CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Besluit veilige jaarwisseling.pdf

Gemeenteraad GHG 15 oktober 2026, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 11: Consultatie Ontheffingenbeleid Vuurwerk27.682 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

15 alinea's met “wijzigingsbesluit”: 12 20 35 42 43 47 51 52 53 55 58 62 79 128 137

168 Besluit van 25 juni 2026 tot wijziging van het Vuurwerkbesluit en het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen in verband met de Wet veilige jaarwisseling (Besluit veilige jaarwisseling) [KetenID WGK028133] Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 14 april 2026, nr. IenW/BSK-2026/66198, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de artikelen 9.2.2.1, eerste en tweede lid, 9.2.2.1a, vijfde en zevende lid, van de Wet milieubeheer en artikel 3, onderdeel b, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen; De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 27 mei 2027, nr. W17.26.00096/IV); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 19 juni 2026, nr. IenW/BSK-2026/95897, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: ARTIKEL I Het Vuurwerkbesluit wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 1.1.1 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd: ontheffinghouder: de houder van een geldige ontheffing als bedoeld in artikel 9.2.2.1a, vierde lid, van de Wet milieubeheer; 2. In het tweede lid vervalt «2.3.2, 2.3.3». 3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende: 5.

Voor de toepassing van de artikelen 2.3.2, 2.3.2a, 2.3.3 en 2.3.4 wordt verstaan onder: a. afsteekplaats: gedeelte van het afsteekterrein waar het vuurwerk tot ontbranding wordt gebracht; Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 0 2026 Staatsblad 2026 168 1 b. afsteekterrein: terrein bestaande uit de afsteekplaats en het gebied rondom de afsteekplaats met een minimumafstand van 10 meter vanaf de buitenrand van de afsteekplaats tot de buitenrand van het afsteekterrein; c. grondvuurwerk: vuurwerk waarbij de effectlading meteen tot ontbranding komt vanuit het vuurwerk; d. luchtvuurwerk: vuurwerk waarbij de effectlading eerst wordt uitgestoten vanuit het vuurwerk en daarna tot ontbranding komt; e. ontbranders: door de ontheffinghouder aangewezen personen die vuurwerk tot ontbranding mogen brengen en onder leiding van een supervisor staan; f. supervisor: door de ontheffinghouder aangewezen persoon die ter plaatse verantwoordelijk is voor een goede gang van zaken; g. veiligheidsafstand: minimumafstand tussen afsteekplaats en publiek; h. veiligheidszone: gebied rondom de afsteekplaats met een straal die ten minste gelijk is aan de veiligheidsafstand die ingevolge onderdeel g bij het tot ontbranding brengen van het betreffende vuurwerk in acht moet worden genomen. B Artikel 1.2.4 wordt als volgt gewijzigd: 1.

In het tweede lid wordt onder verlettering van de onderdelen c tot en met e tot b tot en met d een onderdeel ingevoegd, luidende: a. voor zover tijdens de periode van 31 december 12.00 uur tot 1 januari 18.00 uur van het daaropvolgende jaar een ontheffinghouder niet meer dan 200 kg verpakt bij ministeriële regeling aangewezen vuurwerk van categorie F2 voorhanden heeft op een plaats die niet voor het publiek toegankelijk is; 2. In het vierde lid wordt na «indien» ingevoegd «het vuurwerk of de». C Artikel 1.2.5 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «onder c» vervangen door «onder b». 2. In het tweede lid, aanhef, vervalt «anders dan voor eigen gebruik, in een hoeveelheid van meer dan 25 kg per vervoermiddel». 3. Aan het tweede lid wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende: d. die houder is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9.2.2.1a, vierde lid, van de Wet milieubeheer. D In artikel 2.1.3, eerste lid, wordt «Vuurwerk van consumentenvuurwerk,» vervangen door «Consumentenvuurwerk». E Na artikel 2.3.1 worden vier artikelen ingevoegd, luidende: Staatsblad 2026 168 2 Artikel 2.3.2 Ontheffing als bedoeld in artikel 9.2.2.1a, vierde lid, van de Wet milieubeheer kan door de burgemeester uitsluitend worden verleend als ten minste aan de volgende voorwaarden is voldaan: a.

de aanvrager is een vereniging of stichting met lokale binding die staat ingeschreven in het handelsregister; b. de aanvraag gaat vergezeld van een naar het oordeel van de burgemeester afdoende veiligheidsplan met situatietekening en een overzicht van het af te steken vuurwerk waarin wordt beschreven hoe de ingevolge artikel 2.3.2a, eerste lid, aan de ontheffing te verbinden voorschriften zullen worden nageleefd; c. het afsteekterrein waarop de aanvraag ziet, is niet de binnenruimte van een gebouw, is goed bereikbaar voor de hulpdiensten, is zodanig gelegen dat voldoende ruimte bestaat voor de voorgeschreven veilig- heidszone waarin zich geen zeer kwetsbare gebouwen en locaties bevinden, bedrijfsmatig dieren worden gehouden, brandbare objecten of voer- of vaartuigen bevinden en is, naar het oordeel van de burgemeester, geschikt voor het op veilige wijze tot ontbranding brengen en het daaraan voorafgaand bewaren van vuurwerk zoals aangevraagd; d. de aanvraag heeft betrekking op maximaal 200 kg verpakt bij ministeriële regeling aangewezen vuurwerk van categorie F2; e. de aanvrager wijst een of twee supervisors aan die ter plaatse verantwoordelijk zijn voor een goede gang van zaken alsmede ten hoogste acht ontbranders die vuurwerk tot ontbranding mogen brengen en overlegt een telefoonnummer waarop de supervisor of supervisors bereikbaar zijn; f.

het door de burgemeester vastgestelde beleid, waaronder zo nodig het maximumaantal ontheffingen, staat niet aan verlening in de weg. Artikel 2.3.2a 1. Aan de ontheffing worden in ieder geval de volgende, op het afsteekterrein en de veiligheidszone betrekking hebbende voorschriften verbonden: a. het afsteekterrein en de veiligheidszone worden ingericht overeen- komstig het veiligheidsplan en zijn goed bereikbaar voor de hulpdiensten; b. de veiligheidsafstand bedraagt: 15 meter indien alleen grond- vuurwerk wordt afgeschoten, 40 meter indien luchtvuurwerk met een kaliber tot en met 1 inch wordt afgeschoten en 60 meter indien lucht- vuurwerk met een kaliber vanaf 1 inch tot 2 inch wordt afgeschoten; de afstanden voor luchtvuurwerk worden vermenigvuldigd met 1,5 indien dit schuin richting publiek wordt afgeschoten; c. voordat het vuurwerk op het afsteekterrein wordt neergelegd, wordt het afsteekterrein afgesloten voor het publiek; d. op het afsteekterrein wordt niet meer dan 200 kg verpakt vuurwerk van categorie F2 op veilige wijze en op ten minste 8 meter van de buitenrand van de veiligheidszone neergelegd en onder permanent toezicht geplaatst door de ontheffinghouder; e. op het afsteekterrein zijn aanwezig: een afschrift van de ontheffing met de daaraan verbonden voorschriften en een afschrift van de factuur waarop het aanwezige vuurwerk staat vermeld; f.

binnen de veiligheidszone is geen open vuur aanwezig en wordt niet gerookt; g. op het afsteekterrein zijn ten minste twee goedgekeurde handblusap- paraten met een inhoud van ten minste 6 kg ABC-poeder of 9 kg schuim aanwezig waarmee een beginnende brand zo snel mogelijk wordt bestreden; h. tijdens het tot ontbranding brengen van vuurwerk mag de veilig- heidszone niet worden betreden door anderen dan de supervisor, de Staatsblad 2026 168 3 ontbranders en de toezichthouder; i. handelingen nabij het vuurwerk die kunnen leiden tot statische elektriciteit, brand, brandgevaar of onbedoelde ontsteking zijn niet toegestaan; j. de veiligheidszone wordt direct na afloop van het tot ontbranding brengen van het vuurwerk opgeruimd en schoon opgeleverd. 2. Aan de ontheffing worden voorts in ieder geval de volgende, op de supervisor en de ontbranders betrekking hebbende voorschriften verbonden: a. het vuurwerk mag tot ontbranding worden gebracht door maximaal acht in de aanvraag genoemde ontbranders die ten minste 18 jaar oud zijn; b. de ontbranders staan onder leiding van ten minste één in de aanvraag genoemde supervisor die ten minste 18 jaar oud is; c. de supervisor houdt tijdens de ontbranding zicht op het vuurwerk, de afsteekplaats, de veiligheidszone en de ontbranders; d.

