als de besproken aanvangstijd van de rit buiten de daluren ligt;

ondersteuning aanvangt.

Toezicht en handhaving

Artikel 7.2 Controle 1. Het college doet stelselmatig onderzoek naar de rechtmatigheid van de maatwerkvoorziening en kan daarbij onder meer gebruikmaken van huisbezoeken, risicoprofielen en bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die daaruit voortkomen. Het college onderzoekt daarnaast overige signalen en tips die relevant zijn voor de aanspraak op een maatwerkvoorziening.

Toezicht en handhaving

geen

b. een opstaptarief van € 1,08 en een kilometertarief van € 0,180 als de besproken aanvangstijd van de rit buiten de daluren ligt. 3. De daluren voor het collectief vervoer, zoals bedoeld in lid 2, zijn op werkdagen tussen 10:00 uur en 16:00 uur en na 18:00 uur, en op alle beschikbare rittijden in de weekenden. 4. De startdatum van de bijdrage als bedoeld in lid 1 is de datum waarop de ondersteuning aanvangt. Artikel 6.3 Toezicht op kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid 1. Het college doet stelselmatig onderzoek naar de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van de maatwerkvoorziening en kan daarbij onder meer gebruikmaken van huisbezoeken, risicoprofielen en bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die daaruit voortkomen. Het college onderzoekt daarnaast overige signalen en tips die relevant zijn voor de aanspraak op een maatwerkvoorziening. Artikel 6.4 Tegengaan oneigenlijk gebruik 1. Het college treft de nodige maatregelen om het oneigenlijk gebruik van maatwerkvoorzieningen te voorkomen en fraude te bestrijden. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval: a. het college zoekt waar mogelijk samenwerking met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen; b.

het college verricht zo nodig onderzoek bij aanbieders van maatwerkvoorzieningen die een subsidie- of contractrelatie met de gemeente onderhouden of pgb-leveranciers die ondersteuning verlenen op grond van een persoonsgebonden budget aan inwoners van de gemeente; c. het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturingen, accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde

Toezicht en handhaving

Geen

Kwaliteitseisen

Artikel 4.2 Hoogte persoonsgebonden budget

prestaties; d. het college controleert, al dan niet steekproefsgewijs, of de gemaakte afspraken zoals genoemd in het voorgaande lid worden nagekomen; e. het college voert periodiek controles en evaluaties uit bij langlopende indicaties; f. het college voert een grondige toets aan de voorkant uit bij de verstrekking van een persoonsgebonden budget op: i. de regiemogelijkheden van de cliënt of degene die de cliënt als vertegenwoordiger wenst in te schakelen; ii. de kwaliteit van de invulling van het door de cliënt en de pgb-leverancier te overleggen budgetplan en zorgplan. g. het college monitort het gebruik van het persoonsgebonden budget en de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen. 2. Als bij onderzoek blijkt dat er sprake is van gebreken in de kwaliteit, doelmatigheid of rechtmatigheid van de ondersteuning, kan het college in een schriftelijke aanwijzing een hersteltraject opleggen. 3. Het college kan gedurende het hersteltraject een cliëntenstop en/of verscherpt toezicht instellen. Deze zal in de schriftelijke aanwijzing worden opgenomen. Artikel 6.5 Toezichthouder 1. De op grond van artikel 6.1 van de wet aangewezen toezichthouders stellen jaarlijks een onafhankelijk werkprogramma op. 2.

De op grond van artikel 6.1 van de wet aangewezen toezichthouder kan naast deze functie geen andere functies namens of in dienst van de betreffende gemeente of inkooporganisatie bekleden die niet verenigbaar zijn met het toezichthouderschap. 3. De op grond van artikel 6.1 van de wet aangewezen toezichthouder vervult geen nevenfuncties waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn taak als toezichthouder. Artikel 8.3 Kwaliteitseisen hulpverleners

hulpverleners

4. Van een professionele hulpverlener is sprake indien de hulpverlener voldoet aan de in artikel 4.1, tweede lid opgenomen eisen én voldoet aan de volgende eisen: a. de hulpverlener staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel; b. de hulpverlener beschikt aantoonbaar over een afgeronde opleiding die passend is bij de te verrichten activiteiten en voldoen aan de kwaliteitseisen die voor betreffende ondersteuning worden gesteld; c. de hulpverlener voldoet bij het verrichten van de activiteiten aantoonbaar aan de relevante professionele en branchegerichte standaarden; d. de hulpverlener zorgt voor vervanging bij diens afwezigheid, zodat de ondersteuning gegeven blijft worden. e. de hulpverlener behoort niet tot het sociale netwerk van de cliënt; f. de hulpverlener heeft een meldplicht bij calamiteiten en geweld, en doet dit bij de Dienst Gezondheid & Jeugd; g. de hulpverlener heeft een heldere en eenduidige administratie van de gemaakte ondersteuningsuren.

