CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Woonarken Toelichting, regels en verbeelding .pdf

Gemeenteraad GHG 30 juni 2022, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 12: Vaststellen bestemmingsplan Woonarken29.487 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Gemeente Hardinxveld-Giessendam

Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Vaststelling

31 juni 2022

Gemeente Hardinxveld-Giessendam

Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Vaststelling

Inhoud: - toelichting - regels - verbeelding

IMRO-code: NL.IMRO.0523.BP2022WOONARKEN-VA01 werknummer: 620.156.10 datum: 31 juni 2022 bestand: J:\620\156\10\3.projectresultaat\d. vaststelling

KuiperCompagnons BV Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Architectuur, Landschap Rotterdam

Gemeente Hardinxveld-Giessendam

Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting

Inhoudsopgave van de toelichtingp

1

Inleiding

1

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Bij het plan behorende stukken Aanleiding en doel van het plan Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer

1 1 1 1 2

2

Planbeschrijving

3

2.1 2.2 2.3 2.4

Inleiding en uitgangspunten Bestaande situatie Ontwikkelingen Juridische aspecten

3 3 3 3

3

Ruimtelijke Ordening

6

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid Conclusie

7 8 12 13 15

4

Natuur en landschap

16

4.1 4.2 4.3

Kader Onderzoek Conclusie

16 16 18

5

Water

19

5.3 5.3

Onderzoek Conclusie

22 24

6

Archeologie en cultuurhistorie

25

6.1 6.2

Archeologie Cultuurhistorie

25 27

7

Milieu

28

7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6. 7.7

Algemeen M.e.r.-beoordeling Bodemkwaliteit Akoestische aspecten Luchtkwaliteit Milieuzonering Externe veiligheid

28 28 28 30 32 34 37

7.8 7.9

Duurzaamheid Overige belemmeringen

43 44

8

Uitvoerbaarheid

46

8.1 8.2

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

46 46

9

Procedure

47

9.1 9.2 9.3

Voorbereidingsfase Ontwerpfase Vaststellingsfase

47 47 47

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11

Quickscan flora en fauna, Ecoresult, 28 augustus 2020 Verkennend bodemonderzoek, ABO-Milieuconsult, 28 augustus 2020 Verkennend en nader bodemonderzoek, ABO-Milieuconsult, 26 november 2020 Geluidbelasting RWZI, Adromi B.V, 2 februari 2021 Stikstofdepositie-berekening, KuiperCompagnons, 25 januari 2022 Waterhuishoudkundig plan, KPM Civiel, 21 januari 2022 Waterbergingscapaciteit plangebied, KPM Civiel, 17 februari 2022 Explosievenrapportage, BeoBom, 13 maart 2020 Akoestisch onderzoek, KuiperCompagnons, 4 juni 2020 Aanmeldnotitie, KuiperCompagnons, 24 januari 2022 Zienswijzenota bestemmingsplan Woonarken, 4 mei 2022

Afbeelding 1.1: globale ligging van het plangebied in de omgeving (Bron luchtfoto: Google Maps).

Afbeelding 1.2: Ligging plangebied (Bron luchtfoto: Google Maps).

1

1

Inleiding

1.1

Bij het plan behorende stukken Het bestemmingsplan "Woonarken” bestaat uit bestemmingen, regels en de verbeelding. De bestemming van de grond is geometrisch bepaald door middel van lijnen, coderingen en arceringen. In de bestemmingen zijn regels ten aanzien van het bouwen en het gebruik opgenomen. Het plan gaat vergezeld van deze toelichting. In de toelichting worden de keuzes die zijn gemaakt bij het opstellen van de geometrische plaatsbepaling en de regels verantwoord en verduidelijkt. Vervolgens wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan.

1.2

Aanleiding en doel van het plan Dit bestemmingsplan maakt de legalisatie van een viertal droogliggende woonarken mogelijk. In de toekomstige situatie wordt het plangebied opgesplitst in een zestal percelen. De gemeente Hardinxveld-Giessendam is al geruime tijd in overleg met de bewoners van de woonarken over een bestemmingswijziging waarbij (nieuwe) woonbestemmingen aan het gebied worden toegekend. Het plangebied was oorspronkelijk onderdeel van het naastgelegen plan de ‘IJzergieterij’. In een later stadium is ervoor gekozen om het gebied ‘woonarken’ los te splitsen van het gebied de ‘IJzergieterij’ en hier een separaat bestemmingsplan voor op te stellen. Dit bestemmingsplan maakt de voorgenomen ontwikkeling van de woonbuurt in juridisch-planologische zin mogelijk.

1.3

Ligging en begrenzing plangebied Het voorliggende plangebied is aan de zuidoostzijde van Hardinxveld-Giessendam gelegen, vrijwel direct grenzend aan de Beneden-Merwede. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Rivierdijk met direct daarachter de A15. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door de (voormalige) bedrijfslocatie ‘De IJzergieterij’. Op deze locatie wordt woningbouw voorzien. De rioolwaterzuiveringsinstallatie aan de Tiendweg vormt de begrenzing aan de westzijde van het plangebied. De globale begrenzing van het plangebied is in de afbeeldingen 1.1 en 1.2 weergegeven.

1.4

Vigerend bestemmingsplan Voor de in het bestemmingsplan begrepen gronden vigeert momenteel het bestemmingsplan ‘Hardinxveld-Giessendam, bebouwd gebied ’, door de gemeenteraad vastgesteld op 30 maart 2017. Daarin is het plangebied voorzien van de bestemmingen ‘Groen’, ‘Bedrijf’, ‘Tuin’, ‘Wonen’ en ‘Natuur’. Tevens is het plangebied voorzien van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologische verwachting 5’ en ‘Waarde – Archeologische verwachting 8’. Ook zijn de volgende gebiedsaanduidingen opgenomen in het plangebied: ‘geluidzone-industrie 1’ , ‘vrijwaringszone – dijk 1’, ‘vrijwaringszone – dijk 2’, ‘vrijwaringszone – weg’.

Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vaststelling

2

Afbeelding 1.2: uitsnede vigerend bestemmingsplan

1.5

Leeswijzer De toelichting van het bestemmingsplan is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 worden de doelstellingen van het bestemmingsplan beschreven. Vervolgens wordt een inventarisatie en analyse gegeven van de huidige situatie (hoofdstuk 3) en gewenste ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied op hoofdlijnen (hoofdstuk 4). Hierbij wordt ook in gegaan op het vigerende beleidskader. In hoofdstuk 5, 6 en 7 wordt een verantwoording gegeven hoe omgegaan is met verschillende deelaspecten; achtereenvolgens gaat het om water, archeologie en verschillende milieuthema’s. Hoofdstuk 8 geeft een juridische toelichting op de regels en de geometrische plaatsbepaling. Hoofdstuk 9 en 10 gaan achtereenvolgens in op de aspecten overleg en inspraak en op de uitvoerbaarheid van het plan.

Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vaststelling

3

2

Planbeschrijving

2.1

Inleiding en uitgangspunten Uitgangspunt van het voorliggende bestemmingsplan is het legaliseren van de bestaande woonarken en het splitsen van het plangebied in een zestal percelen.

2.2

Bestaande situatie Het plangebied is momenteel grotendeels begroeid en bestaat uit een viertal droogliggende woonarken. Het plangebied ligt in voormalig buitendijks gebied. De ontsluiting van het plangebied vindt plaats via de Rivierdijk. Rivierdijk is een erftoegangsweg. De maximumsnelheid is 60 km/h buiten de bebouwde kom. Vanaf de kruising met de Peulenstraat-Zuid geldt voor de Rivierdijk een snelheidsregime van 30 km/h.

2.3

Ontwikkelingen In overleg met de bewoners is er een verkaveling van het terrein opgesteld. Het voorliggende bestemmingsplan sluit op flexibele wijze aan op de hoofdopzet van het verkavelingsplan. De beoogde kavels worden voorzien van een woonbestemming, waarbij qua systematiek is aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan ‘Hardinxveld – Giessendam, bebouwd gebied’. Dit betekent dat ieder perceel is voorzien van een bouwvlak. Deze bouwvlakken zijn zodanig ingetekend dat in ieder geval de bestaande hoofdgebouwen (de woonarken) volledig binnen het bouwvlak vallen. Om flexibiliteit voor de toekomst te behouden zijn ruime bouwvlakken gehanteerd, waarbij per bouwvlak maximaal één woonark of woning mag worden gebouwd. De maatvoering is afgestemd op de bestaande hoogte en inhoudsmaat van de woonarken, waarbij een en ander naar boven is afgerond.

2.4

Juridische aspecten

2.4.1 Inleiding Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld conform de gemeentelijke standaard, met inachtneming van de bepalingen die zijn opgenomen in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro), zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) en het coderingssysteem Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de regels en verbeelding van voorliggend plan zijn opgebouwd. 2.4.2 Planmethodiek Bij de opzet van het plan is gekozen voor een gedetailleerde wijze van bestemmen waarmee de toekomstige situatie wordt vastgelegd.

Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vaststelling

4

2.4.3 Regels De regels bestaan uit drie hoofdstukken:  Inleidende regels (hoofdstuk 1);  Bestemmingsregels (hoofdstuk 2);  Algemene regels (hoofdstuk 3);  Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4). De regels zijn in overeenstemming met de gemeentelijke standaard. Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan voorkomende bestemmingen. Hoofdstuk 1 Inleidende regels In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard die gebruikt worden in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel “Wijze van meten” opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Begrippen Geeft de definities van een aantal in de regels voorkomende begrippen. Hierdoor wordt de interpretatie daarvan vastgelegd, waardoor de duidelijkheid wordt vergroot. Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe de in het plan voorkomende maten dienen te worden bepaald. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In deze paragraaf van de regels zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Tevens zijn, waar wenselijk, flexibiliteitsbepalingen opgenomen.

Bij de opzet van de artikelen over de bestemmingen is een vaste indeling aangehouden teneinde het overzicht en daarmee de duidelijkheid te vergroten. De volgende onderdelen worden onderscheiden: Groen Bij deze bestemming wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de mogelijkheden uit het vigerende bestemmingsplan ‘Hardinxveld-Giessendam, bebouwd gebied’. Het groene karakter van deze gronden dient, binnen in het plan gestelde voorwaarden, zoveel mogelijk behouden te blijven. Binnen de bestemming is onder andere de aanleg mogelijk van groenvoorzieningen, paden, wegen en parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, straatmeubilair, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. Aan de westkant is een aanduiding ‘geluidscherm’ opgenomen om een te hoge geluidbelasting op de woningen te voorkomen. Voor de voorziene wadi is de aanduiding ‘Waterstaat - Waterbergingsgebied’ opgenomen, teneinde het waterbergende karakter van het gebied te benadrukken. Tuin De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen bij de aangrenzende woningen, maar ook voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen, toegangspaden en in- en uitritten en parkeervoorzieningen. Er zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erf- en terreinafscheidingen, toegestaan.

Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vaststelling

5

Bestemming Verkeer - Verblijf De in het plangebied voorkomende erftoegangswegen en pleinen zijn bestemd als ‘Verkeer - Verblijf’. Binnen deze bestemming zijn onder andere parkeer-, groen- en speelvoorzieningen alsmede waterberging en watergangen mogelijk. Wonen De bestaande woonarken zijn voorzien van de bestemming ‘Wonen’. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor wonen, waaronder mede wordt verstaan de uitoefening van een aan huis verbonden beroep, tuinen en erven, parkeren op eigen terrein, water, voorzieningen voor de waterhuishouding, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Voor de bebouwingsmogelijkheden wordt een onderscheid gemaakt in het hoofdgebouw, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde. Voor de woningen zijn twee voorwaardelijke verplichtingen opgenomen, zodat ze pas in gebruik mogen worden genomen indien voorzien is in geluidbeperkende maatregelen zoals dove gevels en een geluidscherm. Waarde – Archeologie 5 en 8 Volgens het vigerende bestemmingsplan ‘Hardinxveld-Giessendam, bebouwd gebied’ gelden er in het bestemmingsplangebied twee verschillende archeologische dubbelbestemmingen met daarin verschillende waarden (oppervlakte, diepte) waarbij bescherming aan de orde is. Er is sprake van de dubbelbestemmingen Waarde-Archeologie – 5 en Waarde-Archeologie – 8.

