bijlage 1 - Delegatie adviesrecht en participatieplicht onder de Omgevingswet (nieuwe versie).pdf
Tekst van het document
10. het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a.
de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Omgevingswet aan een bestaande woning gestelde eisen;
b.
de bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Omgevingswet gestelde regels,
d.
de bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was;
c.
de bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en
11. ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.
Bij de aanwijzing als kleinschalig project geldt het volgende: 1.
Het aantal woningen blijft gelijk, behalve in het geval bedoeld in onderdeel: a.
1, voor zover het betreft huisvesting in verband met mantelzorg
c.
11.
b.
9,
2.
Onderdeel 9 en 11 is niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in kolom 2 of kolom 3 van
3.
Onder een infrastructurele of openbare voorziening wordt bedoeld een gebouw ten behoeve van
4.
bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
een nutsvoorziening, de waterhuishouding, het meten van de luchtkwaliteit, het
telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer.
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I
5.
bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing.
Tenzij anders bepaald, worden de waarden die in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a.
b.
afstanden loodrecht,
hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het
bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven, c.
en
maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 m buiten beschouwing blijven.
6.
Bij het meten wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens,
7.
Huisvesting in verband met mantelzorg wordt aangemerkt als functioneel verbonden met het
gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is. hoofdgebouw.
De kleinschalige projecten komen overeen met de categorieën gevallen waarin voor planologische
gebruiksactiviteiten een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingswet kon worden verleend (artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht). Deze lijst met gevallen stond ook wel bekend als de lijst met ‘kruimelgevallen’. Voor
deze categorieën gevallen kon het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning
verlenen voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, zonder een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad.
7 Het participatiebesluit nader bezien 7.1 Participatie en de Omgevingswet Met de Omgevingswet wordt een brede participatie van burgers en bedrijven bij de totstandkoming van besluiten nagestreefd. De omgeving vroegtijdig betrekken bij plannen voor veranderingen in de fysieke leefomgeving komt die plannen ten goede. Alleen door de mening van een ander te kennen kan er ook rekening worden gehouden met zijn mening en belang. De omgeving actief mee laten werken aan de plannen vergroot de betrokkenheid van belanghebbenden. Participatie kan zo het maatschappelijke draagvlak voor een voorgenomen project vergroten. Dat komt iedereen ten goede.
7.2 Participatie en de omgevingsvergunning Participatie komt terug in alle kerninstrumenten van de Omgevingswet. Voor de omgevingsvisie en het omgevingsplan schrijft de wet rechtstreeks voor dat er moet worden geparticipeerd. Voor
omgevingsvergunningen die afwijken van het omgevingsplan mag de gemeente zelf bepalen of participatie wordt voorgeschreven. Voor vergunningaanvragen die niet afwijken van het omgevingsplan mag de
gemeente geen participatie eisen. Het participatiebesluit heeft dus alleen betrekking op participatie voor vergunningaanvragen die afwijken van het omgevingsplan.
Bij iedere aanvraag om omgevingsvergunning - ook als die in overeenstemming is met het omgevingsplan
– moet de aanvrager aangeven óf burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de aanvraag zijn betrokken. Zo ja, dan moet hij aangeven hoe ze zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.
Dit stimuleert een initiatiefnemer om vooraf goed na te denken over het belang van derden en hoe hij rekening kan houden met hun belang. Vroegtijdig betrekken van de omgeving zorgt ervoor dat
verschillende perspectieven, kennis en creativiteit snel op tafel komen. Dit levert winst op voor de
omgeving, initiatiefnemers en bestuursorganen. Voordat een formele vergunningsaanvraag wordt gedaan, is de omgeving al betrokken. De vergunningsaanvraag is hierop afgestemd.
