CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Spindermolen (RO-BP-622.145.40) november 2023.pdf

Gemeenteraad GHG 14 december 2023, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 16: Vaststellen Bestemmingsplan Spindermolen - Raadsvoorstel23.851 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Gemeente Hardinxveld-Giessendam

Bestemmingsplan “Spindermolen” Vaststelling

622.145.40 KUIPERCOMPAGNONS Datum: November 2023

GEMEENTE HARDINXVELD-GIESSENDAM

Bestemmingsplan “Spindermolen”

TOELICHTING, REGELS, VERBEELDING

werknummer 622.145.40 datum November 2023

Procedureoverzicht Fase

Datum

Ontwerp

Juli 2023

Vaststelling

November 2023

TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING............................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding .......................................................................................................... 4 1.2 Ligging van het plangebied ........................................................................... 4 1.3 Vigerende plannen ........................................................................................... 4 1.4 Leeswijzer.......................................................................................................... 5 2 PLANBESCHRIJVING ........................................................................................... 6 2.1 Bestaande situatie ........................................................................................... 6 2.2 Toekomstige situatie ....................................................................................... 6 3. BELEIDSKADER ...................................................................................................... 8 3.1 Rijksbeleid ......................................................................................................... 8 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................

8 3.3 Regionaal beleid ............................................................................................. 12 3.4 Gemeentelijk beleid ...................................................................................... 13 4 WATER ..................................................................................................................... 15 4.1 Inleiding ........................................................................................................... 15 4.2 Kader ................................................................................................................ 15 4.3 Onderzoek ....................................................................................................... 18 5.4 Conclusie ......................................................................................................... 20 5 ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE ...................................................... 21 5.1 Archeologie ..................................................................................................... 21 5.2 Cultuurhistorie ................................................................................................ 21 6. MILIEUASPECTEN ...............................................................................................

23 6.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling ..................................................................... 23 6.2 Akoestisch onderzoek ................................................................................... 24 6.3 Luchtkwaliteit ................................................................................................. 24 6.4 Externe veiligheid .......................................................................................... 26 6.5 Milieuhinder bedrijven .................................................................................. 27 6.6 Flora en Fauna ................................................................................................ 27 6.7 Bodem .............................................................................................................. 31 6.8 Verkeer ............................................................................................................ 32 6.9 Overige belemmeringen ............................................................................... 33 7 JURIDISCHE OPZET ........................................................................................... 34 7.1 Planmethodiek ................................................................................................ 34 7.2 Geometrische plaatsbepaling ......................................................................

36 8 OVERLEG EN INSPRAAK ................................................................................... 37 8.1 Vooraankondiging .......................................................................................... 37 8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro ........................................................................ 37 8.3 Ontwerpfase .................................................................................................... 37 8.4 Vaststellingsfase ............................................................................................ 37 9 UITVOERBAARHEID ........................................................................................... 38 9.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................. 38 9.2 Financiële uitvoerbaarheid ........................................................................... 38 9.3 Handhavingsaspecten ................................................................................... 38

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Ecologische quickscan, Van der Goes en Groot, 23 september 2022 Bijlage 2: Stikstofberekening, Ingenieurs Bureau Dordrecht, 23 oktober 2023

Afbeelding 1.1: globale ligging van het bestemmingsplangebied in rood

Afbeelding 1.2: begrenzing van het bestemmingsplangebied in rood

4

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding De voorliggende ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van de Algemene Begraafplaats Neder-Hardinxveld in Hardinxveld-Giessendam. Voor de uitbreiding aan de Spindermolen wordt de oostelijk gelegen watergang verlegd ter plaatse van de bestaande parkeerplaats. De parkeerplaatsen vervallen en worden beide zijden van de Spindermolen teruggebracht. De nieuwe parkeervoorzieningen langs de Spindermolen worden gerealiseerd in de bestemming ‘Groen’. Binnen deze bestemming zijn parkeervoorzieningen toegestaan. Het nieuwe deel van de begraafplaats past echter niet binnen het geldende bestemmingsplan “Hardinxveld-Giessendam – Bebouwd Gebied”. Om de ontwikkeling toch mogelijk te maken is het voorliggende bestemmingsplan opgesteld.

1.2

Ligging van het plangebied Het voorliggende plangebied is gelegen in Neder-Hardinxveld. Ten westen van het plangebied ligt de bestaande begraafplaats. De Spindermolen grenst aan de oostkant van het plangebied. Op afbeelding 1 en 2 is de ligging van het plangebied weergegeven.

1.3

Vigerende plannen Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan “Hardinxveld-Giessendam – Bebouwd Gebied”, dat op 30 maart 2018 door de gemeenteraad van HardinxveldGiessendam is vastgesteld. Daarin is het plangebied voorzien van de enkelbestemmingen ‘Maatschappelijk’, ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ en ‘Water’. Tevens is het plangebied voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 9’ en voor een klein deel van de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterstaatkundige functie’. Ook is er een gebiedsaanduiding ‘Vrijwaringszone – laagvliegroute’ opgenomen in het gebied. De huidige bestemmingen laten het gebruik van de grond als begraafplaats niet toe. Hierdoor dient de bestemming gewijzigd te worden in ‘Maatschappelijk’. De bestemming ‘Water’ dient te worden verplaatst naar de grond waar de watergang naartoe wordt verlegd. Ook de omliggende bestemmingen ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ en ‘Groen’ zullen hierdoor wijzigen.