Waterstaat – Waterberging De dubbelbestemming Waterstaat - Waterberging is toegekend aan die gronden welke bestemd zijn voor het langer vasthouden van water ter voorkoming van wateroverlast in omliggende gebieden. Waterstaat – Waterkering Voor de kernzone van de aanwezige waterkeringen is een dubbelbestemming opgenomen, waarbij de waterkerende functie primair is ten opzichte van de overige op de verbeelding aangegeven bestemmingen. Voordat ten behoeve van de secundaire bestemmingen gebouwd mag worden dient in verband met de belangen van de waterkering advies te worden ingewonnen bij de beheerder van de waterkering in casu het Waterschap Rivierenland. Dit geldt eveneens voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde. Hoofdstuk 3: Algemene regels De algemene regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan bevat onder andere: een antidubbeltelregel, algemene bouwregels, uitsluiting aanvullende werking bouwverordening, algemene afwijkingsregels, algemene aanduidingsregels en overige regels. De volgende gebiedsaanduidingen zijn in het plan opgenomen:  Milieuzone – geurzone  Vrijwaringszone – Reserveringszone weg  Vrijwaringszone – dijk 1  Vrijwaringszone – dijk 2 Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.

Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vaststelling

6

2.4.4 Geometrische plaatsbepaling/verbeelding De analoge verbeelding van de geometrische plaatsbepalingen, de plankaart, kent een schaal van 1:1000 en bestaat uit één kaartblad. Voor het tekenen van de kaart is een topografische ondergrond gebruikt. Op de verbeelding wordt met lijnen, coderingen en arceringen aan gronden een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn op de verbeelding met aanduidingen nadere regels aangegeven. De verbeelding is volgens IMRO 2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) getekend. Dit is een eenduidige en technische methode voor het tekenen van kaarten. Hiermee kan ruimtelijke informatie eenvoudig digitaal uitgewisseld worden met andere overheden en samenwerkingspartners. Tevens maakt deze methode het mogelijk om het plan via internet te raadplegen

Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vaststelling

7

3

Ruimtelijke Ordening

3.1

Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Ook in de toekomst moet Nederland een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving bieden en economisch kunnen floreren. Daarom is het van belang om inzicht te hebben in de opgaven waar Nederland voor staat. De druk op de ruimte, de leefomgeving, vraagt voortdurend om afweging van verschillende belangen. Ook internationale ontwikkelingen, de invloed van technologie en de groeiende verschillen tussen regio's vragen om snellere, creatieve en integrale afwegingen. Het klimaat verandert en er moet zorgvuldiger worden omgaan met energiebronnen en grondstoffen. Ook daaruit vloeien nieuwe opgaven. In aanloop naar de Omgevingswet is er één rijksvisie op de leefomgeving opgesteld: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. De eerste Nationale Omgevingsvisie is in september 2020 vastgesteld. De NOVI vervangt op nationaal niveau de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR) en de strategische ruimtelijke delen van het verkeers- en vervoerplan, het nationale waterplan, de natuurvisie en het milieubeleidsplan. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de NOVI als nationale visie onder de Omgevingswet Voorliggend projectgebied wordt niet specifiek benoemd in de NOVI.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het rijk legt met het besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de nationale ruimtelijke belangen juridisch vast. Enerzijds betreft het de belangen die reeds in de (ontwerp-) AMvB Ruimte uit 2009 waren opgenomen en anderzijds is het Barro aangevuld met onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden. Het SVIR (beleid) is opgegaan de NOVI. De uitwerking ervan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL)11. Het BKL wordt van kracht zodra de Omgevingswet in werking treedt. Het BKL wordt dus uitwerking in regelgeving van het beleid dat in de NOVI staat. Nieuwe Ladder voor Duurzame Verstedelijking Op 1 juli 2017 is de Nieuwe Ladder voor Duurzame Verstedelijking in werking getreden (artikel 3.1.6 lid twee en drie Bro). De nieuwe Ladder is ten opzichte van de voorgaande Ladder vereenvoudigd. De drie treden zijn komen te vervallen en er is een nieuwe bepaling toegevoegd. De Laddertoets geldt alleen voor plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken.

Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Toetsing aan de nieuwe Ladder houdt in dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vaststelling

8

Voorliggend bestemmingsplan maakt de legalisatie van vier bestaande, drooggevallen woonarken mogelijk. Daarnaast worden er twee extra percelen toegekend waarop in de toekomst woningen mogen worden gebouwd. Er worden dus maximaal twee extra woningen mogelijk gemaakt ten opzichte van de huidige situatie. De ontwikkeling is daarom niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling, waardoor een ladderonderbouwing niet benodigd is. Daarnaast bevindt het plangebied zich binnen bestaand stedelijk gebied. 3.2

Provinciaal beleid Omgevingsbeleid Zuid-Holland Op 1 april 2019 is de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland in werking getreden. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en –plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Uit de provinciale opgaven worden samenhangende beleidskeuzes gemaakt, die doorwerken naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid-Holland Door het samenvoegen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving sorteert de provincie voor op de Omgevingswet.

De Omgevingswet verplicht het Rijk, de provincies en gemeenten een omgevingsvisie te maken. De provinciale Omgevingsvisie bestaat uit de volgende onderdelen:  Een beschrijving en kaartbeelden van de ruimtelijke hoofdstructuur;  De ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid: ambities en sturing  Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;  De samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving.

Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vaststelling

9

Ad. 1 Ruimtelijke hoofdstructuur

Ad. 2 Omgevingsbeleid: ambities en sturing De ambitie van de provincie is een slim, schoon en sterk Zuid-Holland. De provincie gaat uit van zes richtinggevende ambities, waarbinnen een aantal opgaven zijn geformuleerd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendige meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving

Ad. 3 Omgevingskwaliteit Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Ofwel een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). De omgevingskwaliteit bestaat uit de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland, het toepassen van de leefomgevingstoets (beleidscyclus en monitoring) en een nadere uitwerking van het provinciale beleid. Dit laatste gebeurt door middel van een ‘kwaliteitskaart’ en bijbehorende ‘richtpunten ruimtelijke kwaliteit’. Kwaliteitskaart, richtpunten en gebiedsprofielen De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en omgevingskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit.

Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vaststelling

10

Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten (de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving), samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. Ontwikkelingen moeten rekening houden met deze richtpunten. De kwaliteiten zijn uitgewerkt in de gebiedsprofielen. Het plangebied is opgenomen in vier kwaliteitskaarten. In de laag van de ondergrond is het plangebied aangeduid als ‘Rivierdeltacomplex – rivierklei/veen. Richtpunt is dat ontwikkelingen in het rivierengebied het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar wordt gehouden. Voorgenomen ontwikkeling heeft hier geen invloed op. In de laag van de cultuur- en natuurlandschappen is het plangebied aangeduid als ‘Veen(weide)landschap’. Richtpunten in veenlandschappen zijn:  Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden.  Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen.  Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden.  Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders.

 Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar. Daarnaast ligt er naast het plangebied een dijklint en een rivierdijk. Voor dijklinten gelden de volgende richtpunten:  Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied.  Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst.  Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend.  Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht. En voor rivierdijken geldt:  Behoud van maat en weidsheid van de poldereenheden. Eventuele nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen het bestaande dijklint en niet in de veenweidepolders.  Behouden van de doorzichten vanaf de dijk op het achterliggende landschap.

 Ontwikkelingen dragen bij aan behoud of herstel van de openbaarheid van oevers. Voorliggend bestemmingsplan gaat uit van legalisatie van reeds aanwezige woonarken en het toestaan van beperkte bouwmogelijkheden in de toekomst. De toekomstige bouwmogelijkheden sluiten voor zover mogelijk aan bij de kenmerkende landschapselementen uit het veenlandschap. Er wordt geen nieuwe bebouwing of bouwwerken in een veenweidepolder gebouwd. Daarnaast blijft het naastgelegen lint in takt. In de laag van de stedelijk occupatie is het plangebied aangeduid als ‘Steden en dorpen’ en als ‘Stads- en dorpsrand). Relevante richtpunten voor voorgenomen ontwikkeling zijn:

Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vaststelling

11

  

   

Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand. De hoogte van de bebouwing is gezien de ligging van de locatie en bestaande hoogte in de omgeving legitiem. Het pand wordt ingepast in de bestaande stedenbouwkundige structuur. Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap).

Voorliggend bestemmingsplan gaat uit van legalisatie van reeds aanwezige woonarken en het toestaan van beperkte bouwmogelijkheden in de toekomst. De ontwikkeling heeft geen (negatieve) invloed op voorgaande richtpunten. In het plan worden ruime waterbergingsmogelijkheden opgenomen, waardoor de ontwikkeling bijdraagt aan de waterstructuur. De hoogtes zijn afgestemd op de bestaande hoogte en inhoudsmaat van de woonarken. In de laag van de beleving is de groenstrook op de dijk opgenomen als ‘Natuurgebied’. De provincie richt zich hier op het behouden of herstellen van de wezenlijke natuurkenmerken en waarden van een gebied. Toegankelijkheid en gebruik moeten in evenwicht zijn met de ecologische draagkracht ter plaatse. Tevens is de Rivierdijk ten noorden van het plangebied aangeduid als ‘Fiets- en wandelroute’. Hier wordt toegezien op het voorkomen van (nieuwe) obstakels en omwegen in het recreatief netwerk. Recreatieve voorzieningen worden zoveel mogelijk gekoppeld aan recreatieknooppunten in het recreatieve netwerk. Waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van het cultuurhistorisch erfgoed of andere recreatief interessante locaties. Ad. 4 Beleidskeuzes De provincie heeft 12 provinciale opgaven gedefinieerd, die elk bestaan uit samenhangende beleidskeuzes. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma’s en regels in de verordening.

Hieronder zijn de voor het plangebied relevante opgaven uiteengezet. Gezondheid en veiligheid Zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving en het beperken van hinder. Ruimte en verstedelijking Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. Bodem en ondergrond Zorgen voor een duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond. Energievoorziening Bevorderen van een betrouwbare, duurzame en efficiënte energievoorziening met een minimale uitstoot van broeikasgassen.

Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vaststelling

12

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van een gezonde en veilige leefomgeving en zorgvuldig ruimtegebruik. De diverse relevante milieuaspecten worden in hoofdstuk 7 verder uiteengezet en afgewogen. Programma Ruimte Het Programma ruimte is parallel aan de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening opgesteld. Het Programma ruimte bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Het is enerzijds een beleidsdocument, namelijk uitwerking van de beleidsbeslissingen, en anderzijds gericht op uitvoering. Het document is toegespitst op de thema’s Bebouwde ruimte en mobiliteit, Landschap, groen en erfgoed en Water, bodem en energie. Ten aanzien van het voorliggende plangebied worden geen specifieke uitspraken gedaan in het Programma Ruimte. 3.3

Regionaal beleid Visie 2030 Alblasserwaard Vijfheerenlanden De Visie 2030 is in 2011 uitgewerkt tussen de gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden. In 2012 hebben de acht betrokken gemeenteraden de hoofdlijnen van de Visie 2030 vastgesteld. Deze is verdeeld in een manifest en een regioscenario. In het manifest worden de hoofdlijnen van de visie beschreven. Het regioscenario is hiervan een nadere uitwerking. Verschillende beleidsthema’s worden behandeld, waaronder de economische ontwikkeling van de regio. Groeiagenda Drechtsteden Voor krachtige, economische groei in de Drechtsteden blijft de regio stevig inzetten op een goede bereikbaarheid, goed wonen en werken. Daarom is door de colleges en het Drechtstedenbestuur de ‘Groeiagenda 2030’: Goed leven in de Drechtsteden opgesteld. In totaal willen de Drechtsteden doorgroeien naar een gebied van meer dan 300.000 inwoners, met 30.000 nieuwe banen en 25.000 nieuwe woningen. Hiermee wil de regio zorgen voor een goed leven in de Drechtsteden en een bijdrage leveren aan een sterker Nederland. In de groeiagenda zijn een aantal concrete thema’s benoemd waar de komende jaren kansen en mogelijkheden voor economische groei. Een daarvan is het creëren van nieuwe banen, deze groei zal vooral plaatsvinden in de groothandel/logistiek, ICT, financiële en zakelijke dienstverlening, zorg en welzijn en in de maritieme sector.

