CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Toelichting Pieter de Hooghstraat.pdf

Gemeenteraad GHG 20 april 2023, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 12: Vaststellen bestemmingsplan Pieter de Hooghstraat - Raadsvoorstel18.235 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Bestemmingsplan “Pieter de Hooghstraat” Toelichting Vaststelling

30

Onderzoeksresultaten Op basis van de landschappelijke ligging is de archeologische verwachting binnen het plangebied laag voor de perioden Paleolithicum – Nieuwe tijd. Het pleistocene zand is gelegen op een diepte van ca. 8.00-9.00 m onder maaiveld. Hierop is een waarschijnlijk Basisveen aanwezig. Deze veenlaag wordt afgedekt door rivier(kom)afzettingen, waarbinnen geen stroomruggen worden verwacht binnen het plangebied. Hierboven heeft zich het Hollandveen ontwikkeld, dat binnen het plangebied op ca. 2.70 m onder maaiveld wordt verwacht. In de omgeving van het plangebied zijn meerdere crevasses en overstromingen waargenomen bij archeologisch booronderzoek. Het is daarmee waarschijnlijk dat de top van het veen bij deze overstromingen al is aangetast en dat eventueel aanwezige archeologische resten reeds verstoord zullen zijn. De historische kaarten hebben aangetoond dat het plangebied zeker vanaf de 19e eeuw in gebruik geweest is als weiland. Er wordt geen gebouwd erfgoed verwacht binnen het plangebied. Sporen uit de Nieuwste tijd kunnen mogelijk wel aanwezig zijn. In de omgeving van het plangebied zijn meerdere meldingen van mogelijke structuren behorend bij de Tweede Wereldoorlog. Deze zullen naar verwachting al verstoord zijn geraakt bij de bouw van de woonwijk en in gebruik name van de sportvelden vanaf 1970.

Advies Binnen het plangebied geldt een lage archeologische verwachting voor het voorkomen van resten daterend vanaf het Paleolithicum tot de Nieuwste tijd. Vanuit de lage ligging van het plangebied, waardoor het terrein vermoedelijk te nat is geweest voor bewoning en meermaals is overstroomd, wordt beredeneerd dat er geen bewoning heeft plaatsgevonden binnen het plangebied. Op basis van de landschappelijke situatie worden geen stroomruggen verwacht binnen het plangebied en is vermoedelijk de top van Hollandveen reeds aangetast en niet meer intact. Daarnaast zullen de bouw van de woonwijk en de sportvelden in de jaren 70 van de 20e eeuw de mogelijk aanwezige resten uit de Tweede Wereldoorlog verstoord hebben. Als het gaat om de mogelijke risico’s ten aanzien van de verstoring van archeologisch relevante lagen in ondergrond, is het van belang te letten op de diepte tot waar verschillende soorten bodemingrepen reiken. De aanleg van een nieuwe watergang is aan de noord- en oostzijde van het plangebied gepland. Hierdoor zal het bodemarchief tot ca. 2.00 m worden verstoord. De verwachtte diepte van het Hollandveenpakket is binnen het plangebied 2.70 m, waardoor dit door de geplande werkzaamheden niet geraakt zal worden. Daarbij is de top van het Hollandveenpakket vermoedelijk niet meer intact.

Het niveau waarop resten uit de Tweede Wereldoorlog kunnen voorkomen, namelijk direct onder het maaiveld, is vermoedelijk al verstoord door de aanleg van de woonwijk en sportvelden vanaf 1970. Verstoring van de ondergrond zal verder plaatsvinden bij het aanleggen van de funderingen tot ca. 80 cm -mv, en het slaan van de funderingspalen. Momenteel is nog geen palenplan bekend. Funderingspalen leveren meestal een zeer beperkte schade aan het bodemarchief, waarbij binnen het plangebied ook nog sprake is van een lage archeologische verwachting. In Nederland wordt een verstoringsgraad van minder dan 2% als acceptabel gezien vanuit het perspectief van de archeologische monumentenzorg. Hoewel de exacte plannen nog Bestemmingsplan “Pieter de Hooghstraat” Toelichting Vaststelling

31

niet bekend zijn, en enkele van de bovengenoemde genoemde maten indicatief zijn, is het zeker dat deze grens niet zal worden overschreden. Op basis van bovenstaande worden voor de geplande werkzaamheden geen vervolgstappen noodzakelijk geacht in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het is aan het bevoegd gezag, de gemeente Hardinxveld-Giessendam, om een besluit te nemen ten aanzien van het beëindigen van het onderzoeksproces. Ook wanneer het bevoegd gezag besluit dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is en het plangebied wordt vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische ‘toevalsvondst’ wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Hardinxveld-Giessendam, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). 6.1.3 Conclusie Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden gesteld dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor voorliggend plan. 6.2

Cultuurhistorie

6.2.1 Kader Visie erfgoed en ruimte ‘Kiezen voor karakter’ In de Visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2016. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In 2017 heeft de Visie erfgoed en ruimte ‘Kiezen voor karakter’ een doorstart gekregen. In de Visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het Rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1. werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; Bestemmingsplan “Pieter de Hooghstraat” Toelichting Vaststelling

32

2. 3. 4. 5.

eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; en wederopbouw: het tonen van een tijdperk.

In de jaren 2012-2016 heeft de Rijksdienst in deze vijf programmalijnen uitvoering gegeven aan de beleidsnota Visie Erfgoed en Ruimte. Het programma Erfgoed en Ruimte wordt met een paar jaar verlengd, tot aan de invoering van de Omgevingswet. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)”. In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid. 6.2.2 Conclusie Uit de kaart van de CHS Zuid-Holland blijken in het plangebied geen belangrijke cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten aanwezig zijn. Het gebied herbergt geen waardevolle aspecten.

Bestemmingsplan “Pieter de Hooghstraat” Toelichting Vaststelling

33

7.

