CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Besluit veilige jaarwisseling.pdf

Gemeenteraad GHG 15 oktober 2026, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 11: Consultatie Ontheffingenbeleid Vuurwerk27.682 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Staatsblad 2026 168 19 5. Gevolgen (m.u.v. financiële gevolgen) 5.1 Gevolgen voor burgers Vóór de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling mochten consumenten van 31 december 18.00 uur tot 1 januari 02.00 uur vuurwerk afsteken dat is aangewezen als consumentenvuurwerk in de Rac. Het gaat dan meer specifiek om F1-vuurwerk (dat het gehele jaar is toegestaan) en bepaalde typen F2-vuurwerk (zoals cakeboxen). Het toegestane F2-vuurwerk mocht worden verkocht op de laatste drie dagen van het jaar. Met de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling is al het F2-vuurwerk voor consumenten verboden. Dit heeft directe gevolgen voor burgers. Zij mogen immers geen F2-vuurwerk meer bezitten en afsteken. Ook mag dit type vuurwerk niet meer aan consumenten worden verkocht. Deze gevolgen zijn meegenomen in de memorie van toelichting bij de Wet veilige jaarwisseling. In het nieuwe artikel 9.2.2.1a van de Wet milieu- beheer is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen voor de burgemeester. Deze ontheffingsmogelijkheid is met onderhavig wijzigingsbesluit nader uitgewerkt. Dit betekent dat – wanneer een ontheffing is verleend – verenigingen en stichtingen onder voorwaarden nog wel vuurwerk mogen bezitten en afsteken tijdens de jaarwisseling.

Het is lastig om precies te voorspellen in welke mate van een dergelijke ontheffingsmogelijkheid gebruik zal worden gemaakt, en hoeveel aanvragen er zullen worden ingediend. Dat is voor een belangrijk deel ook afhankelijk van het lokale beleid. In algemene zin volgt uit diverse gesprekken die het ministerie van IenW heeft gevoerd dat het veelal afhankelijk is van de stad of het dorp of een ontheffing vaak zal worden aangevraagd dan wel verleend. Zo zijn er in Nederland gemeenten die in meer of mindere mate vuurwerkgezind zijn. In diverse regio’s in Nederland heeft men veel ervaring met het binnen verenigingsverband organiseren van kleine evenementen om het gemeenschapsgevoel en de saamhorigheid te versterken. In sommige steden of wijken in Nederland ontmoedigen gemeenten of wijkverenigingen het afsteken van vuurwerk al geruime tijd om incidenten tijdens de jaarwisseling te voorkomen. Het ligt niet voor de hand dat in dergelijke gemeenten of wijken een ontheffing zal worden aangevraagd of verleend. Ook sportverenigingen ontmoedigen in de regel het gebruik van vuurwerk binnen hun vereniging, bijvoorbeeld vanwege de schade die kan ontstaan aan sportvelden. Op dit moment wordt daarom niet verwacht dat ontheffingen door sportverenigingen zullen worden aangevraagd. Het is uiteindelijk echter aan verenigingen zelf om al dan niet te besluiten tot het aanvragen van een ontheffing.

Het is aan de burgemeester om daar al dan niet beleid op te voeren. 5.2 Gevolgen voor de inrichting en werking decentrale overheden De bevoegdheid die met de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling tot het verlenen van ontheffingen voor het afsteken van aangewezen F2-vuurwerk tijdens de jaarwisseling is gecreëerd, is neergelegd bij de burgemeester. Dit is een nieuwe bevoegdheid voor de burgemeester. Dit betekent dat gemeenten, in geval zij willen overgaan tot het verlenen van ontheffingen, een proces dienen in te richten voor het in ontvangst nemen van aanvragen, het beoordelen van aanvragen, en het houden van het toezicht op de naleving van de voorschriften die aan de ontheffing worden verbonden. Staatsblad 2026 168 20 5.3 Gevolgen voor de vuurwerkbranche Met de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling wordt al het F2-vuurwerk voor consumenten verboden. Dit heeft directe gevolgen voor vuurwerkimporteurs en detailhandelaren (vuurwerkverkooppunten). Dit type vuurwerk mag immers niet meer aan consumenten worden verkocht, tenzij aan de koper door de burgemeester een ontheffing is verleend. De uitwerking van een nadeelcompensatieregeling voor deze doelgroep is onderdeel van een separaat traject.

De ontheffingsmogelijkheid biedt – hoewel in beperktere mate – nog steeds de mogelijkheid om vuurwerk te verkopen, namelijk aan verenigingen en stichtingen die een ontheffing hebben gekregen, en de professional kan consumentenvuurwerk blijven toepassen in een vuurwerkshow. Daarnaast blijft de verkoop van F1-vuurwerk toegestaan. De ontheffing heeft gevolgen voor vuurwerkbedrijven die vuurwerk verkopen aan ontheffinghouders. Deze gevolgen zijn geïnventariseerd aan de hand van een bedrijfseffectentoets. Een vuurwerkbedrijf dient alvorens tot terbeschikkingstelling van vuurwerk over te gaan te controleren of de aspirant-koper in het bezit is van een ontheffing. De verkoper dient een kopie van de ontheffing in zijn administratie te bewaren opdat door de toezichthouder kan worden nagegaan dat geen consumentenvuurwerk aan anderen dan ontheffinghouders (of personen met gespecialiseerde kennis) wordt verkocht en dat niet te veel consumentenvuurwerk aan ontheffinghouders wordt verkocht. Professionals kunnen bij het bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk tijdens professionele vuurwerkshows gebruik maken van professioneel vuurwerk, pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, en ook consumentenvuurwerk. Het consumentenvuurwerk dat binnen een ontheffing mag worden afgestoken wordt, zoals dat voorheen ook het geval was, aangewezen in de Rac.

Daarmee worden deze typen F2-vuurwerk beschouwd als consumentenvuurwerk zo lang zij zijn aangewezen in de Rac, en gelden voor professionals de regels zoals die nu ook gelden voor het afsteken van consumentenvuurwerk bij professi- onele ontbrandingen. 5.4 Gevolgen voor de regeldruk Met de Wet veilige jaarwisseling is een landelijk vuurwerkverbod voor consumenten geïntroduceerd, met een bevoegdheid van de burgemeester om een ontheffing te verlenen voor het afsteken van aangewezen F2-vuurwerk tijdens de jaarwisseling. Met onderhavig wijzigingsbesluit zijn de voorwaarden en voorschriften nader uitgewerkt. De aanvraag van een ontheffing brengt regeldruklasten met zich mee voor verenigingen en stichtingen die een ontheffing willen aanvragen. Bij de aanvraag dient een vereniging of stichting te voldoen aan de gestelde voorwaarden, en dient men de voorschriften die een burgemeester ten minste aan de ontheffing verbindt, in acht te nemen. Het kost bovendien tijd voor aanvragers om zich in te lezen in de geldende voorwaarden en voorschriften. In onderstaande tabel zijn de geschatte regeldrukkosten voor verenigingen en stichtingen opgenomen per handeling. Het is daarbij relevant dat het lastig te voorspellen is hoeveel verenigingen en stichtingen een ontheffing zullen gaan aanvragen.

Ook zijn de precieze regeldrukkosten per handeling afhankelijk van de wijze waarop de burgemeester de aanvraagprocedure heeft ingericht. Er kan dus enkel een schatting worden gemaakt van de regeldrukkosten die volgen uit onderhavig wijzigingsbesluit. De gevolgen voor de gemeente zijn opgenomen in paragraaf 5.2 van deze toelichting. Staatsblad 2026 168 21 P (kosten per handeling) | Q (aantal handelingen per jaar) | Totaal (PxQ) Handeling | Tijdsbesteding | Uurtarief | Geschat aantal | Frequentie verenigingen/ stichtingen (bandbreedte) Kennisnemen van | 5 uur | 17 euro | 500–1500 | 1 verplichtingen Opstellen veiligheidsplan en | 3 uur situatietekening Indienen aanvraag1 | 3 uur Kennis opdoen van vuurwerk | 2 uur (e-learning of informatiepakket) Archiveren ontheffing en | 1 uur factuur Eventueel: indienen van andere | 2 uur informatie aan autoriteiten in | € 136.000– antwoord op vragen | 408.000 Totaal | 16 | 17 | 500–1500 | 1 1 | De precieze regeldrukkosten zijn afhankelijk van de aanvraagprocedure bij de burgemeester. Ook zijn er regeldrukgevolgen voor vuurwerkbedrijven die vuurwerk verkopen aan ontheffinghouders, nu zij dienen te controleren of de aspirant-koper in het bezit is van een ontheffing. Deze gevolgen zijn geïnventariseerd aan de hand van een bedrijfseffectentoets en weerge- geven in onderstaande tabel.

