CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording technische vragen CDA - Perspectiefnota 2027-2030.pdf

Gemeenteraad GHG 9 juli 2026, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 9: Perspectiefnota 2027-20301.474 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

RAADSVRAGEN

Onderwerp:

Perspectiefnota 2027-2030

Naam steller: Partij:

Colinda van Rees CDA

Categorie:

Technische vragen over geagendeerde stukken

Ophogen bibliotheeksubsidie in Perspectiefnota 2027-2030 Toelichting In de Perspectiefnota wordt gesproken over het ophogen van de bibliotheeksubsidie. Vraag 1 Kan het college aangeven in hoeverre de voorgestelde verhoging van de bibliotheeksubsidie wordt gedekt door middelen die de gemeente ontvangt vanuit het Rijk, bijvoorbeeld via een specifieke uitkering (SPUK) of het gemeentefonds, en welk bedrag uiteindelijk ten laste komt van de gemeentelijke begroting? Reactie college Vanaf 2025 ontvangt de gemeente via het Gemeentefonds (decentralisatie-uitkering) structureel €100.000 voor de invulling van tenminste één bibliotheekvoorziening per gemeente. De voorwaarden die het Rijk daarbij stelt zijn opgenomen in de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (WSOB) die per 1 januari 2027 ingaat. Op dit moment gaat er €450.000 MAG-begrotingssubsidie naar de bibliotheek. Om de bibliotheek verder te versterken wordt voorgesteld om de €100.000 toe te voegen aan de bestaande subsidie. Dat wordt na wijziging €550.000. Als hiervoor gekozen wordt dan komt het laatstgenoemde bedrag komt dus ten laste van de gemeentelijke begroting, maar daar staan dan voor een deel wel inkomsten vanuit het Rijk tegenover. Vraag 2 In de Perspectiefnota is de verhoging van de bibliotheeksubsidie aangemerkt als een politieke keuze.

Kan het college toelichten in hoeverre hier daadwerkelijk sprake is van een politieke keuze als volgens de toelichting deze middelen (mede) nodig zijn om te voldoen aan de wettelijke taken uit de Bibliotheekwet? Reactie college Hoewel de uitvoering van de wettelijke zorgplicht geen politieke keuze is, is de inzet van de ontvangen decentralisatie-uitkering voor de bibliotheek wel een bestuurlijke afweging. Met andere woorden: de gemeente gaat zelf over de invulling en de hoogte van subsidie naar de bibliotheek, zolang er maar voldaan wordt aan de wettelijke eisen. Duurzaamheidsprogramma in Perspectiefnota 2027-2030 Toelichting In de Perspectiefnota wordt gesproken over enkele duurzaamheidsprogramma’s. Dit riep enkele vragen over de financiering van deze programma’s, de herkomst van de middelen en de mate waarin deze middelen ten goede komen aan inwoners en ondernemers. Vraag 1 In de perspectiefnota worden vier duurzaamheidsprogramma’s genoemd. Klopt het dat de financiering van deze programma’s vanaf 2028 plaatsvindt vanuit de algemene uitkering uit het gemeentefonds? Reactie college Allereerst een duiding op het duurzaamheidsprogramma: er is sprake van één overkoepelend duurzaamheidsprogramma dat verschillende onderdelen kent. Deze onderdelen zijn zichtbaar gemaakt

in de perspectiefnota, omdat ten aanzien hiervan verschillende keuzen of afwegingen kunnen worden gemaakt. Ten aanzien van de financiering van het duurzaamheidsprogramma het volgende: de duurzaamheidsopgaven zijn omvangrijk, en vragen van gemeenten inzet én een lange adem. De afgelopen jaren is door het Rijk een belangrijk beroep gedaan op gemeenten waarbij ook de nodige financiering is toegekend, met name via specifieke uitkeringen (SPUK). Daarmee hebben gemeenten geld ontvangen dat enkel bedoeld is voor specifieke taken op het gebied van duurzaamheid. Ook onze gemeente heeft deze SPUKs ontvangen, waarmee de verwachting is tenminste tot en met 2027 de benodigde inzet te kunnen doen. Echter, de dynamiek van de duurzaamheidsopgaven is groot. Netcongestie is hier het meest relevante voorbeeld van: de ruimte op het elektriciteitsnet is beperkt en staat verduurzamingsmaatregelen in de weg. Daar moet op geschakeld worden. Daarom heeft de Rijksoverheid ervoor gekozen de beschikbare middelen meer flexibel inzetbaar te maken, door de constructie van SPUKs (met specifieke eisen en doelstellingen) los te laten, en de middelen toe te kennen als onderdeel van de algemene uitkering. Dat maakt ook dat er bij gemeenten meer keuzevrijheid is ten aanzien van of, hoe en met welke omvang en beoogde resultaten deze middelen ingezet worden.

Door het duurzaamheidsprogramma in onderdelen te onderscheiden in de perspectiefnota wordt de raad in staat gesteld deze afweging (of en hoe zetten we de hiervoor bedoelde middelen in) te maken. Daarbij is het ook goed te beseffen dat de totale omvang van de te verwachten uitkering (jaarlijks ongeveer 600.000,-) kleiner is dan de nu geprognotiseerde kosten. Tegelijk is de verwachting komend jaar ook voor de jaren 2028 t/m 2030 een meer genuanceerd beeld te kunnen geven als het gaat om de te verwachten uitgaven. Daarbij is de weging die de raad vanuit het huidige perspectief geeft aan de duurzaamheidsopgaven belangrijke input. Samengevat: Het Rijk stelt middelen beschikbaar voor de duurzaamheidsopgaven, waarbij er een overgangsfase is van SPUKs naar de algemene uitkering. Gemeenten kunnen daardoor meer keuzes maken over de inzet van deze middelen. Waarbij het Rijk wel verondersteld dat deze aangewend worden voor de duurzaamheidsopgaven, maar lokaal ruimte is hier een afweging in te maken. Deze afwegingsruimte is vanaf 2028 in de perspectiefnota geprojecteerd, omdat tot die tijd primair van de SPUK middelen gebruik gemaakt wordt – deze laatstgenoemde middelen kennen weinig tot geen afwegingsruimte ten aanzien van de besteding en vloeien terug als ze niet of onjuist besteed worden.

