CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

11. Vooronderzoek Conventionele Explosieven Tussen de sporen 't Oog H-G .pdf

Gemeenteraad GHG 22 september 2022, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 6: Vaststellen bestemmingsplan 't Oog Wonen, fase 1 - Raadsvoorstel18.140 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Niet relevant. De genoemde locatie is gelegen op ruim 2,5 kilometer ten oosten van het projectgebied. Deze gebeurtenis geeft geen aanleiding tot de afbakening van een verdacht gebied. Deze gebeurtenis wordt door slechts één primaire bron genoemd. Echter betreft het hier een officieel rapport, waardoor deze melding als betrouwbaar wordt ingeschat.

Niet relevant. De genoemde locaties zijn gelegen op ruim 3,5 kilometer ten zuidoosten van het projectgebied, te BovenHardinxveld, aan de overzijde van de Boven Merwede ten opzichte van Werkendam. Deze melding geeft geen aanleiding voor de afbakening van een verdacht gebied. Deze gebeurtenis wordt door slechts één primaire bron genoemd. Echter betreft het hier een officieel rapport, waardoor deze melding als betrouwbaar wordt ingeschat.

22 RAD, toeg.nr. 648/inv. nr. 1597. 23 RAD, toeg.nr. 648/inv.nr. 1597. 24 RAD, toeg.nr. 648/inv. nr. 1597. 25 NIMH, toeg.nr. 575/inv.nr. 463.

33

BB18-140-01 Datum

Vooronderzoek CE Gebeurtenis

Relevantie

140 manschappen van het zogeheten ‘Luftgaukommando Brussel’ […] Elke nacht tussen 05:00 en 08:00 uur in de maken drie veerboten de oversteek om troepen vanuit het Land van Altena over te zetten.’ In de laatste week van april 1945 zijn in het zuiden van de Alblasserwaard enkele duizenden Duitse militairen aanwezig, die zich eerder hebben teruggetrokken uit de linies langs de Bergse Maas, de Amer en het Hollands Diep. In Hardinxveld en Giessendam liggen ca. 1500 Duitse militairen, die zijn ingekwartierd in scholen, boerderijen en woonhuizen. 26

Figuur 14. Overzicht van de op 8 november 1944 te Hardinxveld aanwezige stukken luchtdoelgeschut en de posities van de desbetreffende luchtdoelbatterijen. Ook het kaliber van de stukken en de eventuele aanwezigheid van observatiemiddelen, zoals een afstandsmeter (range-finder), is door de ondergrondse genoteerd en doorgegeven. Geen van de genoemde coördinaten is gelegen binnen het projectgebied. NIMH, toeg.nr. 575/inv.nr. 463.

26 Ruiter, F. en K. de, Hardinxveld en Giessendam tijdens de hongerwinter. De geschiedenis van onze dorpen in de jaren 1944 en 1945 (Gorinchem 1985), p. 41.

34

BB18-140-01 Datum

Vooronderzoek CE Gebeurtenis

Relevantie

Figuur 15. Een overzichtstekening van de verschillende Duitse stellingen en troepenposities te Hardinxveld-Giessendam. Ook zijn enkele bomtreffers (in totaal zes) van het bombardement van 6 november 1944 ingetekend. Deze tekening heeft betrekking op het gebied bezuiden het spoor Sliedrecht-Gorinchem en heeft geen invloed op het projectgebied. Bron: NIMH, toeg.nr. 575/inv.nr. 480.

1945 31 december 1944/1 januari 1945

Op deze datum maakt auteur T. Eversteijn melding van een Duits bombardement waarbij de Buldersteeg zou zijn getroffen. Deze bommen worden afgeworpen door één van de Duitse toestellen die in het kader van het wanhoopsoffensief van de Luftwaffe, operatie Bodenplatte, in actie zijn gekomen. Het doel van deze operatie was de geallieerde toestellen in één groot offensief op hun eigen bases te treffen, hetgeen in enkele gevallen lukte. Het hieronder genoemde No 317 Squadron rapporteert een dergelijke aanval in de nacht van 31 december 1944/1 januari 1945. Omdat in het kader van de geheimhouding delen van de Duitse luchtafweer niet werden ingelicht over de operatie, vonden op verschillende locaties binnen het nog door Duitse troepen bezette Nederland gevallen van ‘friendly fire’ plaats.27

Niet relevant. De plaats Werkendam is gelegen op circa 4 kilometer ten zuidoosten van het projectgebied. Deze gebeurtenis heeft geen aantoonbare invloed op het projectgebied. Deze informatie wordt door meerdere bronnen onderschreven en derhalve als betrouwbaar ingeschat.

Rond 09:05 uur naderen toestellen van het I en II Staffel van Jagdgeschwader 27 de plaats Gorinchem. Plotseling wordt de bakboordzijde van de formatie van het I. Staffel bestookt door zwaar luchtdoelgeschut. De Bf 109 K-4 (Werkenummer 330285) van Leutnant Heinrich Wiese wordt geraakt en ontploft in de lucht. Delen van zijn toestel komen neer bij Werkendam.28 De onervaren Leutnant Von Stechow probeert aan het vuur te ontkomen door te manoeuvreren. 27 Mahnro, J. en Ron Pütz, Bodenplatte. The Luftwaffe’s Last Hope. 28 SGLO, crash database, crashnummer T5056.

35

BB18-140-01 Datum

Vooronderzoek CE Gebeurtenis

Relevantie

Een andere piloot, Fähnrich Otto Theisen probeert hem met zijn radio te waarschuwen om richting de grond te duiken. Wanneer Theisen zelf de duik inzet, ziet hij dat Von Stechow’s toestel wordt getroffen. De staart van zijn Bf 109 breekt af, waarna het vliegtuig tegen de grond slaat. Vermoedelijk worden zowel het toestel van Wiese als dat van Von Stechow geraakt door eigen luchtdoelgeschut29, dat te Boven-Hardinxveld en Gorinchem30 is opgesteld. 1 januari 1945

Op deze datum voeren elf Supermarine Spitfires van No 317 Squadron een aanval uit op de veerverbinding tussen Boven-Hardinxveld en Werkendam. Het resultaat van de aanval is teleurstellend. De volgende dag rapporteert Groep Albrecht: ‘Hardinxveld, the airraid here on January 1st 1945 was no success’.31 In het ORB van 2nd Tactical Air Force staat over deze aanval het volgende: ‘Ferry crossing at E.040615 [Boven-Merwede ter hoogte van Werkendam] attacked with 11 x 500 and 22 x 250. NRO [No Results Observed].’32

Niet relevant. Deze aanval heeft betrekking op de veerpont tussen Hardinxveld en Werkendam. De aanlegplaats van het veer te Hardinxveld was gelegen op circa 4 kilometer ten zuidoosten van het projectgebied. Deze informatie wordt door meerdere bronnen onderschreven en derhalve als betrouwbaar ingeschat.

Het ORB van No 317 Squadron bevat een meer uitgebreide omschrijving, waaruit blijkt dat de aanval gericht was op beide oevers (‘both ends’ van het doel). ‘At 08:35 eleven aircraft led by S/L Chelmecki took off on operation D. 29G/CC 72 to bomb the target CD72. 11 x 500 lb bombs and 22 x 250 pounders were dropped on both ends of the target but no results were seen.’33 4 januari 1945

Op deze dag voeren acht Hawker Typhoons van No 263 Squadron een aanval uit op een fabriek langs de oever van de Beneden-Merwede. Daarbij vuren zij in totaal 62 raketten af. De toestellen vliegen hierbij over de begraafplaats, waar op dat moment de slachtoffers van het bombardement van enkele dagen daarvoor worden begraven.34

Niet relevant. Deze gebeurtenis vond plaats op circa 1,5 kilometer ten zuidoosten van het projectgebied. De raketaanval van No 263 Squadron heeft geen aantoonbare invloed op het projectgebied.