MILIEUASPECTEN

7.1

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

7.1.1 Kader Het inwerkingtredingsbesluit wijziging Besluit m.e.r. is op 7 juli 2017 in werking getreden. In dit gewijzigde Besluit m.e.r. is de nieuwe procedure omtrent de vormvrije m.e.r.beoordeling opgenomen. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van "aanzienlijke gevolgen voor het milieu". Het besluit is aangepast en de drempelwaarden zijn nu indicatief. Dat betekent dat als een project (ruim) onder de drempelwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen dat er daadwerkelijk geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn. Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van woningbouw kan sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in D 11.2, kolom 1, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat; of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2-'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden.

Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn: in bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan, dat betrekking heeft op activiteiten, die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Er zal een toets moeten worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. 7.1.2 Onderzoek en conclusie De beoogde ontwikkeling kan aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject en komt voor in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het besluit mer (categorie 11.2).

Hoewel de drempelwaarde (kolom 2) (bij lange na) niet wordt overschreden, dient evenwel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld.

Bestemmingsplan “Pieter de Hooghstraat” Toelichting Vaststelling

34

Door de initiatiefnemer moet (vanwege een recente wijziging van het Besluit m.e.r.) een ‘aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling’ worden opgesteld. Dit geldt voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst die onder de drempelwaardes vallen. Aan de hand van de aanmeldnotitie besluit het bevoegd gezag of er wel of geen m.e.r. voor het initiatief wordt opgesteld (m.e.r.-beoordelingsbeslissing). De initiatiefnemer moet het m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de aanvraag om vergunning voegen. In het kader van de voorliggende ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld waarin de verschillende milieuaspecten afgewogen zijn. Deze is opgenomen als bijlage 5. Tevens zijn in dit hoofdstuk diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Per aspect is bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten bedrijven- en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodemgeschiktheid, flora en fauna, water, archeologie, cultuurhistorie, verkeer en parkeren. 7.2

Akoestisch onderzoek

7.2.1 Kader Op grond van artikel 74 Wet geluidhinder (Wgh) bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voordat nieuwe woningen binnen deze zone kunnen worden geprojecteerd dient te worden onderzocht of aan de normen van de Wgh wordt voldaan. 7.2.2 Onderzoek en conclusie Met dit bestemmingsplan worden 14 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Deze nieuwe woningen zijn niet binnen de zone van een weg, spoorlijn of gezoneerd industrieterrein gelegen zoals vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). De bronnen die de grootste geluidsbelasting veroorzaken in de gemeente (de rijksweg A15 en de spoorwegen Betuweroute en Merwede Lingelijn) zijn daarnaast op ruime afstand van het plangebied gelegen. Het gaat hier om respectievelijk circa 750 en 900 meter. De dichtstbijzijnde 50 km/u weg (Rivierdijk) is op circa 360 meter afstand gelegen. De woningen zijn uitsluitend gelegen binnen de invloedssfeer van 30 km-wegen. Dit betreft vooral de ten zuiden gelegen Pieter de Hooghstraat en de ten oosten gelegen Steek. Deze wegen hebben een zodanig lage verkeersintensiteit in relatie tot de afstand van meer dan 30 m tot de nieuwe woningen dat geen noemenswaardige hinder wordt verwacht. Omdat daarnaast ook sprake is van afschermende bebouwing zijn deze 30 km-wegen niet verder onderzocht.

Het aspect geluid veroorzaakt geen belemmering voor de bouw van deze woningen. 7.3

Luchtkwaliteit

7.3.1 Kader De kern van de Wet luchtkwaliteit (titel 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer) is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Bestemmingsplan “Pieter de Hooghstraat” Toelichting Vaststelling

35

Het doel van het NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen, waarvan stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste zijn. Met het van kracht worden van het NSL per 1 augustus 2009 zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 van 40 µg/m3 aangepast. Naast de introductie van het NSL is de invoering van het begrip “niet in betekenende mate bijdragen” (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit als zowel de jaargemiddelde grenswaarde NO2 als PM10 niet meer toeneemt dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde van die stof. Dit betekent, kortweg, dat als de toename van de beide jaargemiddelde concentraties kleiner is of gelijk is aan 1,2 µg/m3 (3% van 40 µg/m3) een ontwikkeling kan worden beschouwd als een project dat NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als: de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; projectsaldering kan worden toegepast.

Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. NIBM-projecten (kleine projecten) In de bijlagen van de “Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” (ook wel: regeling NIBM) zijn functiecategorieën of combinaties van functiecategorieën aangegeven waarbij sprake is van een NIBM-project. In de Regeling NIBM is voor een woningbouwlocatie een cijfermatige kwantificatie opgenomen wanneer een woningbouwproject als NIBM kan worden beschouwd. Momenteel bedraagt de cijfermatige kwalificatie 1.500 nieuwe woningen bij één ontsluitingsweg of 3.000 nieuwe woningen bij twee ontsluitingswegen, waarbij het wegverkeer zich evenredig over de beide ontsluitingswegen verdeeld. 7.3.2 Onderzoek Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van 14 woningen mogelijk. Het plan valt binnen de cijfermatige kwalificatie van 1.500 nieuwe woningen bij één ontsluitingsweg. De ontwikkeling valt binnen de NIBM-regeling van de Wet luchtkwaliteit. Om deze reden is onderzoek naar het effect op de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen niet noodzakelijk.

Goede ruimtelijke ordening Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is beoordeeld of ter plaatse van het plangebied, mogelijke hogere concentraties luchtverontreinigende stoffen aanwezig zijn. Langs wegen zijn met name de stoffen NO2, PM10 en PM2,5 van belang.

Bestemmingsplan “Pieter de Hooghstraat” Toelichting Vaststelling

36

Om de luchtkwaliteit op deze locatie te kunnen beoordelen is gebruik gemaakt van de NSLmonitoringstool. In deze tool zijn de concentraties luchtverontreinigende stoffen opgenomen. Op de volgende afbeelding zijn de jaarconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 weergegeven voor het peiljaar 2020.