de supervisor beschikt over communicatiemiddelen waarmee contact kan worden opgenomen met hulpdiensten en toezichthouders; e. de supervisor en de ontbranders hebben kennis over het veilig omgaan met vuurwerk; f. de supervisor en de ontbranders dragen een vuurwerkbril en de ontbranders gebruiken een aansteeklont bij het tot ontbranding brengen van het vuurwerk; g. de supervisor en de ontbranders zijn niet onder invloed van alcohol of andere verdovende of stimulerende middelen als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 gelezen in samenhang met artikel 3 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. 3. Aan de ontheffing worden voorts in ieder geval de volgende, op het bezit en de wijze en het moment van tot ontbranding brengen van vuurwerk betrekking hebbende voorschriften verbonden: a. het vuurwerk wordt uitsluitend tot ontbranding gebracht tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daaropvolgende jaar; b. het vuurwerk wordt afgestoken zoals vastgelegd in het veilig- heidsplan dat bij de aanvraag is ingediend en aldus onderdeel uitmaakt van de verleende ontheffing; c. het vuurwerk wordt niet bewerkt en wordt uitsluitend handmatig afgestoken; d. het tot ontbranding brengen vindt plaats volgens de gebruiksaan- wijzing of het veiligheidsinformatieblad behorend bij het vuurwerkartikel, voor zover niet anders is bepaald; e.

het vuurwerk is stabiel en op de grond opgesteld, loodrecht op het grondoppervlak; f. de ondergrond die wordt gebruikt voor het opstellen van het vuurwerk is niet brandbaar; g. alvorens het vuurwerk tot ontbranding te brengen, wordt gecontro- leerd of de minimale veiligheidsafstanden in acht worden genomen; h. indien nabij de veiligheidszone vuurwerk anders dan fop- en schertsvuurwerk wordt afgestoken of derden de veiligheidszone betreden, wordt het tot ontbranding brengen van vuurwerk onmiddellijk gestaakt; i. indien weers- of andere omstandigheden het veilig tot ontbranding brengen van vuurwerk bemoeilijken of belemmeren, wordt het tot ontbranding brengen van vuurwerk onmiddellijk gestaakt; j. niet ontbrand vuurwerk wordt uiterlijk 1 januari 18.00 uur direct volgend op de jaarwisseling geretourneerd aan de verkoper. Artikel 2.3.2b 1. De burgemeester trekt een verleende ontheffing onverwijld geheel of gedeeltelijk in indien: Staatsblad 2026 168 4 a. de weers- of andere omstandigheden ten tijde van de periode als bedoeld in artikel 2.3.3, tweede lid, ter plaatse van de locatie waarvoor ontheffing is verleend naar verwachting van dien aard zijn dat het veilig tot ontbranding brengen van vuurwerk niet gewaarborgd is; b. blijkt dat bij de aanvraag onjuiste gegevens zijn verstrekt terwijl verstrekking van de juiste gegevens zou hebben geleid tot weigering van de ontheffing; c.

sedert de aanvraag wijzigingen zijn opgetreden ten opzichte van de bij de aanvraag verstrekte gegevens die, als zij ten tijde van de aanvraag bekend waren geweest, zouden hebben geleid tot weigering van de ontheffing. 2. De burgemeester kan een verleende ontheffing intrekken indien: a. de ontheffinghouder één of meer van de aan de ontheffing verbonden voorschriften niet naleeft; b. blijkt dat bij de aanvraag onjuiste gegevens zijn verstrekt terwijl verstrekking van de juiste gegevens mogelijk zou hebben geleid tot weigering van de ontheffing; c. sedert de aanvraag wijzigingen zijn opgetreden ten opzichte van de bij de aanvraag verstrekte gegevens die, als zij ten tijde van de aanvraag bekend waren geweest, mogelijk zouden hebben geleid tot weigering van de ontheffing. Artikel 2.3.3 1. Het is verboden consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen aan een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis. 2. Dit verbod geldt niet op 31 december tussen 12.00 en 18.00 uur indien maximaal 200 kg verpakt vuurwerk van categorie F2 dat bij ministeriële regeling is aangewezen ter beschikking wordt gesteld aan een ontheffing- houder. 3. Alvorens tot terbeschikkingstelling over te gaan, controleert de verkoper de ontheffing en bewaart een kopie ervan in zijn administratie. 4.

Op 1 januari wordt niet ontbrand vuurwerk kosteloos teruggenomen tegen de afgifte van een retourbon of een aftekening op de oorspronke- lijke factuur. F Artikel 2.3.4 wordt als volgt gewijzigd: 1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst. 2. Na «particulier» wordt «of ontheffinghouder» ingevoegd. 3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende: 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het vuurwerk ter plaatse van het afsteekterrein wordt bezorgd door of in opdracht van de verkoper. G Na artikel 2.3.5 wordt een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 2.3.6 Het is verboden consumentenvuurwerk te verkopen of anderszins ter beschikking te stellen aan een ontheffinghouder zonder een veiligheidsbril en een aansteeklont te verstrekken voor iedere 25 kg vuurwerk die ter beschikking wordt gesteld en instructies te geven over het veilig tot ontbranding brengen van dit vuurwerk. Staatsblad 2026 168 5 H Artikel 2.3.7 komt te luiden: Artikel 2.3.7 De artikelen 1.2.4, 1.2.5, 2.3.3 en 2.3.6 gelden niet ten aanzien van fop- en schertsvuurwerk. ARTIKEL II In artikel 4, eerste lid, onderdeel h, van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen wordt «vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik» vervangen door «fop- en schertsvuurwerk».

ARTIKEL III Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 augustus 2026 nadat artikel IIa van de Wet veilige jaarwisseling op dezelfde datum in werking is getreden. ARTIKEL IV Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit veilige jaarwisseling. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. ’s-Gravenhage, 25 juni 2026 Willem-Alexander De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, A.W.H. Bertram Uitgegeven de eerste juli 2026 De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel stb-2026-168 ISSN 0920 - 2064 ’s-Gravenhage 2026 Staatsblad 2026 168 6 NOTA VAN TOELICHTING Algemeen 1. Inleiding De Wet veilige jaarwisseling (hierna: de wet) is een initiatiefwet van de leden Klaver (indertijd GroenLinks; thans Progressief Nederland) en Ouwehand (Partij voor de Dieren) dat een vuurwerkverbod voor consu- menten in de Wet milieubeheer regelt. Het afsteken van F1-vuurwerk (fop- en schertsvuurwerk) blijft gedurende het hele jaar toegestaan. Ook professionele vuurwerkontbrandingen blijven mogelijk. In de wet is op basis van een aangenomen amendement een ontheffingsbevoegdheid voor burgemeesters opgenomen om het afsteken van aangewezen F2-vuurwerk tijdens de jaarwisseling door georganiseerde groepen burgers mogelijk te maken.

