Beantwoording Technische vragen SGP over raadsvoorstel Volkshuisvestingsprogramma.pdf
Tekst van het document
RAADSVRAGEN
Onderwerp:
Volkshuisvestingsprogramma
Naam steller: Partij:
Koen Schouten SGP
Categorie:
A. Technische vragen over geagendeerde stukken
Vraag 1: Een algemene vraag: het Volkshuisvestingsprogramma gaat voor een groot gedeelte over bijzondere doelgroepen, en dan met name zorggroepen. Waarom is hiervoor gekozen? Reactie college Door binnen de totale woningmarkt bijzondere doelgroepen (of ook wel: aandachtsgroepen) van inwoners en woningzoekenden te onderscheiden, kunnen de specifieke woon(zorg) vragen en behoeften van kwetsbare groepen inwoners goed in beeld worden gebracht en kan daar gericht beleid op worden ontwikkeld. Ook vanuit wet- en regelgeving van andere overheden (bijvoorbeeld de in voorbereiding zijnde Wet versterking regie op de Volkshuisvesting) wordt aan gemeenten gevraagd om in hun beleid op de behoeften van deze aandachtsgroepen in te gaan. Vraag 2: Hoeveel procent van de te realiseren woningen tot 2035 hebben een link met deze aandachtsgroepen? En welke invulling krijgt de rest van de woningen tot 2035? Reactie college In de Woonzorganalyse is onderzocht dat voor senioren in de gemeente een algemene behoefte bestaat aan 35 zorggeschikte, 50 geclusterde en 160 nultredenwoningen. In totaal gaat het om ca. 25% van het woningbouwprogramma voor de komende jaren. Dit betreft zowel programmering in (midden/sociale) huur- als koopwoningen.
(Voor een aantal andere aandachtsgroepen, zoals dak- en thuislozen en inwoners met psychiatrische problematiek wordt de behoefte nader in beeld gebracht en worden in regionaal verband afspraken gemaakt over huisvesting in de verschillende gemeenten, maar dit betreft kleinere aantallen personen). Voor de kwalitatieve invulling van het woningbouwprogramma bevat het Volkshuisvestingsprogramma algemene uitgangspunten (zoals 2/3 betaalbaar, waarvan de helft dus 1/3 van het totaal sociale huur). De verdere invulling naar specifieke woningtypen gebeurt in overleg met maatschappelijke en marktpartijen en is locatieafhankelijk. Vraag 3: Op blz. 12 staat dat we willen voorzien in een regionale behoefte. Over welke regionale behoefte gaat dit en waar moeten we dan concreet aan denken? Is er een bepaald beeld hierbij? En hoe is de raad betrokken bij de keuze van het invullen van de regionale behoefte? Reactie college De regionale woningbehoefte waarover in het programma wordt gesproken betreft de behoefte binnen de regio Drechtsteden (zoals onderzocht in de Woningmarktanalyse Drechtsteden). In het Volkshuisvestingsprogramma staat het voornemen om als eerste te willen voorzien in de lokale behoefte van gemiddeld 80 woningen per jaar en in een deel van de regionale behoefte. Dit resulteert voor de eerstkomende jaren in een totaal woningbouwprogramma van gemiddeld 125 woningen per jaar.
Over het gezamenlijke woningbouwprogramma van de Drechtsteden-gemeenten worden regionale afspraken voorbereid. Binnenkort worden de raden hierover geïnformeerd en bij de vaststelling ervan betrokken.
Vraag 4: Op blz. 19 gaat het over voorrang bij toewijzing voor aandachtsgroepen en mensen met binding aan de gemeente. Valt dit onder dezelfde categorie? Of zijn het twee aparte groepen? Reactie college De Wet versterking regie op de Volkshuisvesting bepaalt dat gemeenten in een Huisvestingsverordening de voorrang bij toewijzing voor een aantal aandachtsgroepen moeten opnemen. Daarnaast zijn er onder voorwaarden mogelijkheden om voorrang bij toewijzing mogelijk te maken voor reguliere woningzoekenden met een lokale binding. Dit kunnen dus verschillende groepen bewoners zijn. Vraag 5: Er staat in het VHP niets vermeld over lokale voorrang bij huurwoningen via Fien Wonen. Worden er hier ook concrete stappen gezet (eventueel met wettelijke mogelijkheden)? Reactie college Met Fien Wonen wordt gesproken over de mate waarin huurwoningen worden toegewezen aan inwoners en mensen met een lokale binding en wordt bezien of het mogelijk is om hier extra regels (bijvoorbeeld in een Huisvestingsverordening) voor op te nemen. Vraag 6: Op welke manier vindt evaluatie en rapportage plaats van de doelen die gesteld zijn in dit VHP? Reactie college Evaluatie vindt plaats met behulp van een te ontwikkelen woningbouwmonitor en via overleg met betrokken maatschappelijke en marktpartijen (onder andere in de vorm van een jaarlijkse 'Dag van het wonen').
De vorm van de rapportage wordt eveneens nog nader ontwikkeld. Vraag 7: Ik mis een financieel kader waarbinnen deze uitvoering gaat plaatsvinden, zowel van de doelen als ook de operationele kant van de afspraken (denk aan uitvoering projecten). Klopt deze conclusie? Reactie college De in het programma voor uitvoering in het jaar 2026 benoemde werkzaamheden en activiteiten kunnen plaatsvinden vanuit beschikbaar budget en formatie. Voor de overige activiteiten zal in een uitvoerings-agenda een nadere afweging worden gemaakt over prioritering en planning. Daarbij zal tevens worden aangegeven in hoeverre extra personele inzet of financiële middelen benodigd zijn (en hoe deze beschikbaar gesteld kunnen worden). Als onderdeel van een projectmatige aanpak van werken worden bij de betreffende woningbouwprojecten de financiële aspecten van uitvoering in beeld gebracht en aan de raad voorgelegd voor besluitvorming.
-2-