Afbeelding 7.1: jaargemiddelde concentratie NO2, PM10 en PM2,5 (peiljaar 2020).

Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5ter plaatse van het plangebied voor de voorgenoemde stoffen niet meer bedragen dan respectievelijk 17,2 μg/m3, 16,6 μg/m3 en 9,2 μg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3 (voor NO2, PM10 ) en 25 μg/m3 (voor en PM2,5) wordt dan ook niet overschreden. De trend is dat de emissies en de achtergrondconcentraties voor de voorgenoemde stoffen in de toekomst zullen afnemen, waardoor in de toekomst dan ook geen overschrijdingssituaties zijn te verwachten. 7.3.4 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. 7.4

Externe veiligheid

7.4.1 Wettelijk kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden.

Bestemmingsplan “Pieter de Hooghstraat” Toelichting Vaststelling

37

Plaatsgebonden risico Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Groepsrisico Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). Verantwoording groepsrisico Binnen het invloedsgebied geldt dat voor ieder ruimtelijk plan groepsrisicoverantwoording verplicht is. Een verantwoording is een kwalitatieve beschrijving over de waarde van het groepsrisico, maatregelen, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Het advies van de veiligheidsregio speelt hierbij een belangrijke rol. Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen over wegen, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) hanteert een vaste afstand van 200 meter, gemeten vanaf de buitenrand van de transportroute, voor het verantwoordingsgebied. Binnen dit gebied dient de hoogte van het GR inzichtelijk te worden gemaakt. Binnen het invloedsgebied dient een motivering te worden opgesteld over de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Ten aanzien van de verantwoordingsplicht groepsrisico wordt, net als in het Bevb, onderscheid gemaakt tussen een volledige verantwoording en een beperkte verantwoording van het groepsrisico. In het Bevt zijn tevens plasbrandaandachtsgebieden (PAG) benoemd voor transportroutes. Voor transportroutes over de weg bedraagt het PAG 30 meter, gemeten vanuit de rand van de transportroute. 7.4.3 Onderzoek Het bestemmingsplan maakt woningen mogelijk. Woningen zijn in het kader van het Besluit externe veiligheid kwetsbare objecten. Om die reden dient beschouwd te worden of in de omgeving risicobronnen aanwezig zijn. In de omgeving van het plangebied zijn geen risicobronnen aanwezig. Ook worden met het plan zelf geen risicobronnen mogelijk gemaakt. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. A15 Het invloedsgebied van de A15 is afhankelijk van de gevaarlijke stoffen die worden vervoerd over deze transportas. Omdat transport van de stofcategorie LT2 (toxische vloeistoffen) plaatsvindt over de A15 bedraagt het invloedsgebied 950 meter. Het invloedsgebied van GF3 (LPG) - de bepalende stof voor het groepsrisico - bedraagt 325 meter. Het plan is gelegen op ruim 750 meter afstand van de A15.

Op grond van de Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een verantwoording van het groepsrisico benodigd indien er sprake is van een toename van het groepsrisico of indien een overschrijding van de oriëntatiewaarde optreedt. Op een afstand van 750 Bestemmingsplan “Pieter de Hooghstraat” Toelichting Vaststelling

38

meter is het zeer aannemelijk dat er geen toename van het groepsrisico optreedt, omdat de ontwikkeling plaatsvindt buiten het invloedsgebied van de bepalende stofgroep GF3. Gezien de lage bebouwingsdichtheid rondom de A15 op dit traject, staat het eveneens vast dat de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Daarmee is formeel gezien een verantwoording niet benodigd. Beneden Merwede De Beneden Merwede is gelegen op circa 425 meter ten zuiden van het plangebied en geldt als een transportroute voor gevaarlijke stoffen. De vaarroute is aangewezen als een binnenvaartverbinding chemische clusters & achterlandverbindingen met toetsafstand (zwarte vaarroute). De PR 10-6 contour ligt daarmee op het water en reikt niet verder dan de oever. De waterlijn is de lijn waar het water de oever raakt bij de waterstand, die het meest regelmatig optreedt. Vanaf deze lijn treedt bij zwarte vaarwegen een plasbrandaandachtsgebied (PAG) op van 25 meter. Binnen deze zone geldt een motiveringsplicht bij bouw van nieuwe objecten. Omdat het plangebied op 425 meter afstand is gelegen, geldt voor dit bestemmingsplan geen motiveringsplicht. De bevaarbaarheidsklasse van de Beneden Merwede is 6. Dit is de klasse met de grootste ongevalskans, te weten 1,4 x 10-6. Op basis van de Risicoatlas Hoofdvaarwegen Nederland worden de volgende jaarintensiteiten vervoerd over de Beneden Merwede.

In de tabel wordt op grond van het ‘Programma van eisen voor een nieuwe externe veiligheid risicoanalyse op binnenvaarwegen’ tevens het invloedsgebied van deze vaarwegen genoemd. Stofcategorie

Aantal schepen (per jaar)

LF 1 LF 2

5.738 4.296

1% letaliteitsafstand (in meters) 35 35

56

600

241

90

LT 1 GF 3

Brandbare vloeistof (diesel) Brandbare vloeistof (benzine) Toxische vloeistof (acrylnitril) Brandbare gassen (LPG)

Het groepsrisico wordt in Nederland bij transport over water voornamelijk bepaald door transporten van toxische stoffen (GT en LT). Over de Beneden-Merwede worden volgens de cRNVGS geen stoffen uit de categorieën LT3 en LT4 vervoerd. Bovenstaande intensiteiten geven aan dat er 56 transporten van gevaarlijke stoffen met toxische vloeistoffen (LT1) plaatsvinden. Het invloedsgebied van deze toxische stoffen ligt maximaal op 600 meter. Voor de overige stoffen reikt het invloedsgebied nauwelijks tot kwetsbare bestemmingen in het plangebied. In de verantwoording wordt daarom ingegaan op bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid ten aanzien van het toxische scenario. Een berekening van het groepsrisico is voor zwarte vaarroutes niet noodzakelijk indien er bij enkelzijdige bebouwing minder dan 2.250 personen per hectare aanwezig zijn. Een dergelijke bevolkingsdichtheid wordt met zekerheid niet gehaald in het plangebied. In het plangebied worden woningen gerealiseerd met een gemiddelde dichtheid van 15 tot 20 Bestemmingsplan “Pieter de Hooghstraat” Toelichting Vaststelling