Het plan voldoet aan de ambities van de Drechtsteden en aan de behoefte naar woningen (rustig groen). Regionale woonvisie Met de Drechtstedelijke Groeiagenda 2030 wil de regio toewerken naar een integrale aanpak van wonen, werken, recreëren, onderwijs en bereikbaarheid. De ‘Woonvisie 2017 – 2031’ beoogt hieraan een inspirerende en uitnodigende bijdrage te leveren. De woonvisie beschrijft dat de gunstige ligging, goede bereikbaarheid, de hoge concentratie MKB en de aanwezigheid van een aantal internationale spelers in de maritieme sector, de Drechtsteden tot een interessant werkgebied maken met een goede uitgangspositie voor toekomstige economische ontwikkeling. Ondanks deze hoge potentie worden deze kwaliteiten nog niet altijd voldoende benut. De WOZ-waarde van bestaande woningen is laag. Kwalitatief hoogwaardige woningbouwlocaties langs het water of nabij stedelijke voorzieningen komen nog onvoldoende tot ontwikkeling. Huishoudens met een hoger inkomen, die wel in de Drechtsteden zouden willen wonen, kiezen hierdoor eerder voor andere regio’s. Sociaaleconomisch blijven de Drechtsteden

Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vaststelling

13

achter. De agglomeratiekracht wordt onvoldoende benut. De eerder genoemde goede bereikbaarheid staat onder druk als gevolg van de toename van het verkeer met name op de A15, de A16 en de N3. In de woonvisie zijn 20 kernpunten opgenomen. Hiermee willen de Drechtsteden zich positioneren als 'de Drechtsteden voor Rotterdam', en een kwalitatief hoog woningaanbod realiseren voor een doelgroep die in een duurder segment, goed bereikbaar, met meer ruimte en met moderne stedelijke voorzieningen in of direct bij Dordrecht, een traditioneel Hollandse stad, wil wonen. De kernpunten richten zich onder andere op een groei van het aantal huishoudens en woningen en het zoeken naar locaties/mogelijkheden om de plancapaciteit te verhogen. Uit de woningbehoeftetabel blijkt dat er met name behoefte is aan koopwoningen in het duurdere segment, om zo een meer evenwichtig samengestelde bevolking te realiseren. Daarnaast is er behoefte aan meer groen- en blauw- stedelijk, dorps en landelijk wonen. Met de ontwikkeling wordt ingespeeld op de regionale groeiopgave. Er worden woningen gerealiseerd/gelegaliseerd in een groen stedelijk woonklimaat. 3.4

Gemeentelijk beleid Structuurvisie Hardinxveld-Giessendam 2030 De gemeentelijke structuurvisie, die op 19 februari 2015 is vastgesteld, is een ruimtelijke ontwikkelingsvisie met een richtinggevend en programmatisch karakter die integrale keuzes bevat voor de hoofdlijnen van beleid voor de komende periode. De structuurvisie bouwt voort op de Visie Hardinxveld-Giessendam, die op 22 maart 2012 na een zeer interactief traject met de bevolking is vastgesteld en de Nota Wonen. De structuurvisie vertaalt deze visie naar de ruimtelijke ontwikkeling van Hardinxveld-Giessendam. De structuurvisie, die vooruitkijkt tot 2030, is eveneens een integraal document en heeft als doel om de verschillende belangen, bijvoorbeeld tussen landschap, woningbouw, maatschappelijke voorzieningen en werkgelegenheid zorgvuldig af te wegen. De structuurvisie biedt een kader waarin aanspraken op de ruimte kunnen worden afgestemd en gecombineerd. Deze structuurvisie is vooral gericht op behoud en verbetering van de bestaande ruimtelijke en sociale kwaliteiten. Daarnaast is de structuurvisie gericht op het versterken en behouden van de leefbaarheid.

In de structuurvisie wordt gestuurd op ruimtelijke structuren: waar gebeurt wat, op welke manier, op welk moment en waarom? De structuurvisie is bedoeld om voor de langere termijn ruimtelijke samenhang tot stand te brengen en bezit daarom een zekere mate van globaliteit en abstractie. Het vormt de basis voor het toekomstig beleid; ter uitwerking van de structuurvisie kunnen gebiedsvisies, masterplannen en bestemmingsplannen worden opgesteld en concrete (plan)ontwikkelingen in gang worden gezet. Op de woningmarkt van Hardinxveld-Giessendam is sprake van een beperkte doorstroming. Op 27 juni 2019 heeft de raad de Lokale paragraaf Wonen vastgesteld. Een van de belangrijkste speerpunten hierbij is het behouden van jongeren binnen de gemeente. Om de doorstroming op de woningmarkt te bevorderen wordt ingezet op de herstructurering van bestaande wijken. Daarnaast zijn er met De Blauwe Zoom, Morgenslag en ’t Oog drie grote uitbreidingslocaties voor onder andere woningbouw binnen de gemeente. Met enige regelmaat komen er locaties die voor inbreiding geschikt zijn vrij. Onder andere door het uitplaatsen van bedrijvigheid. Waar mogelijk wordt op deze plaatsen meegewerkt aan de ontwikkeling van woningbouw.

Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vaststelling

14

Afbeelding 3.2: uitsnede deelkaart ‘Werken’ uit de Structuurvisie Hardinxveld-Giessendam 2030 (het globale plangebied is rood omcirkeld).

In de structuurvisie wordt het plangebied, maar met name de naastgelegen IJzergieterij, aangewezen als herstructureringsgebied. In de visie wordt geconstateerd dat er opvallend weinig woonbebouwing in Hardinxveld-Giessendam een relatie heeft met de rivier. In bovenstaande afbeelding is de ontwikkellocatie aangeduid. Volgens de Visie 2030 is het gebied aangewezen als zoekgebied voor een woon-werklandschap. Hiermee sorteert de gemeente voor op de ontwikkeling en legalisatie van zowel het woonarkengebied als de IJzergieterij. Verkeersbeleid In 2012 is het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoerplan (GVVP) vastgesteld. Het doel van dit plan is het vastleggen van het beleid op het gebied van verkeer en vervoer in de gemeente Hardinxveld-Giessendam voor de periode 2012 tot 2022, dat aansluit bij de ambities en speerpunten die de gemeente heeft, maar tevens past binnen de kaders die hogere overheden in hun beleid stellen. Deelaspecten van het beleidsterrein verkeer en vervoer en raakvlakken met andere beleidsterreinen worden in dit plan bij elkaar gebracht, wat resulteert in een integrale visie op verkeeren vervoerbeleid in de gemeente Hardinxveld-Giessendam. Om uitvoering te geven aan het opgestelde gemeentelijke beleid wordt het plan vergezeld van een uitvoeringsprogramma met daarin maatregelen en projecten.