Vraag 2 Indien sprake is van gemeentefondsmiddelen, hoe beoordeelt het college de structurele houdbaarheid van deze financiering na 2028, mede gezien de financiële onzekerheden waarmee gemeenten worden geconfronteerd? Reactie college Het Rijk realiseert zich dat de Duurzaamheidsopgaven een lange adem vragen, en heeft de middelen tenminste tot 2030 toegezegd. De aanname is dat ook na die periode structurele financiering van de duurzaamheidsopgaven nodig en beschikbaar blijft. Anderzijds richt het college zich momenteel op het vraagstuk hoe de middelen die reeds beschikbaar zijn gesteld zo kunnen worden aangewend dat de komende jaren de duurzaamheidsopgaven stevig in de organisatie worden verankerd. Niet als aparte kolom in de organisatie, maar juist vanuit de gedachte om ‘werk-met-werk’ te maken. Denk aan aandacht voor klimaatadaptatie bij het ontwikkelen en uitvoeren van beheerplannen, maar ook de aandacht voor het energievraagstuk in gebiedsontwikkeling en projecten. Hoe beter deze verankering is, hoe minder groot financiële opgave (want: geen extra werk maar business as usual) en daarmee de afhankelijkheid van incidentele middelen is. Vraag 3 Kan het college per duurzaamheidsprogramma grofweg aangeven welk percentage van de beschikbare middelen rechtstreeks ten goede komt aan inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties (bijv.

in de vorm van subsidies, ondersteuning, energiebesparende maatregelen of andere concrete voorzieningen) en welk percentage wordt ingezet voor ambtelijke capaciteit, onderzoek, advies en overige uitvoeringskosten? Reactie college

-2-

Ten aanzien van het onderscheid dat in de perspectiefnota gemaakt is in het duurzaamheidsprogramma is bij vraag 1 al een duiding gegeven: het gaat dus om verschillende aspecten van één overkoepelend programma. In onderstaand overzicht is grofweg aangegeven welk percentage rechtstreeks naar de samenleving gaat. Met daarbij nadrukkelijk de opmerking dat het hier om een inschatting gaat, omdat bijvoorbeeld veel van de inzet gericht is op het ondersteunen van de samenleving maar de effecten daarvan niet direct meetbaar zijn voor inwoners. Ook hier is het voorbeeld van netcongestie sprekend: er wordt heel veel inzet gedaan rondom het vraagstuk netcongestie, met als doel de effecten van netcongestie zo min mogelijk voelbaar te laten zijn in de samenleving. Dat effect is dus direct merkbaar, maar de inzet hiervoor blijft voor veel inwoners buiten beeld. •

•

•

•

Duurzaamheidsprogramma - lokale inzet op energie en klimaat: Hiervan komt naar inschatting zo’n 70% direct bij de samenleving. Het gaat hierbij om inzet gericht op voorlichting, advies en ondersteuning van de inwoners. Bijvoorbeeld het digitale energieloket, de inzet op participatie en communicatie en op de inwoner gerichte acties zoals tegelwippen en de klimaatweek. Maar een belangrijk deel gaat vooral op aan subsidieregelingen, advies aan huis en andere vormen van directe ondersteuning van inwoners bij het verduurzamen van de woning. Duurzaamheidsprogramma – energiesysteem van de toekomst: De middelen komen niet direct ten gunste voor inwoners en ondernemers, maar de resultaten wel voor 100%. Want ieder is gebaat bij een energiesysteem dat blijft functioneren en ruimte biedt voor ontwikkeling. De inzet is het meest merkbaar voor ondernemers, omdat het ondersteunen van de lokale energiecoöperatie een belangrijk deel van de inzet vormt. Daarnaast is de inzet gericht op onder meer de warmtetransitie, waar ook de inwoners nauw bij betrokken zijn en worden. Duurzaamheidsprogramma – efficiënt regionaal samenwerken energie en klimaat: De inzet die hierbij gedaan wordt is voor zo’n 20-30% direct merkbaar in de samenleving.

Denk daarbij aan onder andere de inzet van ‘impulsgelden’ waarmee klimaatadaptieve maatregelen in de leefomgeving worden gedaan (zoals de waterberging die onder en bij de renovatie van de Hakgriend wordt aangebracht). Maar de inzet hier is vooral gericht op het komen tot duidelijke kaders, afspraken en inzet in de toekomst, en is dus voor het grootste deel niet direct, maar vooral indirect merkbaar in de samenleving. Duurzaamheidsprogramma – integratie duurzaamheidsopgave in de organisatie: Hierbij is de aanname dat dit voor zo’n 10-20% direct merkbaar is in de samenleving. Denk hierbij aan duurzaamheidsaspecten die meegenomen worden in de uitvoering van bijvoorbeeld groenbeleid, vergunningsaanvragen, inkooptrajecten, et cetera. Maar het overgrote deel van deze inzet is bedoeld voor het robuust inbedden van de duurzaamheidsopgaven in de breedte van de organisatie, om daarmee minder afhankelijk te zijn van de effecten van meer incidenteel beschikbare middelen.

-3-

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/1200/documents/36152