Beantwoording technische vragen T@B over Variantkeuze sporthal De Wielewaal.pdf
Tekst van het document
RAADSVRAGEN
Onderwerp:
Raadsvoorstel Sporthal de Wielewaal
Naam steller: Partij:
Paul Hoogstraten T@B
Categorie:
A. Technische vragen over geagendeerde stukken
Vraag 1: U geeft aan dat de PLUS-variant niet te adviseren vanwege hetgeen gesteld is in de Centrumvisie met betrekking tot horeca. In de toelichting wordt hierbij tevens aangegeven dat hierbij niet besloten is om exclusief horeca in het centrum toe te laten. Wat zijn de doorslaggevende overwegingen om geen uitgebreide horecavoorziening te realiseren bij de Wielewaal zeker ook omdat andere horeca initiatieven (zoals bij de IJzergieterij) nog zeer onzeker zijn en er generiek gezien weinig horecavoorzieningen zijn in Hardinxveld-Giessendam? Reactie college Naast de mogelijke negatieve effecten van een commerciële horecavoorziening in sporthal De Wielewaal op bestaande commerciële horeca‑initiatieven in de gemeente, is als uitgangspunt gekozen voor maatschappelijk horeca die primair is gericht op de behoeften van de gebruikers van de sporthal. Indien wordt gekozen voor commerciële horeca in plaats van maatschappelijke horeca, zal een hogere pacht of huur worden gehanteerd. Dit zal naar verwachting leiden tot een aanzienlijke verhoging van de tarieven. Tot slot behouden we in het geval van maatschappelijke horeca de mogelijkheid om 1 op 1 verder te gaan met de huidige uitbater.
Toelichting Door de huidige exploitant van het horecagedeelte in de Wielewaal is eerder aangegeven dat hij een uitgebreider horecaconcept wil ontwikkelen met de kanttekening dat dit alleen mogelijk is met een duidelijk toekomstperspectief. Vraag 2: Op welke wijze is de huidige exploitant betrokken bij het opstellen van het voorliggende raadsvoorstel en wat is zijn zienswijze / opinie op het onderdeel horeca? Reactie college De huidige exploitant is op dezelfde wijze betrokken als de verenigingen. Het is bekend dat er drie varianten zijn opgesteld en dat het college hieruit een gewogen keuze zal maken. De huidige exploitant heeft de intentie om deze voorziening, met een maatschappelijk karakter, verder te exploiteren. De exploitant heeft ideeën met betrekking tot de indeling van de horeca, die in samenwerking met de exploitant verder worden uitgewerkt in een VO/DO.
Vraag 3: Wat zijn de vervolgstappen als het gaat om de exploitatie van de horeca dit onder andere ten aanzien van participatie, aanbesteding / gunning? Reactie college
In de fase tot een voorlopig ontwerp participeert de exploitant hierin. Dit geldt ook voor de gebruikers. De aanbesteding en gunning is aan de bouwheer.
Vraag 4: Kan de exploitatie van de horeca zowel de basisvariant als de plusvariant één op één gegund worden of is hiervoor een specifieke aanbestedingsprocedure voor nodig en wat zijn hierin varianten / draaiknoppen? Reactie college Nee. De basisvariant impliceert een maatschappelijke horeca en de plusvariant een commerciële horeca. Binnen de huidige wettelijke regels mogen we een maatschappelijk horeca (zoals die nu ook het geval is) voortzetten met de huidige exploitant. Een commerciële horeca voorziening moet worden aanbesteed en kan dus niet 1 op 1 worden gegund. Vraag 5: In hoeverre zijn er besparingen mogelijk door bestaande voorzieningen / faciliteiten in stand te laten zoals bijvoorbeeld de traplift (welke nu nog prima functioneert maar wel vernieuwd wordt bij renovatie) en de huidige keuken (welke in het voorstel op een geheel andere locatie komt wat allerlei kosten met zich meebrengt ten aanzien van leidingen en afzuiging)? Reactie college In dit stadium zijn globale keuzen gemaakt om tot een raming te komen. In de uitwerking van een Voorlopig- en Definitief Ontwerp, worden mogelijke de besparingen en ontwerpwijzingen (zoals de u aangeeft bij de keuken) uitgewerkt.
Vraag 6: De optie om als tijdelijke voorziening een "blaashal" te realiseren wordt niet voorgesteld. Toch een vraag hierover: - Wat is de gemiddelde levensduur van een blaashal? Reactie college De technische levensduur wordt vastgesteld op circa 20 jaar. De economische levensduur bedraagt echter circa 15 jaar, aangezien dit in de regel wordt aangemerkt als een installatie en niet als een gebouw.
-2-