Deze administratie bevat ten minste de volgende onderdelen: o cliëntadministratie o ondersteuningsplan/zorgplan per cliënt waarin gemaakte afspraken, risico-inventarisatie (veiligheid) en communicatie is opgenomen o urenregistraties o urendeclaraties o evaluaties o zorgovereenkomsten met derdenbeding o diploma's van de medewerkers per functie (indien van toepassing) o VOG van de medewerkers (indien van toepassing) o meldcode huiselijk geweld h. de hulpverlener conformeert zich aan de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling; i. de hulpverlener werkt met een systematische kwaliteitsbewaking en kan dit aantonen met een in zijn branche geldend kwaliteitsborgingscertificaat, in ieder

1.

Iedere leverancier of hulpverlener, die ondersteuning levert die bestaat uit dienstverlening, zorgt voor een goede kwaliteit van de ondersteuning, wat in ieder geval betekent dat: a. de voorziening voldoet aan de in artikel 8.1 opgenomen eisen; b. de hulpverlener actief en integraal samenwerkt met andere hulpverleners/aanbieders in het belang van de cliënt, en ervoor zorgt dat de ondersteuning aansluit bij de eventuele hulp die wordt geboden vanuit het sociale netwerk van de cliënt; c. de hulpverlener aantoonbaar, met een zorgplan, werkt aan de doelen van de beschikking; d. de hulpverlener een heldere en eenduidige administratie van de gemaakte ondersteuningsuren heeft. Deze administratie bevat ten minste de volgende onderdelen: - ondersteuningsplan of budgetplan per cliënt waarin gemaakte afspraken en communicatie zijn opgenomen; - een zorgplan; - urenregistraties; - urendeclaraties; - evaluaties. e. de hulpverlener onderbouwd kan aangeven wanneer andere ondersteuning is gewenst of wanneer op- of afgeschaald dient te worden; f. de hulpverlener, als dat wordt gevraagd, een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) moet overleggen die niet ouder is dan 12 maanden voorafgaand aan de ingangsdatum van de hulpverlening; g.

de hulpverlener niet handelt in strijd met relevante wetgeving of beleidsregels, niet misleidt, geen fraude pleegt en geen ondeskundige ondersteuning biedt, en dit in het verleden ook niet heeft gedaan.

2. De formele hulpverlener moet voldoen aan de in het eerste lid opgenomen kwaliteitseisen en de volgende

geval betrekking hebbende op ondersteuning, maatschappelijke en/of aanpalende dienstverlening.

kwaliteitseisen: a. de hulpverlener staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel; b. de hulpverlener beschikt aantoonbaar over een afgeronde opleiding die passend is bij de te verrichten activiteiten en voldoen aan de kwaliteitseisen die voor betreffende ondersteuning worden gesteld; c. de hulpverlener voldoet bij het verrichten van de activiteiten aantoonbaar aan de relevante professionele en branchegerichte standaarden; d. de hulpverlener zorgt voor vervanging bij diens afwezigheid, zodat de ondersteuning gecontinueerd wordt met inachtneming van dezelfde kwaliteitseisen. e. de hulpverlener, en de eigenaar, directeur of bestuurder van de organisatie waar de hulpverlener werkt, behoren niet tot het sociale netwerk van de cliënt; f. de hulpverlener heeft een meldplicht bij calamiteiten en geweld, en doet dit bij de Dienst Gezondheid & Jeugd; g. de hulpverlener heeft een heldere en eenduidige administratie van de gemaakte ondersteuningsuren.

Deze administratie bevat ten minste de volgende onderdelen: cliëntadministratie ondersteuningsplan of budgetplan per cliënt waarin gemaakte afspraken, risico-inventarisatie (veiligheid) en communicatie is opgenomen; - een zorgplan; urenregistraties; urendeclaraties; evaluaties; zorgovereenkomst(en) met derdenbeding; diploma's van de medewerkers per functie (indien van toepassing); VOG van de medewerkers (indien van toepassing); meldcode huiselijk geweld. h. de hulpverlener conformeert zich aan de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling;

i.

