CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting wijzigingen.pdf

Gemeenteraad GHG 11 december 2025, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 15: Wijziging Verordening maatschappelijke ondersteuning Hardinxveld-Giessendam 2026 - Raadsvoorstel2.134 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage 1 Toelichting wijzigingen 1. Wijziging aanvraagprocedure In het meldings- en aanvraagproces voor maatwerkvoorzieningen Wmo is het nu zo geregeld dat er altijd een ondertekend onderzoeksverslag of een aanvraagformulier moet worden ingediend. Echter, in sommige gevallen is tijdens het huisbezoek in de onderzoeksfase al duidelijk dat er een indicatie voor een maatwerkvoorziening verstrekt zou moeten worden om de ondersteuningsvraag op te lossen. Daarom willen we de mogelijkheid toevoegen om de aanvraag tijdens het huisbezoek mondeling in ontvangst te nemen en dit te noteren bij de conclusie en het advies in het onderzoeksverslag. De inwoner hoeft dan geen extra (administratieve) handeling meer uit te voeren en de consulent hoeft niet te wachten tot de gevraagde documenten ontvangen zijn. 2. Wijziging herindicatieproces Sinds het ontstaan van de Sociale Dienst Drechtsteden (SDD) is altijd het uitgangspunt geweest dat zij geen langdurige indicaties afgeven en de situatie steeds proactief onderzoeken om te beoordelen de ondersteuning nog nodig is na afloop van de indicatie. Dit betekent concreet dat op dit moment alle inwoners waarvan de indicatie afloopt worden benaderd voor een herindicatie. Dit zorgt voor twee knelpunten: Enerzijds is het een zware belasting voor inwoners met een levenslange en levensbrede ondersteuningsvraag.

Zij zijn bij elk moment van herindicatie bang om hun ondersteuning kwijt te raken. Aan de andere kant vinden wij “normaliseren” en “inzetten op zelfredzaamheid en participatie” voor de inwoners die dit kunnen belangrijke principes. Het huidige herindicatieproces biedt onvoldoende focus op deze beleidsuitgangspunten. Met de Wmo willen we de beweging maken naar het zogenaamde passend beschikken. Dat betekent dat de indicatieduur passend is bij de verwachte ondersteuningsduur. Daardoor zal het aantal inwoners dat bij herindicatie een verlenging nodig heeft, fors minder worden. Echter, voor sommige doelgroepen zal dit mogelijk nog wel noodzakelijk blijven. Daarom stellen we voor hier een differentiatie in doelgroepen aan te brengen. Daarbij verdelen we de cliënten in drie hoofdgroepen, met elk hun eigen benadering. 1. Inwoners met een acute, maar tijdelijke ondersteuningsvraag 2. Inwoners met een ondersteuningsvraag én ontwikkelperspectief, waarbij de verwachting is dat zij op termijn weer zelfstandig, zonder maatwerkondersteuning kunnen functioneren. 3. Inwoners met een beperking waardoor professionele ondersteuning levenslang en levensbreed nodig is. Voor deze drie groepen stellen we voor om, op basis van normaliseren, het proces in te richten op een manier die past bij de ondersteuningsvraag en de beperkingen.

Doelgroep Inwoners met een acute, maar tijdelijke ondersteuningsvraag. Dit is vaak het geval bij kortdurende problemen van inwoners die even geen andere oplossing kunnen organiseren. De indicatie is dan kortdurend omdat het probleem van tijdelijke aard is, of omdat de inwoner even tijd nodig heeft om een eigen oplossing te vinden.

Inwoners met een ondersteuningsvraag én ontwikkelperspectief, waarbij de verwachting is dat zij op termijn weer zelfstandig, zonder ondersteuning kunnen functioneren. Of inwoners waarbij de verwachting is dat zij op termijn met lichte ondersteuning vanuit het voorveld of het netwerk kunnen functioneren.

Inwoners met een beperking waardoor professionele ondersteuning levenslang en levensbreed nodig is, maar waarbij nog geen sprake is van 'behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht'2.