Het rapport van No 263 Squadron luidt als volgt: 29

Mahnro, J. en Ron Pütz, Bodenplatte. The Luftwaffe’s Last Hope.

30 Ruiter, F. en K. de, Hardinxveld en Giessendam tijdens de hongerwinter. De geschiedenis van onze dorpen in de jaren 1944 en 1945 (Gorin-

chem 1985), p. 28. 31 NIMH, toeg.nr. 575/inv.nr. 32 TNA, AIR37/717. 33 TNA, AIR27/1709. 34 Ruiter, F. en K. de, Hardinxveld en Giessendam tijdens de hongerwinter. De geschiedenis van onze dorpen in de jaren 1944 en 1945 (Gorinchem 1985), p. 28.

36

BB18-140-01 Datum

Vooronderzoek CE Gebeurtenis ‘62 R/P on factory occupied by troops at E.025617 [ter plaatse van huidige terrein van Holland Shipyards aan de Rivierdijk]. Several D/H on factory and another building. Large explosion from factory.’35

Relevantie Deze informatie wordt door meerdere bronnen onderschreven en derhalve als betrouwbaar ingeschat.

Omdat al kort na de inzet van de aanval explosies plaatsvinden die de waarneming hinderen, is het voor de vliegers lastig het resultaat vast te stellen. ‘Accurate observation not possible owing to area being obscured by explosions early in the attack. Two out of 12 barges in basin sunk by direct hits.’36 Bovenstaande vormt in 1948 nog de aanleiding voor een verzoek van de directie van de werf ‘Merwede’ om de mogelijke aanwezigheid van gevaarlijke projectielen te onderzoeken. Uiteindelijk wordt besloten dat de aanwezigheid daarvan niet met zekerheid kan worden vastgesteld. Zie hieronder.

Figuur 16. De N.V. Scheepswerf en Machinefabriek ‘De Merwede’ omstreeks 1947. Bron: RAD, inventarisnummer 552_300399.

29 januari 1945

Acht Hawker Typhoons van No 257 Squadron worden tussen 15:05 en 16:00 uur uitgestuurd voor een aanval op de spoorbrug over de rivier bij Dordrecht. Vanwege de weerstomstandigheden kiezen de vliegers, onder leiding

Relevant. De aanval van No 257 Squadron heeft, blijkens de locatieomschrijvingen, ook betrekking op

35 TNA, AIR37/717. 36 TNA, AIR27/1548.

37

BB18-140-01 Datum

Vooronderzoek CE Gebeurtenis

Relevantie

van Squadron Leader A.G. Todd voor een alternatief doel, een spoorlijn ten oosten van Dordrecht.

het projectgebied. Op het luchtfotomateriaal van 3 februari 1945 (luchtfotonummer 4093) is direct ten oosten van het projectgebied, ter plaatse van het spoor, een verstoring te zien. Naast een omvangrijke krater is aanzienlijke schade zichtbaar ter plaatse van het spoor. Door de inslag heeft mogelijk verzakking van de spoordijk plaatsgevonden (zie onderdeel luchtfotoanalyse). Ook in de nabijheid van de brug over de Giessen zijn kraters zichtbaar, waaronder één direct ten westen van de wijk Over ’t Spoor, binnen het projectgebied. Het bombardement door No 257 Squadron geeft derhalve aanleiding tot de afbakening van een verdacht gebied (zie hoofdstuk 6, Beoordeling en evaluatie bronnenmateriaal).

In de ‘details of sortie or flight’ staat de aanval als volgt omschreven: ‘INTERDICTION RLY [RAILWAY] OVER ROAD D9462. Bombs dropped on rly. Line at E025632. 3 D/H [Direct Hits] cutting same in three places. Primary target not attacked owing to weather.’37 Eén van de bommen van Flight Leader Clift blijft, vanwege een technisch mankement, onder het toestel hangen. Samen met Flight Sergeant Ewan keert hij afzonderlijk terug naar de basis. Van de totale bommenlast worden derhalve niet 16, maar 15 afgeworpen. In het ORB van 2nd Tactical Air Force staat abusievelijk echter wél het aantal van 16 x 1000 bommen vermeld.38 Bij het bombardement wordt vrij aanzienlijke schade aangericht. In totaal worden acht woningen geheel verwoest, raken vijf woningen zwaar beschadigd (onbewoonbaar) en raken ongeveer 150 woningen licht beschadigd.39 Tien minuten eerder waren vier Hawker Typhoons van No 197 Squadron opgestegen voor een aanval op Hardinxveld. Volgens het ORB van 2nd Tactical Air Force worden hierbij 8 x 1000 lb bommen afgeworpen op 12 goederenwagons in kaartvak E.0163 [Neder-Hardinxveld] afgeworpen. Het spoor wordt hierbij onderbroken.40 ‘All the bombs were direct hits on the train and line which was cut. Vivid orange flame was seen coming from the end truck.’41 Op 9 februari 1945 brengt de ondergrondse, in de vorm van Groep Albrecht een rapport uit over deze aanvallen (zie hieronder).

De aanval van No 197 Squadron vond, blijkens de locatieomschrijvingen, meer richting het oosten, binnen kaartvak E.0163) plaats. Deze gebeurtenis heeft derhalve geen aantoonbare invloed op het projectgebied. Deze informatie wordt door meerdere bronnen onderschreven en derhalve als betrouwbaar ingeschat.

37 TNA, AIR27/1528. 38 TNA, AIR37/717. 39 RAD, toeg.nr. 647/1048. Zie ook: toeg.nr. 648/inv.nr. 1601. 40 TNA, AIR37/717. 41 TNA, AIR27/1169.

38

BB18-140-01

Vooronderzoek CE

Datum

Gebeurtenis

Relevantie

5 februari 1945

Op deze datum wordt door de luchtbeschermingsdienst rapport uitgebracht over de aanval op 29 januari 1945.

Relevant. Zie vermelding op 29 januari 1945.

‘Rapport van het bombardement door geallieerde vliegtuigen op 29 januari na middags 15:30 uur. Op dat uur verschenen vliegtuigen boven der Gemeente welke plm. 14 bommen hebben neer geworpen. Hierdoor is een zware schade toe gebracht aan menschen en matrieel, aan doden zijn te betreuren 5 personen, waaronder een ongehuwd manlijk persoon, een gehuwde vrouw en drie kinderen, vervolgens werden verschillende personen min of meer gewond, hierbij zijn acht woningen totaal vernield, 5 zwaar beschadigd welke niet meer te bewonen zijn en plm 150 woningen hebben schade aan ramen, deuren en daken. Direct na het bombardement trad de luchtbeschermingsdienst in actie om de gewonde en eventuele doden te bevrijden en de doden te bergen, de gewonden werden behandeld door de E.H.B.O. bijgestaan door de plaatselijke Doctoren. De Technische Dienst verscheen zeer spoedig en nam direct een aanvang met het herstellen van Gas en Waterleiding alsmede het herstellen van de wegen. ’s Avonds zijn er door deze Gemeente 15 personen gevorderd voor het verrichten van controle voor eventuele diefstal, dit is nog enkele avonden na het bombardement voortgezet. De volgenden dag is een aanvang gemaakt met de gebouwen die gevaarlijk waren voor de omgeving te slopen, deze werkzaamheden werden verricht onder toezicht van de Gemeente Architect en was als zodanig de werkzaamheden voor de L.B.D. ten einde.’42

Het bombardement van 29 januari 1945 vormt een indicatie voor het achterblijven van CE in de vorm van afwerpmunitie, 1000 lb, binnen het projectgebied. Deze informatie wordt door meerdere bronnen onderschreven en derhalve als betrouwbaar ingeschat.