Uitwerking van de wet vindt plaats bij dit Besluit veilige jaarwisseling (hierna: het besluit), waarmee het Vuurwerk- besluit en het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen worden gewijzigd. 2. Hoofdlijnen van het voorstel 2.1 Algemeen In het besluit zijn – zoals bepaald in het met de wet toegevoegde artikel 9.2.2.1a van de Wet milieubeheer – de voorwaarden waaronder de burgemeester ontheffing kan verlenen uitgewerkt, alsmede de voorschriften die aan de ontheffing kunnen worden verbonden en de regels die zijn gesteld aan de verkoop van het aangewezen F2-vuurwerk. Ook is het F2-vuurwerk waarvoor een ontheffing kan worden verleend bij de Regeling aanwijzing consumentenvuurwerk (Rac) aangewezen. Met de bepaling in de wet die de burgemeester bevoegd maakt om een ontheffing te verlenen van het vuurwerkverbod en de uitwerking daarvan in onderhavig wijzigingsbesluit, is getracht het voor georganiseerde groepen burgers, zoals dorps- of buurtverenigingen, mogelijk te maken om tijdens de jaarwisseling op een verantwoorde en veilige manier vuurwerk af te steken op een daartoe aangewezen, geschikte plek.

Ten behoeve van de uitwerking van deze ontheffingsbevoegdheid zijn diverse gesprekken gevoerd om inbreng op te halen bij een brede vertegenwoordiging van organisaties, zoals de politie, het Openbaar Ministerie (OM), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), gemeenten, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), het Neder- lands Genootschap van Burgemeesters (NGB), omgevingsdiensten, de brandweer, verzekeraars, (koepels van) sport- en wijkverenigingen, en de vuurwerkbranche. Daarbij is getracht zo breed mogelijk input op te halen ten aanzien van het borgen van de veiligheid, de uitvoerbaarheid voor burgemeesters, de handhaafbaarheid, en de werkbaarheid voor vereni- gingen, stichtingen, en bedrijven. Voorafgaand aan de uitwerking zijn diverse scenario’s bezien en alternatieven afgewogen, zoals het scenario waarin een burgemeester een locatie aanwijst waarbij iedereen, dan wel alle leden van een vereniging, vuurwerk mogen afsteken onder de huidige regels. Tevens is bezien of het mogelijk is om bijvoorbeeld een maximum- aantal ontheffingen per gemeente vast te stellen. De verschillende scenario’s zijn beschreven in het Beleidskompas. Gelet op de lokale bevoegdheidsverdeling, dan wel de doelstelling van de wet, en om redenen van handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en veiligheid, is voor deze alternatieve scenario’s niet gekozen.

Staatsblad 2026 168 7 In diverse regio’s in Nederland heeft men veel ervaring met het binnen verenigingsverband organiseren van kleine evenementen om het gemeenschapsgevoel en de saamhorigheid te versterken. Dergelijke initiatieven komen daarbij vanuit de gemeenschap zelf, en worden veelal gefaciliteerd door de gemeente. Het is daarom volgens de regering van belang dat op lokaal niveau ruimte bestaat om afwegingen te maken over hoe een ontheffing het beste kan worden vormgegeven, en verenigingen en stichtingen het vertrouwen wordt gegeven om binnen de gestelde kaders vuurwerk te organiseren. Burgemeesters hebben kennis over hun gemeente en inwoners, en kunnen binnen bepaalde kaders beslissen wat er nodig is om het afsteken van vuurwerk door georganiseerde groepen burgers mogelijk te maken, en binnen welke kaders. Gelet op de veiligheid van de omgeving en omstanders verdient het aanbeveling om dit te doen met hun partners van de lokale driehoek en de veiligheidsregio. Bovenstaande is dan ook door de regering als uitgangspunt gehanteerd bij de uitwerking van de ontheffingsbevoegdheid in onderhavig besluit. Daarbij is wel van belang geacht dat bepaalde vereisten nationaal worden vastgelegd. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de brede wens vanuit gemeenten om waar dat kan veiligheidsvereisten nationaal vast te leggen. Hiermee wordt onwenselijke versnippering voorkomen.

Bovendien ziet het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) – als verantwoorde- lijke voor de vuurwerkregelgeving – het als zijn rol om de veiligheid van de opslag, het vervoer, de verkoop en het afsteken van vuurwerk te waarborgen. Met het oog daarop is een aantal vereisten die zien op de veiligheid, in onderhavig besluit vastgelegd, en is bij de uitwerking van de ontheffingsmogelijkheid waar dat opportuun is geacht aangesloten bij bestaande eisen in de regelgeving.1 Met het nationaal vastleggen van veiligheidsvereisten, worden de risico’s die met het afsteken van vuurwerk gepaard gaan zo klein mogelijk gemaakt. Het borgen van de veiligheid is van groot belang voor ontbranders, supervisors, omstanders en omwonenden. Met de uitwerking van de ontheffingsbevoegdheid worden nationale kaders gesteld, waarbinnen de burgemeester de ruimte wordt geboden om met zijn expertise en de kennis van zijn gemeente in overleg met de lokale driehoek te beslissen of, en zo ja, voor welke locatie een ontheffing wordt verleend. Ook kan de burgemeester op basis van eigen beleid een maximumaantal ontheffingen in zijn gemeente vaststellen. Naast de uitwerking van de ontheffingsbevoegdheid in het Vuurwerkbe- sluit, wordt gewerkt aan een handreiking voor gemeenten, die als richtsnoer kan dienen. Burgemeesters kunnen hier desgewenst gebruik van maken bij de beslissingen die zij nemen.

Het ligt echter in de rede dat de VNG en gemeenten hiertoe het voortouw nemen, zoveel mogelijk met ondersteuning vanuit het Rijk. 2.2 Voorwaarden Artikel 9.2.2.1a van de Wet milieubeheer regelt dat bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de voorwaarden waaronder door de burgemeester een ontheffing kan worden verleend, en welke voorschriften aan die ontheffing kunnen worden verbonden. Van een aantal aspecten die in het Vuurwerkbesluit zijn opgenomen, is van belang geacht dat deze als voorwaarde gelden waaronder de burge- meester een ontheffing kan verlenen. Het opnemen als voorwaarde borgt dat de burgemeester vooraf toetst of aan de gestelde voorwaarden is voldaan, voordat hij een ontheffing verleent. Het gaat dan bijvoorbeeld 1 Zoals de Regeling bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk. Staatsblad 2026 168 8 om de vereisten die aan de ontheffinghouder, de supervisor en de ontbrander worden gesteld, het veiligheidsplan, de vereisten die worden gesteld aan de hoeveelheid vuurwerk, en de locatie waar het vuurwerk wordt afgestoken. Omdat wordt vereist dat het veiligheidsplan rekening houdt met de voorschriften die ten minste aan de ontheffing worden verbonden, kan de burgemeester ook deze aspecten toetsen wanneer hij beslist op een ontheffingsaanvraag.

Door middel van toezicht en handhaving tijdens de ontheffingsperiode kan gecontroleerd worden of aan de voorschriften en het veiligheidsplan wordt voldaan. De voorwaarden worden hierna toegelicht. 2.2.1 Voorwaarden die aan de aanvrager worden gesteld Een ontheffing kan enkel worden verleend aan (informele) verenigingen en stichtingen. Met deze keuze is aangesloten bij de totstandkomingsge- schiedenis van de Wet veilige jaarwisseling waarin sprake is van het verlenen van een ontheffing aan georganiseerde groepen burgers, waarmee bijvoorbeeld wordt gedoeld op dorps- en buurtverenigingen. Een vereniging of stichting die voor een ontheffing in aanmerking wil komen, moet staan ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Met deze voorwaarde wordt geborgd dat een ontheffinghouder een rechtspersoon is die civielrechtelijk – en wanneer noodzakelijk strafrechtelijk – aanspra- kelijk kan worden gesteld voor schade of letsel veroorzaakt in het kader van de verleende ontheffing. Er worden geen eisen gesteld aan het type vereniging of stichting. Het kan daarom gaan om een wijk- of buurtver- eniging, een sportvereniging, of een speciaal opgerichte vuurwerkver- eniging. Wel geldt er een eis van lokale binding. Dit sluit aan bij de bedoeling van de wetgever om ontheffingen mogelijk te maken voor met name dorps- en buurtverenigingen.