P (kosten per handeling) | Q (aantal handelingen per jaar) | Totaal (PxQ) Handeling | Tijdsbesteding in | Uurtarief in | Geschat aantal | Aantal detailhandelaren minuten | euro’s | verenigingen/ stichtingen waarvan ontheffing wordt gecontroleerd (bandbreedte) Kennisnemen van | 15 (eenmalig per | 47 | 500–1500 | 850 verplichtingen | detailhandelaar) Inrichting digitale | 90 (eenmalig per administratie | detailhandelaar) Controleren van | 1 ontheffing Kopiëren en archiveren | 2 ontheffing Indienen van andere | 5 informatie aan autoriteiten in antwoord op vragen | € 73.045 – € 79.312 Totaal | 105 + 8 | 47 | 500–500 | 850 Naast bovenstaande gevolgen voor de regeldruk, kan het voldoen aan de reeds geldende ADR-transporteisen zorgen voor regeldruk voor verenigingen en stichtingen wanneer zij het vuurwerk willen ophalen. Ook is het – afhankelijk van de regelgeving van de betreffende gemeenten – in veel gevallen nodig om een evenementenvergunning aan te vragen. Dit kan zorgen voor extra regeldruk. In bovenstaande regeldrukberekening zijn deze regeldrukkosten echter niet meegenomen en gekwantificeerd, nu dit aspecten zijn die niet rechtstreeks uit onderhavig wijzigingsbesluit volgen, dan wel afhankelijk zijn van de regelgeving van lokale overheden.

5.5 Gevolgen voor de BES De Wet milieubeheer en het daarop gebaseerde Vuurwerkbesluit zijn niet van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES). De invoering van de Wet veilige jaarwisseling die de Wet milieubeheer wijzigt en de daarop gebaseerde wijziging van het Vuurwerkbesluit hebben dan ook geen gevolgen voor de BES. Het stellen Staatsblad 2026 | 168 | 22 van regels met betrekking tot de verkoop, het bezit en het gebruik van vuurwerk ontlenen de BES aan hun autonome verordeningsbevoegdheid. De in de Wet veilige jaarwisseling opgenomen juridische constructie van een verbod in combinatie met een ontheffingsbevoegdheid is mogelijk en komt voor in de verordeningen van de BES. Er is dan ook geen aanleiding en geen bevoegdheid om de met de onderhavige wijziging van het Vuurwerkbesluit bewerkstelligde wijziging van de Europees-Nederlandse vuurwerkregelgeving overeenkomstig toe te passen op de BES. 5.6 Gevolgen voor de rechtsbescherming Een aanvraag voor een ontheffing kan worden ingediend bij de burgemeester. Een beslissing op een ontheffingsaanvraag is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en daarom vatbaar voor bezwaar en beroep. Ook omwonenden kunnen bezwaar maken indien zij belanghebbend zijn.

Het criterium dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State daarbij hanteert is of zij gevolgen van enige betekenis kunnen ondervinden van het besluit. 5.7 Gevolgen voor de privacy Onderhavig wijzigingsbesluit heeft geen gevolgen voor de privacy. De Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) beschermt individuen (natuurlijke personen), en geen rechtspersonen (zoals verenigingen of stichtingen). Het Vuurwerkbesluit regelt de voorwaarden waaronder een burgemeester een ontheffing kan verlenen en de voorschriften die daar ten minste aan moeten worden verbonden. Om te kunnen voldoen aan deze voorwaarden en voorschriften hoeven geen persoonsgegevens te worden verwerkt. De aanvrager dient één of twee supervisors en een beperkt aantal ontbranders aan te wijzen, echter niet wordt vereist om hun persoonsgegevens bij de aanvraag te verstrekken. Verder wordt vereist een telefoonnummer te overleggen waarop de supervisor of supervisors bereikbaar zijn. Omdat de aanvraag voor een ontheffing bij een burgemeester ingediend wordt, zal de aanvraagpro- cedure door de gemeenten zelf worden ingericht. Wanneer zij in dat kader om bepaalde persoonsgegevens vragen, is het aan de gemeente zelf om zorg te dragen voor een rechtmatige verwerking van die gegevens. 6.

Uitvoering en handhaving 6.1 Verantwoordelijkheid van de vereniging of stichting Een vereniging of stichting vraagt een ontheffing aan bij de burge- meester en is zelf verantwoordelijk voor de naleving van de voorschriften die aan de ontheffing zijn verbonden. In geval van overtredingen of calamiteiten liggen de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid bij degene die de ontheffing heeft aangevraagd en gekregen, in dit geval de vereniging dan wel de stichting. 6.2 Bevoegdheidsverdeling op lokaal niveau De bevoegdheid voor het verlenen van een ontheffing ligt bij de burgemeester. Het is aan de burgemeester om toezicht te (laten) houden op de naleving van de voorwaarden waaronder de ontheffing is verleend. De burgemeester kan een ontheffing verlenen, maar hoeft dat niet te doen. Hij kan daartoe zelf beleid opstellen in een beleidsregel. De burgemeester kan beslissen in overleg met de lokale driehoek om geen, of een maximumaantal, ontheffingen te verlenen in zijn gemeente. Bij het verlenen van de ontheffing dient de burgemeester de voorwaarden en Staatsblad 2026 168 23 voorschriften die in het Vuurwerkbesluit zijn opgenomen in acht te nemen. Als een aanvraag voldoet aan de daarin gestelde voorwaarden, is de burgemeester niet verplicht om een ontheffing te verlenen.

Op basis van andere geldende juridische kaders, kan waar dat door de burge- meester noodzakelijk wordt geacht besloten worden dat een ontheffing niet kan worden verleend. Ook kan de burgemeester zijn bevoegdheden op grond van de Gemeentewet inzetten in het kader van zijn verantwoor- delijkheid voor de openbare orde. De gemeenteraad kon op grond van zijn autonome verordeningsbe- voegdheid, zoals die voor de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling gold, vuurwerkvrije zones instellen. Met de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling komt deze bevoegdheid aan de burge- meester toe, specifiek door in de ontheffingsvoorwaarden te bepalen wáár met de betreffende ontheffing vuurwerk mag worden afgestoken. Nu de wet zelf uitgaat van een afsteekverbod in heel Nederland, hoeft de raad ook niet langer bij verordening te bepalen waar het afsteken van vuurwerk verboden is. Aangenomen moet worden dat beleidsregels door de burgemeester zelf gesteld dienen te worden.16 Dat laat onverlet dat de raad via het reguliere proces van kaderstelling en verantwoording uiteraard wel invloed kan uitoefenen op de burgemeester. Aangenomen mag worden dat een burgemeester bij het vaststellen van het ontheffingenbeleid rekenschap zal geven van gevoelens hieromtrent in diens raad.