Volgens auteurs De Ruiter is er ‘[d]oor de vele bomtrechters op de wegen (op de Parallelweg bijna tot het “Oude Station” toe) […] de eerste dagen nauwelijks verkeer mogelijk.’43 6 februari 1945

Op deze dag voeren acht Hawker Typhoons van No 257 Squadron tussen 12:15 en 12:55 een aanval uit op de spoorbrug over de Giessen te Hardinxveld. In het ORB van 2nd Tactical Air Force wordt dit bombardement als volgt omschreven:

Relevant. De hier genoemde aanval vond plaats op de brug over de Giessen, gelegen in de zuidoostelijke hoek van het projectgebied.

‘Bridge at E.002631 [spoorbrug over de Giessen] attacked with 13 x 1000 and 2 x 500. All in T/A [Target Area], lines out at both ends and bridge believed hit.’44 42 RAD, toeg.nr. 647/inv.nr. 1048. 43 Ruiter, F. en K. de, Hardinxveld en Giessendam tijdens de hongerwinter. De geschiedenis van onze dorpen in de jaren 1944 en 1945 (Gorinchem 1985), p. 29. Zie ook: J.C. Verdonk, Herinneringen aan oorlogstijd (Hardinxveld-Giessendam 1990), p. 51. 44 TNA, AIR37/717.

39

BB18-140-01 Datum

Vooronderzoek CE Gebeurtenis De versie in de ‘summary of operations’ in de ORB van het betreffende Squadron luidt als volgt: ‘Just after noon the two flight commanders led red and blue sections onto a bridge near SLIEDRECHT. Direct hits were once again scored and the bridge was destroyed.’45 Het meer gedetailleerde verslag is opgenomen in de ‘details’ van de operatie: ‘INT [Interdiction] SLIEDRECHT BRIDGE E002631. Bombs dropped on bridge A.B.T.A. [All Bombs in Target Area]. Bridge believed destroyed and line cut on both approaches’.46 In het ORB met ‘details of operations’ van het Squadron wordt abusievelijk ‘Sliedrecht’ als locatie genoemd, terwijl in de samenvatting (summary of operations) wordt gesproken over een brug bij Sliedrecht. Gezien het vermelde kaartvak is de vermelding in samenvatting correct.47 De aanval van 6 februari wordt in de Operational History van No 146 Wing aangehaald als een ‘nice job of “Interdiction”’ uitgevoerd door No 257 Squadron. De brug over de Giessen is op de daarbij behorende uitsneden van luchtfoto’s omcirkeld.48

Relevantie Op het luchtfotomateriaal van 21 februari 1945 (luchtfotonummer 4105) is te zien dat de spoorbrug en het nabijgelegen spoor zware schade hebben opgelopen. Deze gebeurtenis vormt een indicatie voor het achterblijven van CE in de vorm van afwerpmunitie, 1000 lb en, in geringere mate, 500 lb, binnen het projectgebied. Deze informatie wordt door meerdere bronnen onderschreven en derhalve als betrouwbaar ingeschat.

Door het bombardement wordt in Hardinxveld aanzienlijke schade aangericht, doch vinden er geen persoonlijke ongevallen plaats, omdat de meeste nabijgelegen woningen vanwege het eerdere bombardement verlaten zijn. De aangerichte verwoestingen zijn echter veel groter dan door het bombardement van 29 januari. ‘Hoe zwaar de bommen waren bleek bij voorbeeld uit een groot stuk spoorrail dat boven aan de Achterdijk (thans Kerkweg) in het woonhuis van de familie Loeve terechtkwam. Van het station bleef na het tweede bombardement vrijwel niets over. De kruidenierswinkel van W. Smit en het stationskoffiehuis annex café van W.A. van den Heuvel werden met de grond gelijk gemaakt en nooit meer herbouwd; de rijwielzaak van H. Rikkers veranderde in een bomtrechter; de boerderijen van Walraven49 en Heikoop werden zwaar beschadigd; de galanteriewinkel van C.I. van Hattem, de loodgieterszaak van

45 TNA, AIR27/1528. 46 TNA, AIR27/1528. 47 TNA, AIR27/1528. 48 TNA, AIR37/994. 49 J.C. Verdonk, Herinneringen aan oorlogstijd (Hardinxveld-Giessendam 1990), p. 51.

40

BB18-140-01 Datum

Vooronderzoek CE Gebeurtenis

Relevantie

G. de Vries aan de Zevenhuissteeg met omringende bebouwing werd nagenoeg geheel verwoest, evenals de aan de Giessenkant gelegen kruidenierswinkel en slagerij van Paulus Schreuders’. 50 In de omgeving van de spoorwegovergang (station Giessendam-Neder-Hardinxveld) worden 18 woningen totaal verwoest, raken tien woningen zwaar beschadigd (onbewoonbaar) en ongeveer 150 woningen licht beschadigd.51

Figuur 17. De spoorbrug over de Giessen op 21 februari 1945 (midden). Naast de schade aan de brug zelf zijn verschillende kraters (pijlen, rood) te zien. Luchtfotonummer 4105.

9 februari 1945

Op deze datum rapporteert Groep Albrecht de resultaten van het bombardement van 29 januari 1945. ‘GIESENDAM, E.0062. Date of Report: 9th February, 1945 In the air attack on 29th January, 1945, the railway track was demolished over a length of 1,200 meters from E.00246906 to E.10486309. The Germans are repairing the railway line in great haste. The houses in the vicinity are heavily damaged, ten of them completely uninhabitable, and there were four dead among the civilians.’

Relevant. Deze melding heeft betrekking op het bombardement van 29 januari 1945. Zie de omschrijving hierboven. Deze informatie wordt door meerdere bronnen onderschreven en derhalve als betrouwbaar ingeschat.

50 Ruiter, F. en K. de, Hardinxveld en Giessendam tijdens de hongerwinter. De geschiedenis van onze dorpen in de jaren 1944 en 1945 (Gorinchem 1985), p. 29-31. 51 RAD, toeg.nr. 647/inv.nr.1048.

41

BB18-140-01 Datum

Vooronderzoek CE Gebeurtenis

Relevantie

Vrij vertaald: ‘GIESSENDAM, E.0062. Datum van rapport: 9 februari 1945. Tijdens de luchtaanval van 29 januari 1945 werd het spoor vernield over een afstand van 1200 meter, van E.00246906 tot E.10486309. De Duitsers repareren de spoorlijn met grote spoed. De huizen in de omgeving zijn zwaar beschadigd, tien daarvan zijn volledig onbewoonbaar, en er zijn vier burgerdoden te betreuren’.52 15 maart 1945

In een zogeheten ‘censuurrapport’ van de Censuurdienst van de sectie P.T.T.-Militair Gezag staat enige aanvullende informatie met betrekking tot de bombardementen op station Giessendam: ‘In de omgeving van het station is danig huisgehouden. De tactische luchtmacht heeft zijn werk goed verricht. Er zijn natuurlijk wel slachtoffers gevallen maar als je kijkt naar de materiele schade die geweldig is, is het aantal slachtoffers gering. Gelukkig kunnen we constateeren dat er niet lukraak is gegooid. In het stationskoffiehuis was een verbindingscentrale tusschen de Lek en Maasfront welke hierdoor in puinpoeder is geraakt. Ze zijn tenminste weer verhuist. Niet één bomtrechter is meer dan 75 meter van de spoorlijn verwijderd. Ook de spoorlijn is grondig vernield. Maar die door de moffen weer zo op zijn manier, nou ja er gaat een trein over, hersteld.’53