39

woningen per hectare (circa 40-50 personen per hectare). Ter vergelijking: stadsbebouwing met hoogbouw heeft een gemiddelde dichtheid van 120 personen per hectare. Daarmee is geïllustreerd dat een berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk is. Proefberekeningen in het kader van het Basisnet Water hebben aangetoond dat bij dit soort kengetallen het groepsrisico lager is dan 0,1 x de oriëntatiewaarde. Betuwelijn De Betuwelijn is op ruim 850 meter afstand gelegen van het plangebied. In de memo ‘BNspoor; bepalen risicoruimte op de Betuweroute’ van 15 maart 2011 staat beschreven dat de PR 10-6 contour van de Betuweroute 30 meter bedraagt. Daarmee is het plangebied buiten de PR 10-6 contour gelegen. Hoewel het plangebied gunstig ligt ten opzichte van de meest voorkomende windrichting, kan het invloedsgebied van enkele toxische stoffen reiken tot het plangebied. Echter, gezien de beperkte toename van het aantal aanwezigen in relatie tot de afstand tot de risicobron. kan gesteld worden dat het groepsrisico ten aanzien van de Betuweroute niet zal stijgen als gevolg van de ontwikkeling van het plan. Omdat uit de genoemde memo blijkt dat de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden is vanuit het Bevt geen verantwoording benodigd. Voor de volledigheid zijn hierna de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid beschouwd.

Maatgevende scenario en bestrijdbaarheid Het meest waarschijnlijke scenario is een lekkage van een tankwagen met gevaarlijke stoffen. Hierbij komt een kleine hoeveelheid van de vervoerde stof vrij. Hoe groot de effecten naar de omgeving zullen zijn, is afhankelijk van de stof (giftig of brandbaar) en de hoeveelheid die is vrijgekomen. Bij de meeste stoffen zal de omgeving uit voorzorg worden ontruimd maar zullen er, buiten irritatie aan luchtwegen en ogen en/of stankoverlast, weinig problemen zijn. Één van de ergst denkbare scenario’s bij het vervoer van gevaarlijke stoffen is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) van een tankwagen met brandbaar gas door impact (zoals een aanrijding). Hierbij zal de gehele inhoud van de tankwagen ineens explosief vrijkomen. Als gevolg van de explosie is er ook een drukgolf, waarbij veel hitte vrij komt door de ontstane vuurwolk. De kans hierop is afhankelijk van verschillende omstandigheden, maar in de meeste gevallen erg klein. Bij het ergst denkbare scenario zullen tot 325 meter (invloedsgebied) van het incident nog slachtoffers kunnen vallen. Tot op ongeveer 400 meter kunnen mensen eerstegraads brandwonden oplopen.

Het ergst denkbare scenario bij het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijksweg A15, Beneden-Merwede en Betuwelijn is een lekkage of het ineens vrijkomen van de totale hoeveelheid gevaarlijke stoffen van een tankwagen met een giftige vloeistof of giftig gas. Hoe groot de effecten naar de omgeving zullen zijn, is onder andere afhankelijk van de stof (mate van giftigheid) en de hoeveelheid die is vrijgekomen. Daarnaast hebben ook de weersomstandigheden een grote invloed op de verspreiding van de giftige stoffen. Gezien de afstand van de voorgenoemde risicobronnen tot het plangebied bestaat de kans dat de aanwezige personen slachtoffer worden of overlijden, wanneer de wind in de richting van het plangebied staat. De kans op dit scenario is echter zeer klein.

Bestemmingsplan “Pieter de Hooghstraat” Toelichting Vaststelling

40

Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van incidenten, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende zijn. In de huidige (en toekomstige) situatie zijn deze aspecten, onder normale omstandigheden, voldoende. Zelfredzaamheid Bij een incident met het vervoer van brandbare stoffen op de Rijksweg A15, BenedenMerwede en Betuweroute, is het van belang dat mensen veilig kunnen vluchten. Hiervoor is een vluchtweg vanuit de objecten, richting de omgeving, in een afgekeerde zijde van deze risicobronnen van belang. Bij het toxisch scenario speelt risicocommunicatie een belangrijke rol. Ten behoeve van deze zelfredzaamheid is het van belang dat het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) wordt ingezet. In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen toe te passen waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden. Wanneer de (mechanische) ventilatievoorziening van woningen met een eenvoudige handeling (centraal) kan worden uitgeschakeld, kunnen de gevolgen bij het vrijkomen van giftige stoffen worden beperkt. Dit mag ook een handmatige handeling zijn. Het is daarbij van belang dat ook ramen en ventilatieopeningen kunnen worden gesloten.

De veiligheidsregio adviseert daarnaast om bij eventuele verbouw en/of (vervangende) nieuwbouw een vluchtweg vanuit de objecten te realiseren, via de gevel aan de afgekeerde zijde van de risicobronnen. Om ervoor te zorgen dat toekomstige bewoners goed voorbereid zijn en weten hoe ze moeten reageren bij een ongeval met het transport van gevaarlijke stoffen is het van belang dat zij hier vooraf over worden geïnformeerd. De veiligheidsregio adviseert doorgaans om bewoners binnen het plangebied te informeren over de verschillende risico’s en gevaren van de transportroutes gevaarlijke stoffen. Daarbij dient men tevens geïnformeerd te worden over de wijze van alarmeren en de wenselijke manier van reageren tijdens incidenten (risicocommunicatie). Dergelijke informatie dient op gezette tijden herhaald te worden, zodat het onderwerp onder de aandacht blijft. Voor verdere uitwerking van deze risicocommunicatie kan contact worden opgenomen met de afdeling communicatie van de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid De gemeente Hardinxveld-Giessendam kent op het gebied van risicocommunicatie incidenteel kleinschalige initiatieven die via de website en/of de gemeentegids kenbaar worden gemaakt. Daarnaast haakt de gemeente aan bij de risicocommunicatiestrategie vanuit de regio.