Dit past ook binnen de bestaande verhoudingen tussen de gemeenteraad en de burgemeester zoals verwoord in artikel 180 van de Gemeentewet. Tot slot kunnen er ook andere algemene regels gelden die door de Wet veilige jaarwisseling niet worden geraakt omdat zij een ander onderwerp betreffen. Denk aan bij verordening geregelde evenementenvergunningen of andere algemene regels die niet specifiek zien op het afsteken van vuurwerk maar die wel gevolgen kunnen hebben voor de plaats en de wijze waarop een door de burgemeester verleende vergunning ook daadwerkelijk gebruikt kan worden. Provincie- en gemeentebesturen blijven bevoegd gezag als het gaat om het verlenen van vergunningen, het houden van toezicht en de handhaving in het kader van professionele vuurwerkshows (provincies) en vuurwerkopslagen (gemeenten). Op dit moment spelen omgevings- diensten een rol in de vergunningverlening en het toezicht op opslagen (namens gemeentebesturen) en professionele vuurwerkontbrandingen (namens provinciebesturen), nu in veel gevallen deze taak gemandateerd is aan omgevingsdiensten. Hierin brengt de Wet veilige jaarwisseling en onderhavig wijzigingsbesluit geen veranderingen. 6.3 Lokale driehoek en brandweer De burgemeester kan zich bij de aanvraag desgewenst laten adviseren door de lokale driehoek en de brandweer.

Op deze manier kan een burgemeester de benodigde expertise inwinnen bij het al dan niet verlenen van een ontheffing, en in voorkomend geval het intrekken daarvan. Het is van belang dat de brandweer en de politie op de hoogte zijn van de verleende ontheffingen. Het ligt daarom in de rede dat de burgemeester de lokale driehoek en de veiligheidsregio op de hoogte stelt van het aantal verleende ontheffingen, en de locaties waarop deze betrekking hebben. Op die manier weet de politie waar tijdens de jaarwisseling vuurwerk legaal wordt afgestoken, en weet de brandweer op 16 Zie de memorie van toelichting bij de Wet dualisering gemeentebestuur, Kamerstukken II 2000–2001, 27 751, nr. 3, p. 27. Staatsblad 2026 168 24 welke locatie in een gemeente tijdelijk vuurwerk wordt bewaard in het kader van een verleende ontheffing. 6.4 Handhaving Voor wat betreft de handhaving is er een onderscheid tussen de juridische bevoegdheid tot handhaving en de daadwerkelijke inzet en prioritering van de handhaving. De regering draagt zorg voor de juridische bevoegdheid tot opsporen en handhaven, het bevoegd gezag gaat over de inzet en prioritering. 6.4.1 Juridische bevoegdheid Met de inwerkingtreding van de Wet Veilige Jaarwisseling en het daaraan gekoppelde Besluit, wijzigt de strafbaarstelling voor het bezit en gebruik van de categorieën F2 en F3 vuurwerk naar artikel 9.2.2.1a jo.

artikel 1a, onderdeel 1°, van de Wet op de economische delicten. Bij inwerkingtreding van deze wetswijziging is de politie automatisch bevoegd voor opsporing en handhaving van dit artikel. Voor de opsporing en handhaving door boa’s is een wijziging van de Regeling Domeinlijsten Buitengewoon Opsporingsambtenaren noodzakelijk. Deze wijziging zal op de datum van inwerkingtreding van de Wet Veilige Jaarwisseling, of zo spoedig mogelijk na inwerkingtreding doorgevoerd worden. Hiermee zijn boa’s ook na de wetswijziging juridisch bevoegd om onder de nieuwe wetgeving op bezit en gebruik op te sporen en te handhaven. 6.4.2 Inzet en prioritering Op lokaal niveau wordt bekeken of aanvragen voor ontheffingen worden verleend en hoe de naleving van de verleende ontheffingen en de openbare orde tijdens de jaarwisseling worden ingericht. Daarbij ligt het in de rede dat aangevraagde ontheffingen vergelijkbaar worden behandeld als evenementen en dat bij de beoordeling rekening wordt gehouden met de risico’s ten aanzien van de veiligheid voor burgers, de gevaarzetting voor opsporingsambtenaren en het risico op openbare ordeverstoringen. Om gemeenten te ondersteunen in dit proces, wordt door de VNG een handreiking opgesteld.

De ontheffing is een bestuurs- rechtelijk besluit en gemeenten kunnen voor de bestuursrechtelijke naleving van de verleende ontheffing en de daarbij horende voorwaarden toezichthouders aanwijzen. Voor dit toezicht is geen opsporings- bevoegdheid nodig. Boa’s en politieagenten kunnen ook als toezicht- houder worden aangewezen. Bij de strafrechtelijke handhaving van de Wet en het Besluit Veilige Jaarwisseling spelen zowel de politie als boa’s een rol. De inzet en prioritering van zowel de politie als boa’s is aan het bevoegd gezag (de Officier van Justitie en de burgemeester). Zij bepalen wanneer en hoe deze opsporingsambtenaren de Wet Veilige Jaarwisseling handhaven en strafbare feiten opsporen. Daarbij ligt de nadruk voor de politie op het opsporen van illegale productie, handel, illegaal transport en illegaal grootschalig bezit van categorie F2, F3 en F4 vuurwerk voorafgaand aan de jaarwisseling. Tevens is de politie verantwoordelijk voor het handhaven van de openbare orde tijdens de jaarwisseling. Ook is zij mede verantwoordelijk voor de handhaving van bezit en gebruik van verboden vuurwerk, voorafgaand en tijdens de jaarwisseling. De gemeentelijke boa richt zich in aanloop naar de jaarwisseling op de strafrechtelijke handhaving van kleinschalig bezit en het gebruik van vuurwerk.

Staatsblad 2026 168 25 Op de handhaving wordt nader ingegaan in het Handhavingsplan dat door het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV), in samenwerking met alle relevante partners, is opgesteld. 7. Financiële gevolgen De Wet veilige jaarwisseling heeft, afhankelijk van het moment van inwerkingtreding, financiële gevolgen voor de vuurwerkbranche. De uitwerking van een nadeelcompensatieregeling voor deze doelgroep is onderdeel van een separaat traject, waarbij de branche is betrokken. De financiële gevolgen volgen derhalve reeds uit de wet. Onderhavig wijzigingsbesluit, waarmee de ontheffingsmogelijkheid wordt uitgewerkt, heeft geen aanvullende financiële gevolgen. Wel kan de uitwerking van de ontheffingsmogelijkheid gevolgen hebben voor de hoeveelheid vuurwerk die in het kader van ontheffingen nog kan worden verkocht. 8. Advies en consultatie 8.1 Adviescollege toetsing regeldruk Op 7 november is het ontwerp Besluit veilige jaarwisseling voor toetsing aangeboden aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Op 11 december 2025 heeft ATR advies uitgebracht. Tevens heeft ATR op 14 januari 2026 een aanvullende zienswijze uitgebracht. ATR concludeert dat het besluit een gerichte uitwerking bevat van de ontheffingsmogelijkheid uit de wet. Ook geven zij aan dat het voorstel een onderbouwing bevat van de specifieke voorwaarden die aan de ontheffing worden verbonden.

Zij constateren dat op het moment van toetsing nog geen duidelijkheid bestond over de handhaafbaarheid van het vuurwerk- verbod in combinatie met de ontheffingsmogelijkheid. Zij geven in overweging om inzicht in de handhaafbaarheid te bieden voordat wordt overgegaan tot definitieve vaststelling van het besluit. In reactie hierop geeft de regering aan dat de resultaten van de HUF-toetsen zijn verwerkt in paragraaf 8.2 van deze nota van toelichting. De handhavingsaspecten, inclusief de in de HUF-toetsen opgenomen knelpunten, worden separaat opgepakt met alle betrokken partners in het kader van het Handhavingsplan van JenV. ATR adviseert toe te lichten welke alternatieve invullingen van de ontheffingsmogelijkheid zijn overwogen en daarbij aandacht te besteden aan doelbereik, werkbaarheid en lasteneffecten van deze alternatieven. In reactie hierop geeft de regering aan dat, zoals ATR ook constateert in het advies, in het Beleidskompas aandacht is besteed aan de verschillende overwogen alternatieven. Naar aanleiding van deze aanbeveling is de toelichting op dit punt aangevuld (zie paragrafen 2.1 en 8.3). Daarbij is naar aanleiding van deze aanbeveling en de aanvullende zienswijze ook aandacht besteed aan de voorgestelde optie om in het besluit het aantal toegestane ontheffingen per gemeente te bepalen.