Bestemmingsplan ‘Spindermolen’ Toelichting Vaststelling

5

Afbeelding 1.3: uitsnede vigerend bestemmingsplan

1.4

Leeswijzer

De toelichting van dit bestemmingsplan is opgebouwd uit 9 hoofdstukken. Na deze inleiding is in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de beoogde ontwikkeling. Hoofdstuk 3 geeft het relevante beleid op Rijks, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau weer. De Hoofstukken 4 t/m 7 gaan in op de onderzoeksaspecten water, archeologie en de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 7 wordt de juridische opzet van het plan nader toegelicht. De hoofdstukken 8 en 9 gaan over de het proces en uitvoerbaarheid.

Bestemmingsplan ‘Spindermolen’ Toelichting Vaststelling

6

2

PLANBESCHRIJVING

2.1

Bestaande situatie De Algemene Begraafplaats Neder-Hardinvveld, in het centrum van HardinxveldGiessendam, bedraagt in de bestaande situatie 19.000m2. De begraafplaats bestaat op dit moment uit circa 2.500 graven. Aan de oost- en zuidzijde wordt de begraafplaats omsloten door een watergang. Aan de oostzijde, aan de Spindermolen is een parkeerplaats met circa 30 parkeerplaatsen.

Afbeelding 2.1 Bestaande situatie plangebied

De begraafplaats kampt met een toekomstig capaciteitsprobleem. Hierom is een onderzoek gestart naar mogelijkheden om de begraafplaats uit te breiden. 2.2

Toekomstige situatie De voorliggende ontwikkeling omvat een reconstructie van de begraafplaats waarbij de begraafplaats wordt uitgebreid. Hiermee zal er plaats komen voor 138 extra graven. De parkeerplaats verdwijnt en maakt plaats voor de te verleggen watergang en begraafplaats. Daarnaast wordt de Spindermolen heringericht, waarbij ruimte ontstaat voor 31 parkeerplaatsen langs de straat. Afbeelding 2.2 geeft de nieuwe inrichting van het plangebied weer.

Bestemmingsplan ‘Spindermolen’ Toelichting Vaststelling

7

Afbeelding 2.2 Toekomstige inrichting plangebied

Bestemmingsplan ‘Spindermolen’ Toelichting Vaststelling

8

3.

BELEIDSKADER

3.1

Rijksbeleid Het Rijk heeft haar ruimtelijk beleid vastgelegd in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De leidende gedachte van het rijksbeleid is ruimte maken voor groei en beweging, waarbij het Rijk zich vooral concentreert op decentralisatie. De verantwoordelijkheid wordt verplaatst van Rijksniveau naar provinciaal en gemeentelijk niveau. In het rijksbeleid worden dan ook geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot het voorliggende projectgebied.

3.2

Provinciaal beleid Omgevingsbeleid Zuid-Holland Op 20 februari 2019 heeft de provincie Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en –plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Uit de provinciale opgaven worden samenhangende beleidskeuzes gemaakt, die doorwerken naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid-Holland Door het samenvoegen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving sorteert de provincie voor op de Omgevingswet.

De Omgevingswet verplicht het Rijk, de provincies en gemeenten een omgevingsvisie te maken. De provinciale Omgevingsvisie bestaat uit de volgende onderdelen: • Een beschrijving en kaartbeelden van de ruimtelijke hoofdstructuur; • De ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid: ambities en sturing • Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; • De samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving.

Bestemmingsplan ‘Spindermolen’ Toelichting Vaststelling

9 Ad. 1 Ruimtelijke hoofdstructuur

Ad. 2 Omgevingsbeleid: ambities en sturing De ambitie van de provincie is een slim, schoon en sterk Zuid-Holland. De provincie gaat uit van zes richtinggevende ambities, waarbinnen een aantal opgaven zijn geformuleerd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendige meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving

Bestemmingsplan ‘Spindermolen’ Toelichting Vaststelling

10 Ad. 3 Omgevingskwaliteit Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Ofwel een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). De omgevingskwaliteit bestaat uit de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland, het toepassen van de leefomgevingstoets (beleidscyclus en monitoring) en een nadere uitwerking van het provinciale beleid. Dit laatste gebeurt door middel van een ‘kwaliteitskaart’ en bijbehorende ‘richtpunten ruimtelijke kwaliteit’. Kwaliteitskaart, richtpunten en gebiedsprofielen De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en omgevingskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit.

Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten (de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving), samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. Ontwikkelingen moeten rekening houden met deze richtpunten. De kwaliteiten zijn uitgewerkt in de gebiedsprofielen. Het plangebied is opgenomen in drie kwaliteitskaarten. In de laag van de ondergrond is het plangebied aangeduid als ‘Rivierdeltacomplex – rivierklei / veen. Richtpunt is dat ontwikkelingen in het rivierengebied het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar wordt gehouden. Voorgenomen ontwikkeling heeft hier geen invloed op. In de laag van de cultuur- en natuurlandschappen is het plangebied aangeduid als ‘Veen(weide)landschap’. Richtpunten in veenlandschappen zijn: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden. • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen. • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden. • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders.

• Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar. Voorliggend plan heeft geen invloed op de kenmerkende landschapselementen uit het veenlandschap. Er wordt geen nieuwe bebouwing of bouwwerken in een veenweidepolder gebouwd: er is sprake van inbreiding in het bestaand bebouwd gebied.

Bestemmingsplan ‘Spindermolen’ Toelichting Vaststelling

11 In de laag van de stedelijk occupatie is het plangebied aangeduid als ‘Steden en dorpen’. Relevante richtpunten voor voorgenomen ontwikkeling zijn: • •

Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur.