Conclusie Er bevinden zich drie risicobronnen in de nabijheid van het plangebied, namelijk de A15, de Beneden Merwede en de Betuwelijn. Onderhavig bestemmingsplan is op ten minste 750 meter afstand van de Rijksweg gelegen en circa 425 meter van de Beneden Merwede. De afstand tot de Betuweroute bedraagt meer dan 850 meter. Deze afstanden zijn dusdanig groot dat de veiligheidssituatie acceptabel geacht wordt en er vanuit externe veiligheid geen belemmeringen zijn voor dit uitwerkingsplan. De veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid wordt geconsulteerd.

Bestemmingsplan “Pieter de Hooghstraat” Toelichting Vaststelling

41

7.4.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 7.5

Milieuhinder bedrijven

7.5.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. Voor de afstand tussen inrichtingen en gevoelige functies gelden de volgende richtafstanden: Milieucategorie 2 3.1 3.2 4.1 4.2

Richtafstand Rustige woonwijk 30 50 100 200 300

Richtafstand Gemengd gebied 10 30 50 100 200

7.5.2 Onderzoek Het plangebied ligt binnen de richtafstanden van de naastgelegen korfbalvereniging en de sporthal. Door KuiperCompagnons is akoestisch onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de geluiduitstraling van Korfbalvereniging HKC en Sporthal Het Dok aan de Tiendweg 42B / 42C. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 4 bij deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt voor wat betreft Sporthal Het Dok dat voldaan wordt aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit en de toetswaarden uit de VNG-publicatie. Hiermee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en wordt de inrichting als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling niet in haar bedrijfsvoering belemmerd. Uit het onderzoek blijkt voor wat betreft HKC dat niet zondermeer voldaan wordt aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit en de toetswaarden uit de VNG-publicatie. In de rapportage zijn maatregelen beschreven om tot een aanvaardbare situatie te komen. Voor de te nemen maatregelen bestaan verschillende opties, welke in het rapport nader worden beschreven. Voor wat betreft het verkeer op de openbare parkeerterreinen (indirecte hinder) is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 7.5.3 Conclusie Vanuit het oogpunt van bedrijven en milieuzonering is onderzoek gedaan naar de richtafstanden behorende bij de bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied.

Hieruit Bestemmingsplan “Pieter de Hooghstraat” Toelichting Vaststelling

42

is gebleken dat er na het nemen van maatregelen een aanvaarbare situatie ontstaat ter plaatse van het plangebied. Voor de te nemen maatregelen bestaan verschillende opties. Het treffen van maatregelen is juridisch geborgd in de regels van dit bestemmingsplan en de oplossingsrichting wordt in de planuitwerking verder uitgewerkt. 7.6

Flora en Fauna

7.6.1 Kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen).

Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl.

Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde Bestemmingsplan “Pieter de Hooghstraat” Toelichting Vaststelling

43

verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien:  er geen andere bevredigende oplossing is, en  geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en  sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen:  de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of  de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien:  er geen andere bevredigende oplossing is, en  indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

In Hardinxveld-Giessendam is de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties.

Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Bestemmingsplan “Pieter de Hooghstraat” Toelichting Vaststelling

44

7.6.2 Onderzoek Onderzoeksbureau NWC heeft een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hieronder worden de conclusies beschreven. Het volledig rapport is als bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen. Soortenbescherming Vleermuizen De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van zowel boombewonende- als gebouwbewonende vleermuizen kunnen met zekerheid uitgesloten worden. Door de rij wilgen naast de sloot zijn er echter wel mogelijkheden tot foerageren en vliegroutes voor vleermuizen. Om deze redenen dient aanvullend vleermuisonderzoek volgens het meest recente vleermuisprotocol uitgevoerd te worden. Dergelijk onderzoek moet bestaan uit twee vleermuisinventarisaties die in de periode half april tot en met half oktober uitgevoerd worden, waarvan tenminste één vleermuisinventarisatie moet gebeuren in de kraamperiode, deze periode vindt plaats vanaf half mei tot en met half juli. De inventarisaties gebeuren met een tussenperiode van minstens 8 weken. Op basis van de uitkomsten van het aanvullende onderzoek wordt duidelijk of maatregelen en/ of een ontheffing nodig zal zijn. Dit aanvullende onderzoek is in gang gezet. Wanneer de resultaten hiervan beschikbaar zijn, zullen deze worden toegevoegd aan deze paragraaf. Vogels met een vaste verblijfplaats Er zijn geen nesten van kraaiachtigen of verblijfplaatsen van vogels met een vaste verblijfplaats aangetroffen in het plangebied.

Wel is er een Huismus (Passer domesticus) waargenomen in de buurt van het gebied, het plangebied biedt dan ook mogelijkheden voor een functionele leefomgeving van de Huismus. Hierdoor dient er aanvullend onderzoek plaats te vinden in het plangebied. De geschikte periode om het aanvullend onderzoek uit te voeren is 1 april tot en met 15 mei. Het aanvullend onderzoek gebeurt aan de hand van twee bezoeken overdag, met een tussenperiode van minimaal 10 dagen. Op basis van de uitkomsten van het aanvullende onderzoek wordt duidelijk of maatregelen en/ of een ontheffing nodig zal zijn. Dit aanvullende onderzoek is in gang gezet. Wanneer de resultaten hiervan beschikbaar zijn, zullen deze worden toegevoegd aan deze paragraaf. Grondgebonden zoogdieren Er zijn geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen of mogelijkheden tot foerageren of verblijfplaatsen voor deze dieren. Hierdoor zijn er geen verdere verplichtingen ten aanzien vanuit de Wet natuurbescherming. Amfibieën en reptielen Er zijn geen beschermde reptielen of amfibieën waargenomen of mogelijkheden tot een functionele leefomgeving voor deze dieren. Hierdoor zijn er geen verdere verplichtingen ten aanzien vanuit de Wet natuurbescherming. Flora Er zijn geen beschermde soorten waargenomen waardoor er vanuit natuurbescherming geen verdere verplichtingen zijn ten aanzien van flora.