In de toelichting is in paragraaf 5.4 ingegaan op de regeldrukeffecten van de in onderhavig besluit uitgewerkte voorkeursoptie. De regering acht het niet nodig om dat voor alle overwogen alternatieven te doen. ATR adviseert de werkbaarheid van de ontheffing voor verenigingen en stichtingen nader toe te lichten en daarbij in te gaan op een aantal specifieke punten en op de uitkomsten van de pre-consultatie van deze doelgroep. De specifieke punten betreffen onder andere de werkbaarheid van de transporteisen, de vereisten waar een veiligheidsplan en een situatietekening moeten voldoen, de aansprakelijkheidsverzekering, en de Staatsblad 2026 168 26 vraag of de terbeschikkingstellingstijden op 31 december en 1 januari voor verenigingen en stichtingen werkbaar zijn. In reactie hierop geeft de regering aan dat, zoals ook is aangegeven in het ATR-advies, door het ministerie van IenW in het kader van de uitwerking van de ontheffing input is opgehaald bij een brede vertegen- woordiging van organisaties, zoals de politie, het OM, de ILT, gemeenten, lokale bevoegde gezagen, brandweer, verzekeraars, (koepels van) sport- en wijkverenigingen, en de vuurwerkbranche.17 Uit de gesprekken met onder andere vuurwerkliefhebbers en de Landelijke vereniging voor kleine kernen (LVKK) bleek dat er behoefte is aan een laagdrempelige manier om een ontheffing aan te vragen.

Hier is in de uitwerking zo veel mogelijk rekening mee gehouden. Zo is een verzekeringseis niet verplicht gesteld, en wordt zoveel mogelijk ruimte geboden aan gemeenten – en vertrouwen gegeven aan verenigingen en stichtingen – om het vuurwerk te organiseren. In paragraaf 2.2.2 van de toelichting is ingegaan op de situatietekening en het veiligheidsplan. Daarin is aangegeven dat het veiligheidsplan moet zijn voorzien van een situatietekening, en dat op de situatietekening ten minste is aangegeven waar de afsteekplaats, het afsteekterrein en de veiligheidszone zich bevinden, en de schaal van die tekening. Verder is het vestigingsplaatsvereiste vervangen door een eis van lokale binding, zodat verenigingen of stichtingen hun inschrijving bij de Kamer van Koophandel niet per se hoeven te wijzigen wanneer zij bijvoorbeeld in een naburige gemeente vuurwerk wensen af te steken. Tevens is met het oog op de werkbaarheid de termijn voor het terugle- veren van overgebleven vuurwerk om te voorkomen dat vuurwerk bij verenigingen en stichtingen blijft liggen, verlengd naar 1 januari 18.00 uur. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 8.3. Om de veiligheid te borgen is het wel noodzakelijk geacht om een aantal regels en voorschriften vast te leggen die tot doel hebben ontbranders, omstanders en omwonenden te beschermen.

Ook hebben gemeenten gevraagd om zoveel mogelijk veiligheidsvoorschriften op nationaal niveau vast te leggen. Met het oog hierop is op een aantal punten enige regeldruk onvermijdelijk, waarbij waar dat kon zoveel mogelijk oog is geweest voor de werkbaarheid voor verenigingen en stichtingen. ATR noemt in het advies twee voorbeelden om de werkbaarheid voor verenigingen en stichtingen te verbeteren. Zo doen zij de suggestie om een integrale aanvraag voor het afsteken van vuurwerk mogelijk te maken, inclusief evenementenvergunning. Verder doet ATR de suggestie om handreikingen en voorbeelden voor het veiligheidsplan en de situatietekening te maken. Hierop reageert de regering als volgt. De regering is het met ATR eens dat het van belang is dat het aanvraagproces zo lastenluw mogelijk wordt vormgegeven. De wijze waarop het aanvraagproces wordt ingericht is aan gemeenten zelf. Zoals aangegeven in paragraaf 2.10 van de nota van toelichting zal in veel gevallen naast een ontheffing voor het afsteken van vuurwerk bij de burgemeester, een evenementenvergunning moeten worden aangevraagd. Of een evenementenvergunning vereist is, is afhankelijk van de regels die daarover in de APV zijn gesteld door de gemeente. Dit is derhalve een gemeentelijke bevoegdheid.

Hoewel de regering het doel van de suggestie van ATR onderstreept, kan de regering dit in onderhavig besluit niet verplicht voorschrijven. Wel zal hierover in gesprek worden gegaan met de VNG. Verder geeft de regering aan dat zij onderschrijft dat het opstellen van een handreiking behulpzaam kan zijn. Het ligt in de rede dat een dergelijke handreiking wordt opgesteld door de VNG nu het gaat om gemeentelijke aanvraagprocessen, zoveel mogelijk met ondersteuning vanuit het Rijk. Hierover is het Rijk met de VNG in 17 Zie paragraaf 2.1 van de toelichting. Staatsblad 2026 168 27 gesprek. Naar aanleiding hiervan is de toelichting op enkele plekken aangevuld (paragrafen 2.1, 8.2 en 8.3). ATR adviseert om de werkbaarheid van het voorstel voor (MKB-)bedrijven nader toe te lichten en daarbij in te gaan op een aantal punten die ATR noemt. Deze punten betreffen de vereisten die gevolgen hebben voor detailhandelaren, zoals het controleren van de ontheffing wanneer zij vuurwerk willen verkopen aan ontheffinghouders. In reactie hierop geeft de regering aan dat deze eisen zijn bedoeld om te borgen dat vuurwerk enkel aan ontheffinghouders wordt verkocht, en dat niet afgestoken vuurwerk met het oog op de veiligheid niet onnodig lang bij verenigingen of stichtingen blijft liggen. Het is met het oog hierop onvermijdelijk dat er sprake is van enige regeldruk.

De regering erkent dat deze voorschriften gevolgen hebben voor ondernemers. Een situatie waarin deze voorschriften niet van kracht zouden zijn, zou door onder- nemers vanzelfsprekend als beter werkbaar worden ervaren. Desondanks is de regering van oordeel dat de voorschriften voldoende werkbaar zijn en bovendien noodzakelijk met het oog op de veiligheid. Naar aanleiding van de internetconsultatiereacties is met het oog op de werkbaarheid de termijn voor het terugleveren van overgebleven vuurwerk, verlengd naar 1 januari 18.00 uur. De regeldrukkosten zijn opgenomen in paragraaf 5.4 van deze nota van toelichting, en zijn vastgesteld aan de hand van een bedrijfseffectentoets. ATR geeft aan dat het voorstel een kwalitatieve en kwantitatieve uitwerking van de regeldrukeffecten bevat. ATR geeft aan dat de regel- drukanalyse is uitgevoerd conform de Rijksbrede methodiek voor wat betreft de specifieke eisen uit onderhavig besluit. ATR geeft echter aan dat de analyse een onvolledig beeld geeft van de tijdsbesteding en kosten voor verenigingen en stichtingen als zij met een ontheffing vuurwerk willen verzorgen tijdens de jaarwisseling. Zij wijzen hierop onder ander op de ADR-transporteisen en aanvullende eisen uit de gemeentelijke regelgeving, zoals in voorkomend geval de aanvraag van een evenemen- tenvergunning.

ATR adviseert dan ook de regeldrukanalyse aan te vullen met informatie over de tijdsbesteding en kosten voor aanvragers van een ontheffing. De regering geeft hierop aan dat in de regeldrukberekening is uitgegaan van de regeldruk die voortkomt uit de nieuwe regels die in onderhavig besluit worden vastgesteld. Het is immers voor de regering niet mogelijk om van alle overige – al bestaande – vereisten de regeldruk te berekenen. Tevens geldt dat een evenementenvergunning een gemeentelijke bevoegdheid is. De wijze waarop een aanvraagprocedure is ingericht kan per gemeente verschillen en daarmee ook de regeldruk. De regering is het met ATR evenwel eens dat het wel belangrijk is om dit in de regeldrukpa- ragraaf te benoemen, nu deze aspecten wel kunnen worden ervaren als regeldruk. De nota van toelichting (paragraaf 5.4) is naar aanleiding van deze opmerking daarom aangevuld. 8.2 Toetsen op handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid Door de ILT, het OM en de politie is een toets uitgevoerd op handhaaf- baarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid van de Wet veilige jaarwisseling en het ontwerp van het Besluit veilige jaarwisseling. Door de VNG is een uitvoeringstoets uitgevoerd. De resultaten van deze toetsen worden hieronder beschreven.