Voor een veilige en herkenbare weginrichting is het belangrijk dat alle wegen zoveel mogelijk worden ingericht conform de Essentiële HerkenbaarheidsKenmerken (EHK). Volgens de principes van Duurzaam Veilig moet een weggebruiker bijna als vanzelf het gewenste gedrag op een bepaald type weg vertonen. De EHK maken de wegcategorieën voor de weggebruiker beter herkenbaar. De verkaveling sluit zoveel mogelijk aan op de huidige situatie. De eventueel toekomstige nieuwe woningen zullen een aansluiting krijgen op een erftoegangsweg die naar de Rivierdijk leidt.

Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vaststelling

15

Daarbij worden de wegen ingericht conform de Essentiële HerkenbaarheidsKenmerken. Hiermee wordt voldaan aan de uitgangspunten zoals vastgelegd in het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoerplan (GVVP). Groenbeleidsplan Het groenbeleidsplan vormt de basis voor het gemeentelijk groenbeleid op de langere termijn. In het plan zijn randvoorwaarden en uitgangspunten geformuleerd die dienst kunnen doen als toetsingskader waar het gaat om belangenafwegingen tussen het groen enerzijds en andere aspecten anderzijds. Het plan is richtinggevend en heeft een vergelijkbare status als andere gemeentelijke beleidsplannen. Ten aanzien van het voorliggende plangebied worden geen specifieke uitspraken gedaan. Voor het plangebied zijn in het Groenbeleidsplan geen concrete uitgangspunten opgenomen. Bomenbeleidsplan en Groene Kaart Het bomenbeleidsplan (en de daarbij behorende Groene Kaart) vormt een uitwerking van het Groenbeleidsplan en geeft invulling aan de wens om de bomenverordening te vereenvoudigen. Op de Groene Kaart zijn de bomen die zich binnen de belangrijkste boomstructuren van de gemeente bevinden en bomen met een bijzondere status opgenomen. De laatste genoemde bomen staan op de lijst waardevolle bomen. Voor het plangebied zijn in het Bomenbeleidsplan en op de Groene Kaart geen concrete uitgangspunten opgenomen. De noordrand van het gebied is als beschermd aangewezen op de Groene Kaart.

Hier vinden geen ontwikkelingen plaats. In het plangebied zijn verder geen waardevolle bomen of houtopstanden aanwezig. Het bomenbeleidsplan vormt geen belemmering voor het voorliggende plan. Stedelijk Waterplan In 2003 hebben gemeente en waterschap een stedelijk waterplan voor Hardinxveld-Giessendam opgesteld. Na vaststelling van het waterplan in 2003 zijn diverse projecten gestart. Deze projecten zijn inmiddels allemaal afgerond. In 2010 en 2011 hebben de gemeente en het waterschap het waterplan geëvalueerd, en zijn tot de conclusie gekomen dat de doelen uit het plan zijn behaald. Het voorliggende bestemmingsplan biedt voldoende ruimte om beherende maatregelen uit te voeren. Bovendien wordt voorzien in voldoende mogelijkheden voor waterberging (zie waterparagraaf). 3.5

Conclusie Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de legalisatie van de bestaande woonarken en het splitsen van het plangebied in een zestal percelen. De ontwikkeling past binnen de zowel de rijks, provinciale als gemeentelijke beleidskaders.

Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vaststelling

16

4

Natuur en landschap

4.1

Kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden, met wetgeving ten aanzien van soorten en Natura 2000-gebieden. Daarnaast hebben provincies eigen beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; de voormalige Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en overige natuurwaarden buiten het NNN. Wnb: soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. Wnb: Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag.

4.2

Onderzoek Soortenbescherming Ten behoeve van de planvorming dient inzichtelijk te worden gemaakt of door de werkzaamheden een negatief effect kan ontstaan op beschermde flora en fauna. Hiervoor is door onderzoeksbureau Ecoresult een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De gehele rapportage is opgenomen als bijlage 1. De belangrijkste resultaten zijn in deze paragraaf beknopt weergegeven. Vogels met jaarrond beschermde nesten Het onderzoeksgebied is ongeschikt voor jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van gebouw- en boombewonende vogels. Geschikte bebouwing en bomen ontbreken. Daarnaast gaat met de ontwikkelingen geen essentieel functioneel leefgebied Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vaststelling

17

van vogels met jaarrond beschermde nesten verloren. Aanvullend (veld)onderzoek is niet nodig. De activiteiten kunnen worden uitgevoerd. Het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming is niet nodig. Vogels met niet-jaarrond beschermde nesten en algemene vogels Het onderzoeksgebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met niet-jaarrond beschermde nesten (pimpelmees, ekster, grote bonte specht) en algemene vogels (roodborst, winterkoning en merel). Ontwikkelingen als gevolg van de bestemmingsplanwijziging worden echter niet voorzien. Negatieve effecten op de vogels met niet-jaarrond beschermde nesten en algemene vogels kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Vleermuizen Het onderzoeksgebied is in potentie enkel geschikt voor boombewonende vleermuizen. In het kader van de bestemmingsplanwijziging gaan er echter geen verblijfplaatsen van deze vleermuizen verloren. Wanneer dit onverhoopt veranderd dient een herbeoordeling plaats te vinden en eventueel een aanvullend veldbezoek om de te kappen bomen op eventuele geschikte holten en scheuren te controleren. Verder is er voor vleermuizen sprake van niet essentieel leefgebied (foerageergebied). In de nabije omgeving zijn voldoende alternatieven aanwezig.

Overige Habitatrichtlijnsoorten Voor overige Habitatrichtlijnsoorten is het onderzoeksgebied (redelijkerwijs) ongeschikt door het ontbreken van geschikte habitats. Aanvullende onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk, mits de oever van de Beneden Merwede in huidige staat behouden blijft. Gebiedsbescherming Het Natura 2000-gebied De Biesbosch is op korte afstand van de locatie gelegen. Andere (stikstofgevoelige) Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand. Door KuiperCompagnons is een stikstofdepositie-berekening uitgevoerd. Deze berekening is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting. Beoordeeld is of sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats gelegen binnen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plan. Wet stikstofreductie en natuurverbetering Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering ingegaan. Het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering waarin de stikstofwet verder is uitgewerkt kent een vrijstelling voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten waarvan de emissies tijdelijk en beperkt zijn. Een stikstofberekening of vergunning voor de bouwactiviteiten in de aanlegfase is dus niet meer nodig Gebruiksfase In de gebruiksfase is sprake van een toename van het aantal wooneenheden en daarmee van een toename van verkeersbewegingen. Het betreft echter een toename van slechts 2 extra woningen.