Bestemmingsplan “Pieter de Hooghstraat” Toelichting Vaststelling

de

Wet

45

Zorgplicht Voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) geldt de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Manieren om aan de zorgplicht te voldoen zijn bijvoorbeeld: • er wordt gelegenheid gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen; • in verband met verstoring van aanwezige dieren worden de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uitgevoerd.

Gebiedsbescherming en stikstofdepositie Het plangebied ligt op een afstand van 800 meter van Natura 2000-gebied De Biesbosch.. Voor de bouw en het gebruik van de nieuwe woningen is de stikstofdepositie in de gebruiksfase en aanlegfase beschouwd. Beoordeeld is of sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats gelegen binnen Natura 2000gebieden in de omgeving van het plan. Gebruiksfase Voor de gebruiksfase is het verkeer van en naar de locatie op twee rijlijnen ingevoerd. Een rijlijn richting het centrum van het dorp en een rijlijn richting de Rivierdijk. In de praktijk zal er ook verkeer in noordelijke richting het dorp in- en uitgaan, maar de gekozen rijlijnen zorgen voor een worst-case scenario, omdat de stikstofgevoelige gebieden aan de zuidkant van Boven-Hardinxveld, in de Biesbosch, liggen. Rekening is gehouden met een wordtcase verkeersgeneratie van 8 bewegingen per woning per etmaal. Aanlegfase Ook tijdens de bouw van de woningen is sprake van stikstofdepositie. Deze wordt bepaald door de emissies van mobiele werktuigen die tijdens de bouw worden ingezet en door het verkeer van en naar de bouwplaats. Op basis van een vergelijkbaar project is een inschatting gemaakt van de in te zetten mobiele werktuigen. In onderstaande tabel staan de te gebruiken machines, de draaiuren en het brandstofverbruik weergegeven.

Tijdens de bouw wordt modern materieel ingezet met minimaal STAGE-klasse IV en Adblue toevoeging van 6%.

Bestemmingsplan “Pieter de Hooghstraat” Toelichting Vaststelling

46

Mobiele Machines Bouwrijp maken graafmachine shovel trilplaat Bouwen heimachine graafmachine mobiele kraan vaste kraan Woonrijp maken graafmachine shovel trilplaat

Stage‐klasse, Bouwjaar, Vermogen, Brandstof Toevoeging AdBleu

Brandstof verbruik l/j

Draaiuren u/j

AdBlue verbruik l/j

Stage‐IV, 2014‐2018, 75‐560 kW, diesel, SCR: ja Stage‐IV, 2014‐2018, 75‐560 kW, diesel, SCR: ja Stage‐IV, 2014‐2018, <= 56 kW, diesel, SCR: nee

196 66 9

40 14 2

12 4 0

Stage‐IIIA, 2006‐2010, 75‐560 kW, diesel, SCR: nee Stage‐IV, 2014‐2018, 75‐560 kW, diesel, SCR: ja Stage‐IV, 2014‐2018, 75‐560 kW, diesel, SCR: ja Stage‐IV, 2014‐2018, 75‐560 kW, diesel, SCR: ja

32 96 240 44

2 12 20 28

2 6 14 2

Stage‐IV, 2014‐2018, 75‐560 kW, diesel, SCR: ja Stage‐IV, 2014‐2018, 75‐560 kW, diesel, SCR: ja Stage‐IV, 2014‐2018, <= 56 kW, diesel, SCR: nee

625 1225 350

100 28 28

38 74 21

Naast bovenstaande mobiele werktuigen worden per jaar 776 lichte vervoersbewegingen (personenauto’s en busjes t.b.v. bouwvakkers), 634 middelzware vrachtwagens en 130 zware vrachtwagens verwacht. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie niet meer gedraagt dan 0,00 mol/ha/jaar. 7.6.3 Conclusie Er wordt aanvullend onderzoek gedaan naar vleermuizen en huismussen. Op andere aspecten vormt het onderwerp flora en fauna geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan. 7.7

Bodem

7.7.1 Kader Wet bodembescherming Als sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan is de Wet bodembescherming (Wbb) van kracht. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Op 1 januari 2006 is de Wbb ingrijpend aangepast omdat het beleid met betrekking tot bodemsaneringen veranderde. De Wbb kent nu een viertal regelingen die alle vier een ander onderdeel van bodembescherming voor hun rekening nemen:

Bestemmingsplan “Pieter de Hooghstraat” Toelichting Vaststelling

47

-

-

-

Een regeling voor de bescherming van de bodem waarin ook staat dat degene die de bodem verontreinigt, zelf verantwoordelijk is voor het verwijderen van de vervuiling. De overheid kan dwingen tot sanering als de verontreiniging na 1987 is ontstaan. Een bijzondere regeling voor de aanpak van nieuwe bodemverontreiniging die is ontstaan als gevolg van een ongewoon voorval (calamiteit). Een regeling voor de verontreiniging die is ontstaan voor de Wbb in werking trad in 1987 (historische bodemverontreiniging). Ook in die gevallen geldt dat de vervuiler zelf de verontreiniging verwijdert. Als er geen vervuiler (meer) is, omdat het bedrijf niet meer bestaat en er geen rechtsopvolger is, zal de sanering door de overheid worden uitgevoerd. Een regeling voor de aanpak van verontreiniging in de waterbodem. Rijkswaterstaat heeft vooral met deze regeling te maken. De regeling geldt voor alle waterbodemverontreiniging, of de vervuiling nu voor of na 1987 is ontstaan.

Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd.

Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Het besluit heeft alleen betrekking op steenachtige bouwstoffen. Andere materialen worden in de praktijk ook toegepast als bouwstof maar vallen niet onder dit besluit. Voor grond en baggerspecie in oppervlaktewater en op landbodems gelden aparte regels die ook in het Besluit bodemkwaliteit zijn opgenomen; in tegenstelling tot bouwstoffen kunnen ze weer definitief deel gaan uitmaken van de bodem. Tot slot zijn in het Besluit bodemkwaliteit de kwaliteitsregels voor, onder meer, bodemonderzoek, bodemsanering en laboratoriumanalyses die worden uitgevoerd door adviesbureaus, laboratoria en aannemers (bodemintermediairs) vastgelegd. Deze regels zijn bekend onder de naam Kwalibo (kwaliteitsborging in het bodembeheer). Kwalibo bevat ook maatregelen om de kwaliteit van ambtenaren die bodembeleid maken of uitvoeren en het toezicht en de handhaving te verbeteren.

Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Wonw) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Deze afstemmingsregeling is opgenomen in artikel 6.2c van de Wabo. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat artikel 8, tweede lid, onderdeel c, van de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften dienen op grond van artikel 8, vierde lid, van de Woningwet in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de Bestemmingsplan “Pieter de Hooghstraat” Toelichting Vaststelling

48

aard en omvang van onderzoeksrapport.

dat

onderzoek

en

op

inrichting

van

het

op

te

stellen

7.7.2 Onderzoek Bij een woonbestemming dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Door milieu technisch adviesbureau Dordrecht Research is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen als bijlage 2 bij deze toelichting. In deze paragraaf zijn de belangrijkste resultaten beschreven. Op grond van de beschikbare gegevens (historische gegevens, zintuiglijke waarnemingen gedaan tijdens het veldwerk en de analyseresultaten) wordt het volgende geconcludeerd:  Ter plaatse zijn drie gedempte sloten aanwezig. Er is geen bodemvreemd dempingsmateriaal vastgesteld.  De bodemopbouw bestaat uit kleiig zand/zandige klei tot een diepte van ca. 1 meter minus maaiveld. Daaronder bevindt zich tot einde boordiepte (2,7 m-mv) veen.  In de grond zijn enkele (zeer) lichte, niet significante verontreinigingen vastgesteld met zink, kwik en nikkel. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.  Het PFOA gehalte in de toplaag van de bodem is iets verhoogd ten opzichte van de toepassingswaarde voor landbouw/natuur zoals verwoord in het “Geactualiseerd tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS houdende grond en baggerspecie” van 2 juli 2020 (Ministerie van Infrastructuur en baggerspecie).

Het gehalte bevindt zich echter binnen de range van gehalten van zone 1 van de verwachtingskaart en binnen zone B van de toepassingskaart van de “Herziene handreiking toepassing van PFOA houdende grond Zuid-Holland Zuid” (Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid). Daardoor zijn er ten aanzien van de PFOA geen beperkingen in hergebruik binnen toepassingszone “B”.  Er zijn geen overige verontreinigingen in de grond vastgesteld.  Het grondwater is licht verontreinigd met barium hetgeen als een verhoogd achtergrondgehalte gezien wordt. Er zijn geen overige verontreinigingen in het grondwater vastgesteld. De conform de NEN 5740+A1 gestelde hypothese voor uitvoering voor een onverdachte locatie wordt door de constatering van de lichte -niet significante- verontreinigingen strikt genomen niet geaccepteerd. Echter zijn de vastgestelde gehalten dermate gering dat het gehanteerde onderzoeksprotocol voldoende is. Gelet op de resultaten van het onderzoek zijn er ten aanzien van de bodemkwaliteit van het onderzoeksterrein geen belemmeringen voor realisatie van de voorgenomen bouwplannen. Er is geen reden voor uitvoering van nader onderzoek. Bij afvoer van grond vanaf de locatie kunnen overige onderzoeksmaatregelen (partijkeuring conform de BRL1000) gevraagd worden. 7.7.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Bestemmingsplan “Pieter de Hooghstraat” Toelichting Vaststelling

49

7.8

Verkeer

7.8.1 Verkeersafwikkeling en verkeersaantrekkende werking Voor het bepalen van de verkeersaantrekkende werking va het plan zijn de Kencijfers verkeersgeneratie conform de CROW publicatie 381 gebruikt. Deze cijfers zijn te gebruiken om een inschatting te maken van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij nieuwe ontwikkelingen. De verkeersgeneratie omvat de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer die gedurende een gemiddelde dag naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. De verkeersaantrekkende werking van het nieuwe programma is bepaald op basis van het gebiedstype weinig stedelijk, rest bebouwde kom. Het aantal verkeersbewegingen is gerelateerd aan het aantal woningen (14) en de woningtypologie (sociale huurwoning). Hierbij hoort een CROW-norm van 7,8 per woning. De verkeersaantrekkende werking van het plan bedraagt 109,2 mvt/etmaal. Het plangebied wordt ontsloten via de Pieter de Hooghstraat ter plaatse van het huidige parkeerterrein. Met een kleine knip wordt de weg doorgetrokken. Aangenomen wordt dat de capaciteit van het omliggende wegennet groot genoeg is om de lichte toename aan verkeer, die gegenereerd wordt door voorgenomen ontwikkeling, te verwerken. 7.8.2 Parkeren Parkeren vindt plaats in de openbare ruimte. Vóór de woningen is plaats voor 25 parkeerplaatsen.