Staatsblad 2026 168 28 Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) De ILT beoordeelt de wet en het voorgelegde besluit als voldoende handhaafbaar, uitvoerbaar en fraudebestendig. Wel worden door ILT enkele verduidelijkende aanpassingen voorgesteld in de artikelen en de nota van toelichting die de controleerbaarheid en dus handhaafbaarheid ten goede komen. Deze punten zijn waar dat kan, overgenomen. Zo zijn de nieuwe definities in artikel 1.1, derde lid, ook van toepassing verklaard op de artikelen 2.3.2.a en 2.3.4, omdat een aantal van deze begrippen voorkomt in die artikelen. Verder is in artikel 1.2.4, tweede lid, onder a, de zinsnede «het betreft vuurwerk» ingevoegd, om te verduidelijken dat de uitzondering geen betrekking heeft op pyrotechnische artikelen voor theatergebruik. ILT stelt voor om in artikel 2.3.2b, derde lid, onder k, en artikel 2.3.3, vierde lid, toe te voegen dat de retourname plaatsvindt tegen de afgifte van een retourbon of aftekening op de oorspronkelijke factuur. Deze suggestie is overgenomen. Omdat dit een verplichting betreft voor de verkoper is ervoor gekozen om deze eis enkel op te nemen in artikel 2.3.3, vierde lid, van het besluit. ILT doet verder de suggestie om het verbod voor supervisors en ontbranders om onder invloed van alcohol of andere verdovende middelen te zijn, verder te verduidelijken. Hierop is het besluit aangepast.

Verder is naar aanleiding van een suggestie van de ILT in de nota van toelichting verduidelijkt dat bij de uitleg van het voorschrift zoals opgenomen in artikel 2.3.2b is aangesloten bij artikel 3.7 van de Regeling bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk. Verder stelde de ILT voor om de zinsnede «voor zover niet anders is bepaald» te schrappen in artikel 2.3.2a, derde lid. Deze suggestie is niet overgenomen. Met deze zinsnede is namelijk aangesloten bij de Regeling bedrijfsmatig tot ontbranding brengen. Immers kunnen de veiligheidsafstanden die zijn voorgeschreven groter zijn dan die op het etiket of in het veiligheidsinfor- matieblad staan vermeld. Verder kan gedacht worden aan het op basis van onderhavig besluit verplicht gebruik van een aansteeklont (2.3.2a, tweede lid, onder f). Ook kan de burgemeester aanvullende voorschriften vaststellen. Tot slot had de ILT in algemene zin de vraag of het in het kader van de ontheffing voor ontheffinghouders is toegestaan om vuurwerk in het buitenland te kopen. Het is een ontheffinghouder in beginsel toegestaan om vuurwerk in andere landen te kopen, mits dit vuurwerk voldoet aan de in Nederland geldende regelgeving, waaronder de Regeling aanwijzing consumentenvuurwerk. Het is in geen enkel geval toegestaan om vuurwerk in het buitenland te kopen en via een pakketje te laten versturen.

Aandachtspunt voor ontheffinghouders is dat bij koop in het buitenland de retourverplichting onverkort geldt. Omdat aan niet in Nederland gevestigde verkopers geen terugnameplicht kan worden opgelegd, is het zaak voor ontheffinghouders zich ervan te vergewissen dat niet tot ontbranding gebracht vuurwerk binnen het voorgeschreven tijdsvenster kan worden geretourneerd bij de buitenlandse verkoper. Politie De politie constateert in de HUF-toets dat het op basis van de nu bekende parameters niet mogelijk is om vastomlijnde uitspraken te doen over de benodigde capaciteitsbelasting voor de politie. Algemene stelregel is volgens de politie dat als er iets strafbaar wordt gesteld, dit leidt tot een extra beroep op de politie aangezien er meer gehandhaafd dient te worden. Staatsblad 2026 168 29 De politie geeft in de HUF-toets aan dat het bij de invoering niet mogelijk is om reële inschattingen van de impact te maken. De toets is derhalve gebaseerd op een aantal op onderzoek gebaseerde aannames die in de praktijk anders kunnen lopen. Het algemene beeld van de politie is dat na invoering van de wet er een groter beroep zal worden gedaan op de politiecapaciteit dan in de huidige situatie het geval is. Na een periode van enkele jaren zal de capaciteitsvraag dalen en onder het huidige niveau komen te liggen.

Het tempo waarin dit proces zal verlopen en het moment waarop de capaciteitsdruk afneemt, zal volgens de politie afhangen van veel factoren: de mate waarin mensen zich aan de wet zullen houden, het effect van de wet op opsporing van illegaal verhandeld F4-vuurwerk, de snelheid waarmee er maatschappelijke adaptatie van het vuurwerkverbod zal optreden, de mate waarin partnerorganisaties (zoals gemeenten en inspecties) in staat zijn om een rol in de handhaving en opsporing te spelen, de mate waarin andere factoren rond de jaarwisseling, zoals brandstichtingen en geweld veel politie-inzet blijven vragen. De politie ziet geen rol voor zichzelf bij de handhaving en toezicht op het afsteken van vuurwerk door verenigingen of stichtingen in het kader van een ontheffing. Dat is volgens de politie een taak voor gemeenten (met inzet van boa’s), inclusief de beoordeling van veiligheidsvoorzieningen in de voorbereiding. De politie geeft aan wel unieke kennis te hebben op het gebied van risico’s van evenementen.

Het is daarom volgens de politie denkbaar dat – evenals bij andere typen evenementen – de burgemeester de politie om advies vraagt bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor vuurwerkevenementen, niet alleen over de risico’s van het betref- fende evenement op basis van openbare en politie-interne informatie over locatie, mobilisatiekracht en specifieke doelgroep, maar ook over de risico’s die voortvloeien uit een stapeling van evenementen op één dag. Eventuele openbare orde problemen, waarbij de politie weer aan zet is, kunnen zo op voorhand beter worden ingeschat en bij de beoordeling van vergunningaanvragen worden betrokken. Uit de analyse blijkt dat deze belasting vrij minimaal is en weinig effect heeft op de politiepraktijk. Verder geeft de politie aan dat zij blijven optreden bij excessieve overtre- dingen, misdrijven en verstoringen van de openbare orde. Naast intensivering van handhaving en grenstoezicht is volgens de politie ook de (proactieve) opsporing van illegale handel en productie van groot belang. In de HUF-toets vraagt de politie tot slot aandacht voor onder andere een groei in het aantal inbeslagnames van vuurwerk en de afvoer daarvan. Dit zal volgens de politie leiden tot hogere kosten, maar ook tot meer werklast voor de beslagadministratie en de wachttijd op locatie door politiemedewerkers.

Groei in inbeslagnames heeft volgens de HUF-toets ook aanzienlijke gevolgen voor de uitgaven aan gespecialiseerd vervoer. De regering geeft hierop aan dat zij met de politie in gesprek zal gaan over de mogelijkheden voor de (gedeeltelijke) dekking van deze kosten. De politie beveelt aan de uitvoering van de wet structureel te monitoren en na één jaar een brede invoeringstoets te laten plaatsvinden. De regering is het met de politie eens dat monitoring gedurende de aanko- mende jaren van groot belang is, zowel als het gaat om de uitwerking van de ontheffingsbevoegdheid in de praktijk, als de gevolgen voor de uitvoering en handhaving. Naast deze jaarlijkse monitoring, zal de ontheffingsmogelijkheid na drie jaar worden geëvalueerd. Staatsblad 2026 168 30 VNG De VNG geeft aan dat de impact voor gemeenten afhankelijk is van het al dan niet bieden van de mogelijkheid om een ontheffing aan te vragen. Alle gemeenten moeten een afweging maken of ze al dan niet deze mogelijkheid gaan bieden. Gemeenten die ontheffing mogelijk maken, moeten vervolgens onder meer een proces inrichten voor de aanvragen om ontheffing, de toetsing van de aanvragen en het toezicht op en de handhaving van de voorschriften van de verleende ontheffingen. Het besluit om al dan niet ontheffing mogelijk te maken is volgens de VNG een zeer complexe afweging, die alle 342 gemeenten moeten maken.