23 april 1945

Mei 1945

In Hardinxveld en Giessendam kondigt het Duitse gezag aan dat de hele bevolking ten zuiden van het spoor moest worden geëvacueerd, met uitzondering van boeren, tuinders en leden van het waterschap. ‘Dat betekende: alle inwoners van Hardinxveld, en in Giessendam iedereen die in Buitendams woonde en in Binnendams vanaf de Dam tot het Spoor. Tot en met 26 april kon men vrijwillig vertrekken, daarna zou dwang worden toegepast’. De volgende dag vertrekt een groot deel van de bevolking richting de Alblasserwaard. 54 Tijdens de bevrijding van Hardinxveld-Giessendam wordt geen strijd geleverd. Na 5 mei verschijnen leden van de Binnenlandse Strijdkrachten op straat, zich in gereedheid brengende om het gezag van de Duitsers over te nemen. In de avond van 5 mei patrouilleren zowel leden van de

Niet relevant. Zie het bombardement op 29 januari 1945 (No 197 Squadron). Deze informatie wordt door meerdere bronnen onderschreven en derhalve als betrouwbaar ingeschat.

Niet relevant. Deze gebeurtenis heeft geen directe betrekking op het projectgebied. Deze informatie wordt door meerdere bronnen onderschreven en derhalve als betrouwbaar ingeschat.

Relevant. In principe een contra-indicatie voor het achterblijven van CE. Deze informatie wordt door meerdere bronnen onderschreven en derhalve als betrouwbaar ingeschat.

52 NIMH, toeg.nr. 575/inv.nr. 503. 53 NA, toeg.nr. 2.13.25/inv.nr. 1540. 54 Ruiter, F. en K. de, Hardinxveld en Giessendam tijdens de hongerwinter. De geschiedenis van onze dorpen in de jaren 1944 en 1945 (Gorinchem 1985), p. 41-42; J.C. Verdonk, Herinneringen aan oorlogstijd (Hardinxveld-Giessendam 1990), p. 54-55.

42

BB18-140-01 Datum

Vooronderzoek CE Gebeurtenis

Relevantie

Wehrmacht en Grüne Polizei als de BS de straten. Tot gevechten komt het echter niet. Op dinsdag 8 mei arriveren de eerste geallieerde militairen met een tank en een jeep. Pas dan geven de Duitse militairen zich over. Zij worden ontwapend en in provisorische kampen ondergebracht. 55

Figuur 18. De bevrijding van Hardinxveld-Giessendam verliep rustig. Een geallieerde jeep voor de ingang van het gemeentehuis, thans het kantoor van BeoBOM. Bron: Ruiter, F. de en K. de Ruiter, Hardinxveld en Giessendam tijdens de hongerwinter (Gorinchem 1985), p.44.

15 juli 1945

Door de burgemeester van Hardinxveld wordt melding gemaakt van de aanwezigheid van mijnen in een talud op de Merwededijk bij de watertoren te Boven-Hardinxveld. De kadastrale aanduiding is: Sectie C no. 2279. Hiervan was reeds in het gemeentearchief melding gemaakt (28 mei 1945).56 Als aard der voorwerpen worden ‘Niet-geëxplodeerde bommen’ opgegeven.57

Niet relevant. De genoemde locatie is gelegen op ruim 2,5 kilometer ten zuidoosten van het projectgebied. Deze informatie wordt door een enkele bron genoemd. Het betreft hier echter een primaire bron die als betrouwbaar wordt ingeschat.

55 Ruiter, F. en K. de, Hardinxveld en Giessendam tijdens de hongerwinter. De geschiedenis van onze dorpen in de jaren 1944 en 1945 (Gorinchem 1985), p. 29. 56 RAD, toeg.nr. 648/inv.nr. 1602. 57 NA, toeg.nr. 3.09.34/inv.nr. 43.

43

BB18-140-01 Datum

Vooronderzoek CE Gebeurtenis

Relevantie

Figuur 19. Het bij bovengenoemde melding behorende kaartje. Bron: NA, toeg.nr. 3.09.34/inv.nr 43.

15 oktober 1945

Op deze dag wordt melding gemaakt van de aanwezigheid van gevaarlijke projectielen, te weten: 1. 2.

In de tuin van het perceel Achterdijk 26, afgeschoten doch onontplofte granaat; In riviertje “De Giessen” achter perceel Achterdijk 26, idem.58

Niet relevant. De genoemde locatie is gelegen op ruim 1,5 kilometer ten oosten van het projectgebied, parallel aan het spoor, ongeveer tussen de Nieuwe Weg en de Buldersteeg. Deze gebeurtenis geeft geen aanleiding tot de afbakening van een verdacht gebied. Deze informatie wordt door meerdere bronnen onderschreven en derhalve als betrouwbaar ingeschat.

22 oktober 1945

Op deze dag maakt de burgemeester van Hardinxveld melding van de mogelijke aanwezigheid van mijnen ‘in het gedeelte van de Giessen tussen de spoorbrug en de sluis te Neder-Hardinxveld.59

Niet relevant. De genoemde locatie is gelegen op ruim 500 meter ten zuidoosten van het projectgebied, bezuiden het spoor. Deze gebeurtenis geeft geen aanleiding tot de afbakening van een verdacht gebied. Deze informatie wordt door meerdere bronnen onderschreven en derhalve als betrouwbaar ingeschat.

58 RAD, toeg.nr. 648/inv.nr. 1602. 59 RAD, toeg.nr. 648/inv.nr. 1602.

44

BB18-140-01

Vooronderzoek CE

Datum

Gebeurtenis

Relevantie

31 oktober 1945

Melding dat ‘uit het riviertje “De Giessen”’ achter het pand Achterdijk 26, ‘een mijn werd opgevist’. Uit onderzoek blijkt dat het gaat om een ‘tellermijn’ die ‘scherp stond en dat explosie volgde bij een druk van meer dan 125 kg. op de dop aan de bovenzijde’. De melder, de burgemeester van Hardinxveld, stelt dat er rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van nog meer mijnen.60

Niet relevant. De genoemde locatie is gelegen op ruim 500 meter ten oosten van het projectgebied, parallel aan het spoor, ongeveer tussen de Nieuwe Weg en de Buldersteeg. Deze gebeurtenis geeft geen aanleiding tot de afbakening van een verdacht gebied. Deze informatie wordt door meerdere bronnen onderschreven en derhalve als betrouwbaar ingeschat.

16 november 1945

Melding ‘dat men aanneemt’ dat in de Giessen, nabij de kom van West-Hardinxveld, ‘zich mijnen bevinden’. Van dit vaarwater wordt vrij druk gebruik gemaakt.61

Niet relevant. De Giessen is gelegen buiten het projectgebied. Deze gebeurtenis is derhalve niet aantoonbaar van invloed op het projectgebied. Deze informatie wordt door meerdere bronnen onderschreven en derhalve als betrouwbaar ingeschat.

30 november 1945

In de Giessen, bij de kom van Neder-Hardinxveld, bevinden zich vermoedelijk nog (steeds) landmijnen. Op de locatie is reeds een Tellermijn opgebaggerd.62

Niet relevant. De Giessen is gelegen buiten het projectgebied. Deze gebeurtenis is derhalve niet aantoonbaar van invloed op het projectgebied. Deze informatie wordt door meerdere bronnen onderschreven en derhalve als betrouwbaar ingeschat.