Klachtenafhandeling

Regionale adviesraad

Artikel 9.1 Regeling voor klachtenafhandeling 1. Iedere aanbieder van een maatwerkvoorziening heeft een regeling voor afhandeling van klachten van cliënten. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders. Artikel 10.2. Regionale Adviesraad Wmo 2015 1. De Regionale Adviesraad Wmo 2015 adviseert het Dagelijks bestuur en Algemeen bestuur gevraagd en ongevraagd: a. over alle onderwerpen die het beleid, de uitvoering, de controle, de evaluatie, de dienstverlening en kwaliteit betreffen met betrekking tot de maatwerkvoorzieningen; b. bij het ontwikkelen en aanpassen van de informatievoorziening aan de cliënt, zoals voorlichtingsmateriaal. 2. Het doel van de Regionale Adviesraad Wmo 2015 is om, vanuit een onafhankelijke positie, een optimale betrokkenheid te bewerkstelligen van burgers bij het voorbereiden, vaststellen, uitvoeren en evalueren van het beleid met betrekking tot maatwerkvoorzieningen. 3. De Regionale adviesraad Wmo 2015 bestaat uit de onafhankelijke voorzitter en minimaal 10 leden en maximaal

de hulpverlener werkt met een systematische kwaliteitsbewaking, namelijk ISO 9001, EN 15224, HKZ, Kiwa (ZZP en kleine ondernemers), Prezo of vergelijkbaar. En de hulpverlener kan dit aantonen met een in zijn branche geldend kwaliteitsborgingscertificaat, in ieder geval betrekking hebbende op ondersteuning, maatschappelijke en/of aanpalende dienstverlening; j. de hulpverlener ontvangt een salaris dat overeenkomstig is met de betreffende ondersteuning die wordt geboden en de voor de branche geldende cao; k. de hulpverlener beschikt over een locatie waar meerdere cliënten tegelijk kunnen verblijven, als (tijdelijk) verblijf aan de orde is. Artikel 9.1 Regeling voor klachtenafhandeling 1. Iedere aanbieder heeft een regeling voor afhandeling van klachten van cliënten. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders. Artikel 11.3 Taken en doel Regionale Adviesraad Sociaal (vervalt op 1 januari 2024) 1. De Regionale Adviesraad Sociaal adviseert het Dagelijks Bestuur en het Algemeen Bestuur gevraagd en ongevraagd: a.

over alle onderwerpen die het beleid, de uitvoering, de controle, de evaluatie, de dienstverlening en kwaliteit betreffen met betrekking tot het sociaal domein op het gebied van maatwerkvoorzieningen; onder beleid wordt in dit verband verstaan: verordeningen en beleidsplannen, nadere regels en beleidsregels die regionaal door de GR Sociaal worden uitgevoerd; b. bij het ontwikkelen en aanpassen van de informatievoorziening aan de cliënt, zoals voorlichtingsmateriaal. 2. Het doel van de Regionale Adviesraad Sociaal is om, vanuit een brede onafhankelijke positie, een optimale betrokkenheid te bewerkstelligen van burgers bij het voorbereiden, vaststellen, uitvoeren en evalueren van het

4.

5.

6.

Overgangsrecht

13 leden, met minste de volgende leden: a. leden uit de lokale adviesraden Wmo 2015, waarbij iedere lokale adviesraad Wmo 2015 van de Drechtstedengemeenten één lid afvaardigt; b. drie leden die ervaringsdeskundigen zijn uit de sectoren Zorg Thuis, GZ en GGZ. Van het lidmaatschap en voorzitterschap van de regionale Wmo adviesraad zijn uitgesloten raadsleden van de Drechtstedengemeenten, medewerkers van het Openbaar Lichaam Sociaal, medewerkers van de daarbij aangesloten gemeenten, leden van het Dagelijks Bestuur, leden van het Algemeen Bestuur en personen die op andere wijze bij het bestuur van het Openbaar Lichaam Sociaal of de Drechtstedengemeenten zijn betrokken. Het Algemeen bestuur benoemt op basis van een zwaarwegende voordracht van de Regionale adviesraad Wmo 2015 de voorzitter en leden van de Regionale adviesraad Wmo 2015. Het Algemeen bestuur stelt, onverminderd de vorige leden, een nader reglement voor de Regionale adviesraad Wmo 2015 vast.