Deze keuze is volgens de VNG onder meer afhankelijk van het draagvlak onder de inwoners (voorstanders en tegenstanders), de huidige problematiek tijdens de jaarwisseling (en wat de effecten daarop zijn bij wel of geen ontheffing), de mate waarin alternatieven mogelijk zijn (bijvoorbeeld vuurwerkshows), de handhaafbaarheid, de uitvoerbaarheid en de aansprakelijkheid. De VNG noemt het vraagstuk van de aansprakelijkheid als een specifiek risico voor gemeenten. Zij geven aan dat gemeenten een aansprakelijk- heidsverzekering kunnen eisen voor een ontheffing, hoewel dit vermoe- delijk wel een drempel zal zijn voor aanvragers. Ook vragen zij zich af of dit soort verzekeringen (tegen een betaalbare prijs) aangeboden gaan worden. Zij vrezen dat als een gemeente deze verzekeringseis niet stelt, de gemeente het risico loopt dat zij vanwege onzorgvuldig handelen of onrechtmatige daad toch aansprakelijk wordt gesteld in het geval er schade ontstaat door het vuurwerk. De VNG doet de aanbeveling om op landelijk niveau duidelijkheid te geven over de verdeling van aansprake- lijkheid tussen gemeenten en aanvragers van ontheffingen, zodat zowel burgemeesters als ontheffinghouders niet met onacceptabele financiële risico’s worden geconfronteerd. De regering reageert hier als volgt op.

Zoals aangegeven in paragraaf 2.11 gelden er reeds kaders voor het aansprakelijk stellen van natuurlijke personen of rechtspersonen in geval van schade of letsel. Onderhavig besluit stelt daar geen nadere regels voor vast. Het is aan de burge- meester om te bepalen of hij een aansprakelijkheidsverzekering ook adviseert of voorschrijft aan de ontheffinghouder (de rechtspersoon). Deze afweging wordt aan de burgemeester gelaten, hij heeft het beste zicht op de aanvraag en kan daarom goed inschatten of dit in de rede ligt. De VNG geeft aan dat de handhaafbaarheid een belangrijk element is voor burgemeesters om mee te nemen in de afweging om wel of geen mogelijkheid te bieden voor een ontheffing. De VNG geeft aan dat in de huidige situatie de mogelijkheden voor toezicht en handhaving reeds beperkt zijn. De VNG vermeldt dat handhaving door boa’s tijdens de jaarwisseling op dit moment niet of nauwelijks wordt gedaan, omdat zij dan over het algemeen niet op straat zijn vanwege de gevaarsituatie. Om die reden is het dan ook volgens de VNG niet goed mogelijk om toezicht te houden op de ontheffingsvoorwaarden- en voorschriften tijdens de jaarwisseling. Toezicht vooraf is wel mogelijk.

De regering geeft in reactie hierop aan dat op het vraagstuk rondom de handhaving, en meer specifiek de inzetbaarheid van boa’s, nader wordt ingegaan in het Handhavingsplan dat door het ministerie van JenV is opgesteld. Parallel aan de inwerkingtreding van de wet wordt in samenwerking met partners gewerkt aan besluitvorming rondom bevoegdheden van boa’s voor toezicht en handhaving. De VNG geeft in de uitvoeringstoets aan dat vooral in 2026 sprake is van een zeer korte doorlooptijd voor alle voorbereidingen voor het mogelijk maken van ontheffingen. Een specifiek aandachtspunt hierbij is dat over Staatsblad 2026 168 31 de ontheffing bepalingen moeten worden opgenomen in de APV. Daarbij is het ook van belang dat in de APV een verwijzing naar het Besluit veilige jaarwisseling wordt opgenomen. De VNG beveelt dan ook aan om duidelijkheid te geven over de juridische basis voor implementatie van maatregelen door gemeenten als het Besluit veilige jaarwisseling nog niet is gepubliceerd. In reactie hierop geeft de regering aan dat na inwerking- treding van de Wet veilige jaarwisseling de gemeenteraad over het verlenen van ontheffingen geen bepalingen kan opnemen in de APV. De VNG geeft aan dat het volgens de uitwerking die aan hen is voorgelegd de bedoeling is dat de burgemeester indringend toetst of aan de gestelde voorwaarden is voldaan, voordat hij een ontheffing verleent.

Het formaliseren van deze rol leidt volgens de VNG tot een sterke verzwaring van de rol van de gemeente. Naar verwachting van de VNG krijgen veel verschillende afdelingen binnen de gemeente een rol bij deze toets. De regering geeft hierop aan dat ze onderkent dat de ontheffingsbe- voegdheid, en de toetsing van de voorwaarden en het verbinden van voorschriften zoals in onderhavig besluit zijn opgenomen, een verzwaring van de rol van gemeenten kan betekenen. Dit is inherent aan het in de Kamer aangenomen amendement. Van een aantal aspecten die met onderhavig wijzigingsbesluit in het Vuurwerkbesluit zijn opgenomen, is het van belang dat deze als voorwaarde zijn opgenomen. Het is immers wenselijk dat een aantal aspecten, zoals de locatie, vooraf kan worden beoordeeld door de burgemeester gelet op onder andere de veiligheid van ontbranders, supervisors, omstanders en omwonenden. Handrei- kingen kunnen burgemeesters helpen bij het maken van afwegingen en beslissingen. De VNG geeft aan dat het voor het al dan niet mogelijk maken van het aanvragen van een ontheffing binnen een gemeente ook relevant is dat meegewogen wordt in welke mate inwoners zich aan het vuurwerkverbod houden. Gemeenten zien mogelijkheden op het gebied van (landelijke) communicatie, inzet op preventie (door bv.

jongerenwerkers) en inzet op alternatieven zodat vuurwerkoverlast op de langere termijn tot het verleden kan gaan behoren. De regering geeft in reactie hierop aan dat deze punten worden herkend. Op de handhavingsaspecten en de inzet op preventie wordt uitgebreid ingegaan in het eerdergenoemde Handhavingsplan. Hierin wordt ook stil gestaan bij de communicatie, wat het ministerie van IenW en het ministerie van JenV gezamenlijk oppakken. De VNG doet in de uitvoeringstoets een aantal overige aanbevelingen. De VNG doet de suggestie om een handreiking op te stellen met een afwegingskader die helpt bij het overwegen wel of geen ontheffingen te verlenen en de daaraan te verbinden voorschriften. In reactie hierop geeft de regering aan dat zij het eens is met de VNG dat het opstellen van een handreiking gemeenten kan helpen in de keuzes die zij moeten maken. Het ligt in de rede dat een dergelijke handreiking wordt opgesteld door de VNG, waar nodig met input vanuit het Rijk. De VNG beveelt verder aan te onderzoeken in welke mate gebruik gemaakt gaat worden van de ontheffingsmogelijkheid door verenigingen en stichtingen. De regering geeft hierop aan dat zij voornemens is een dergelijke uitvraag in het eerste kwartaal van 2026 te laten uitvoeren.

De VNG adviseert verder een digitaal standaardformulier uit te werken, voorbeeldmateriaal te bundelen en te ontsluiten, en om regionale beleidsafstemming te stimuleren om verschillen tussen gemeenten te beperken. De regering geeft aan dat zij deze aanbevelingen ondersteunt. Het ligt echter in de rede dat de VNG en gemeenten hiertoe het voortouw nemen, waar nodig met input van het Rijk. De VNG doet verder de aanbeveling een training voor de Staatsblad 2026 168 32 medewerkers die toezicht houden op de ontheffingen te ontwikkelen over hun bevoegdheden en taken op het gebied van het toezicht en de handhaving op ontheffingen. De regering erkent dat dit belangrijk is. Training en opleiding is echter primair de verantwoordelijkheid van de werkgever. Verder doet de VNG diverse aanbevelingen in het kader van de communicatie over de nieuwe regels. De regering is het met de VNG eens dat communicatie over de aankomende nieuwe regels van groot belang is. In het Handhavingsplan wordt hier nader op ingegaan. Openbaar Ministerie Het OM is belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde in Nederland. Het College van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie (hierna: het College) heeft een toets uitgevoerd op handhaaf- baarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid van zowel het besluit als de wet.