Voorbeeld

Indicatie

Evaluatie

Einde indicatie

Bijvoorbeeld huishoudelijke ondersteuning na botbreuken. Maar ook kindzorg als ouders even tijd nodig hebben om een oplossing in hun netwerk te vinden. Of kortdurende intensieve begeleiding bij een live event.

We verstrekken een tijdelijke indicatie in verband met de kortdurende ondersteuningsvraag, al dan niet ter overbrugging tot de inwoner een eigen oplossing heeft gevonden.

Geen evaluatie nodig. De indicatie zal voor 3-6 maanden worden afgegeven met een kortdurende doelstelling op de tijdelijke en acute problematiek.

Er zal geen contact op worden genomen bij de einddatum van de indicatie, omdat het een kortdurende ondersteuningsvraag betreft.

Voordat de indicatie afloopt (4 maanden van tevoren) ontvangt de inwoner een brief dat de einddatum van de indicatie nadert.1 We gaan ervan uit de ondersteuningsvraag in voldoende mate is opgelost en de doelen zijn behaald. Mocht dit niet het geval zijn kan de inwoner óf de aanbieder een melding doen met een nieuw ondersteuningsplan en onderbouwing welke doelstellingen nog niet behaald zijn en wat daar nog op nodig is. De consulent zal deze melding onderzoeken conform de wet en regelgeving.

Bijvoorbeeld inwoners die als gevolg van ggzproblematiek ondersteuning nodig hebben bij het op orde brengen van het huishouden, maar dit na aanleren van planvaardigheden weer zelfstandig kunnen.

De inwoner ontvangt een indicatie voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Hier ligt een ondersteuningsplan aan ten grondslag met concrete doelstellingen en de verwachte duur om deze behalen.

Gedurende de lopende indicatie worden evaluaties ingepland. De frequentie en inhoud van de evaluaties is onder andere afhankelijk van de onderliggende problematiek, het ontwikkelpotentieel en de duur van de indicatie. De evaluatie is gericht op de vraag of de aanbieder en inwoner op koers liggen om de doelstellingen binnen de gestelde tijd te behalen.

Bijvoorbeeld inwoners die vanuit zware problematiek op het gebied van autisme of dementie langdurig ondersteuning nodig hebben en waarbij geen verwachting bestaat op afschaling of ontwikkeling.

De inwoner krijgt een indicatie voor ondersteuning vanuit de maatwerkvoorzieningen Wmo. Er ligt een ondersteuningsplan aan ten grondslag waarin beschreven wordt dat er levenslange en levensbrede ondersteuning nodig is, waarbij eveneens de doelstellingen van de ondersteuning scherp worden benoemd.

Gedurende de lopende indicatie worden evaluaties ingepland. De evaluatie is gericht op de kwaliteit van de ondersteuning en de vraag of het wettelijk kader nog steeds het best passende kader is (onderzoek naar bijvoorbeeld overgang Wlz, of behandeling vanuit ZVW).

Deze indicaties worden in principe levenslang en levensbreed afgegeven. Deze zullen alleen worden gewijzigd op het moment dat uit de evaluaties blijkt dat de Wmo ondersteuning niet langer de best passende ondersteuning is.

Voor de wijziging van het herindicatieproces is een wijziging van de verordening noodzakelijk. Deze voorgestelde wijziging is in lijn met de landelijke richtlijn Passend Beschikken. Belangrijk om op te merken is dat dit voorstel gaat over de maatwerkvoorzieningen Wmo en dan met name over individuele begeleiding en dagbesteding en in mindere mate over huishoudelijke ondersteuning. Beschermd Wonen en Opvang vallen buiten de reikwijdte van dit voorstel, omdat de beleidsvorming hiervoor niet bij de GR Sociaal ligt.