Ter plaatse van het huidige parkeerterrein aan de zuidkant van het plangebied worden de huidige 20 parkeerplaatsen vervangen door 15 nieuwe. In totaal voorziet het plan daarmee in 20 nieuwe parkeerplaatsen, wat neerkomt op 1,4 parkeerplaats per woning. Daarmee wordt voldaan aan de minimale parkeernorm voor goedkope woningen zoals opgenomen in het GVVP. Op basis van de laatste publicatie van het CROW, “381, Toekomst bestendig parkeren – Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie” is de minimale norm voor sociale huurwoningen in een gebiedstype ‘rest bebouwde kom’ van een ‘weinig stedelijk gebied’ nog iets lager, te weten 1,2 pp/woning. De gemeente Hardinxveld-Giessendam hanteert de maximale CROW-norm. In dit geval komt deze norm neer op 1,7 parkeerplaatsen per woning en zijn 24 (23,8) parkeerplaatsen nodig. Het plan voorziet in 20 parkeerplaatsen. Voor de overige 4 parkeerplaatsen wordt uitgegaan van dubbelgebruik van parkeerplaats tussen de Regenboogschool en sporthal. 7.8.3 Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 7.9

Duurzaamheid

7.9.1 Kader Bij nieuwbouw of vervangende nieuwbouw verdient het aanbeveling zoveel mogelijk rekening te houden met duurzaamheidsaspecten zoals duurzaam bouwen, duurzame energievoorzieningen, bevordering van fietsverkeer en openbaar vervoer, duurzaam Bestemmingsplan “Pieter de Hooghstraat” Toelichting Vaststelling

50

ruimtegebruik en dergelijke. Voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van een woongebied. Hiervoor zijn een aantal handvatten op zowel rijks- als regionaalniveau.

Wet voortgang energietransitie De Wet Voortgang Energietransitie (VET) regelt onder andere de aansluitverplichting van nieuwbouw op het gasnet zal verdwijnen. Op 1 juli 2018 is er een aardgasverbod ingegaan. De Wet voorziet in hoofdzaak in een aantal wijzigingen van de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet teneinde de transitie naar een duurzame energievoorziening verder te faciliteren. De aanpassingen hebben met name invloed op de netten die essentieel zijn om de energietransitie verder te ondersteunen. Energiestrategie Drechtsteden Bedrijven, gemeentes, bewoners en organisaties in de regio hebben samen de 'Energiestrategie Drechtsteden' opgesteld. Het is een ambitieus plan van aanpak om te komen tot een energieneutrale regio vóór 2050. De regio wil op deze manier haar bijdrage leveren aan het Klimaatakkoord van Parijs uit 2015 dat Nederland heeft ondertekend. Lokale Energieagenda In december 2018 is de Lokale Energieagenda Hardinxveld-Giessendam opgesteld. De opgaven die genoemd worden sluiten voor een groot deel aan bij de landelijke opgaven. Daarnaast zijn er nog een aantal gemeentelijke doelstellingen opgenomen op het gebied van energiebesparing, uitfaseren van aardgas en energieopwekking. Bij de uitwerking van de openbare ruimte wordt de Aanpak duurzaam GWW (grond- wegen waterbouw) toegepast.

Deze werkwijze maakt duurzaamheid in GWW-projecten concreet zonder vooraf voor te schrijven hoe de duurzaamheidswinst behaald wordt. Dat kan per project verschillen. 7.9.2 Onderzoek en conclusie Bij het plan wordt waar mogelijk ingezet op zo duurzaam mogelijke woningen. De ontwikkeling zal in ieder geval voldoen aan de wettelijke vereisten, en er wordt waar mogelijk verder gegaan dan de wettelijke verplichtingen. De ontwikkeling is in lijn met de gestelde duurzaamheidskaders. 7.10

Overige belemmeringen

7.10.1 Kabels en leidingen Naast de in het kader van externe veiligheidsaspecten relevante leidingen, kunnen er ook andere leidingen zijn die planologisch relevant zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om drinkwaterleidingen of riool(pers)leidingen. In het voorliggende plangebied liggen geen kabels en leidingen die planologische relevant zijn.

Bestemmingsplan “Pieter de Hooghstraat” Toelichting Vaststelling

51

8

JURIDISCHE OPZET

8.1

Inleiding In deze paragraaf wordt toegelicht op welke wijze de hiervoor beschreven, gewenste ontwikkelingen juridisch zijn vertaald. Ingegaan wordt op de juridische opzet van het bestemmingsplan (het karakter van het plan, de geometrische plaatsbepaling (verbeelding) en de regels. Karakter van het plan Voor de ontwikkeling van het woongebied is gekozen voor een globale eindbestemming. Voor de woningen is één bouwvlak opgenomen binnen de bestemming ‘Wonen’ gekregen. Het onderhavige plan is opgesteld conform het gestelde in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) die door het rijk is opgesteld in het kader van het project Digitale Uitwisseling van Ruimtelijke Plannen (DURP), zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) die bindende afspraken en aanbevelingen bevat, en het coderingssysteem InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012). Geometrische plaatsbepaling Door middel van een combinatie van begrenzingen, coderingen, arceringen en/of kleuren, is in de geometrische plaatsbepaling (verbeelding) de verdeling aangegeven van de diverse binnen het plangebied onderscheiden bestemmingen. Hiernaast bevat de geometrische plaatsbepaling aanduidingen die gelezen moeten worden in samenhang met de bebouwingsbepalingen, die voor de onderscheiden bestemmingen zijn gegeven.

Regels De regels bevatten bepalingen omtrent het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of nog op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier paragrafen, te weten:  Inleidende regels (hoofdstuk I);  Bestemmingsregels (hoofdstuk II);  Algemene regels (hoofdstuk III);  Overgangs- en slotregels (hoofdstuk IV).

8.2

Toelichting op de regels

8.2.1. Hoofdstuk I Inleidende regels In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard die gebruikt worden in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel “Wijze van meten” opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Begrippen Geeft de definities van een aantal in de regels voorkomende begrippen. Hierdoor wordt de interpretatie daarvan vastgelegd, waardoor de duidelijkheid wordt vergroot. Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe de in het plan voorkomende maten dienen te worden bepaald. Bestemmingsplan “Pieter de Hooghstraat” Toelichting Vaststelling

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/758/documents/25172