Het College acht de handhaving van het besluit uitvoerbaar, mits een aantal zaken uitgewerkt wordt in het handhavingsplan dat door het ministerie van JenV en de gezamenlijke partners is opgesteld. Het OM wijst erop dat de nieuwe strafbaarstelling voor het bezit en gebruik van consumentenvuurwerk in de dagen voorafgaand en tijdens de jaarwisseling een forse wijziging betreft ten opzichte van het huidige wettelijke kader. Het OM merkt op dat het bezit en gebruik van consumen- tenvuurwerk door personen zonder gespecialiseerde kennis of ontheffing wordt gezien als een serieus misdrijf. Omdat niet elke gedraging even ernstig is, liggen hoge straffen voor het bezit en gebruik van kleinere hoeveelheden consumentenvuurwerk volgens het College niet in de rede. De regering erkent dat als gevolg van de Wet veilige jaarwisseling het bezit en gebruik van F2-vuurwerk door particulieren gedurende het gehele jaar strafbaar wordt, behalve in het kader van een ontheffing van de burgemeester voor het afsteken van vuurwerk tijdens de jaarwisseling.18 Het is aan het OM en de rechterlijke macht om in individuele gevallen te bepalen welke straf binnen de wettelijke strafmaxima in de rede ligt. In algemene zin ziet het College een toename van het aantal zaken voor zowel de arrondissementsparketten als voor het parket Centrale Verwerking.

Het College geeft aan dat als het voorhanden hebben en gebruik van verboden vuurwerk via strafbeschikkingen wordt afgedaan, deze zaken als feit-gecodeerde zaken bij het Parket Centrale Verwerking OM komen. Omdat de in te zetten capaciteit door politie en boa’s nog niet bekend is, is het volgens het College nog niet in te schatten tot hoeveel extra zaken dit gaat leiden. De toename van het aantal strafrechtelijke onderzoeken is volgens het College verder nog moeilijk in te schatten. Een voorzichtige inschatting is dat deze zaken binnen de bestaande werkzaam- heden van de arrondissementsparketten, het Parket Centrale Verwerking OM en het Functioneel Parket kunnen worden opgepakt. De verwachting daarbij is dat de toename van het aantal zaken na enkele jaren kan gaan afnemen. Volgens het College hangt de handhaafbaarheid af van de beschikbare capaciteit van het OM, de politie en de Koninklijke Marechaussee en van de mogelijkheid beroep te doen op boa’s. Het College wijst erop dat in de afgelopen jaren tijdens de jaarwisseling de politie al maximaal is ingezet voor het handhaven van de openbare orde. Dit heeft volgens het College ook gevolgen voor het aantal strafzaken ter zake van het bezit en gebruik 18 Fop- en schertsvuurwerk blijft het gehele jaar toegestaan. Ook het gebruik van consumenten- vuurwerk tijdens professionele vuurwerkontbrandingen blijft mogelijk.

Staatsblad 2026 168 33 van consumentenvuurwerk zonder ontheffing dat bij het OM instroomt, en daarmee voor de mogelijkheden voor het OM om door het instellen van strafvervolging bij te dragen aan een duidelijke normstelling rondom de jaarwisseling. In reactie hierop geeft de regering aan dat aan dit punt aandacht zal worden besteed in het eerdergenoemde Handhavingsplan. Het College acht het verder in beginsel wenselijk dat de controle op het bezit en het gebruik van kleinere hoeveelheden consumentenvuurwerk op straat ook kan worden uitgeoefend door boa’s. Het College verzoekt de minister van JenV om de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar waar nodig aan te passen, zodat in ieder geval de boa’s als bedoeld in Domein I, Domein II en Domein VI worden belast met de opsporing van de strafbare feiten als bedoeld in artikel 9.2.2.1a, eerste lid, van de Wet milieubeheer in combinatie met artikel 1a, onderdeel 1, van de Wet op de economische delicten. Ook zouden deze boa’s daarbij de mogelijkheid moeten krijgen om het aangetroffen consumentenvuurwerk in beslag te nemen. Daarbij geeft het College aan dat de inzet van boa’s alleen van toegevoegde waarde is wanneer zij zelfstandig, en dus zonder een beroep op de politie, de controle kunnen uitvoeren.

Verder geeft het College aan dat zij het van belang achten dat de opleiding en toerusting van de boa’s is afgerond voor de inwerkingtreding van het verbod op het bezit en gebruik van consumentenvuurwerk. Hier neemt de regering kennis van. Het College verzoekt verder de minister van JenV om artikel 9.2.2.a, eerste lid, van de Wet milieubeheer toe te voegen aan artikel 3 van het Besluit aanwijzing HALT-feiten 2024, zodat de opsporingsambtenaren die werkzaam zijn bij de politie een HALT-afdoening mogen aanbieden als een minderjarige consumentenvuurwerk bezit of gebruikt. De regering begrijpt de wens van het College en zal dit verzoek samen met het College oppakken richting het HALT besluitvormingsproces. Het College wijst erop dat handelen in strijd met de ontheffingsvoor- waarden gelijk staat aan handelen zonder ontheffing. In dat geval is het bezit en gebruik van consumentenvuurwerk dus een strafbare gedraging. Het College geeft aan dat weliswaar binnen de lokale driehoek afspraken kunnen worden gemaakt over de inzet van boa’s en politie, maar hecht eraan te benadrukken dat het uiteindelijk aan de officier van justitie is om te besluiten hoe wordt gereageerd op een strafbaar feit. Hierop is de toelichting verduidelijkt. Het College benadrukt dat de inzet van de politie in de 24 uur voor en na de jaarwisseling traditioneel onder druk staat.

Hierdoor is slechts beperkt ruimte voor extra opsporingsinzet en zal het aantal strafzaken dat kan worden opgepakt naar verwachting beperkt blijven, met gevolgen voor de gewenste normerende werking. Voor de rest van het jaar schetst het College drie sporen van strafrechte- lijke aanpak. Gedurende het hele jaar kan de strafbaar gestelde handel in consumentenvuurwerk worden meegenomen in aansluiting op de opsporing van handel in vuurwerk dat nu illegaal is. In de eerste jaren na de inwerkingtreding van het verkoopverbod kunnen extra controles worden uitgevoerd bij de verkooppunten waar consumentenvuurwerk werd verkocht. Als tweede kan in de weken en dagen voorafgaand aan de jaarwisseling bij de grenzen van Nederland worden gecontroleerd op de invoer van consumentenvuurwerk. En de laatste optie is dat in de dagen voorafgaand aan de jaarwisseling op straat gecontroleerd kan worden op bezit of gebruik van kleinere hoeveelheden consumentenvuurwerk, waarbij de politie de overtreding vaststelt, het vuurwerk in beslag neemt, en een boete uitschrijft. De regering geeft in reactie hierop aan dat in het Handhavingsplan hierop zal worden ingegaan. Staatsblad 2026 168 34 Verder vraagt het College om extra middelen om te kunnen voldoen in de voorziene extra inbeslagneming en het veilig vervoeren en vernietigen van illegaal consumentenvuurwerk.