Voorgenomen ontwikkeling maakt geen nieuwe bebouwing mogelijk. De bestaande watergang wordt verlegd en neemt in omvang toe, waardoor het plan bijdraagt aan de versterking van de bestaande groen- en waterstructuur in de wijk. Ad. 4 Beleidskeuzes De provincie heeft 12 provinciale opgaven gedefinieerd, die elk bestaan uit samenhangende beleidskeuzes. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma’s en regels in de verordening. Hieronder zijn de voor het plangebied relevante opgaven uiteengezet. Gezondheid en veiligheid Zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving en het beperken van hinder. Ruimte en verstedelijking Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. Bodem en ondergrond Zorgen voor een duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond. Energievoorziening Bevorderen van een betrouwbare, duurzame en efficiënte energievoorziening met een minimale uitstoot van broeikasgassen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van een gezonde en veilige leefomgeving en zorgvuldig ruimtegebruik. De diverse relevante milieuaspecten worden in hoofdstuk 6 verder uiteengezet en afgewogen. Voorgenomen ontwikkeling draagt dus bij aan sommige provinciale opgaven en vormt geen belemmering voor de andere provinciale opgaven.

Programma Ruimte Het Programma ruimte is parallel aan de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening opgesteld. Het Programma ruimte bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Het is enerzijds een beleidsdocument, namelijk uitwerking van de beleidsbeslissingen, en anderzijds gericht op uitvoering. Het document is toegespitst op de thema’s Bebouwde ruimte en mobiliteit, Landschap, groen en erfgoed en Water, bodem en energie. Ten aanzien van het voorliggende plangebied worden geen specifieke uitspraken gedaan in het Programma Ruimte.

Bestemmingsplan ‘Spindermolen’ Toelichting Vaststelling

12 Conclusie De ontwikkeling past binnen het provinciale beleid. Het beleid van de provincie ZuidHolland vormt zodoende geen belemmering voor de ontwikkeling. Nieuwe Ladder voor Duurzame Verstedelijking Op 1 juli 2017 is de Nieuwe Ladder voor Duurzame Verstedelijking in werking getreden (artikel 3.1.6 lid twee Bro). De nieuwe Ladder is ten opzichte van de voorgaande Ladder vereenvoudigd. De drie treden zijn komen te vervallen en er is een nieuwe bepaling toegevoegd. De Laddertoets geldt alleen voor plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een woongebied of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Toetsing aan de nieuwe Ladder houdt in dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Behoefte Onderhavige ontwikkeling voorziet slechts in een beperkte uitbreiding van de huidige functie. De uitbreiding vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied.

Gezien de beperkte omvang van de uitbreiding wordt dit vooralsnog niet gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De begraafplaats kampt met een toekomstig capaciteitsprobleem, hierdoor is een concrete behoefte aan uitbreiding. De gemeente Hardinxveld-Giessendam heeft aangekondigd dat er graven dienen te worden geruimd om plaats te maken voor toekomstige begrafenissen. Dit zorgde echter voor enige ophef in het dorp, waarna er onderzoek is gestart naar verschillende mogelijkheden om de begraafplaats uit te breiden. Derhalve voldoet deze ontwikkeling aan de vereisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking. 3.3

Regionaal beleid Visie 2030 Alblasserwaard Vijfheerenlanden De Visie 2030 is in 2011 uitgewerkt tussen de gemeenten in de AlblasserwaardVijfheerenlanden. In 2012 hebben de acht betrokken gemeenteraden de hoofdlijnen van de Visie 2030 vastgesteld. Deze is verdeeld in een manifest en een regioscenario. In het manifest worden de hoofdlijnen van de visie beschreven. Het regioscenario is hiervan een nadere uitwerking. Verschillende beleidsthema’s worden behandeld, waaronder de economische ontwikkeling van de regio. Groeiagenda Drechtsteden Voor krachtige, economische groei in de Drechtsteden blijft de regio stevig inzetten op een goede bereikbaarheid, goed wonen en werken. Daarom is door de colleges en het Drechtstedenbestuur de ‘Groeiagenda 2030’: Goed leven in de Drechtsteden opgesteld. In totaal willen de Drechtsteden doorgroeien naar een gebied van meer dan 300.000 inwoners, met 30.000 nieuwe banen en 25.000 nieuwe woningen. Hiermee wil de regio zorgen voor Bestemmingsplan ‘Spindermolen’ Toelichting Vaststelling

13

een goed leven in de Drechtsteden en een bijdrage leveren aan een sterker Nederland. Daarnaast heeft de Regio Drechtsteden-Gorinchem onlangs een Regio Deal ontvangen. De Regio Deal van 22,5 miljoen euro is bedoeld om onder andere het onderwijs beter aan te laten sluiten op de arbeidsmarkt in het gebied. Maar ook is de Regio Deal-subsidie voor verbetering van oevers, woningbouw en om bedrijven te laten innoveren. In de groeiagenda zijn een aantal concrete thema’s benoemd waar de komende jaren kansen en mogelijkheden voor economische groei. Een daarvan is het creëren van ‘goed wonen’: de regio wil doorgroeien naar meer dan 300.000 inwoners met een evenwichtige verdeling in woonsegmenten, duurzame, gezonde woongebieden, benutting van unieke gebiedskwaliteiten, de transformatie van kwetsbare wijken, interactiemilieus in de binnenstad en een compleet voorzieningenaanbod. In de groeiagenda worden geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot voorgenomen ontwikkeling. 3.4