1946 6 maart 1946

Melding van over ene Evert Verschoor, die spreekt over ‘als zou er in den Hardinxveldschenpolder door hem een gat zijn ontdekt, vermoedelijk veroorzaakt door oorlogsgeweld’. ‘Het hier bedoelde gat is ongeveer 1 Meter dyameter, en is naar mijn meening veroorzaakt door een blindganger. Dit

Niet relevant. De Hardinxveldse Polder is gelegen ten zuiden van het spoor, op circa 1 kilometer van het projectgebied. Deze gebeurtenis geeft geen

60 RAD, toeg.nr. 648/inv.nr. 1602. 61 RAD, toeg.nr. 648/inv.nr. 1602; zie ook: NA, toeg.nr. 3.09.34/inv.nr. 146. 62 NA, toeg.nr. 3.09.34/inv.nr. 146.

45

BB18-140-01 Datum

13 maart 1946

Vooronderzoek CE Gebeurtenis

Relevantie

gat bevindt zich nauwkeurig aangeduid 150 meter ten Noorden van den Rijksweg 15 en 50 Meter ten Westen van de Lange Vliet. De toegang is het gunstigst via het brugje langs den Rijksweg No 15, liggende ongeveer 300 ten Oosten van de Sluisweg, te Hardinxveld.’63

aanleiding tot de afbakening van een verdacht gebied.

Melding van een vermoedelijke blindganger, ‘150 Meter ten Noorden van Rijkswg 15 en 50 Meter ten Westen van de Lange Vliet’.64

Deze informatie wordt door een enkele bron genoemd. Het betreft hier echter een primaire bron die als betrouwbaar wordt ingeschat.

Niet aantoonbaar relevant. De Rijksweg 15 is gelegen op ten minste 600 meter buiten het projectgebied. De ligging van de Lange Vliet is niet bekend. Deze melding heeft geen aantoonbare invloed op het projectgebied. Deze informatie wordt door een enkele bron genoemd. Het betreft hier echter een primaire bron die als betrouwbaar wordt ingeschat.

1948 1 april 1948

De burgemeester van Hardinxveld bericht op deze datum dat de directie van de werf “Merwede’ heeft aangegeven dat er tijdens de oorlog mogelijk ‘bommen in de rivier, in de nabijheid van haar werf, zijn geworpen’. In het kader van baggerwerkzaamheden verzoekt de directie het instellen van een onderzoek.65 De directie schrijft hierover: ‘Zoals U bekend, is onze Werf in September 1944 gebombardeerd met het U bekende noodlottige gevolg. Nu wordt door ooggetuigen (“men”) beweerd, dat er ook enkele bommen naast het toen voor onze Werf liggende zeeschip, gevallen zijn.

Niet relevant. De genoemde locatie is gelegen op circa 1,5 kilometer ten zuidoosten van het projectgebied. Deze gebeurtenis geeft geen aanleiding tot de afbakening van een verdacht gebied. Deze informatie wordt door meerdere bronnen onderschreven en derhalve als betrouwbaar ingeschat.

Alvorens nu met baggeren te beginnen, zouden wij het zeer op prijs stellen, Uwe mening te mogen ontvangen of het noodzakelijk is […] een onderzoek te laten instellen naar de eventueel nog aanwezige bommen’.66 2 april 1948

Melding dat tot op heden nog geen onderzoek is ingesteld naar op de locatie van de door Scheepswerf ‘De Merwede’

Niet relevant. De genoemde locatie is gelegen

63 RAD, toeg.nr. 648/inv.nr. 1602. 64 RAD, toeg.nr. 648/inv.nr. 1602. 65 RAD, toeg.nr. 648/inv.nr. 1602. 66 RAD, toeg.nr. 648/inv.nr. 1602.

46

BB18-140-01 Datum

Vooronderzoek CE Gebeurtenis

Relevantie

voorgenomen baggerwerkzaamheden mogelijk gevallen bommen.67

op circa 1,5 kilometer ten zuidoosten van het projectgebied. Deze gebeurtenis geeft geen aanleiding tot de afbakening van een verdacht gebied. Deze informatie wordt door meerdere bronnen onderschreven en derhalve als betrouwbaar ingeschat.

20 april 1948

1951 16 februari 1951

Melding van de Hulpverleningsdienst. ‘Uit een, door een deskundige van mijn dienst, ingesteld onderzoek is gebleken, dat de eventuele aanwezigheid van […] bommen, in verband met de grote diepte van de rivier ter plaatse, niet is vast te stellen’. Het voorstel van de commandant van de Hulpverleningsdienst is om een deskundige bij de baggerwerkzaamheden aanwezig te laten zijn, die bij het opbaggeren van munitie en andere ontplofbare stoffen onmiddellijk maatregelen kan nemen.68

Melding van de aanwezigheid van een projectiel ‘in de tuin van Ds. W. de Graaff, wonende Rivierdijk B 586a’.69

Niet relevant. De genoemde locatie is gelegen op circa 1,5 kilometer ten zuidoosten van het projectgebied. Deze gebeurtenis geeft geen aanleiding tot de afbakening van een verdacht gebied. Deze informatie wordt door meerdere bronnen onderschreven en derhalve als betrouwbaar ingeschat.

Niet relevant. De genoemde locatie is gelegen op ten minste 1,5 kilometer buiten het projectgebied. Deze gebeurtenis geeft geen aanleiding tot de afbakening van een verdacht gebied. Deze informatie wordt door een enkele bron genoemd. Het betreft hier echter een primaire bron die als betrouwbaar wordt ingeschat.

1952 Melding van de aanwezigheid van een ‘raketbom’ op het strandje genaamd ‘Het Blik’ te Boven-Hardinxveld. Het projectiel bevindt zich op de laagwaterlijn en weegt ca. 35 kilogram. 70 Het wordt later door de hulpverleningsdienst uit Barneveld meegenomen.71

Niet aantoonbaar relevant. De exacte locatie van ‘Het Blik’ is niet bekend. Boven-Hardinxveld is gelegen op circa 3,5 kilometer ten zuidoosten van het

67 RAD, toeg.nr. 648/inv.nr. 1602. 68 RAD, toeg.nr. 648/inv.nr. 1602. 69 RAD, toeg.nr. 648/inv.nr. 1602. 70 RAD, toeg.nr. 648/inv.nr. 1602. 71 Nieuwsblad (voor Gorinchem en omstreken), 13 augustus 1952.

47

BB18-140-01 Datum

Vooronderzoek CE Gebeurtenis

Relevantie projectgebied. Deze gebeurtenis geeft geen aanleiding tot de afbakening van een verdacht gebied. Deze informatie wordt door een enkele bron genoemd. Het betreft hier echter een primaire bron die als betrouwbaar wordt ingeschat.

1957 4 oktober 1956

In oktober 1956 raken drie medewerkers van de Nederlandse Spoorwegen gewond wanneer zij een poging doen een langs het spoor gevonden granaat te demonteren. Twee van hen raken zodanig gewond dat zij later overlijden.72 Het gaat om een ‘2 cm vliegtuigprojectiel’ datl langs het spoor bij NederHardinxveld is achtergebleven.73

Niet aantoonbaar relevant. De exacte locatie waar deze granaat werd aangetroffen kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Deze informatie wordt door een enkele bron genoemd. Het betreft hier echter een primaire bron die als betrouwbaar wordt ingeschat.

1979 29 augustus 1979

Het Nieuwsblad (voor Gorinchem en omstreken) bericht dat een op 10 augustus aangetroffen Duitse anti-tankmijn op vrijdag (24 augustus) door de Mijnopruimingsdienst onschadelijk is gemaakt.74 Het gaat, blijkens de hieronder opgenomen melding van de EODD (MORA nr. 19792278) om een Tellermine 35.