Dit kan bijvoorbeeld blijken uit het vestigingsadres, de eerdere activiteiten of de statutaire doelstelling van de vereniging of stichting. Er geldt geen verplichting voor het opstellen van een notariële akte bij het oprichten van een vereniging om in aanmerking te kunnen komen voor een ontheffing. Het is aan de vereniging of stichting zelf om te bepalen of het afsteken van vuurwerk past binnen de eigen doelstellingen. Bij de aanvraag wordt vermeld dat de aanvrager één of twee super- visors heeft aangewezen en maximaal acht personen die het vuurwerk in het kader van de ontheffing zullen afsteken (ontbranders). De supervisor is een door de vereniging of stichting aangewezen persoon die tijdens de ontbranding ter plaatse verantwoordelijk is voor een goede gang van zaken. Ontbranders zijn door de vereniging of stichting aangewezen personen die vuurwerk tot ontbranding mogen brengen en onder leiding van een supervisor staan. 2.2.2 Voorwaarden met betrekking tot het terrein en het veiligheidsplan Bij de aanvraag dient een aanvrager een veiligheidsplan te overleggen. In dit veiligheidsplan wordt ingegaan op de voorwaarden voor ontheffing en de door de burgemeester aan de ontheffing te verbinden voorschriften. Ook is het veiligheidsplan voorzien van een situatietekening.

Op die situatietekening is ten minste aangegeven waar de afsteekplaats, het afsteekterrein, de veiligheidsafstanden en de veiligheidszone zich bevinden, en de schaal van de tekening. Op die manier kan een burge- meester beoordelen of de locatie geschikt is. Verder dient het veilig- heidsplan een overzicht van het af te steken vuurwerk te bevatten. Op deze manier kan een burgemeester beoordelen of de benodigde veilig- heidsafstand tot het publiek in acht wordt genomen. Staatsblad 2026 168 9 De locatie waarop de ontheffingsaanvraag betrekking heeft, dient naar het oordeel van de burgemeester geschikt te zijn om het vuurwerk veilig tot ontbranding te brengen en tijdelijk neer te leggen. De burgemeester toetst dit bij de beoordeling van de aanvraag. Hierbij worden in ieder geval de minimale veiligheidsafstanden in acht genomen. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de nabijheid van bedrijfsmatig gehouden dieren, wilde dieren, brandbare objecten, voer- of vaartuigen, en kwetsbare gebouwen of locaties. Als het gaat om de kwetsbaarheid van gebouwen kan gedacht worden aan de kwetsbaarheid van de personen die zich in een specifiek gebouw bevinden (zoals een ziekenhuis),2 anderzijds kan het in dit kader ook gaan om gebouwen die kwetsbaar zijn gelet op het feit dat deze brandbare onderdelen bevatten (zoals huizen met een rieten dak).

Ook is het van belang dat de locatie bereikbaar is voor hulpdiensten. De burgemeester kan zich bij het beoordelen of een locatie geschikt is voor het ontbranden van vuurwerk in het kader van een ontheffing, desgewenst laten adviseren binnen de lokale driehoek en de brandweer. Daarbij kan hij ook afwegen of hij het afsteken van het vuurwerk dichtbij andere gebouwen, nabij parken of natuurgebieden, vanaf een gebouw of vanaf water in het kader van de ontheffing wenst toe te staan. In veel gevallen zal dat onwenselijk zijn, gelet op de gevaarzetting. Het is in het kader van de ontheffing niet toegestaan om in een binnenruimte vuurwerk af te steken. Het vuurwerk dat in het kader van de ontheffing mag worden afgestoken (aangewezen F2-vuurwerk) is daarvoor niet geschikt. In onderhavig wijzigingsbesluit worden voorwaarden en voorschriften gesteld die tot doel hebben de veiligheid van het tot ontbranding brengen van vuurwerk te waarborgen voor de supervisor/ontbrander, het publiek en de omgeving. Het Vuurwerkbesluit stelt geen regels over waar het tot ontbranding brengen van het vuurwerk, met inachtneming van die voorwaarden en voorschriften, precies plaatsvindt. De burgemeester kan binnen de kaders en met zijn expertise en de kennis van zijn gemeente immers het beste beslissen of de locatie waarop de ontheffingsaanvraag betrekking heeft, geschikt is.

Het kan wenselijk zijn dat een burgemeester voorafgaand aan het openstellen van de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor een ontheffing, bepaalde locaties aanwijst waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. Wanneer een burgemeester dat wenselijk acht, dient hij dat op te nemen in eigen beleid. 2.2.3 Hoeveelheid vuurwerk Er kan voor maximaal 200 kilogram (verpakt3) F2-vuurwerk een ontheffing worden verleend. De grens van 200 kilogram consumenten- vuurwerk is in de regelgeving reeds relevant bij professionele vuurwerk- shows. Tot 200 kilogram consumentenvuurwerk kan in dat kader worden volstaan met een ontbrandingsmelding bij het bevoegde gezag (de provincie); daarboven is een ontbrandingstoestemming vereist. Ook valt deze maximumhoeveelheid binnen de geldende vrijstellingen in het kader van het vervoer van gevaarlijke stoffen.4 2 Zie de definitie die hiervoor wordt gehanteerd in het kader van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 3 Verpakt vuurwerk is in artikel 1.1.1, derde lid, onderdeel a, van het Vuurwerkbesluit gedefi- nieerd als «vuurwerk inclusief het omhulsel en eventuele verpakking, detailhandelsverpakking of assortimentverpakking en inclusief de transportverpakking als bedoeld in de ADR».

4 Op grond van de ADR-regelgeving (Accord Européen relatif au transport international des marchandises Dangereuses par Route) mag consumentenvuurwerk van klasse 1.4G tot 333 kilogram netto explosieve massa ontplofbare stof toestemmingsvrij worden vervoerd. Staatsblad 2026 168 10 Omdat F1-vuurwerk het gehele jaar door mag worden gekocht en afgestoken en op grond van Europese regelgeving niet mag worden beperkt, blijft het daarnaast mogelijk om F1-vuurwerk af te steken. 2.2.4 Beleid van de burgemeester De burgemeester kan een ontheffingsaanvraag afwijzen op grond van het beleid dat hij voert. Dit beleid kan bijvoorbeeld zien op en maximum- aantal ontheffingen dat hij verleent en de locaties die al dan niet in aanmerking komen voor het afsteken van vuurwerk met een ontheffing. Indien de burgemeester in zijn beleid een maximumaantal te verlenen ontheffingen instelt, per locatie of in de gemeente, wordt daarmee een schaars publiek recht gecreëerd. Dat brengt dan met zich dat de burge- meester is gehouden een aantal randvoorwaarden die gelden voor de verlening van schaarse vergunningen in acht te nemen, voortvloeiend uit het beginsel van gelijke kansen. 2.3 Voorschriften Aan de ontheffing wordt door de burgemeester een pakket aan voorschriften verbonden. Welke voorschriften dit ten minste zijn, is vastgelegd in het Vuurwerkbesluit.

Deze voorschriften sluiten waar dat kan en waar dat opportuun is geacht, aan bij de regels die gelden voor professionals bij het afsteken van consumentenvuurwerk. Het Vuurwerk- besluit regelt het pakket aan voorschriften dat ten minste door de burgemeester aan de ontheffing wordt verbonden. Een burgemeester mag aanvullende voorschriften aan de ontheffing verbinden, indien hij dat wenselijk acht. Het pakket aan voorschriften is onderverdeeld in een aantal thema’s: voorschriften met betrekking tot de locatie, voorschriften met betrekking tot de supervisor en de ontbranders, en voorschriften met betrekking tot de wijze en het moment van ontbranden. 2.3.1 Voorschriften met betrekking tot de locatie In het pakket aan voorschriften zijn onder andere voorschriften opgenomen die zien op de locatie waarop de ontheffing betrekking heeft. Daarbij wordt uitgegaan van een afsteekplaats, een afsteekterrein en een veiligheidszone. De afsteekplaats is het gedeelte van het afsteekterrein waar het vuurwerk tot ontbranding wordt gebracht. Het afsteekterrein is het terrein bestaande uit een afsteekplaats en het gebied rondom de afsteekplaats met een minimumafstand van 10 meter vanaf de buitenrand van de afsteekplaats tot de buitenrand van het afsteekterrein, waar het vuurwerk wordt bewaard tot het tot ontbranding wordt gebracht.

