Bijlage 11 - Toelichting Bijlage 8 Aannemelijkheidsparagraaf flora en fauna.pdf
Tekst van het document
Notitie Aanemelijkheidsparagraaf Buitendams 348-350, Hardinxveld-Giessendam Datum: 9 september 2022 Versie: 01 Opdrachtnemer: Ecoresult B.V. Opsteller: E.M.C. Schonck Opdrachtgever: Lx Real Estate namens Gebroeders Blokland Ontwikkeling en Bouw B.V. Contactpersoon: J. Bezemer
1
Aanleiding In opdracht van Lx Real Estate namens Gebroeders Blokland Ontwikkeling en Bouw B.V. heeft Ecoresult B.V. een aannemelijkheidsparagraaf geschreven ten behoeve van de wijziging van het bestemmingsplan die benodigd is voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling van het plangebied: Buitendams 348-350 te Hardinxveld-Giessendam. De voorgenomen werkzaamheden bestaan uit de sloop van de huidige bebouwing én de bouw van 24 nieuwbouwwoningen. Het doel van deze paragraaf is beoordelen of een ontheffing Wet natuurbescherming kan worden verleend voor de beoogde ruimtelijke ingrepen. Het toetsingskader voor deze beoordeling bestaat uit een drietal aspecten, een ontheffing wordt uitsluitend verleend als hieraan is voldaan: • • •
Er is geen andere bevredigende oplossing waardoor de verbodsbepalingen niet overtreden zullen worden. Er is sprake van een in de wet genoemd belang. De belangen verschillen per beschermingsregime/soort(groep). Er is geen verslechtering/afbreuk aan de staat van instandhouding van de soort. Bij deze beoordeling mogen mitigerende/compenserende maatregelen betrokken worden. Het verlenen van de ontheffing mag geen negatief effect hebben op de soort.
1
Het vertrekpunt voor de aannemelijksheidsparagraaf zijn de aangetroffen potenties van soorten die beschreven zijn in de eerder uitgevoerde quickscan flora en fauna (zie ook Hoofdstuk 2). Het onderdeel stikstof blijft in deze notitie buiten beschouwing.
2
Quickscan Uit de quickscan (ER20220712v01 E.M.C. Schonck) is gebleken dat er binnen de grenzen van het plangebied potenties aanwezig zijn voor vaste rust- en verblijfplaatsen én essentieel leefgebied van de volgende beschermde soorten: huismus, gierzwaluw, steenuil, kerkuil, vleermuizen en marterachtigen (zie Tabel 1). Nader onderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel leefgebied daadwerkelijk aanwezig zijn. Tabel 1: Mogelijk aanwezige beschermde soorten binnen het plangebied en de verwachtte functies
Soortgroep
Soort
Geschikt/aanwezig Functie
Vogels met jaarrond beschermde nesten
Huismus
Ja
Vaste rust- en verblijfplaats en functioneel leefgebied
Gierzwaluw
Ja
Vaste rust- en verblijfplaats
Kerkuil
Ja
Vaste rust- en verblijfplaats
Steenuil
Ja
Vaste rust- en verblijfplaatsen
Gewone dwergvleermuis,
Ja
Zomerverblijfplaats, paarverblijfplaats,
Vleermuizen (gebouwbewonend)
ruige dwergvleermuis,
kraamverblijfplaats en winterverblijfplaats (enkele
gewone grootoorvleermuis,
individuen)
laatvlieger en meervleermuis Vleermuizen (boombewonend)
Gewone dwergvleermuis,
Ja
Zomerverblijfplaats en paarverblijfplaats
Ja
Vaste rust- en verblijfplaats en essentieel leefgebied
ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis Marterachtigen
Steenmarter
3
Overtreding van de verbodsbepalingen De voorgenomen werkzaamheden (sloop en nieuwbouw) kunnen schadelijke effecten hebben op beschermde soorten. De verbodsbepalingen uit Tabel 2 worden mogelijk overtreden. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is noodzakelijk indien er vaste rust- en verblijfplaatsen of essentieel functioneel leefgebied van huismus, gierzwaluw, steenuil, kerkuil, vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en meervleermuis) en steenmarter aanwezig zijn en deze functies door de werkzaamheden niet kunnen worden ontzien.
Tabel 2: De verbodsbepalingen behorende bij de verschillende beschermingsregimes zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. Beschermingsregime soorten Beschermingsregime Nationaal Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (huismus, beschermde soorten Habitatrichtlijn (vleermuizen) gierzwaluw, steenuil, kerkuil) (steenmarter) Art 3.1 lid 1 Art 3.5 lid 1 Art 3.10 lid 1a Het is verboden in het wild levende Het is verboden soorten in hun Het is verboden soorten opzettelijk vogels opzettelijk te doden of te natuurlijke verspreidingsgebied te doden of te vangen. vangen. opzettelijk te doden of te vangen. Art 3.1 lid 2 Art 3.5 lid 4 Art 3.10 lid 1b Het is verboden opzettelijk nesten, Het is verboden de Het is verboden de vaste rustplaatsen en eieren van vogels te voortplantingsplaatsen of voortplantingsplaatsen of vernielen of te beschadigen, of rustplaatsen van dieren te rustplaatsen van dieren opzettelijk nesten van vogels weg te nemen. beschadigen of te vernielen. te beschadigen of te vernielen. Art 3.1 lid 3 Art 3.5 lid 3 Niet van toepassing Het is verboden eieren te rapen en Het is verboden eieren van dieren deze onder zich te hebben. in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Art 3.1 lid 4 en lid 5 Art 3.5 lid 2 Niet van toepassing Het is verboden vogels opzettelijk Het is verboden dieren opzettelijk te te storen, tenzij de storing niet van verstoren.
wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Niet van toepassing Art 3.5 lid 5 Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. ontwortelen of te vernielen.
Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
3.1.1
Voorwaarden artikel 3.1 Vogelrichtlijn (huismus, gierzwaluw, steenuil en kerkuil) • • •
3.1.2
Voorwaarden artikel 3.5 Habitatrichtlijn (vleermuizen) • •
•
3.1.3
Er bestaat geen andere bevredigende oplossing; Zij is nodig in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
Voorwaarden artikel 3.10 Nationaal beschermde soorten (steenmarter) •
3.1.4
Er bestaat geen andere bevredigende oplossing; Zij is nodig in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.
In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daaropvolgende gebruik van het gebied of het gebouwde;
Alternatieven Voor het bevoegd gezag is het van belang dat er een alternatieven afweging wordt gemaakt waarbij wordt gekeken naar alternatieven ten aanzien van de locatie, inrichting van het plangebied, werkwijze en planning. Voor specifiek dit project heeft de initiatiefnemer deze afweging gemaakt. Gezien de zeer slechte staat van de bebouwing binnen de grenzen van het plangebied is een andere inrichtingsvariant waarbij verbodsbepalingen niet worden overtreden onhaalbaar gebleken. Voor het weiland en het groen binnen de grenzen van het plangebied dient dit nader onderbouwt te worden.
3.1.5
Gunstige staat van instandhouding Eén van de voorwaarden voor het verlenen van een ontheffing is dat de geplande werkzaamheden niet leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de aanwezige beschermde soorten. Voor dit project is nader onderzoek noodzakelijk om vast te stellen of vaste rust- en
verblijfplaatsen en essentieel leefgebied daadwerkelijk aanwezig zijn. Hierna kan de staat van instandhouding pas worden beoordeeld. De staat van instandhouding wordt beoordeeld voor de volgende situaties: • De huidige situatie (voor de start van de werkzaamheden) • Op korte termijn (start van de werkzaamheden, na ongeschikt maken maar inclusief tijdelijke maatregelen) • Op de langere termijn (na afronding van de werkzaamheden, inclusief de permanente maatregelen). Deze inschatting maakt een weging en inschaling van de impact van tijd en ruimtelijke ontwikkeling van een soort op basis van genomen maatregelen. Indien vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel leefgebied aanwezig zijn, zal op korte termijn een negatief effect worden verwacht. Door de sloop van de huidige bebouwing zullen aanwezige verblijfplaatsen ‘tijdelijk’ verdwijnen. Het verdwijnen van de verblijfplaatsen zal direct worden opgevangen door in de nabije omgeving van het plangebied voldoende te mitigeren/compenseren (bijvoorbeeld door het plaatsen van tijdelijke vleermuiskasten). Op deze manier blijft de oorspronkelijke functionaliteit van het plangebied behouden. Op de lange termijn wordt er groei van de lokale populatie verwacht aangezien er in de nieuwbouwwoningen binnen het plangebied wordt ingezet op volledige mitigatie/compensatie.
Mogelijk wordt er zelfs over gemitigeerd/gecompenseerd, gezien er meer verblijfplaatsen worden gerealiseerd dan de huidige populatie groot is. Er is dus mogelijkheid tot groei. Hierdoor blijft de staat van instandhouding van gewaarborgd en mogelijk zelfs verstevigd.
4
Conclusie Het is aannemelijk dat een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming wordt verleend voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling van het plangebied: Buitendams 348-350 te Hardinxveld-Giessendam. Er wordt voldaan aan alle drie de aspecten van het toetsingskader van de Wnb. • Er is geen andere bevredigende oplossing waardoor de verbodsbepalingen niet overtreden zullen worden. Voor specifiek dit project heeft de initiatiefnemer deze afweging gemaakt. Gezien de zeer slechte staat van de bebouwing binnen de grenzen van het plangebied is een andere inrichtingsvariant waarbij verbodsbepalingen niet worden overtreden onhaalbaar gebleken. •
Er is sprake van een in de wet genoemd belang.
De voorgenomen werkzaamheden zijn nodig in het belang van de volksgezondheid en/of de openbare veiligheid, en/of andere dwingende redenen. Tevens is sloop/nieuwbouw nodig in het kader van de ruimtelijke inrichting.
•
Er is geen verslechtering/afbreuk aan de staat van instandhouding van de soort. Het verlenen van de ontheffing mag geen negatief effect hebben op de soort.
Het verdwijnen van de verblijfplaatsen zal direct worden opgevangen door in de nabije omgeving van het plangebied voldoende te mitigeren/compenseren. Op deze manier blijft de oorspronkelijke functionaliteit van het plangebied behouden.