Uitgaande van een verkeersgeneratie van maximaal 8 autobewegingen per etmaal is het aantal verkeerbewegingen maximaal 16 per dag. Uit de berekening blijkt dat deze toename niet leidt tot een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/j. Tevens zullen eventuele nieuwe woningen gasloos worden uitgevoerd en energiezuinig worden gebouwd, waarmee mogelijk sprake zal zijn van een lagere emissie dan in de huidige situatie.

Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vaststelling

18

4.3

Conclusie Voorliggend plan heeft geen nadelige effecten voor beschermde soorten. Tevens blijkt uit de uitgevoerde berekening dat het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De Wet natuurbescherming leidt dan ook niet tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan.

Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vaststelling

19

5

Water

5.1

Inleiding Op grond van de “Handreiking Watertoets 2; samenwerken aan water in ruimtelijke plannen” alsmede artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van bestemmingsplannen in een vroegtijdig stadium overleg plaats te vinden met de betrokken waterbeheerder. Daarnaast worden initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen verplicht “een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding” (3.1.6. eerste lid, sub b Besluit ruimtelijke ordening) op te nemen in de toelichting van bestemmingsplannen. Dat betekent dat elk plan moet worden voorzien van een zogenoemde “waterparagraaf”, die tenminste de volgende elementen bevat:  een omschrijving van de te verwachten effecten van de ruimtelijke ingreep op de waterkeringszorg en de waterhuishouding. Het inundatierisico en de consequenties voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de riolering worden behandeld; een beschrijving van de wijze waarop de initiatiefnemer het wateradvies van de waterbeheerder(s) heeft verwerkt. Indien wordt afgeweken van het wateradvies dient daarvoor een motivering te worden opgenomen;  een beschrijving van de wijze waarop het wateradvies vertaald wordt naar de regels en de verbeelding geometrische plaatsbepaling.

5.2

Kader Europees en rijksbeleid Nationaal Waterplan De waterplannen geven het landelijke, respectievelijk regionale (strategische) waterbeleid weer. Voor het rijk is dit vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP). Het NWP geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofd- watersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met deze handelwijze is Nederland koploper en toonaangevend voorbeeld in de wereld.

Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM).

Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vaststelling

20

Vanuit de verantwoordelijkheid voor het watersysteem verankert het Rijk de volgende principes: 1. integraal waterbeheer: het kabinet houdt vast aan een integrale aanpak van de wateropgaven, door opgaven op het gebied van waterkwantiteit (waterveiligheid en wateroverlast), waterkwaliteit en gebruik van (zoet)water in natte en droge situaties in samenhang te beschouwen; 2. afwenteling voorkomen: het kabinet wil voorkomen dat waterkwantiteits- en waterkwaliteitsproblemen worden afgewenteld in de ruimte en de tijd, zoals het afwentelen van bovenstrooms veroorzaakte waterkwaliteitsproblemen op benedenstrooms gelegen wateren. Om afwenteling te voorkomen, maken beheerders onderling afspraken over acceptabele hoeveelheden en de kwaliteit van het te ontvangen water. Om afwenteling te voorkomen gelden ook de tritsen vasthouden-bergen-afvoeren en schoonhouden-scheiden-schoonmaken, deze verantwoordelijkheid geldt tevens voor de toekomstige perceeleigenaren; 3. ruimte en water verbinden: bij de aanpak van wateropgaven en de uitvoering van maatregelen vindt vooraf afstemming plaats met de andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied. Het doel is dat de scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of elkaar versterken.

Met deze aanpak is het vaak mogelijk het waterbeheer te verbeteren en tegelijk de economie en de leefomgeving te versterken tegen lagere kosten. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden.

Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Provinciaal beleid Op 29 juni 2016 is het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021 in werking getreden. Het plan is een herziening van het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015. Op grond van artikel 4.8 Waterwet dient het waterplan eens in de zes jaar door Provinciale Staten te worden herzien. Het Hoofdlijnenakkoord 2015 – 2019 van het college van Gedeputeerde Staten schetst de ambitie om beleid zo veel mogelijk integraal vorm te geven en te anticiperen op de visie die ten grondslag ligt aan de Omgevingswet. Specifiek voor het regionale waterbeleid is hieraan voldaan met de

Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vaststelling

21

Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) en de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water. Dit maakt een volledig nieuw regionaal waterplan overbodig. Het planherzieningsbesluit bevat geen nieuw beleid. Het verwijst naar de diverse vastgestelde beleidsdocumenten waarin het waterbeleid inmiddels geactualiseerd is opgenomen. Verder benoemt het besluit op welke onderdelen het beleid van het Provinciaal waterplan Zuid-Holland 2010 - 2015 van kracht blijft. Het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021 bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2015 en het provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015. Beleid waterbeheerder De waterbeheerder ter plaatse van het plangebied is het Waterschap Rivierenland. Daarnaast is de Beneden Merwede inclusief de buitendijks gelegen gronden in beheer bij Rijkswaterstaat. Het Algemeen Bestuur van het Waterschap Rivierenland heeft in november 2015 het Waterbeheerplan 2016-2021 vastgesteld. De doelen in de planperiode zijn onderverdeeld in drie thema’s: waterveiligheid, watersysteem en waterketen. Waterveiligheid gaat over maatregelen aan dijken en het beheer hiervan. Tevens is het waterschap verantwoordelijk voor voldoende en schoon water in het gehele watersysteem. Er wordt gezorgd voor de aan- en afvoer van water, een goed waterpeil en goede grondwatercondities.

Het derde thema hangt hier nauw mee samen, het zuiveren van het water in de waterketen. Daarnaast is het doel dat in 2027 de KRW-doelstellingen voor de waterkwaliteit worden gehaald. Hiervoor is het nodig in de periode 2016 tot en met 2021 een groot aantal maatregelen te treffen om vooral de ecologische waterkwaliteit te verbeteren. Ook het stedelijk gebied zal klimaatbestendig moeten worden gemaakt. Samen met de gemeenten wordt in de planperiode verder ingegaan op de ingeslagen weg om het waterbergend vermogen van stedelijk water te vergroten en de waterkwaliteit te verbeteren. Daarnaast geeft het Waterschap met de gemeenten verder vorm aan de samenwerking in de afvalwaterketen. Gemeentelijk beleid In 2003 hebben gemeente en Waterschap een stedelijk waterplan voor Hardinxveld-Giessendam opgesteld. In het waterplan staan maatregelen beschreven om het oppervlaktewater te verbeteren. Na vaststelling van het waterplan in 2003 zijn diverse projecten gestart. Deze projecten zijn inmiddels allemaal afgerond. In 2010 en 2011 hebben gemeente en waterschap het waterplan geëvalueerd. De doelen uit het plan uit 2003 zijn behaald. Met het afronden van het waterplan is het niet zo dat hiermee de taken van gemeente en waterschap zijn afgerond. Er is gewerkt aan een verdere verbetering van de waterhuishouding op straat- en wijkniveau.