Gemeentelijk beleid Structuurvisie Hardinxveld-Giessendam 2030 De gemeentelijke structuurvisie, die op 19 februari 2015 is vastgesteld, is een ruimtelijke ontwikkelingsvisie met een richtinggevend en programmatisch karakter die integrale keuzes bevat voor de hoofdlijnen van beleid voor de komende periode. De structuurvisie bouwt voort op de Visie Hardinxveld-Giessendam, die op 22 maart 2012 na een zeer interactief traject met de bevolking is vastgesteld. De structuurvisie vertaalt deze visie naar de ruimtelijke ontwikkeling van Hardinxveld-Giessendam. De structuurvisie, die vooruitkijkt tot 2030, is eveneens een integraal document en heeft als doel om de verschillende belangen, bijvoorbeeld tussen landschap, woningbouw, maatschappelijke voorzieningen en werkgelegenheid zorgvuldig af te wegen. De structuurvisie biedt een kader waarin aanspraken op de ruimte kunnen worden afgestemd en gecombineerd. Deze structuurvisie is vooral gericht op behoud en verbetering van de bestaande ruimtelijke en sociale kwaliteiten. Daarnaast is de structuurvisie gericht op het versterken en behouden van de leefbaarheid.

In de structuurvisie wordt gestuurd op ruimtelijke structuren: waar gebeurt wat, op welke manier, op welk moment en waarom? De structuurvisie is bedoeld om voor de langere termijn ruimtelijke samenhang tot stand te brengen en bezit daarom een zekere mate van globaliteit en abstractie. Het vormt de basis voor het toekomstig beleid; ter uitwerking van de structuurvisie kunnen gebiedsvisies, masterplannen en bestemmingsplannen worden opgesteld en concrete (plan)ontwikkelingen in gang worden gezet. In de structuurvisie worden geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot het voorliggend plangebied. Verkeersbeleid In 2012 is het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoerplan (GVVP) vastgesteld. Het doel van dit plan is het vastleggen van het beleid op het gebied van verkeer en vervoer in de gemeente Hardinxveld-Giessendam voor de periode 2012 tot 2022, dat aansluit bij de ambities en speerpunten die de gemeente heeft, maar tevens past binnen de kaders die hogere overheden in hun beleid stellen. Deelaspecten van het beleidsterrein verkeer en vervoer en raakvlakken met andere beleidsterreinen worden in dit plan bij elkaar gebracht, wat Bestemmingsplan ‘Spindermolen’ Toelichting Vaststelling

14

resulteert in een integrale visie op verkeer- en vervoerbeleid in de gemeente HardinxveldGiessendam. Om uitvoering te geven aan het opgestelde gemeentelijke beleid wordt het plan vergezeld van een uitvoeringsprogramma met daarin maatregelen en projecten. Het gebied wordt in de huidige en toekomstige situatie ontsloten aan de Spindermolen. De bestaande parkeerplaatsen worden aan de Spindermolen teruggebracht. Voor een veilige en herkenbare weginrichting is het belangrijk dat alle wegen zoveel mogelijk worden ingericht conform de Essentiële HerkenbaarheidsKenmerken (EHK). Volgens de principes van Duurzaam Veilig moet een weggebruiker bijna als vanzelf het gewenste gedrag op een bepaald type weg vertonen. De EHK maken de wegcategorieën voor de weggebruiker beter herkenbaar. Groenbeleidsplan Het groenbeleidsplan vormt de basis voor het gemeentelijk groenbeleid op de langere termijn. In het plan zijn randvoorwaarden en uitgangspunten geformuleerd die dienst kunnen doen als toetsingskader waar het gaat om belangenafwegingen tussen het groen enerzijds en andere aspecten anderzijds. Het plan is richtinggevend en heeft een vergelijkbare status als andere gemeentelijke beleidsplannen. Ten aanzien van het voorliggende plangebied worden geen specifieke uitspraken gedaan.

Bomenbeleidsplan en Groene Kaart Het bomenbeleidsplan (en de daarbij behorende Groene Kaart) vormt een uitwerking van het Groenbeleidsplan en geeft invulling aan de wens om de bomenverordening te vereenvoudigen. Op de Groene Kaart zijn de bomen die zich binnen de belangrijkste boomstructuren van de gemeente bevinden en bomen met een bijzondere status opgenomen. De laatstgenoemde bomen staan op de lijst waardevolle bomen. Het plangebied maakt in het Bomenbeleidsplan en op de Groene Kaart deel uit van de begraafplaats en de parkzone rondom de watergang Middenwetering. Met voorgenomen ontwikkeling wordt de bestaande watergang verlegd. Het aanwezige groen dat hier eventueel voor moet worden gekapt, zal worden teruggebracht. In het plangebied zijn geen waardevolle bomen of houtopstanden aanwezig.

Afbeelding 3.1: uitsnede Groene Kaart, de globale ligging van het plangebied is rood omcirkeld Bestemmingsplan ‘Spindermolen’ Toelichting Vaststelling

15

4

WATER

4.1

Inleiding Op grond van de “Handreiking Watertoets 2; samenwerken aan water in ruimtelijke plannen” alsmede artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van bestemmingsplannen in een vroegtijdig stadium overleg plaats te vinden met de betrokken waterbeheerder. Daarnaast worden initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen verplicht “een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding” (3.1.6. eerste lid, sub b Besluit ruimtelijke ordening) op te nemen in de toelichting van bestemmingsplannen. Dat betekent dat elk plan moet worden voorzien van een zogenoemde “waterparagraaf”, die tenminste de volgende elementen bevat: • een omschrijving van de te verwachten effecten van de ruimtelijke ingreep op de waterkeringszorg en de waterhuishouding. Het inundatierisico en de consequenties voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de riolering worden behandeld; een beschrijving van de wijze waarop de initiatiefnemer het wateradvies van de waterbeheerder(s) heeft verwerkt. Indien wordt afgeweken van het wateradvies dient daarvoor een motivering te worden opgenomen; • een beschrijving van de wijze waarop het wateradvies vertaald wordt naar de regels en de verbeelding geometrische plaatsbepaling.

