Beantwoording technische vragen SGP - Perspectiefnota 2027-2030.pdf
Tekst van het document
RAADSVRAGEN
Onderwerp:
Perspectiefnota 2027-2030
Naam steller: Partij:
Henri van Bennekom SGP
Categorie:
Technische vragen over geagendeerde stukken
Vraag 1: Blz. 12: Een verduidelijkingsvraag: Hoe verhoudt de opmerking bij stap 2 ‘De keuzevrijheid bij deze stap is groot’ zicht tot de opmerking op dezelfde bladzijde ‘De eerste drie stappen worden min of meer als gegeven beschouwd’? Reactie college Waar het zeer ingewikkeld is om verplichtingen in stap 1 open te breken (en de keuzevrijheid daar dus als zeer klein wordt gezien), ligt er bij het doorvoeren van de genoemde kostenbesparingen geen verplichting aan ten grondslag. En daarmee is de keuzevrijheid bij stap 2 groot. Nuance daarbij is dat de concrete besparingsmaatregelen onder stap 2 beperkt, vooral financieel-technisch van aard en zonder negatieve maatschappelijke effecten zijn. Daarom wordt deze stap min of meer als een logisch gegeven beschouwd in het geheel van de eerste drie stappen. Vraag 2: Blz. 15: Hier staat opgenomen: ‘Onderzoek en planvoorbereiding Rivierdijk naar GOW 30 km/h’. Dit wordt nader geduid in de bijlage op blz. 25: ‘Onderzoek en planvoorbereiding voor ombouw deel Rivierdijk van gebiedsontsluiting 50 km/u naar gebiedsontsluitingsweg 30 km/u conform het mobiliteitsplan.’ Het mobiliteitsplan geeft aan dat dit gaat om het stukje Rivierdijk ter hoogte van het gemaal. a.
Kunnen ook nog kosten verwacht worden voor ander onderzoek naar de andere delen in het dorp waar GOW 30 km/u of een andere wijziging is beoogd? Zo ja, over welke delen gaat dit dan en wat zijn daarvan te verwachten kosten? b. Waarom staat dit onderzoek voor (minimaal) 4 jaar in de boeken, voor jaarlijks € 18.800? Moet dit onderzoek (minimaal) 4 jaar duren? Of kost het onderzoek veel meer dan de € 18.800 euro en wordt dit over meerdere jaren verspreid? Reactie college Vraag 2 a: In het Mobiliteitsplan zijn ook de route Stationsstraat-Weideveld-Thorbeckestraat en het gedeelte Spoorweg tussen de Spoorwegovergang en de Frederikstraat opgenomen als toekomstige GOW30. Echter, in de transformatie van deze routes is de komende jaren op dit moment nog niet voorzien en daarom zijn deze niet verwerkt in de huidige perspectiefnota. Deze inzet is dus op termijn nog wel te verwachten en zal te zijner tijd ook financieel vertaald worden in een perspectiefnota en begroting. Daarbij kan uitgegaan worden van een financiële omvang die vergelijkbaar is met de nu voorliggende maatregelen. Vraag 2 b: Onderzoekskosten zoals deze worden over meerdere jaren verspreid (afgeschreven conform de Financiële Verordening), zoals u in het laatste deel van de vraag terecht verondersteld. Dit principe is op meerdere plekken in de perspectiefnota terug te vinden.
In dit geval is het dus de bedoeling dat het onderzoek in 2027 plaatsvindt en de kapitaallasten vervolgens over vijf jaar verspreid worden. Vraag 3: M.b.t. ‘Duurzaamheidsprogramma: efficiënt regionaal samenwerken energie en klimaat’
Als toelichting staat vermeld: ‘Duurzaamheid vraagt kennis die soms lastig alleen lokaal te organiseren is. We versterken de regionale samenwerking. Die geeft schaalvoordeel: samen financieren en benutten we expertise via platforms als Energieteam, Smart Delta en A5H.’ Onduidelijk blijft wat we hiervoor dan precies zouden gaan doen. Kan dit toegelicht worden? Reactie college In de beantwoording van de vragen van CU en CDA ten aanzien van het duurzaamheidsprogramma is een duiding gegeven van de samenhang van het programma op hoofdlijnen, en de ruimte voor afwegingen daarbij. Het is goed om deze antwoorden ook te betrekken op onderstaand antwoord op uw vraag: Op dit moment maken we gebruik van capaciteit die regionaal georganiseerd is. Zo is de expertise van het regionale energieteam (gekoppeld aan de Smart Delta) van groot belang voor het vraagstuk ‘netcongestie’ en het komen tot een robuust regionaal energiesysteem: de strategische afstemming op duurzaamheid met partners als Stedin, waterschappen en de veiligheidsregio gaat primair via de regionale tafels. Datzelfde geldt voor afstemming met bijvoorbeeld de diverse ministeries. Naast expertise gaat het soms ook om een functionele bundeling van krachten.
Door als gemeenten financiering te bundelen ontstaat ruimte om de juiste capaciteit in te huren, zodat gemeenten zoals de onze hier gebruik van kunnen maken, waar anders de schaal van alleen de eigen gemeente te klein zou zijn om diezelfde capaciteit te organiseren. Daarbij zien we het aantal vraagstukken dat om een aanpak vanuit regionale samenhang vraagt toenemen: denk daarbij aan klimaatadaptatie, circulariteit, energiesysteem, et cetera.
-2-