Waterschap en gemeente hebben begin 2016 beiden extra geld beschikbaar gesteld om aanvullende maatregelen om wateroverlast te beperken en om de (water)systemen robuuster te maken en beter te laten functioneren. Deze maatregelen zijn inmiddels afgerond.

Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vaststelling

22

5.3

Onderzoek Voor het project is een waterhuishoudkundig plan opgesteld door KPM Civiel. Dit plan is opgenomen als bijlage 6 bij deze toelichting. De wens van de bewoners is om het bestaand maaiveld zoveel als mogelijk in takt te laten. Dit is dan ook het uitgangspunt voor het waterhuiskundig plan. Hieronder volgt de inhoudelijke toetsing van het plan aan de verschillende ‘waterthema’s’. Ligging plangebied De herontwikkelingslocatie is gelegen aan de zuidoostelijke zijde van Hardinxveld-Giessendam, aan de Merwede en was in het verleden een buitendijks gebied. Tegenwoordig is er een nieuwe dijk aangelegd tussen het plangebied en Merwede waardoor het terrein binnendijks is komen te liggen en rondom is omsloten door dijklichamen. Het maaiveld in het plangebied varieert tussen de 2.00 en 5.50m NAP (dijk). De gemiddelde hoogte bedraagt ca. 2.80m NAP waarbij de dijken hoger gelegen zijn. De laagstgelegen percelen rondom het plangebied liggen op ca. 2.45m NAP. Het gehele gebied gelegen tussen de Rivierdijk en de nieuwe dijk van de Merwede wordt beschouwd als één hydrologisch geheel. Dit betekent dat niet alleen de bouwkavels maar ook de omliggende gronden binnen het plangebied meegenomen moeten worden bij het berekenen van de wateropgave. Al het regenwater dat er van deze gronden afstroomt moet binnen het plangebied geborgen worden.

Afbeelding 5.1: detailuitsnede Legger Waterschap Rivierenland

Veiligheid Het plan ligt grotendeels in de beschermingszone en de buitenbeschermingszone van de primaire waterkering. Tevens ligt een gedeelte van het plangebied ook in de kernzone van de waterkering. Deze zones worden gerespecteerd in het toekomstige plan en de regels die hierbij gelden worden overgenomen in dit bestemmingsplan.

Bestemmingsplan ‘Woonarken’ Toelichting Vaststelling

23

Waterkwantiteit Het verkavelingsplan kent een toename van de verharding met 4450 m² (specificatie zie: bijlage 7). In de berekening worden de m² van de bouwvlakken als ‘100% verhard’ gerekend. De overige m² van de kavels, aangeduid als tuin, worden als ‘40% verhard’ gerekend. De ontsluitingsweg wordt als ‘100% verhard’ gerekend. Om tot de benodigde m3 berging te komen is de ontwerpbui van T=100+10% de norm. De vuistregel hierbij is 664m3 berging per ha verhard oppervlak. Berekening: toename verharding / 10.000 x stelregel = benodigde bergingsruimte (4450 / 10.000 x 664 = 295). Dit betekent dat binnen het plangebied minimaal 295m3 bergingsruimte dient te zijn. Om het landschap zoveel als mogelijk te respecteren komt er ter hoogte van het laagste gelegen punt een bergingsvijver om de benodigde bergingsruimte te realiseren. De bodem van de bergingsvijver bevindt zit op 1.10 +N.A.P. (ca. hoogte huidig mv) en zal met een talud van 1:5 zijn weg vinden naar de aangrenzende ontsluitingsweg en kavels. Om te voorkomen dat de het aangrenzende kavel tijdens hevige regenval hinder ondervinden van het water in de bergingsvijver is het uitgangspunt dat het maximale waterpeil van de bergingsvijver komt op 1.80 +N.A.P. Dit betekent dat er effectief 0.70m hemelwater geborgen kan worden in de bergingsvijver. Berekening: m² bodem x m² boven opp.

op 1.80 +N.A.P/ 2 x 0.7 = de te realiseren bergingscapaciteit ((307+595) / 2 x 0.7 = 309). Dit betekent dat de bergingsvijver een bergingscapaciteit heeft van 309. Riolering Het is niet bekend of de huidige woningen binnen het plangebied aangesloten zijn op het bestaande HWA-riool. Volgens één van de bewoners is dit niet het geval. Voor het naast gelegen project de IJzergieterij wordt er een video-inspectie uitgevoegd. Tijdens deze inspectie wordt ook gekeken of de bestaande woningen binnen het projectgebied van de Woonarken zijn aangesloten op het bestaande HWA-riool. Indien aanwezig zullen de huisaansluitingen dicht worden gezet. Onder de bergingsvijver wordt een drain met een B.O.B. 0.70 +N.A.P in een grindkoffer aangebracht. Via de drain kan de bergingsvijver leeglopen op het bestaande HWA-riool ø700mm. Dit HWA-stelsel zit aangesloten op de Peulen met een streefpeil van 0.85 +N.A.P. Omdat zowel de bergingsvijver (de Woonarken) als de IJzergieterij lozen op het bestaand HWAriool wordt er in de afvoer van de bergingsvijver op het HWA-riool een terugslagklep op 1.10 +N.A.P. toegevoegd. Dit om te voorkomen dat de bergingsvijver gevuld wordt met hemwelwater dat geloosd wordt vanuit de IJzergieterij. De binnen het plangebied aanwezige een drainpompput komt te vervallen.

Waterkwaliteit Het ontstaan van (nieuwe) vervuilingsbronnen dient zoveel mogelijk te worden voorkomen om vervuiling van grond- en oppervlaktewater te beletten. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen bij de toekomstige ontwikkelingen voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee dienen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink of teerhoudende dakbedekking te worden gebruikt op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/700/documents/22239