Het is voor een aanvrager niet wettelijk verplicht om het publiek te betrekken bij de voorbereiding van de aanvraag. Hij mag dus ook aangeven dat derden niet betrokken zijn. De gemeente mag de
vergunningsaanvraag om die reden niet buiten behandeling laten. Hierop is één belangrijke uitzondering van toepassing: vergunningsaanvragen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kunnen niet-
ontvankelijk worden verklaard, als de gemeenteraad vooraf heeft aangegeven dat participatie van en overleg met derden verplicht is. Dit doet de gemeenteraad in het participatiebesluit.
Net zoals dat geldt voor het aanwijzen van gevallen waarin bindend advies noodzakelijk is, geldt ook voor het participatiebesluit dat vooraf duidelijk moet zijn voor welke (categorieën) gevallen participatie is
vereist. Het is bijvoorbeeld in strijd met de rechtszekerheid om voor iedere aanvraag ‘ad hoc’ te beslissen of participatie is vereist of niet.
7.3 Participatiebesluit: mogelijkheden en beperkingen Met het participatiebesluit wijst de gemeenteraad bepaalde buitenplanse omgevingsplanactiviteiten aan,
waarbij participatie verplicht is. Dat wil zeggen dat de aanvrager moet aangeven hoe hij burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de aanvraag heeft betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.
De invulling van de plicht tot het betrekken van het publiek is vormvrij. Het gemeentebestuur kan geen
aanvullende aanvraag- of vormvereisten stellen 33. Het is de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om een adequate vorm te kiezen waarin participatie bij de voorbereiding van een aanvraag plaatsvindt.
Participatie is maatwerk. De locatie, de aard van het project en de omgeving zijn namelijk elke keer anders.
Het is aan het college van burgemeester en wethouders om te bepalen of het over voldoende gegevens
beschikt om belangen af te wegen en een zorgvuldig besluit te nemen. Het bevoegd gezag is – en blijft – verantwoordelijk voor het besluit en de motivatie ervan om de omgevingsvergunning wel of niet te
verlenen. Voor de motivering van het besluit mag het bevoegd gezag dan ook niet alleen verwijzen naar de door de initiatiefnemer bij de aanvraag verstrekte informatie over de resultaten van de participatie. Het
college van burgemeester en wethouders moet een eigen afweging maken. Dat betekent dat het zich moet vergewissen van de juistheid van de verstrekte informatie uit de participatie en moet nagaan of
aanvullende informatie over feiten of belangen nodig is. Voor het invullen van deze beoordeling kan de gemeente participatiebeleid formuleren aanvullend op de Participatienota (2021).
Indien het college van burgemeester en wethouders het nodig vindt om aanvullende informatie te
verzamelen, kan het gebruik maken van de mogelijkheid om aanvullend gelegenheid te bieden voor een
vorm van zienswijzen of contact met derden- belanghebbenden binnen de termijn van acht weken van de reguliere procedure 34. Zo kan het college derden-belanghebbenden in de gelegenheid brengen hun
zienswijzen naar voren te brengen. Doordat de kennisgeving van de aanvraag wordt gepubliceerd zijn derden met bedenkingen ook in staat zich bij het bevoegd gezag te melden.
Indien dit voor het verkrijgen van voldoende informatie noodzakelijk is, kan het college van burgemeester en wethouders beslissen om de beslistermijn te verlengen van acht naar veertien weken 35. Het besluit hiertoe moet bekendgemaakt worden binnen de aanvankelijke beslistermijn van acht weken. Voor het verlengen van de beslistermijn kan bijvoorbeeld aanleiding bestaan bij complexe aanvragen, als afstemming tussen (ambtelijke) adviseurs moet plaatsvinden of als bij een afwijking van het omgevingsplan bespreking in een raadscommissie wenselijk wordt geacht.