Artikel 11.4. Overgangsrecht 1. De voorgaande versie van de Verordening maatwerkvoorzieningen maatschappelijke ondersteuning Drechtsteden, zoals vastgesteld op 5 oktober 2021, wordt ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van deze verordening, met dien verstande dat zij van toepassing blijft ten aanzien van een op grond daarvan genomen besluit totdat het college, onder intrekking van dit besluit, een nieuw besluit op grond deze verordening heeft genomen. 2. Aanvragen die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van deze verordening en waarop nog geen besluit is genomen

beleid op het gebied van werk en inkomen en maatwerkvoorzieningen. 3. De advisering als bedoeld in het eerste lid vindt plaats vanuit een integrale benadering van het sociaal domein. Artikel 11.4 Samenstelling Regionale Adviesraad Sociaal (vervalt op 1 januari 2024) 1. Van het lidmaatschap en voorzitterschap van de Regionale Adviesraad Sociaal zijn uitgesloten raadsleden van de Drechtstedengemeenten, medewerkers van het Openbaar Lichaam Sociaal, medewerkers van de daarbij aangesloten gemeenten, leden van het Dagelijks Bestuur en leden van het Algemeen Bestuur en personen die op andere wijze bij het bestuur van het Openbaar Lichaam Sociaal of de Drechtstedengemeenten zijn betrokken. 2. Het Algemeen Bestuur benoemt op basis van een zwaarwegende voordracht van de Regionale Adviesraad Sociaal de voorzitter en de leden van de Regionale Adviesraad Sociaal. 3. Het Algemeen Bestuur stelt, onverminderd de vorige leden, een nader reglement voor de Regionale Adviesraad Sociaal vast. 4. De Regionale adviesraad Wmo 2015 bestaat uit de onafhankelijke voorzitter en minimaal 7 leden en maximaal 14 leden, met leden uit de lokale adviesraden Wmo 2015, waarbij iedere lokale adviesraad Wmo 2015 van de Drechtstedengemeenten ten minste één lid afvaardigt. Artikel 12.4 Overgangsrecht 1.

De Verordening maatwerkvoorzieningen maatschappelijke ondersteuning Hardinxveld-Giessendam, zoals vastgesteld op 20 januari 2022 en de Verordening Algemene voorzieningen maatschappelijke ondersteuning HardinxveldGiessendam, zoals vastgesteld op 21 december 2017, worden ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van deze verordening, en met dien verstande dat zij van toepassing blijven ten aanzien van een op grond daarvan genomen besluit totdat het college, onder intrekking van dit besluit, een nieuw besluit op grond deze verordening heeft

ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld op grond van deze verordening. 3. Bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten genomen op grond van de Verordening maatwerkvoorzieningen maatschappelijke ondersteuning Drechtsteden worden afgehandeld op grond van de Verordening maatwerkvoorzieningen maatschappelijke ondersteuning Drechtsteden.

Inwerkingtreding

genomen. 2. In afwijking van het eerste lid worden artikel 10.1, artikel 10.2 en artikel 5.2 lid 2 van de Verordening maatwerkvoorzieningen maatschappelijke ondersteuning Hardinxveld-Giessendam zoals vastgesteld op 20 januari 2022 ingetrokken met ingang van 1 januari 2024. 3. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatwerkvoorzieningen maatschappelijke ondersteuning Hardinxveld-Giessendam, zoals vastgesteld op 20 januari 2022 en/of op grond van de Verordening Algemene voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Hardinxveld-Giessendam, zoals vastgesteld op 21 december 2017, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 4. Aanvragen die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van deze verordening en waarop nog geen besluit is genomen ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld op grond van deze verordening. 5.

Bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten genomen op grond van de Verordening maatwerkvoorzieningen maatschappelijke ondersteuning Drechtsteden worden afgehandeld op grond van de Verordening maatwerkvoorzieningen maatschappelijke ondersteuning Hardinxveld-Giessendam, zoals vastgesteld op 20 januari 2022 en de Verordening Algemene voorzieningen maatschappelijke ondersteuning HardinxveldGiessendam, zoals vastgesteld op 21 december 2017. Artikel 12.5 Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking op 1 oktober 2023 met dien verstande dat artikel 5.4 tweede en derde lid in werking treden op 1 januari 2024. 2. De artikelen 11.3 en 11.4 van deze verordening vervallen op 01-01-2024.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/799/documents/26573