De veiligheidszone is het gebied rondom de afsteekplaats met een straal die ten minste gelijk is aan het aantal meter dat als veiligheidsafstand bij het tot ontbranding brengen in acht moet worden genomen. Aan de ontheffing worden ten minste de volgende voorschriften verbonden: – Vuurwerk wordt uitsluitend tot ontbranding gebracht op het in de ontheffing aangegeven terrein. Dit terrein dient te voldoen aan het veiligheidsplan en de bij de aanvraag ingediende situatietekening. Deze vereisten zijn als voorwaarde opgenomen opdat de burgemeester deze toetst bij de beoordeling van de aanvraag. Deze vereisten dienen tevens als voorschrift te worden opgenomen, om te borgen dat het F2-vuurwerk waarvoor een ontheffing is verleend, ook in de praktijk niet buiten de toegestane locatie wordt afgestoken en voldoet aan het veiligheidsplan. Staatsblad 2026 168 11 – De veiligheidszone heeft een zodanige grootte dat rekening wordt gehouden met de minimale veiligheidsafstand die bij het tot ontbranding brengen in acht moet worden genomen. – Voordat het vuurwerk op het afsteekterrein wordt neergelegd, wordt het afsteekterrein afgesloten voor publiek. – Tijdens de ontbranding is niet meer dan 200 kilogram F2-vuurwerk aanwezig op het afsteekterrein.

Op het afsteekterrein dient het vuurwerk op een veilige wijze en op ten minste 8 meter van de buitenrand van de veiligheidszone te worden bewaard (neergelegd) en er dient permanent toezicht te worden gehouden door de ontheffinghouder. Er dient tevens 8 meter afstand tijdens de ontbranding gehouden te worden tussen de afsteekplaats en de plaats waar het vuurwerk wordt bewaard (neergelegd). Dit is niet in dit besluit voorgeschreven, maar volgt uit de minimale veiligheidsafstand die is vermeld op het vuurwerkartikel.5 – Op de afsteekplaats is een aantal documenten verplicht aanwezig, namelijk een afschrift van de door de burgemeester verleende ontheffing en de daarbij behorende voorschriften, en een afschrift van de factuur waarop de aanwezige vuurwerkartikelen staan vermeld. Aan de hand hiervan kan door toezichthouders en handhavers gecontroleerd worden of een ontheffing is verleend voor het afsteken van F2-vuurwerk, en welk vuurwerk aanwezig is op de locatie. Deze documenten mogen door een ontheffinghouder zowel op papier als digitaal worden getoond.

– Om te voorkomen dat er vuur aanwezig is op de locatie waar de ontheffing betrekking op heeft is als voorschrift opgenomen dat binnen de veiligheidszone geen open vuur aanwezig is, niet wordt gerookt, en er op het afsteekterrein tijdens de ontbranding voldoende handblusapparaten aanwezig zijn om een beginnende brand zo snel mogelijk te kunnen bestrijden. Het aantal handblusapparaten bedraagt ten minste twee met een inhoud van ten minste 6 kilogram ABC-poeder of 9 kg schuim. Hierbij is aangesloten bij de veiligheidsvoorschriften die gelden voor bedrijfs- matige ontbrandingen.6 De ondergrond die wordt gebruikt voor het opstellen van vuurwerk dient niet brandbaar te zijn. Ook zijn handelingen nabij het vuurwerk die kunnen leiden tot statische elektriciteit, brand, brandgevaar of onbedoelde ontsteking verboden. – Tijdens het tot ontbranding brengen van vuurwerk mag de veilig- heidszone enkel worden betreden door de supervisor(s), de ontbranders en de toezichthouder. – De veiligheidszone wordt direct na afloop van het vuurwerkevenement opgeruimd en schoon opgeleverd. 2.3.2 Voorschriften met betrekking tot de supervisor en de ontbranders Het pakket aan voorschriften bevat verder een aantal voorschriften die zien op het veilig afsteken van het vuurwerk.

Het gaat meer specifiek om vereisten die aan de ontbranders en de supervisors worden gesteld: – Het vuurwerk mag tot ontbranding worden gebracht door een beperkt aantal personen. Het maximumaantal ontbranders per ontheffing is acht personen.7 – In het kader van de ontheffing worden ook één of twee zogenoemde supervisors vanuit de vereniging of stichting aangewezen. Deze super- visor houdt tijdens de ontbranding zicht op het vuurwerk, de afsteek- plaats, de veiligheidszone en de ontbranders. Het ligt in de rede dat bij een grote veiligheidszone gebruik wordt gemaakt van twee supervisors. 5 De minimale veiligheidsafstand op het etiket van het product volgt uit de NEN-norm 15947-3:2022. 6 Vgl. artikel 2.8, tweede lid onder a van de Regeling bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk (buitenevenementen). 7 Hierbij is aangesloten bij de huidige toegestane 25 kilogram consumentenvuurwerk per persoon. Staatsblad 2026 168 12 Ook heeft de supervisor de beschikking over communicatiemiddelen, bijv. een mobiele telefoon, waarmee contact kan worden opgenomen met hulpverleningsdiensten en de gemeente wanneer de situatie daarom vraagt. De supervisor brengt zelf geen vuurwerk tot ontbranding. De supervisor dient te allen tijde zicht te hebben op het vuurwerk en de afsteeklocatie.

Zo kan hij tijdig opmerken wanneer er zich voorvallen voordoen op de afsteeklocatie (bijvoorbeeld wanneer er onverhoopt brand ontstaat), onbevoegden het terrein betreden, of het vuurwerk ongewoon gedrag vertoont (zoals omvallen). In het laatste geval ligt het met het oog op de veiligheid van de ontbrander en het publiek in de rede dat vergelijkbare artikelen niet meer worden afgestoken. – De supervisors en de ontbranders dienen ten minste 18 jaar oud te zijn. – Van de ontbranders en de supervisors wordt verwacht dat zij kennis hebben over het veilig omgaan met vuurwerk. Naast kennis over het veilig afsteken van vuurwerk is van belang dat er voldoende kennis is over de tijdelijke neerlegging en het transport van vuurwerk. Kennis over het veilig omgaan met vuurwerk omvat mede hoe te reageren op calami- teiten. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan over hoe een beginnende brand te bestrijden en eerste hulp bij brandwonden te verlenen. Hiertoe wordt namens het Rijk een voorlichtingspakket opgesteld. – De supervisors en de ontbranders dragen een vuurwerkbril. De ontbranders gebruiken aansteeklonten om het vuurwerk tot ontbranding te brengen. – De supervisors en de ontbranders zijn niet onder invloed van alcohol of andere verdovende of stimulerende middelen.

Voor de vaststelling of sprake is van onder invloed zijn van alcohol of andere middelen, is aangesloten bij de grenswaarden van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 gelezen in samenhang met artikel 3 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. 2.3.3 Voorschriften met betrekking tot de wijze en moment van ontbranden Het pakket aan voorschriften bevat tot slot een aantal voorschriften die zien op de wijze van het afsteken van het vuurwerk. Het gaat om de volgende voorschriften: – Het vuurwerk wordt uitsluitend tot ontbranding gebracht tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daaropvolgende jaar. Hiermee wordt aangesloten bij de afsteektijden die thans gelden voor het afsteken van vuurwerk door consumenten tijdens de jaarwisseling. – Het vuurwerk wordt afgestoken zoals neergelegd in het veilig- heidsplan dat bij de aanvraag is ingediend en bij de verleende ontheffing behoort. – Het vuurwerk mag niet worden bewerkt en wordt in de originele staat tot ontbranding gebracht. Het vuurwerk mag uitsluitend handmatig – dat wil zeggen niet elektronisch – worden afgestoken. Voor het bevestigen van een elektronisch ontstekingsmechanisme is het in veel gevallen nodig dat het vuurwerk vooraf wordt bewerkt. Dit is in het kader van professi- onele vuurwerkevenementen gebruikelijk.