4.2

Kader Europees en rijksbeleid Nationaal Waterplan De waterplannen geven het landelijke, respectievelijk regionale (strategische) waterbeleid weer. Voor het rijk is dit vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP). Het NWP geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofd- watersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met deze handelwijze is Nederland koploper en toonaangevend voorbeeld in de wereld.

Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico’s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM).

Bestemmingsplan ‘Spindermolen’ Toelichting Vaststelling

16

Vanuit de verantwoordelijkheid voor het watersysteem verankert het Rijk de volgende principes: 1. integraal waterbeheer: het kabinet houdt vast aan een integrale aanpak van de wateropgaven, door opgaven op het gebied van waterkwantiteit (waterveiligheid en wateroverlast), waterkwaliteit en gebruik van (zoet)water in natte en droge situaties in samenhang te beschouwen; 2. afwenteling voorkomen: het kabinet wil voorkomen dat waterkwantiteits- en waterkwaliteitsproblemen worden afgewenteld in de ruimte en de tijd, zoals het afwentelen van bovenstrooms veroorzaakte waterkwaliteitsproblemen op benedenstrooms gelegen wateren. Om afwenteling te voorkomen, maken beheerders onderling afspraken over acceptabele hoeveelheden en de kwaliteit van het te ontvangen water. Om afwenteling te voorkomen gelden ook de tritsen vasthoudenbergen-afvoeren en schoonhouden-scheiden-schoonmaken, deze verantwoordelijkheid geldt tevens voor de toekomstige perceeleigenaren; 3. ruimte en water verbinden: bij de aanpak van wateropgaven en de uitvoering van maatregelen vindt vooraf afstemming plaats met de andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied. Het doel is dat de scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of elkaar versterken.

Met deze aanpak is het vaak mogelijk het waterbeheer te verbeteren en tegelijk de economie en de leefomgeving te versterken tegen lagere kosten. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21 e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden.

Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Provinciaal beleid Op 29 juni 2016 is het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021 in werking getreden. Het plan is een herziening van het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015. Op grond van artikel 4.8 Waterwet dient het waterplan eens in de zes jaar door Provinciale Staten te worden herzien.

Bestemmingsplan ‘Spindermolen’ Toelichting Vaststelling

17

Het Hoofdlijnenakkoord 2015 – 2019 van het college van Gedeputeerde Staten schetst de ambitie om beleid zo veel mogelijk integraal vorm te geven en te anticiperen op de visie die ten grondslag ligt aan de Omgevingswet. Specifiek voor het regionale waterbeleid is hieraan voldaan met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) en de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water. Dit maakt een volledig nieuw regionaal waterplan overbodig. Het planherzieningsbesluit bevat geen nieuw beleid. Het verwijst naar de diverse vastgestelde beleidsdocumenten waarin het waterbeleid inmiddels geactualiseerd is opgenomen. Verder benoemt het besluit op welke onderdelen het beleid van het Provinciaal waterplan Zuid-Holland 2010 - 2015 van kracht blijft. Het Regionaal waterplan ZuidHolland 2016-2021 bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2015 en het provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015. Beleid waterbeheerder De waterbeheerder ter plaatse van het plangebied is het Waterschap Rivierenland. Daarnaast is de Beneden Merwede inclusief de buitendijks gelegen gronden in beheer bij Rijkswaterstaat. Het Algemeen Bestuur van het Waterschap Rivierenland heeft in november 2015 het Waterbeheerplan 2016-2021 vastgesteld. De doelen in de planperiode zijn onderverdeeld in drie thema’s: waterveiligheid, watersysteem en waterketen.

Waterveiligheid gaat over maatregelen aan dijken en het beheer hiervan. Tevens is het waterschap verantwoordelijk voor voldoende en schoon water in het gehele watersysteem. Er wordt gezorgd voor de aan- en afvoer van water, een goed waterpeil en goede grondwatercondities. Het derde thema hangt hier nauw mee samen, het zuiveren van het water in de waterketen. Daarnaast is het doel dat in 2027 de KRW-doelstellingen voor de waterkwaliteit worden gehaald. Hiervoor is het nodig in de periode 2016 tot en met 2021 een groot aantal maatregelen te treffen om vooral de ecologische waterkwaliteit te verbeteren. Ook het stedelijk gebied zal klimaatbestendig moeten worden gemaakt. Samen met de gemeenten wordt in de planperiode verder ingegaan op de ingeslagen weg om het waterbergend vermogen van stedelijk water te vergroten en de waterkwaliteit te verbeteren. Daarnaast geeft het Waterschap met de gemeenten verder vorm aan de samenwerking in de afvalwaterketen. Met ingang van 22 december 2021 is het Waterbeheerprogramma 2022-2027: ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ van het waterschap Rivierenland in werking getreden. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit, wegen en waterketen.

Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen' beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema's: beschermen tegen overstromingen, water eerlijk verdelen, voorbereiden op extreem weer, streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit, bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur, kwaliteitsverbetering zwemwater, toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit en toewerken naar circulariteit. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben Bestemmingsplan ‘Spindermolen’ Toelichting Vaststelling

18

op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Het Waterschap Rivierenland hanteert de beleidsregel 'Nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak'. Deze heeft als doel de versnelde afvoer van hemelwater als gevolg van de uitbreiding van het verhard oppervlak te beperkten tot de maatgevende afvoer van het landelijk gebied. Een uitbreiding van het verhard oppervlak moet vanuit waterhuishoudkundig opzicht dus waterbalans-neutraal plaatsvinden. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. De watergangen zijn opgenomen in de Legger. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in of nabij het oppervlaktewater kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het Waterschap Rivierenland het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht behoort te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Binnen Rivierenland wordt voornamelijk ingezet op “vasthouden – bergen – afvoeren” van schoon water.

De waterschappen werken integraal samen met gemeenten, die vaak het beheer over de ruimtelijke ordening en van de openbare ruimte hebben Gemeentelijk beleid In 2003 hebben gemeente en Waterschap een stedelijk waterplan voor HardinxveldGiessendam opgesteld. In het waterplan staan maatregelen beschreven om het oppervlaktewater te verbeteren. Na vaststelling van het waterplan in 2003 zijn diverse projecten gestart. Deze projecten zijn inmiddels allemaal afgerond. In 2010 en 2011 hebben gemeente en waterschap het waterplan geëvalueerd. De doelen uit het plan uit 2003 zijn behaald. Met het afronden van het waterplan is het niet zo dat hiermee de taken van gemeente en waterschap zijn afgerond. Er is gewerkt aan een verdere verbetering van de waterhuishouding op straat- en wijkniveau. Waterschap en gemeente hebben begin 2016 beiden extra geld beschikbaar gesteld om aanvullende maatregelen om wateroverlast te beperken en om de (water)systemen robuuster te maken en beter te laten functioneren. Deze maatregelen zijn inmiddels afgerond. 4.3

Onderzoek Oppervlaktewatersysteem Binnen het plangebied bevindt zich een B-watergang (zie afbeelding 4.1). Deze watergang zal worden verlegd. Ten zuiden van het plangebied loopt de A-watergang Middenwetering. Hieraan vinden geen aanpassingen plaats.

Bestemmingsplan ‘Spindermolen’ Toelichting Vaststelling

19

Afbeelding 5.1: uitsnede Legger Wateren Waterschap Rivierenland

Waterkwantiteit Voor plannen met een toename aan verhard oppervlak zijn compenserende maatregelen nodig. Bij toename van verharding tot 5.000 m2 in stedelijk en landelijk gebied geldt de vuistregel: 436 m3 waterberging per hectare verharding. De watergang naast de parkeerplaats wordt iets in oostelijke richting verlegd. Hierdoor krijgt de watergang er een ‘knik’ bij waardoor er geen water verloren gaat. De parkeerplaats maakt plaats voor de watergang en begraafplaats. De rijbaan naast het plangebied wordt smaller zodat er ruimte ontstaat voor parkeren langs de Spindermolen. Hierdoor komt er ook geen verharding bij. Tevens zijn parkeervoorzieningen binnen de bestemming ‘Groen’ reeds toegestaan. Veiligheid Het plangebied is niet gelegen in een beschermingszone van een waterkering. Natte natuur / verdroging Het plangebied is niet gelegen in een (nat) natuurgebied of (natte) ecologische verbindingszone. Verdroging zal niet optreden door de voorgestane ontwikkelingen, omdat het grondwaterpeil niet zal worden aangepast. Keur en Legger Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het

Bestemmingsplan ‘Spindermolen’ Toelichting Vaststelling

20

Waterschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de meeste gevallen is een vergunning benodigd. De Legger is een register waarin functie, afmetingen en onderhoudsplichtigen van wateren (zoals sloten en vaarten), waterbergingen en natuurvriendelijke oevers vastgelegd zijn. Ook geeft de legger de ligging van wateren, waterbergingen en natuurvriendelijke oevers aan, zodat duidelijk is waarop de Keur van toepassing is. Ontwerpnormen In de Beleidsregels voor de Keur van het waterschap zijn ontwerpnormen voor het watersysteem opgenomen. Verder zijn er Algemene regels, bijvoorbeeld voor het planten van bomen langs sloten. Stilstaand water moet zoveel mogelijk worden voorkomen, door het onderling verbinden van sloten of bij doodlopende wateren door het plaatsen van lozingspunten vanuit het regenwaterriool. Om het waterkwantiteitsbeheer te kunnen waarborgen dienen doorstroomprofielen in stand te worden gehouden. De watergang binnen het plangebied betreft een B-watergang ten behoeve van de lokale waterafvoer en -berging. 5.4

Conclusie Het bestemmingsplan is conform het gestelde in ex artikel 3.1.1. van het Bro, aan het Waterschap voorgelegd. Daarnaast is voor het project een watervergunning (kenmerk 2020154192/2021031707) afgegeven. Hiermee vormt het aspect water geen belemmering voor voorliggende ontwikkeling.

Bestemmingsplan ‘Spindermolen’ Toelichting Vaststelling

21

5

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE

5.1

Archeologie

5.1.1 Kader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland heeft kaarten vervaardigd waarin de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) van Zuid-Holland is vastgelegd. Dit project is opgezet om het beleid en alle verantwoordelijkheden die de provincie heeft op het gebied van cultureel erfgoed – te weten archeologie, nederzettingsgeschiedenis en landschapsbehoud - te onderbouwen en te integreren. Zo kan de waardering, de toetsing en de actieve bescherming van historische kwaliteiten worden verbeterd. De kaarten vestigen de aandacht op onder meer de landschapsvorming in het poldersysteem. Uit de kaart van de CHS Zuid-Holland blijkt dat binnen het plangebied geen waardevolle cultuurhistorische lijnen of objecten aanwezig zijn. Gemeentelijke Beleidsnotitie Archeologie Op de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente HardinxveldGiessendam is een verfijning gegeven van de archeologische (verwachtings)waarden. Uitgangspunt is het zoveel mogelijk behouden van archeologische waarden ‘in situ’ door deze in te passen in de ontwikkeling. Regioprofielen Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland heeft de regio ingedeeld in gebiedsprofielen. Een gebiedsprofiel beschrijft en visualiseert kenmerkende ruimtelijke elementen die van bovenregionaal belang zijn.