1

Er wordt onderzocht of het technisch mogelijk een parallel bericht aan de zorgaanbieder te sturen om te voorkomen dat de inwoner tussen wal en schip raakt. 2 Wlz-algemeen: Hoe werkt de Wet langdurige zorg? | Verzekerde zorg | Zorginstituut Nederland

3. Aanpassing berekening PGB-hulpmiddelen Op dit moment is de berekening van het PGB-tarief voor hulpmiddelen erg intensief en tijdrovend voor consulenten en hulpmiddelenleveranciers. Dit zorgt voor lange doorlooptijden. Daarom wordt een wijziging voorgesteld die beter uitvoerbaar is. 4. Aanpassing vergoeding PGB-zorgverleners a.g.v. wetsvoorstel wijziging Regeling dienstverleners aan huis (Rdah) Het wetsvoorstel wijziging van de Regeling dienstverlening aan huis betekent dat vanaf 1 januari 2026 zorgverleners die werken via een PGB, recht krijgen op uitkeringen zoals de WW en de Ziektewet. In de huidige Rdah, hebben dienstverleners aan huis geen recht hebben op deze werknemersverzekeringen. De WW en enkele andere wetten worden met dit wetsvoorstel aangepast. De aanleiding is een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. De rechter oordeelde dat de uitzondering op de verzekeringsplicht leidt tot indirecte discriminatie op grond van geslacht, omdat veel PGB-zorgverleners vrouw zijn. Het wetsvoorstel maakt een einde aan de uitzonderingspositie van deze PGB-zorgverleners.

De wijziging van de wet Rdah heeft betrekking op cliënten met een zorgverlener die: • geen ZZP'er is • niet in dienst is bij een instelling • 3 dagen of minder per week ondersteuning levert • uit het netwerk van cliënt komt, maar niet 1ste of 2de graad familie is • een arbeidscontract met cliënt heeft Het PGB tarief zal vanaf 1-1-26 moeten worden opgehoogd met het percentage werkgeverlasten (gemiddeld 20%) om in overeenstemming met de wet en jurisprudentie te handelen. Hoe de hoogte van het Pgb wordt vastgesteld, moet in de verordening beschreven staan. Voorgesteld wordt om in Artikel 4.11 lid 3 en Artikel 4.11 lid 4 sub b op te nemen: Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, kan het budget met die lasten worden verhoogd. De werkgeverslasten zijn vermeld op de website van de Sociale Verzekeringsbank. De verhoging zelf kan dan worden vastgesteld aan de hand van de op dat moment geldende tarieven voor de werkgeverslasten. Een toelichting daarop in de beschikking verduidelijkt de hoogte van het tarief voor de cliënt. Voor de cliënt moet immers duidelijk zijn dat het uurtarief niet het bedrag is dat hij/zij zijn zorgverlener kan betalen. 5. Wijkhopper voorliggend maken aan Drechthopper Pashouders hebben momenteel de vrije keuze of zij – ook op kortere afstanden – met de Drechthopper (groepsvervoer) of de Wijkhopper (individueel) willen reizen.

Deze keuze is nog gebaseerd op de introductieperiode, bij de uitrol van de Wijkhopper in de Drechtsteden sinds 2021. Ondanks die goede beschikbaarheid van de Wijkhopper, blijft een deel van de reizigers voor korte ritten de voorkeur geven aan de Drechthopper. Soms omdat de Wijkhopper voor hen niet geschikt is, maar vaak ook om minder motiverende redenen. Met gevolgen voor het capaciteitsbeslag van zowel de Wijkhopper als de Drechthopper. De Wijkhopper staat relatief vaak stil vergeleken met de Drechthopper. Door het gebruik van de Wijkhopper voorliggend te stellen aan de Drechthopper kan het collectief vraagafhankelijk vervoer in de Drechtsteden efficiënter worden uitgevoerd. Door betere benutting van de Wijkhopper kan een deel van de populatie daarmee ook tegen lagere kosten worden vervoerd. Aangezien de Wijkhopper tevens een leer/werkbedrijf is, ontstaat bij verdere groei van de Wijkhopper op termijn ook groei in het leer/werkaanbod. Dit biedt banen voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Met de wijziging wordt de huidige keuzemogelijkheid voor Drechthopper en Wijkhopper voor korte afstanden voor pashouders uitgesloten, tenzij men niet is staat is om met de Wijkhopper te staat te reizen (bijvoorbeeld door gebruik van een rolstoel of scootmobiel; deze hulpmiddelen kunnen niet mee met de Wijkhopper). De bewijslast hiervoor ligt bij de gebruiker.