Het wordt niet wenselijk geacht dat personen die niet over specifieke specialistische kennis beschikken, vuurwerk voorafgaand aan het afsteekmoment bewerken. Het elektronisch afsteken van vuurwerk is daarom in het kader van een ontheffing niet toegestaan. – Het afsteken moet plaatsvinden volgens de gebruiksaanwijzing of het veiligheidsinformatieblad behorend bij het vuurwerkartikel, voor zover niet anders is bepaald. Daarin zijn – zoals bepaald in artikel 2.1.3, eerste lid onder j, van het Vuurwerkbesluit – zodanige aanwijzingen en waarschu- wingen opgenomen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en omstanders kan ontstaan. Staatsblad 2026 168 13 – Vuurwerk dient stabiel en op de grond te worden opgesteld, loodrecht op het grondoppervlak. Vuurwerk mag niet om kunnen vallen. Het is met het oog hierop niet toegestaan om vuurwerk op bijvoorbeeld stellages te plaatsen of op bewegende objecten. – Bij het afsteken moeten minimale veiligheidsafstanden in acht worden genomen. Deze dienen ter bescherming van omstanders en het publiek. Afhankelijk van het type vuurwerk worden veiligheidsafstanden van minimaal 15, 40 of 60 meter in acht genomen. In geval van grond- vuurwerk geldt een minimale veiligheidsafstand van 15 meter.

In geval van luchtvuurwerk met een kaliber van maximaal 1 inch geldt een minimale veiligheidsafstand van 40 meter; daarboven geldt een minimale veiligheidsafstand van 60 meter. Indien luchtvuurwerk schuin richting het publiek wordt afgeschoten, moeten de veiligheidsafstanden voor luchtvuurwerk met een factor 1,5 worden vermenigvuldigd. Ingevolge artikel 2.3.2a, derde lid, onder e, moet vuurwerk stabiel, op de grond en loodrecht op het grondoppervlak worden opgesteld. Schuin afschieten mag dus alleen plaatsvinden wanneer vuurwerkartikelen in samengesteld vuurwerk onder een hoek zijn voorgemonteerd. Hierbij is aangesloten bij de veiligheidsafstanden die gelden voor professionals wanneer zij consumentenvuurwerk tot ontbranding brengen. Deze veiligheidsaf- standen dienen ook in acht te worden genomen bij het bepalen of een locatie geschikt is in het kader van een ontheffing. – Indien publiek of omstanders nabij de veiligheidszone ander vuurwerk afsteken (niet zijnde fop- en schertsvuurwerk), dan dient het afsteken van vuurwerk door de ontheffinghouder onmiddellijk gestaakt te worden. Zo ook wanneer publiek de veiligheidszone betreedt. – Indien weers- of andere omstandigheden het veilig tot ontbranding brengen van vuurwerk bemoeilijken of belemmeren, dient het tot ontbranding brengen van vuurwerk onmiddellijk te worden gestaakt.

Dat is bijvoorbeeld geval bij onverwachte harde wind (een windsnelheid van 9 m/s of meer, dat komt overeen met windkracht 5), extreme droogte, of dichte mist waardoor er onvoldoende zicht mogelijk is. De burgemeester dient een ontheffing onverwijld in te trekken wanneer naar verwachting sprake zal zijn van dergelijke weersomstandigheden (zie paragraaf 2.4). In de situatie dat voorafgaand aan de ontbranding nog geen sprake was van dergelijke weersomstandigheden, maar tijdens de ontbranding de weersomstandigheden het veilig afsteken desalniettemin belemmeren, is ook als voorschrift opgenomen dat het afsteken van het vuurwerk dan alsnog dient te worden gestaakt. 2.4 Intrekking of weigering van een ontheffingsaanvraag Een ontheffing wordt geheel dan wel gedeeltelijk ingetrokken indien sprake is van weers- of andere omstandigheden ter plaatse van de locatie waarvoor ontheffing is verleend naar verwachting van dien aard zijn dat het veilig tot ontbranding brengen van vuurwerk niet gewaarborgd is. Dit is, zoals onder paragraaf 2.3.3 aangegeven, bijvoorbeeld geval bij extreme droogte, harde wind, of dichte mist zodanig dat de veiligheidszone niet in zijn geheel is te overzien dan wel het zicht minder bedraagt dan 200 meter. Bij de uitleg van dit voorschrift kan worden aangesloten bij artikel 3.7 van de Regeling bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk.

Verder trekt een burgemeester de ontheffing in als blijkt dat bij de aanvraag onjuiste gegevens zijn verstrekt terwijl verstrekking van de juiste gegevens zou hebben geleid tot weigering van de ontheffing, of als er wijzigingen zijn opgetreden ten opzichte van de bij de aanvraag verstrekte gegevens die, als zij ten tijde van de aanvraag bekend waren geweest, zouden hebben geleid tot weigering van de ontheffing. Staatsblad 2026 168 14 Het ligt in de rede dat een dergelijke beslissing, wanneer dat mogelijk is, uiterlijk op 30 december wordt genomen, zodat het vuurwerk nog niet ter beschikking is gesteld aan de ontheffinghouder. Wanneer het noodzakelijk is dat een dergelijke beslissing wordt genomen als het vuurwerk reeds ter beschikking is gesteld aan de ontheffinghouder, dan heeft de burge- meester de mogelijkheid om de ontheffing gedeeltelijk in te trekken. Hiermee kan worden voorkomen dat een vereniging of stichting direct strafbaar is voor het voorhanden hebben van consumentenvuurwerk, zodra de ontheffing wordt ingetrokken. Ook is in het Vuurwerkbesluit een aantal situaties opgenomen waarin een burgemeester kan beslissen om een verleende ontheffing in te trekken.

Dat is het geval wanneer een ontheffinghouder één of meer voorschriften niet naleeft, wanneer blijkt dat bij de aanvraag onjuiste gegevens zijn verstrekt terwijl verstrekking van de juiste gegevens mogelijk had geleid tot weigering van de ontheffing, en wanneer blijkt dat er wijzigingen zijn opgetreden die als zij ten tijde van de aanvraag bekend waren geweest, mogelijk zouden hebben geleid tot weigering van de ontheffing. 2.5 Type vuurwerk Het type vuurwerk dat in het kader van een ontheffing mag worden afgestoken is aangewezen in de Rac, zoals dat ook het geval was voordat de Wet veilige jaarwisseling in werking trad. Het is dus niet toegestaan om in het kader van de ontheffing F2-vuurwerk af te steken dat voordien ook niet was toegestaan. 2.6 Verkoop en terbeschikkingstelling Op grond van artikel 9.2.2.1a, tweede lid, van de Wet milieubeheer is de verkoop van F2-vuurwerk8 aan anderen dan personen met gespeciali- seerde kennis verboden. Om verenigingen en stichtingen te kunnen voorzien in vuurwerk dat zij in het kader van een ontheffing kunnen afsteken, is het nodig dat in Nederland vuurwerk kan worden verkocht. Om die reden is in het zesde lid van dat artikel opgenomen dat dit verbod niet geldt op 29, 30 en 31 december indien de koper in het bezit is van een ontheffing.

De regels over de verkoop van het vuurwerk zijn door middel van onderhavig wijzigingsbesluit opgenomen in het Vuurwerkbesluit. Daarin is geregeld dat per ontheffing maximaal het aantal kilogram vuurwerk mag worden verkocht waarvoor ontheffing is verleend, met een maximum van 200 kilogram. Ook is geregeld dat verkopers verplicht zijn te controleren of een koper een ontheffing heeft. Verder is in het Vuurwerkbesluit geregeld dat de terbeschikkingstelling van het vuurwerk aan de houder van een ontheffing enkel op 31 december tussen 12.00 en 18.00 uur mag plaatsvinden. Dit betekent dat enkel op de laatste dag van het jaar het vuurwerk daadwerkelijk in bezit mag komen van een ontheffinghouder. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat het vuurwerk zo kort mogelijk op de locatie van de ontheffing aanwezig is, voorafgaand aan het moment van ontbranding. Voordat een verkoper tot terbeschikkingstelling overgaat, controleert hij of de koper een ontheffing heeft en bewaart een kopie daarvan in zijn administratie. Bij het ter beschikking stellen dient een verkoper een veiligheidsbril en aansteeklont te verstrekken voor iedere 25 kilogram aan vuurwerk die ter beschikking wordt gesteld. Het niet verstrekken van dergelijke veiligheidsmiddelen is verboden. Het verstrekken van vuurwerkbrillen en aansteeklonten was 8 En ook F3-vuurwerk.