Gemeente Hardinxveld-Giessendam valt onder het gebiedsprofiel Alblasserwaard-Vijfheerenlanden. De ontwikkeling past binnen de ambities die zijn gesteld in dit gebiedsprofiel. 5.1.2 Onderzoek Op basis van de Archeologische verwachting- en Beleidsadvieskaart van de gemeente Hardinxveld-Giessendam ligt het plangebied op gronden waarop een lage archeologische verwachting rust. In het bestemmingsplan is opgenomen dat bij een lage verwachtingswaarde onderzoek voor ingrepen verplicht over een oppervlakte van 10.000 m2 of meer en dieper dan 0,3 m. Dit aantal m2 wordt bij door de ontwikkeling niet overschreden, waardoor er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. 5.1.3 Conclusie Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden gesteld dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor voorliggend plan. 5.2

Cultuurhistorie

5.2.1 Kader Visie erfgoed en ruimte ‘Kiezen voor karakter’ In de Visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2016. De moderne Bestemmingsplan ‘Spindermolen’ Toelichting Vaststelling

22

monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In 2017 heeft de Visie erfgoed en ruimte ‘Kiezen voor karakter’ een doorstart gekregen. In de Visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het Rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1. werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3.

herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk. In de jaren 2012-2016 heeft de Rijksdienst in deze vijf programmalijnen uitvoering gegeven aan de beleidsnota Visie Erfgoed en Ruimte. Het programma Erfgoed en Ruimte wordt met een paar jaar verlengd, tot aan de invoering van de Omgevingswet. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)”. In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid. 5.2.2 Conclusie Uit de kaart van de CHS Zuid-Holland blijken in het plangebied geen belangrijke cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten aanwezig zijn. Het gebied herbergt geen waardevolle aspecten.

Bestemmingsplan ‘Spindermolen’ Toelichting Vaststelling

23

6.

MILIEUASPECTEN

6.1

Vormvrije m.e.r.-beoordeling Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.-beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De uitbreiding van een begraafplaats valt (mogelijk) onder het bepaalde in categorie D 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Deze activiteit betreft de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Een stedelijk ontwikkelingsproject omvat ingevolge het Besluit m.e.r. bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Een begraafplaats als zodanig is niet expliciet aangehaald in de toelichting bij het Besluit m.e.r. maar wordt, gezien de definitie, niet direct uitgesloten. Een begraafplaats is een bouwproject en wordt gezien als een wenselijke/nodige voorziening bij verdere stadsontwikkeling. De uitbreiding van de begraafplaats is een wens van de gemeenteraad van Hardinxveld-Giessendam.

Hoewel de drempelwaarde (kolom 2) niet wordt overschreden dient evenwel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld. Dit dient plaats te vinden aan de hand van drie criteria: 1. Kenmerken van het project; De gemeente Hardinxveld-Giessendam heeft de wens om de Algemene Begraafplaats Neder-Hardinxveld naar het oosten uit te breiden. Het betreft 138 extra graven op de plaats waar de huidige parkeerplaats gesitueerd is. De parkeerplaats zal plaats maken voor de begraafplaats en de te verleggen watergang. Daarnaast wordt de Spindermolen heringericht, waarbij ruimte ontstaat voor 31 parkeerplaatsen langs de straat. 2. Plaats van het project; Algemene Begraafplaats Neder-Hardinxveld is gelegen aan de weg Spindermolen te Hardinxveld-Giessendam, zie paragraaf 1.3. De begraafplaats ligt ten noordoosten van het centrum van Hardinxveld-Giessendam. 3. Kenmerken van het potentiële effect. In het kader van de voorliggende ontwikkeling zijn in de hoofdstukken hiervoor en in dit hoofdstuk diverse (milieu)aspecten zorgvuldig afgewogen. Per aspect is bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten archeologie, cultuurhistorie, bedrijven- en milieuzonering, bodemgeschiktheid, externe veiligheid, geluid, luchtkwaliteit, flora en fauna, water, verkeer en parkeren.

Uit de afweging is gebleken dat de effecten niet van dien aard zijn dat een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. Op grond van het voorgaande zijn belangrijke nadelige milieueffecten uitgesloten, waardoor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling of MER niet zinvol wordt geacht.

Bestemmingsplan ‘Spindermolen’ Toelichting Vaststelling

24

6.2

Akoestisch onderzoek

6.2.1 Kader Op grond van artikel 74 Wet geluidhinder (Wgh) bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voordat nieuwe woningen binnen deze zone kunnen worden geprojecteerd dient te worden onderzocht of aan de normen van de Wgh wordt voldaan. 6.2.2 Onderzoek en conclusie De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van geluidsgevoelige objecten. Akoestisch onderzoek is vanuit de Wet geluidhinder niet noodzakelijk. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening verdient het aspect geluid wel aandacht. Tijdens een uitvaart kan omgevingsgeluid hinderlijk zijn. Gezien de ligging van de uitbreiding van de begraafplaatsen is het verkeer op de Spindermolen de maatgevende geluidsbron. Deze wijkontsluitingsweg zal tijdens de spits relatief druk bereden worden. Buiten de spits, op de momenten dat de uitvaarten worden gehouden, is de verkeersintensiteit op de Spindermolen gering waardoor geen geluidshinder zal optreden. Het aspect geluid veroorzaakt geen belemmering voor de uitbreiding van de begraafplaats en herinrichting van de Spindermolen. 6.3