Niet relevant. De genoemde locatie is gelegen op ruim 500 meter ten oosten van het projectgebied. Deze informatie wordt door meerdere bronnen onderschreven en derhalve als betrouwbaar ingeschat.

Archief Mijn- en Munitieopruimingsdienst (MMOD) 1945-1970 In het Semi-Statisch archief van Defensie te Rijswijk is nagegaan of binnen het projectgebied door de Munitie- en Mijnenopruimingsdienst (MMOD) in de periode 1945-1970 ruimingen van CE zijn uitgevoerd. In dit archief zijn geen relevante meldingen aangetroffen. Archief Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EODD) 1971-heden Sinds 1971 worden meldingen en ruimingen (MORA’s) van CE centraal geregistreerd door de Explosieven Opruimingsdienst (EODD). In het archief, eveneens ondergebracht in het Semi-Statisch Archief te Rijswijk is nagegaan of hierin meldingen en/of ruimingen zijn opgenomen die plaats hebben

72 De Waarheid, 5 oktober 1957, via: delpher.nl 73 De Volkskrant, 5 oktober 1957, via: delpher.nl 74 Nieuwsblad (voor Gorinchem en omstreken), 29 augustus 1979.

48

BB18-140-01

Vooronderzoek CE

gehad in de directe nabijheid van het projectgebied. Met hetzelfde doel zijn alle bekende meldingen en ruimingen van na 2010 opgevraagd. Voor deze periode 2010-heden zijn geen MORA’s bekend. In de nabijheid van het projectgebied zijn de volgende meldingen en ruimingen aangetroffen: MORA

LIGPLAATS

AANTAL

BENAMING/SOORT

BIJZONDERHEDEN

19792278

Achter perceel Kerkweg 26

19810822

Nabij Rivierdijk 423, Hardinxveld-Giessendam

1

Tellermine 35

Met ontsteker Geen

Binnendams 22, HardinxveldGiessendam

1

Verkenning zoekactie naar mogelijke ‘raketbom’ nabij een pand aan de Rivierdijk Een deel van het terrein nabij het pand Rivierdijk 423 afgezocht middels Ferex. Brisantgranaat van 3 inch mortier

19811379

Vervolg MORA 19810822

19893817 19893875

Binnendams 22, HardinxveldGiessendam Buitendam, Hardinxveld-Giessendam

1

Brisantgranaat van 3 inch mortier

1

Brisantgranaat van 10,5 cm

19970028

In het riviertje de Giessendam thv het pand Kerkweg 26

19981603

Industrieterrein De Peulen, Nijverheidsstraat 1, Hardinxveld-Giessendam Rivierdijk 50 (scheepswerf) Hardinxveld-Giessendam

1 2 9 1

Huls van 20mm Hulzen van 2 cm Patronen klein-kalibermunitie Brisantgranaat van 25 ponder

1

Brisantgranaat van 10,5 cm

Troelstrastraat in Hardinxveld (explosievencontainer firma ECG)

1

Brisantpantsergranaat van 7,5 cm

1

Brisantgranaat van 10,5 cm

Kerkweg 43, HardinxveldGiessendam

1

Vermoedelijke handgranaat

19961214

20031879

20070600

20080967

Geen CE aangetroffen

Met schokbuis No 162 (los) Met restant ontsteker GR324 (F) zonder ontsteker (niet verschoten) Geen Geen Geen Met schokbuis No 117 (niet verschoten) Met restant ontsteker (geleideband niet aanwezig). Met bodembuis 5103 (niet verschoten) Zonder ontsteker, niet verschoten Meegenomen

49

BB18-140-01

Vooronderzoek CE

Figuur 20. Meldingen van de EODD in de omgeving van het projectgebied. Bron: EODD, bron satellietbeeld: World Imagery.

Collectie mijnenveldkaarten, leg- en ruimrapporten EODD In de collectie mijnenveldkaarten, leg- en ruimrapporten van de EODD zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van mijnenvelden binnen of in de directe nabijheid van het projectgebied aangetroffen.

4. Luchtfotoanalyse Algemeen Ten behoeve van dit vooronderzoek is een aantal luchtfoto’s door BeoBOM geanalyseerd. Deze luchtfoto’s zijn geïnterpreteerd op de aanwezigheid van schade aan het landschap als gevolg van oorlogshandelingen en militaire werken. Uit de collectie van de Bibliotheek Universiteit Wageningen (DOTKAdata), de Luftbilddatenbank (LUFT), de National Collection of Aerial Photography (NCAP) de Topografische Dienst Zwolle (TOPOD), en BeoBOM is het beschikbare luchtfotomateriaal voor deze locatie geïnventariseerd en beoordeeld op kwaliteit. De vervolgens geraadpleegde luchtfoto’s dateren van 20 juni 1944, 29 november 1944, 24 december 1944, 3 februari 1945, 21 februari 1945, 14 maart 1945, 19 maart 1945 en 17 april 1945. In onderstaande tabel wordt het geheel van geraadpleegde luchtfoto’s weergegeven. Luchtfotonummer(s) Sortie

Datum

Schaal

Kwaliteit

Dekking

Bron

4063, 4064

US 7GR/1991

20 juni 1944

1/29.000

Redelijk

100%

DOTKA

4164, 4166, 4167

4/1345

29 november 1944

1/7.600

Goed

90%

DOTKA

4172, 4174

4/1477

24 december 1944

1/10.800

Goed

50%

DOTKA

4092, 4093

4/1696

3 februari 1945

1/10.800

Goed

100%

DOTKA

4105, 4106, 4107

4/1797

21 februari 1945

1/9.400

Goed

100%

DOTKA

50

BB18-140-01

Vooronderzoek CE

Luchtfotonummer(s) Sortie

Datum

Schaal

Kwaliteit

Dekking

Bron

3004, 3005

4/1949

14 maart 1945

1/11.800

Goed

100%

DOTKA

3006, 3007

4/2026

19 maart 1945

1/9.000

Matig

100%

DOTKA

4061, 4063, 4064

4/2332

17 april 1945

1/7.800

Redelijk

98%

DOTKA

Resultaat luchtfotoanalyse Uit de analyse van het luchtfotomateriaal zijn verschillende verstoringen als gevolg van oorlogshandelingen in de (directe) omgeving van het projectgebied gesignaleerd. Bombardement 29 januari 1945 Bij de luchtfotoanalyse is speciale aandacht uitgegaan naar mogelijke sporen van het bombardement van 29 januari en 6 februari 1945. Op de luchtfoto’s van 3 februari en 21 februari 1945 zijn verschillende kraters waargenomen, waarvan de grootste concentratie rond de brug over de Giessen is gesignaleerd. Tevens is nabij km 80.4 een krater en aanzienlijke schade aan het spoor gesignaleerd. De aanwezigheid van deze krater is reeds door T&A Survey in het vooronderzoek met kenmerk GPR5457.7 omschreven. Uit nadere analyse door BeoBOM is gebleken dat het hier inderdaad ten minste één krater betreft. Op dezelfde locatie is ter plaatse van het spoor is eveneens een verstoring geconstateerd, maar hierover kan, vanwege de relatief geringe omvang, niet met zekerheid worden gesteld of het hier een verzakking van de spoordijk, of een tweede krater van een niet geheel tot uitwerking gekomen 1.000 lb bom. Indien het daadwerkelijk gaat om een verzakking van de spoordijk is er mogelijk nog sprake van de aanwezigheid van een blindganger.

Figuur 21. De op het luchtfotomateriaal van 3 februari 1945 nabij km 80.4 gesignaleerde verstoring. Luchtfotonummer: 3093.