33 Omgevingsregeling, Staatscourant 2019 nr. 56288, p. 336. 34 Artikel 4:8 Algemene wet bestuursrecht 35 Artikel 16.64 lid 2 Omgevingswet
7.4 Participatiebesluit in Hardinxveld-Giessendam Kijkend naar de verbeterdoelen van de Omgevingswet ligt het in de rede dat de gemeenteraad
terughoudend is bij het aanwijzen van gevallen waarin participatie verplicht is. De regering wijst op het
beperken van regeldruk en het voorkomen van onwerkbare situaties als belangrijke aandachtspunten 36. De
verplichte participatie moet vooral gevraagd worden bij die vergunningsaanvragen waar verwacht wordt dat dit een duidelijke meerwaarde heeft. Dit is zeker het geval bij de grotere ontwikkelingen, die een grote impact op de buurt hebben.
Gelet op die uitgangspunten kiezen veel gemeentes ervoor om aan te sluiten bij de gevallen waarin
bindend advies van de gemeenteraad is vereist. Immers: in die gevallen is de kaderstellende rol van de raad in het geding. De impact van dergelijke initiatieven zal in die gevallen naar verwachting ook aanzienlijk zijn.
Daar staat tegenover dat de zwaarte van de impact van initiatieven op de omgeving niet per definitie
gelijkloopt met de kaderstellende rol van de raad. Bijvoorbeeld: het realiseren van een aanbouw in de tuin bij een rijtjeswoning raakt de kaderstellende rol van de raad niet, maar het heeft voor de direct
omwonenden wel degelijk een flinke impact. Een ander voorbeeld is het bouwen van 10 woningen in bestaand stedelijk gebied, of het wijzigen van de infrastructuur.
Daarom is gekozen voor een andere benadering. Voor ontwikkelingen waar in een ander, voorafgaand traject al een bepaalde vorm van participatie heeft plaatsgevonden, hoeft bij de aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw te worden geparticipeerd.
De gedachte daarbij is dat bij de voorbereiding c.q. het tot stand komen van de plannen de
uitgangspunten en de randvoorwaarden van de Participatienota (2021), waaronder de gemeentelijke
participatieladder al is doorgelopen. De aanvraag om omgevingsvergunning komt voor de omgeving daarom niet onverwacht.
Voor alle andere afwijkingen van het omgevingsplan geldt dat deze initiatieven voor de omgeving altijd in
een bepaalde mate onverwacht zullen zijn. In die gevallen is het daarom wenselijk om van de aanvrager te vragen dat er voorafgaand aan het indienen van de aanvraag met de buurt wordt geparticipeerd.
8 Timing en consequenties uitblijven besluiten
36 Omgevingsregeling, Staatscourant 2019 nr. 56288, p. 338.
8.1 Invloed gemeenteraadsverkiezingen Op 16 maart 2022 zijn de gemeenteraadsverkiezingen. De raadsbesluiten over delegatie, adviesrecht en participatie worden bij voorkeur genomen door de gemeenteraad in de huidige samenstelling. Hiermee
wordt voorkomen dat de gemeenteraad in de nieuwe samenstelling in een kort tijdsbestek alle relevante
raadsbesluiten moet nemen voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Bovendien wordt voorkomen dat de gemeenteraad in nieuwe samenstelling besluiten moeten nemen, waarover informatieve
vergaderingen hebben plaatsgevonden in de oude samenstelling. Dit is vanuit een politiek-bestuurlijk oogpunt wenselijk voor een soepel en aangenaam besluitvormingsproces. Formeel gezien doen de
gemeenteraadsverkiezingen niet ter zake. Vanuit juridisch-inhoudelijk oogpunt kunnen de raadsbesluiten net zo goed door de gemeenteraad in de nieuwe samenstelling worden genomen.
8.2 Inwerkingtreding Omgevingswet Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. Om direct vanaf het begin van de inwerkingtreding
van waarde te zijn, moeten de raadsbesluiten over delegatie, adviesrecht en participatie voor de
inwerkingtreding van de wet worden genomen. Indien dit niet gebeurt, zijn de consequenties afhankelijk van het betreffende besluit.
Bijlage ‘was-wordt-lijst’