Luchtkwaliteit

6.3.1 Kader De kern van de Wet luchtkwaliteit (titel 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer) is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Het doel van het NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen, waarvan stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste zijn. Met het van kracht worden van het NSL per 1 augustus 2009 zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO 2 en PM10 van 40 µg/m3 aangepast. Naast de introductie van het NSL is de invoering van het begrip “niet in betekenende mate bijdragen” (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit als zowel de jaargemiddelde grenswaarde NO2 als PM10 niet meer toeneemt dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde van die stof. Dit betekent, kortweg, dat als de toename van de beide jaargemiddelde concentraties kleiner is of gelijk is aan 1,2 µg/m3 (3% van 40 µg/m3) een ontwikkeling kan worden beschouwd als een project dat NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als: de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; Bestemmingsplan ‘Spindermolen’ Toelichting Vaststelling

25

-

projectsaldering kan worden toegepast.

Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. NIBM-projecten (kleine projecten) In de bijlagen van de “Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” (ook wel: regeling NIBM) zijn functiecategorieën of combinaties van functiecategorieën aangegeven waarbij sprake is van een NIBM-project. In de Regeling NIBM is voor een woningbouwlocatie een cijfermatige kwantificatie opgenomen wanneer een woningbouwproject als NIBM kan worden beschouwd. Momenteel bedraagt de cijfermatige kwalificatie 1.500 nieuwe woningen bij één ontsluitingsweg of 3.000 nieuwe woningen bij twee ontsluitingswegen, waarbij het wegverkeer zich evenredig over de beide ontsluitingswegen verdeeld. 6.3.2 Onderzoek De ontwikkeling valt binnen de NIBM-regeling van de Wet luchtkwaliteit. Om deze reden is onderzoek naar het effect op de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen niet noodzakelijk. Goede ruimtelijke ordening Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is beoordeeld of ter plaatse van het plangebied, mogelijke hogere concentraties luchtverontreinigende stoffen aanwezig zijn. Langs wegen zijn met name de stoffen NO2, PM10 en PM2,5 van belang.

Om de luchtkwaliteit op deze locatie te kunnen beoordelen is gebruik gemaakt van de NSLmonitoringstool. In deze tool zijn de concentraties luchtverontreinigende stoffen opgenomen. Op de volgende afbeelding zijn de jaarconcentraties NO 2, PM10 en PM2,5 weergegeven voor het peiljaar 2020.

Afbeelding 6.1: jaargemiddelde concentratie NO2, PM10 en PM2,5 (peiljaar 2020).

Bestemmingsplan ‘Spindermolen’ Toelichting Vaststelling

26

Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5ter plaatse van het plangebied voor de voorgenoemde stoffen niet meer bedragen dan respectievelijk 20,7 μg/m3, 17,1 μg/m3 en 9,3 μg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3 (voor NO2, PM10 ) en 25 μg/m3 (voor en PM2,5) wordt dan ook niet overschreden. De trend is dat de emissies en de achtergrondconcentraties voor de voorgenoemde stoffen in de toekomst zullen afnemen, waardoor in de toekomst dan ook geen overschrijdingssituaties zijn te verwachten. 6.3.4 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. 6.4

Externe veiligheid

6.4.1 Wettelijk kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. Plaatsgebonden risico Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Groepsrisico Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). Verantwoording groepsrisico Binnen het invloedsgebied geldt dat voor ieder ruimtelijk plan groepsrisicoverantwoording verplicht is. Een verantwoording is een kwalitatieve beschrijving over de waarde van het groepsrisico, maatregelen, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Het advies van de veiligheidsregio speelt hierbij een belangrijke rol. Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen over wegen, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) hanteert een vaste afstand van 200 meter, gemeten vanaf de buitenrand van de transportroute, voor het verantwoordingsgebied. Binnen dit gebied dient de hoogte van het GR inzichtelijk te worden gemaakt. Binnen het invloedsgebied dient een motivering te worden opgesteld over de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Bestemmingsplan ‘Spindermolen’ Toelichting Vaststelling

27

Ten aanzien van de verantwoordingsplicht groepsrisico wordt, net als in het Bevb, onderscheid gemaakt tussen een volledige verantwoording en een beperkte verantwoording van het groepsrisico. In het Bevt zijn tevens plasbrandaandachtsgebieden (PAG) benoemd voor transportroutes. Voor transportroutes over de weg bedraagt het PAG 30 meter, gemeten vanuit de rand van de transportroute. 6.4.3 Onderzoek en conclusie Een begraafplaats wordt niet aangemerkt als een risicobron en wordt ook niet aangemerkt als een (beperkt) kwetsbaar object, zodat nader onderzoek naar externe veiligheid niet noodzakelijk is. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. 6.5

Milieuhinder bedrijven

6.5.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. 6.5.2 Onderzoek Het plangebied en de omgeving kan worden gezien als het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een begraafplaats valt onder de categorie 1 bedrijf en de richtafstand met betrekking tot geluid is 10 meter. Door de groenstrook, de te verleggen watergang en de Spindermolen wordt deze afstand tot aan de woningen ruimschoots behaald. 6.5.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. 6.6

Flora en Fauna

6.6.1 Kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de Bestemmingsplan ‘Spindermolen’ Toelichting Vaststelling

28

vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/796/documents/27624