51

BB18-140-01

Vooronderzoek CE

Figuur 22. De situatie op 21 februari 1945. Luchtfotonummer: 4105.

Figuur 23. De huidige situatie nabij km 80.4. Bron satellietbeeld: World Imagery.

52

BB18-140-01

Vooronderzoek CE

Figuur 24. De op het luchtfotomateriaal van 3 februari 1945 gesignaleerde verstoringen nabij de spoorbrug over de Giessen. Luchtfotonummer: 3093.

Figuur 25. De situatie op 21 februari 1945. Als gevolg van het bombardement van 6 februari 1945 is rond de spoorbrug sprake van een concentratie nieuwe kraters. Luchtfotonummer: 4105.

53

BB18-140-01

Vooronderzoek CE

Figuur 26. De huidige situatie rond de spoorbrug over de Giessen. Bron satellietbeeld: World Imagery.

Meer richting het oosten, op circa 500 meter ten oosten van het projectgebied, zijn de gevolgen van de aanval van No 197 Squadron duidelijk zichtbaar. De op 29 januari getroffen goederentrein is op 3 februari 1945 nog steeds aanwezig, tussen km. 79.0 en 79.2. Naast de trein is de krater van één van de door No 197 Squadron afgeworpen bommen van 1.000 lb nog goed te zien.

54

BB18-140-01

Vooronderzoek CE

Figuur 27. De op 3 februari 1945 nog aanwezige ontspoorde goederentrein (blauw). Naast de trein is de krater van één van de door No 197 Squadron afgeworpen bommen te zien (pijl, rood). De hier getoonde locatie is gelegen op circa 500 meter ten oosten van het projectgebied. Luchtfotonummer 3092.

In hoofdstuk 6 zullen de verschillen in het naar aanleiding van de alhier geconstateerde oorlogsgerelateerde verstoringen vastgestelde verdachte gebied van T&A Survey en BeoBOM nader worden omschreven.

55

BB18-140-01

Vooronderzoek CE

5. Landschapsanalyse Algemeen Ten behoeve van het in kaart brengen van verstoringen in het landschap, als gevolg van oorlogshandelingen, voert BeoBOM standaard een landschapsanalyse uit met behulp van historisch kaartmateriaal, satellietbeelden, luchtfotomateriaal uit de periode 1940-1945, BAG-gegevens (Basisregistraties Adressen en Gebouwen) en LIDAR. LIDAR staat voor Light Detection and Ranging of Laser Imaging Detection And Ranging, en houdt in dat hoogteverschillen in het landschap in kaart worden gebracht middels laserpulsen. Door hoogteverschillen te analyseren, kunnen verstoringen zoals bomkraters of verdedigingswerken in sommige gevallen worden opgespoord. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan hoogteverschillen in het landschap, die niet zichtbaar zijn op luchtfoto’s door bebossing of andere vegetatie. Ook hoogteverschillen die niet met het menselijk oog zichtbaar zijn, zijn wel zichtbaar als LIDAR wordt ingezet. Naast het in kaart brengen van mogelijke verstoringen als gevolg van oorlogshandelingen, wordt LIDAR hier eveneens toegepast om de naoorlogse bodemroering in kaart te brengen. Naoorlogs opgehoogde gebieden onderscheiden zich duidelijk, wanneer LIDAR wordt toegepast. In de volgende paragraaf worden de resultaten van deze analyse besproken.

Naoorlogse bodemroerende werkzaamheden Om na te gaan in hoeverre rond het projectgebied (ingrijpende) bodemroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden die mogelijk van invloed zijn op de mate van verdachtheid, zijn de luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog, historisch kaartmateriaal en een modern satellietbeeld met elkaar vergeleken. Daarnaast is gebruik gemaakt van BAG-gegevens (Basisregistratie Adressen en Gebouwen). Het analyseren van naoorlogse bodemroering is niet alleen relevant wanneer het gaat om het in kaart brengen van naoorlogs geroerde bodemlagen waarin mogelijk zonder aanvullend onderzoek kan worden gewerkt, ook zegt naoorlogse bodemroering iets over hoe verdacht een gebied precies is. Bijvoorbeeld: een bron stelt dat plaats X is beschoten door artillerie, echter kan niet exact worden aangetoond welk gebied nu is getroffen. Als de omgeving van plaats X in 1945 uit weiland bestond en in 2019 uit volledig volgebouwde woonwijken waarbij voor zover bekend tijdens de werkzaamheden nimmer CE zijn aangetroffen, dan valt mogelijk te concluderen dat dit gebied niet is getroffen door artilleriebeschietingen. In die zin kan het in kaart brengen van naoorlogse bodemroering dus als contra-indicatie dienen en is ook het onderzoeken van de omgeving van het spoor (waar niet gewerkt zal worden) van relevantie voor het onderzoek.

Onderstaande afbeeldingen tonen de situatie rond het projectgebied in de oorlogsjaren vergeleken met de huidige situatie, gevolgd door de BAG-gegevens.

56

BB18-140-01

Vooronderzoek CE

Figuur 28. De situatie in en rond het projectgebied op 21 februari 1945. Luchtfotonummers: 4105, 4106 en 4107. Bron satellietbeeld: World Imagery.

Figuur 29. De situatie in en rond het projectgebied anno 2019. Het karakter van het projectgebied is sinds 1945 vrijwel ongewijzigd gebleven. Wel heeft enige uitbreiding van de wijk Over ’t Spoor (oostzijde) plaatsgehad. Bron satellietbeeld: World Imagery.

57

BB18-140-01

Vooronderzoek CE

Figuur 30. De situatie binnen het projectgebied omstreeks 1998. Bron kaartmateriaal: topotijdreis.nl

Figuur 31. De situatie binnen het projectgebied omstreeks 2005. Bron kaartmateriaal: topotijdreis.nl

58

BB18-140-01

Vooronderzoek CE

Figuur 32. Globale weergave van diverse bodemroerende werkzaamheden binnen en buiten het projectgebied. Een groot deel van de zichtbare bebouwing is naoorlogs gerealiseerd (blauw) het overige deel stamt van voor 1945 (rood). De uitbreiding van de wijk Over ’t Spoor is hier duidelijk zichtbaar. Naast deze bebouwing vormen de Betuweroute (oranje) en het viaduct in de Polderweg (lichtblauw) de meest ingrijpende bodemroerende ingrepen. Bron: PDOK.

Resultaat vergelijking Uit bovenstaande vergelijking is gebleken dat in de periode 1945 tot heden, binnen het projectgebied slechts geringe bodemroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden. De weinige bebouwing die thans binnen het projectgebied aanwezig is, is na de Tweede Wereldoorlog gerealiseerd. De invloed van de hiermee gepaard gaande bodemroerende werkzaamheden is relatief beperkt. In hoeverre er sprake is van een verdacht gebied en in hoeverre dit gebied op basis van naoorlogse bodemroering al dan niet verkleind kan worden, wordt in hoofdstuk 6 bepaald. Hoogteverschillen Uit de analyse van het landschap middels LIDAR, zijn geen duidelijke verstoringen naar voren gekomen die wijzen op oorlogshandelingen in de directe nabijheid van het projectgebied, ook niet op de locaties van de op het luchtfotomateriaal van 3 en 21 februari 1945 geconstateerde kraters.

59

BB18-140-01

Vooronderzoek CE

Figuur 33. Een overzicht van het projectgebied in LIDAR. Omwille van de zichtbaarheid is het projectgebied hier in rood weergegeven. Er zijn geen verstoringen als gevolg van oorlogshandelingen gesignaleerd. Bron: PDOK.