Staatsblad 2026 168 15 reeds verplicht vóór inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling, en is daarom geen nieuw vereiste. Hoewel de verkoop van F1-vuurwerk (fop- en schertsvuurwerk) mogelijk blijft, professionals consumentenvuurwerk kunnen blijven afsteken, en er in het kader van de ontheffing vraag zal blijven bestaan naar F2-vuurwerk, is de verwachting dat als gevolg van het landelijk vuurwerkverbod voor consumenten, de verkoop van F2-vuurwerk zal afnemen. Daarmee is het ook aannemelijk dat het aantal verkooppunten zal afnemen. Hoeveel verkooppunten dat zijn en waar de verkooppunten zich bevinden, wordt aan de markt overgelaten. Hierover zijn in het Vuurwerkbesluit geen regels gesteld. Artikel 9.2.2.1a van de Wet milieubeheer regelt dat de verkoop van F29-vuurwerk is verboden, behalve op 29, 30 en 31 december indien de koper in bezit is van een ontheffing. In de praktijk vinden bestellingen van vuurwerk vaak al eerder plaats. Dit blijft op grond van de wet mogelijk, mits de koopovereenkomst een opschortende voorwaarde bevat die bepaalt dat de koopovereenkomst niet eerder dan op 29 december van het betreffende jaar in werking treedt. Ook dient een voorbehoud te gelden voor het geval de betreffende vereniging of stichting geen ontheffing krijgt van de gemeente.

2.7 Vervoer Op grond van artikel 1.1.3.6 van het ADR10 is het vervoer van bepaalde hoeveelheden gevaarlijke goederen vrijgesteld van een aantal verplich- tingen uit het ADR. Omdat is gekozen voor een maximumhoeveelheid van 200 kilogram aangewezen F2-vuurwerk valt het vervoer hiervan binnen de genoemde gedeeltelijke vrijstelling. Dit betekent dat het vervoer van het genoemde vuurwerk is toegestaan. Het vervoer is niet vrijgesteld van alle verplichtingen uit het ADR. Zo dient het vuurwerk bijvoorbeeld voorzien te zijn van juiste etikettering en kenmerking, dient de vervoerder de beschikking te hebben over een vervoerdocument, en dient een brand- blusser van tenminste 2 kilogram poeder voor de brandbaarheidsklassen A, B en C aanwezig te zijn. Ook geldt er een rookverbod en gelden er voorschriften met betrekking tot het laden en lossen. Het vuurwerk dient te zijn verpakt in een UN goedgekeurde verpakking. De precieze voorschriften volgen uit de ADR-regelgeving; hierover worden in het Vuurwerkbesluit geen nadere eisen gesteld.

Op grond van het Vuurwerk- besluit geldt voor het vervoer van meer dan 25 kilogram consumenten- vuurwerk, dat de vervoerder met een vrachtbrief als bedoeld in artikel 2.13 van de Wet wegvervoer goederen of een cognossement in de zin van boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, aan moet kunnen tonen dat de artikelen bestemd zijn voor een natuurlijke persoon of een rechtspersoon. Op grond van het Vuurwerkbesluit was het voor de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling verboden consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter beschikking te stellen op een andere plaats dan een ruimte voor verkoop aan particulieren. Deze bepaling zorgde ervoor dat het vuurwerk enkel in winkels ter beschikking kon worden gesteld aan particulieren, en niet op andere locaties. In het Vuurwerkbe- sluit wordt deze bepaling behouden, in die zin dat deze bepaling ook geldt voor het ter beschikking stellen van vuurwerk aan ontheffinghouders. Het kan echter voorkomen dat het wenselijk is dat een verkooppunt het vuurwerk op 31 december op het afsteekterrein bezorgt of dat hij daartoe een vervoerder inschakelt. Dit kan wenselijk zijn voor een ontheffing- 9 En ook F3-vuurwerk. 10 Accord Européen relatif au transport international des marchandises Dangereuses par Route. Staatsblad 2026 168 16 houder met het oog op de vereisten die uit de ADR-regelgeving volgen.

Ook kan het zijn dat verkooppunten of importeurs deze service willen verlenen, en er een markt ontstaat om deze dienstverlening aan te bieden aan verenigingen en stichtingen. Om dit mogelijk te maken is in het Vuurwerkbesluit geregeld dat het verbod om consumentenvuurwerk op een andere locatie dan het verkooppunt ter beschikking te stellen, niet van toepassing is wanneer het vuurwerk ter plaatse van het afsteekterrein wordt bezorgd door of in opdracht van de verkoper. 2.8 Tijdelijke neerlegging Op grond van artikel 1.2.4 van het Vuurwerkbesluit mag het vuurwerk enkel voorhanden zijn op een plaats die niet voor het publiek toegankelijk is. Omdat het vuurwerk waar de ontheffing betrekking op heeft enkel op 31 december ter beschikking kan worden gesteld aan de ontheffing- houder, wordt ervoor gezorgd dat het vuurwerk zo kort mogelijk aanwezig is op het afsteekterrein. De ontheffinghouder (de vereniging of stichting) is op grond van de voorschriften die aan de ontheffing worden verbonden verantwoordelijk voor het veilig bewaren van het vuurwerk. Daarbij wordt door een ontheffinghouder bijvoorbeeld rekening gehouden met de weersomstandigheden (zoals sneeuw of regen). Het afsteekterrein mag niet toegankelijk zijn voor onbevoegden, en het vuurwerk dient te worden beschermd tegen bijvoorbeeld regen.

Ook is de ontheffinghouder verantwoordelijk voor de veiligheid van de locatie waar het vuurwerk wordt bewaard. De ontheffinghouder dient er bijvoorbeeld voor te zorgen dat het vuurwerk niet voor publiek toegan- kelijk is. Om dit te borgen is in de voorschriften onder andere opgenomen dat voordat het vuurwerk op het afsteekterrein wordt neergelegd, het afsteekterrein wordt afgesloten voor publiek. Op het afsteekterrein dient bovendien permanent toezicht te worden gehouden door de vereniging of stichting. Verder is geregeld in de voorschriften dat open vuur niet is toegestaan binnen de veiligheidszone (inclusief het afsteekterrein), roken verboden is, en het verplicht is dat op het afsteekterrein voldoende handblusapparaten aanwezig zijn. Deze voorschriften zijn voor een belangrijk deel vergelijkbaar met de vereisten die gelden voor professi- onals wanneer zij consumentenvuurwerk afsteken. De gemeente en de brandweer kunnen hier waar nodig in adviseren. Omdat het vuurwerk niet in een binnenruimte mag worden afgestoken, is het afsteekterrein altijd gelegen in een buitenruimte. Het is niet toegestaan om tussen het moment van terbeschikkingstelling aan de ontheffinghouder en de tijdelijke neerlegging op het afsteekterrein, het vuurwerk tussentijds ergens anders op te slaan.