Bij chronische beoordeelt de SDD dit, zodat gemotiveerd een uitzondering gemaakt kan worden.

6. Aanpassing tarief Wijkhopper en Drechthopper (collectief vervoer) De Drecht- en Wijkhoppers geven in de Drechtsteden invulling aan de taak om "Wmo vraagafhankelijk vervoer" aan te bieden vanuit de Wmo. Dit betreft ritten die aangevraagd worden door reizigers om bijvoorbeeld naar de kapper, een familielid of kennis of het ziekenhuis te gaan. Inwoners met een Wmo-indicatie hiervoor kunnen 'vandeur-tot-deur reizen' en betalen per rit een opstaptarief en een kilometertarief. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen spitsuren en daluren. Financieel is het aantrekkelijker voor de reiziger om in de daluren te reizen. Door te differentiëren tussen piek- en daluren proberen we het reisgedrag van reizigers te sturen en de belasting van het collectief vervoer in de piekuren te verminderen. Doordat er betere spreiding ontstaat van ritten gedurende de dag, kunnen méér inwoners die het nodig hebben vervoerd worden. In de huidige verordening maatschappelijke ondersteuning zijn de tarieven voor de Drechthopper en de Wijkhopper onder het prijsniveau van het openbaar vervoer (OV). Met de aanpassingen in hoofdstuk 5 Bijdragen van de verordening worden de eigen bijdragen naar dat niveau bijgesteld. Eveneens worden de tarieven hiermee meer in lijn met andere regio’s betreffende collectief vervoer. Zo draagt de aanpassing bij aan een betere betaalbaarheid van de Wmo.

Zie tabel 1 voor een vergelijking met OV-tarieven en andere regio’s. Tabel 1: Vergelijking huidige Wmo-reizigersbijdragen vervoersregio’s

Voorgesteld wordt om de tarieven van het collectief vervoer te verhogen. Doel van de nieuwe tariefstelling is het dempen van de kosten op het collectief vraagafhankelijk vervoer in de Drechtsteden. De tarieven worden als volgt gewijzigd: Huidige dal → Opstap € 0,648 Km € 0,108

Nieuwe dal Opstap € 1,12 Km € 0,19

Huidige spits → Opstap € 1,08 Km € 0,18

Nieuwe spits Opstap € 1,12 Km € 0,27

Het opstaptarief in dal- en spitsuren is gelijk aan het OV-tarief van Qbuzz. Het kilometertarief in de daluren is conform het tarief van stadsBuzz. Voor de spitstijden geldt een kilometertarief wat neerkomt op het stadsBuzztarief vermeerderd met 42%, afgerond op twee decimalen ten gunste van de inwoner. Voor de reiziger betekent dit (afgezet tegen een doorgaans gemiddelde enkele reis van 8 km) per rit dat: de eigen bijdrage in de daluren stijgt van €1,45 naar €2,64 (toename €1,19) de eigen bijdrage in de spitsuren stijgt van €2,52 naar €3,28 (toename €0,76). Bij een gemiddeld gebruik (67% dal, 33% spits) kost een rit van 8 km €2,77. Landelijk gezien vallen de Drechtsteden daarmee in de middenmoot. De meeste regio's maken echter geen onderscheid in dal- en spitstarieven. Als we die vergelijking maken, zijn de Drechtsteden goedkoop qua daltarief, maar duurder qua spitstarief. Het grootse deel van de doelgroep reist in de daluren, wat betekent dat Wmo-reizigers in de Drechtsteden ook na de tariefstijging relatief goedkoop reizen vergeleken met andere regio's.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/1152/documents/34307