Hierop geeft de regering aan dat zoals eerder aangegeven, met het College in gesprek zal worden gegaan over wat hiertoe de mogelijkheden zijn. Het College geeft aan dat het op prijs wordt gesteld indien enkele jaren na inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling en het Besluit veilige jaarwisseling een invoeringstoets plaatsvindt op de handhavings- en strafrechtelijke consequenties. De regering is het met het College eens dat monitoring gedurende de aankomende jaren van groot belang is, zowel als het gaat om de uitwerking van de ontheffingsbevoegdheid in de praktijk, als de gevolgen voor de uitvoering en handhaving. Ook zal de ontheffingsmogelijkheid na drie jaar worden geëvalueerd. Tot slot noemt het OM dat naast de structurele impact de Wet veilige jaarwisseling en het Besluit veilige jaarwisseling ook leiden tot eenmalige uitvoeringsconsequenties voor het OM. Het gaat daarbij om het opstellen van nieuw beleid, het maken van nieuwe feitcodes, het aanpassen van werkprocessen, het opstellen van nieuwe of het aanpassen van bestaande strafvorderingsrichtlijnen en het verzorgen van een kennissessie. 8.3 Internetconsultatie Het ontwerpbesluit heeft van 7 november tot en met 5 december 2025 voorgelegen voor openbare internetconsultatie. De internetconsultatie heeft 1.353 reacties opgeleverd, waarvan 1.164 openbaar.

De meeste reacties zijn ingediend door particulieren, een aantal reacties is ingediend door bedrijven en overheidsorganisaties, al dan niet vertegenwoordigd door koepelorganisaties of brancheverenigingen. In het navolgende zal per thema worden ingegaan op de reacties. Landelijk vuurwerkverbod voor consumenten Een groot deel van de reacties pleit tegen de invoering van een landelijk vuurwerkverbod voor consumenten, onder andere gelet op de traditie die hiermee verloren zou gaan. Een enkele reactie wijst in dat kader op de Nationale Inventaris Immaterieel Cultureel Erfgoed. Ook wordt in diverse reacties aangeven dat de incidenten tijdens de jaarwisseling met name het gevolg zijn van het gedrag van raddraaiers. Enkele reacties, waaronder van Vuurwerkcheck, pleiten ervoor te wachten met de invoering van een landelijk vuurwerkverbod en gelijk op te trekken met Europese ontwikkelingen. In een aantal reacties wordt aangegeven dat men blij is met een landelijk vuurwerkverbod. De regering geeft hierop aan dat met de aanneming door de Tweede en Eerste Kamer van de Wet veilige jaarwisseling, er is gekozen voor de invoering van een landelijk vuurwerkverbod voor consumenten. Het voorliggende besluit werkt enkel de in de Wet veilige jaarwisseling opgenomen ontheffingsbevoegdheid van de burgemeester uit.

In een aantal reacties komt naar voren dat men veel waarde hecht aan de saamhorigheid en verbondenheid die met het afsteken van vuurwerk gepaard gaat, en men het daarom jammer vindt dat er een landelijk vuurwerkverbod wordt ingevoerd. De regering wijst in het kader hiervan erop dat het afsteken van fop- en schertsvuurwerk gedurende het jaar blijft toegestaan. Ook professionele shows blijven mogelijk. Daarnaast biedt de Wet veilige jaarwisseling de mogelijkheid voor burgemeesters om ontheffingen te verlenen. Het in verenigingsverband afsteken van vuurwerk kan juist een manier zijn om de saamhorigheid binnen een wijk of dorp te versterken. Staatsblad 2026 168 35 In veel van de reacties komen zorgen naar voren over de illegale handel en het misbruik van (zwaar) vuurwerk. Veel burgers die hebben gerea- geerd geven aan dat de illegaliteit moet worden aangepakt, en vrezen dat met een landelijk vuurwerkverbod de illegale handel toeneemt. De regering is het eens dat de illegale handel in en het misbruik van professioneel vuurwerk onacceptabel is. De regering zet zich daarom met diverse partners actief in om deze problematiek aan te pakken, zowel in nationaal als in Europees en internationaal verband.

In een aantal van de reacties, waaronder die van de branchevereni- gingen van de importeurs (Belangenvereniging Pyrotechniek Nederland; hierna: BPN) en detailhandelaren (VuurwerkCheck en Stichting Vuurwerk- dealers Nederlands Consumentenvuurwerk; hierna: SVNC), wordt ingegaan op de financiële gevolgen die de Wet veilige jaarwisseling heeft voor vuurwerkverkopers. Hierop geeft de regering aan dat in overleg met de vuurwerkbranche in een separaat traject is gewerkt aan een nadeelcompensatieregeling. In enkele reacties wordt aangegeven dat een landelijk vuurwerkverbod voor consumenten in strijd zou zijn met het EU-recht. Hierop wordt door de regering aangegeven dat de Pyrorichtlijn regelt dat lidstaten het op de markt aanbieden van pyrotechnische artikelen die aan de eisen van de richtlijn voldoen, niet mogen verbieden, beperken of belemmeren. Een uitzondering mag in een lidstaat echter worden gemaakt voor F2 en F3-artikelen, omwille van bijvoorbeeld de openbare orde of gezondheid. Alternatieve beleidsopties In het kader van de uitwerking van het ontwerpbesluit is het Beleids- kompas doorlopen. In het Beleidskompas is een scenario opgenomen waarin de burgemeester een locatie aanwijst waar het afsteken van vuurwerk tijdens oud en nieuw is toegestaan. Dit kan gelden voor iedereen (variant A) of uitsluitend voor leden van een vereniging (variant B).

Dit scenario is niet verder uitgewerkt, omdat het minder goed aansluit bij de doelstellingen van de initiatiefnemers. In het kader van de internet- consultatie is door de regering aangegeven dat indien gewenst in de reacties op de internetconsultatie ook hierop kan worden gereflecteerd. Een deel van de reacties, waaronder die van Vuurwerkcheck, geeft aan voorstander te zijn van het scenario waarin iedereen of alle leden van een vereniging 25 kilogram vuurwerk per persoon mogen afsteken op een door de burgemeester aangewezen locatie. Dit scenario biedt volgens diverse reacties de meeste ruimte. De regering geeft hierop aan dat dit scenario niet in lijn is met het doel van de Wet veilige jaarwisseling en daarom niet nader is uitgewerkt. Het parlement heeft immers gekozen voor een landelijk vuurwerkverbod voor consumenten, waarbij de ontheffing voor georganiseerde groepen burgers de uitzondering is. Het past daarom niet in deze lijn dat een burgemeester enkel een locatie aanwijst waar iedereen vuurwerk mag afsteken zoals dat nu ook reeds kan, zoals scenario 1 uit het Beleids- kompas impliceert. Verder hebben de indieners van het amendement waarmee de ontheffingsbevoegdheid in de Wet veilige jaarwisseling is geïntroduceerd, voor ogen gehad dat het vuurwerk zou worden afgestoken door georganiseerde groepen burgers, zoals wijk- en buurtverenigingen.

Daarbij is het van belang dat zowel het afsteken, het bezit en de koop bij de verantwoordelijkheid van één en dezelfde rechtspersoon is belegd, in dit geval de vereniging of stichting. De ontheffing is daarmee neergelegd bij een vereniging of stichting, en is in de wet niet gekoppeld aan een locatie. Tevens is de vraag of louter het aanwijzen van een locatie (variant A) aan te merken is als het verlenen van Staatsblad 2026 168 36 ontheffing, waarbij in een individueel geval een uitzondering wordt gemaakt. Scenario 1 ondermijnt volgens de regering het doel van een landelijk verbod. Het zou immers niets anders inhouden dan dat er in feite geen vuurwerkverbod geldt voor de locaties die een burgemeester aanwijst, zonder extra regels of voorwaarden. Hiermee ontstaat een situatie die gelijk is aan het niet hebben van een landelijk vuurwerkverbod voor consumenten, maar dan in het klein. Daarmee zijn letsels en incidenten niet te voorkomen. Scenario 1 is bovendien lastig handhaafbaar omdat de uitvoerings- en handhavingsinstanties niet weten wie vuurwerk mag afsteken, en niet goed kunnen controleren of dat veilig gebeurt (bijvoorbeeld of voldoende afstand wordt gehouden). Ook bestaat het risico op een aanzuigende werking, waardoor situaties oncontro- leerbaar worden, met alle risico’s van dien, onder andere voor hulpdiensten. Hierop wijzen ook enkele reacties in de internetconsultatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/1205/documents/36654