Dit is geborgd doordat geregeld is dat de terbeschikkingstelling van het vuurwerk aan ontheffinghouders enkel op 31 december mag plaatsvinden, en het vuurwerk veilig neer dient te worden gelegd op de afsteeklocatie. 2.9 Teruglevering Een situatie kan zich voordoen waarin het vuurwerk dat in het kader van de ontheffing is gekocht en ter beschikking is gesteld aan de ontheffing- houder, niet wordt afgestoken. Bijvoorbeeld wanneer weersomstandig- heden het afsteken van vuurwerk niet toelaten. In artikel 9.2.2.1a van de Wet milieubeheer is geregeld dat de ontheffing van de in het eerste lid gestelde verboden, enkel kan worden verleend ten behoeve van het tijdens de jaarwisseling tot ontbranding brengen van vuurwerk. Ook het bezit van consumentenvuurwerk na de jaarwisseling is op grond van het Vuurwerkbesluit niet toegestaan. Gelet hierop, en met het oog op de veiligheid, is het nodig dat het vuurwerk dat niet is afgestoken, veilig Staatsblad 2026 168 17 wordt teruggeleverd aan het verkooppunt waar het vuurwerk is gekocht.11 In het Vuurwerkbesluit is dan ook als voorschrift opgenomen voor ontheffinghouders dat niet ontbrand vuurwerk uiterlijk 1 januari 18.00 uur wordt geretourneerd.12 Ook is geregeld dat verkopers op 1 januari kosteloos niet ontbrand vuurwerk terug dienen te nemen tegen het afgeven van een retourbon of een aftekening op de factuur.

2.10 Evenementenvergunning In veel gevallen zal naast een ontheffing voor het afsteken van vuurwerk bij de burgemeester, een evenementenvergunning moeten worden aangevraagd. Bijvoorbeeld omdat het vuurwerk op een openbare plek wordt afgestoken, of omdat er (veel) publiek op afkomt. Of een evenemen- tenvergunning vereist is, is afhankelijk van de regels die daarover zijn gesteld door de gemeenteraad van de gemeente waarbinnen het vuurwerk zal worden afgestoken. Deze regels zijn veelal in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) opgenomen. De wet of de AMvB brengen geen verandering in de autonome bevoegdheid van de gemeenteraad om hierover regels te stellen. 2.11 Civielrechtelijke aansprakelijkheid Vuurwerk is een product dat helaas jaarlijks zorgt voor schade en letsel.13 Wanneer er sprake is van schade of letsel is het van belang dat het slachtoffer iemand aansprakelijk kan stellen voor de geleden schade. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan het slachtoffer het schadeveroorzakende individu, maar ook de ontheffinghouder aanspra- kelijk stellen. Doordat in het wijzigingsbesluit is geregeld dat een ontheffing kan worden aangevraagd door een vereniging of stichting, is er sprake van een rechtspersoon die aangesproken kan worden. In de regel geldt voor een organisator een zorgplicht om het risico op schade en letsel te voorkomen.

In uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld bij onzorg- vuldig handelen, kan de gemeente aansprakelijk gesteld worden. Bij het beoordelen in hoeverre een (rechts)persoon civielrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden, is ook van belang of het slachtoffer zelf (ook) schuld treft. Om te bepalen wie voor de schade aansprakelijk is, is het algemene recht en de bestaande jurisprudentie van toepassing; onder- havig wijzigingsbesluit stelt geen nadere regels hierover. Het kan nuttig zijn voor een ontheffinghouder (als rechtspersoon) om een aansprakelijk- heidsverzekering af te sluiten. Het is aan de burgemeester om te bepalen of hij dit ook adviseert of voorschrijft aan de ontheffinghouder, zodat een persoon die schade lijdt dit ook effectief kan verhalen. Deze afweging wordt aan de burgemeester gelaten, hij heeft het beste zicht op de aanvraag en kan daarom goed inschatten of dit in de rede ligt. Het is belangrijk voor een vereniging of stichting die een ontheffing aanvraagt, om na te gaan of de eigen (huidige) aansprakelijkheidsverze- kering adequate dekking biedt voor afsteken of laten afsteken van vuurwerk. Hierbij is het verstandig om ook te kijken of en welke specifieke (aanvullende) voorwaarden de verzekeraar hierbij stelt.

Als de rechts- persoon (nog) geen aansprakelijkheidsverzekering heeft die dekking biedt, zou een tijdelijke evenementenverzekering met dekking voor aansprake- lijkheid een alternatief kunnen zijn. 11 Dit dient te gebeuren in een gesloten UN-goedgekeurde verpakking. Het vervoer dient aan dezelfde eisen te voldoen als die gelden voor het vervoer van het verkooppunt aan de ontheffinghouder. 12 Het is daarbij van belang dat het vuurwerk aan de eisen voldoet van de verkoper, bijvoorbeeld dat het vuurwerk ingepakt is in de oorspronkelijke verpakking. 13 De letselcijfers worden jaarlijks gerapporteerd door VeiligheidNL. Staatsblad 2026 168 18 3. Verhouding tot hoger recht Pyrotechnische artikelen zijn in belangrijke mate gereguleerd via de Europese Pyrorichtlijn.14 Artikel 5 van deze richtlijn bepaalt dat lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat pyrotech- nische artikelen uitsluitend op de markt worden aangeboden indien zij aan de eisen van deze richtlijn voldoen. Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Pyrorichtlijn, kan een lidstaat maatregelen nemen om bepaalde pyrotechnische artikelen te verbieden of te beperken. Zodoende is in Nederland bijvoorbeeld het op de markt aanbieden van pyrotechnische artikelen van categorie T1, vuurwerk van categorie F3 en bepaalde artikelen van categorie F2 aan anderen dan personen met gespeciali- seerde kennis verboden.

Als gevolg van de Wet veilige jaarwisseling is het bezit en gebruik van de gehele categorie F2-vuurwerk verboden voor consumenten. Ook de verkoop aan consumenten is verboden. Dit verbod geldt niet als er sprake is van een ontheffing door de burgemeester. Met onderhavige wijziging worden mogelijk technische voorschriften gesteld. De wijziging dient daarom op grond van de notificatierichtlijn aan de Europese Commissie gemeld te worden. Derhalve is een ontwerp van dit besluit op 19 januari 2026 aan de Europese Commissie voorgelegd (notificatienummer 2026/0018/NL). Dit heeft niet geleid tot opmerkingen. 4. Verhouding tot nationale regelgeving Pyrotechnische artikelen zijn in het Nederlandse recht hoofdzakelijk gereguleerd via het Vuurwerkbesluit. Artikel 9.2.2.1, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer vormt de voornaamste grondslag voor het Vuurwerkbesluit. Met de Wet veilige jaarwisseling is een artikel 9.2.2.1a toegevoegd aan de Wet milieubeheer. In dat artikel is geregeld dat het bezit en het gebruik van vuurwerk van de categorieën F2 en F3 is verboden voor anderen dan personen met gespecialiseerde kennis.15 Ook is geregeld dat de verkoop van vuurwerk van deze categorieën aan anderen dan personen met gespecialiseerde kennis is verboden. In het vierde lid van artikel 9.2.2.1a is een uitzondering gemaakt op dit generieke vuurwerkverbod voor consumenten.

In dat artikellid is geregeld dat de burgemeester ontheffing kan verlenen ten behoeve van het tijdens de jaarwisseling tot ontbranding brengen van vuurwerk van categorie F2 dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangewezen. In het zesde lid van artikel 9.2.2.1a is geregeld dat het verbod op de verkoop niet geldt op 29, 30 en 31 december indien de koper in het bezit is van een ontheffing. In artikel 9.2.2.1a, vijfde lid, is geregeld dat bij AMvB regels worden gesteld over de voorwaarden waaronder door de burgemeester op aanvraag ontheffing kan worden verleend voor het tijdens de jaarwis- seling tot ontbranding brengen van aangewezen F2-vuurwerk en de voorschriften die aan de ontheffing kunnen worden verbonden. Op grond van artikel 9.2.2.1a, vierde en zevende lid, wordt het F2-vuurwerk waarvoor ontheffing kan worden verleend bij AMvB aangewezen en worden bij AMvB regels gesteld over de verkoop van vuurwerk van het aangewezen F2-vuurwerk aan de koper die in het bezit is van een ontheffing. 14 Richtlijn 2013/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van pyrotechnische artikelen. 15 Voor de categorieën F4, T1 en T2 is in het Vuurwerkbesluit geregeld dat deze artikelen enkel door personen met gespecialiseerde kennis mogen worden afgestoken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/1205/documents/36654