60

BB18-140-01

Vooronderzoek CE

6. Beoordeling en evaluatie bronnenmateriaal Algemeen Uit het geheel van geraadpleegde bronnen zijn enkele indicaties voor de mogelijke aanwezigheid van CE in de directe omgeving van het projectgebied naar voren gekomen. Hieronder is een overzicht opgenomen van de verschillende indicaties, contra-indicaties, leemten in de kennis en conclusies voor de aanwezigheid van CE binnen het projectgebied. Indicaties Op basis van het literatuur- en archiefmateriaal zijn de volgende aanwijzingen voor de aanwezigheid van CE in de omgeving van het projectgebied aangetroffen: In de directe nabijheid van het projectgebied zijn verschillende luchtaanvallen uitgevoerd door geallieerde (jacht)bommenwerpers. Als gevolg hiervan zijn diverse malen CE in de vorm van afwerpmunitie, raketten en klein-kalibermunitie en geschutmunitie (boordgeschut) ingezet op verschillende plaatsen binnen de gemeenten Hardinxveld en Giessendam; Op het luchtfotomateriaal van 3 februari en 21 februari 1945 zijn diverse kraters gesignaleerd die zijn veroorzaakt tijdens de bombardementen op 29 januari en 6 februari. Behalve de concentratie kraters rond de brug over de Giessen (21 februari) is meer richting het westen (ongeveer ter hoogte van km 80.4) ten minste één, maar zijn mogelijk twee, kraters zichtbaar.

Uit het fotomateriaal blijkt niet of de beschadiging aan het spoor een tweede bominslag betreft, of dat hier slechts sprake is van verzakking van de spoordijk. Op deze locatie kan de aanwezigheid van een tweede, niet-ontplofte, vliegtuigbom niet worden uitgesloten. Contra-indicaties De volgende contra-indicaties voor de aanwezigheid van CE zijn aangetroffen: Tijdens de Duitse inval in mei 1940 en tijdens de bevrijding hebben in de directe omgeving van Hardinxveld-Giessendam geen gevechten plaatsgevonden; Behalve de bombardementen van 29 januari en 6 februari 1945 heeft geen van de overige luchtaanvallen aantoonbare invloed op het projectgebied. In bronnen van de Royal Air Force wordt melding gemaakt van een luchtaanval waarbij zowel afwerpmunitie als kleinkalibermunitie/geschutmunitie (boordgeschut) is ingezet, in een kaartvak dat grotendeels overlapt met het projectgebied. Op het luchtfotomateriaal zijn echter geen sporen van een bombardement gesignaleerd, waardoor deze locatieaanduiding hoogstwaarschijnlijk niet (geheel) juist is; Binnen het projectgebied hebben geen vliegtuigcrashes plaatsgevonden; In de archieven van de MMOD, Hulpverleningsdienst en EODD zijn geen meldingen van ruimingen binnen het projectgebied aangetroffen.

61

BB18-140-01

Vooronderzoek CE

Leemten in de kennis De volgende leemten in de kennis zijn gesignaleerd: Algemeen De ervaring leert dat niet alle archiefstukken de tand des tijds doorstaan, wat verschillende oorzaken kan hebben (onbewuste oorzaken zoals brand, of bewuste vernietiging van archiefstukken). Het is in principe mogelijk dat CE-gerelateerde informatie sinds 1945 verloren is gegaan. Hiermee samenhangend kan het eveneens voorkomen dat bepaalde gebeurtenissen, door verdwijning van de oorspronkelijke bron, niet meer getoetst kunnen worden en er enkel nog sprake is van een interpretatie van de oorspronkelijke bron (bijvoorbeeld in de literatuur). Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog worden verder niet alle gebeurtenissen vastgelegd, simpelweg omdat deze onopgemerkt bleven, of omdat deze niet de moeite van het vastleggen waard geacht werden. Specifiek voor het projectgebied Hoewel op basis van de luchtfotoanalyse een onderscheid kan worden gemaakt tussen de verschillende aanvallen op 29 januari (No 197 en No 257 Squadron) en 6 februari 1945 (wederom No 257 Squadron), zijn slechts enkele kraterpatronen waar te nemen. De aanwezigheid van bebouwing rond het getroffen doel, de spoorbrug over de Giessen, zorgt ervoor dat slechts een beperkt aantal inslagen zichtbaar is. De overige inslagen zijn niet zichtbaar, vanwege de aanwezigheid van (en schaduwwerking door) bebouwing, (verzameld) puin, etc.

Niet alle in de bronnen genoemde oorlogshandelingen, kunnen aan een specifieke locatie worden gekoppeld; Niet alle naoorlogs gevonden/gemelde CE, konden aan een specifieke locatie worden gekoppeld. Ook voor sommige MORA’s geldt, dat het niet altijd bekend is waar deze precies geplaatst dienen te worden. Dit geldt voornamelijk voor vondsten ‘op het politiebureau’ etc. Mogelijk aan te treffen (sub)soorten CE Als gevolg van het bombardementen van 29 januari en 6 februari 1945 kunnen binnen het projectgebied afwerpmunitie in de vorm van brisantbommen met een gewicht van 1.000 lb worden aangetroffen. De kans dat als gevolg van het bombardement van 6 februari tevens blindgangers met een gewicht van 500 lb zijn achtergebleven is zeer gering, omdat in totaal slechts twee bommen van dit type zijn ingezet. Bij de verticale afbakening van het verdachte gebied is daarom alleen uitgegaan van het zwaarste type afwerpmunitie, van 1000 lb.

62

BB18-140-01

Vooronderzoek CE

Figuur 34. Een voorbeeld van een brisantbom van 1000 lb. Bron afbeelding: pwencycl.kgbudge.com

Horizontale afbakening verdacht gebied Uit diverse archiefgegevens, de literatuur en de luchtfotoanalyse is gebleken dat in de directe nabijheid van het projectgebied verschillende luchtaanvallen hebben plaatsgevonden. Verdacht gebied afwerpmunitie 500 en 1000 lb (Brits) Bij de bombardementen op het spoor en meer specifiek de spoorbrug over de Giessen, op 29 januari en 6 februari 1945, zijn mogelijk CE in de vorm van afwerpmunitie met een gewicht van 500 en 1000 lb achtergebleven. Naast een concentratie van kraters is langs het spoor, nabij km 80.4, ten minste één krater gesignaleerd. Op deze locatie is het spoor zwaar beschadigd geraakt. Middels luchtfotoanalyse kan niet met zekerheid worden gesteld of deze beschadiging een tweede, tot uitwerking gekomen, vliegtuigbom betreft (en daardoor een compleet patroon van 2x 1000 lb), of dat het gaat om een verzakking van de spoordijk. De aanwezigheid van een blindganger kan hierdoor niet worden uitgesloten. Voor deze locatie bestaat derhalve voldoende aanleiding voor de afbakening van een verdacht gebied in horizontale dimensie. Rond de spoorbrug over de Giessen is een duidelijke concentratie van kraters waargenomen. Deze kraters zijn op twee verschillende data (29 januari en 6 februari 1945) veroorzaakt.

Met behulp van het beschikbare luchtfotomateriaal is het mogelijk gebleken een scheiding te maken van de op 29 januari en de op 6 februari veroorzaakte kraters. In totaal zijn 14 kraters gesignaleerd, terwijl in het bronnenmateriaal wordt gesproken over circa 30 afgeworpen bommen. Hierdoor is sprake van een aanzienlijk aantal mogelijke blindgangers of door de aanwezigheid van bebouwing, schaduwwerking of de aanwezigheid van (geruimd) puin niet waarneembare bomkraters. Er zijn slechts enkele duidelijke kraterpatronen te ontwaren, die zijn meegenomen bij de vaststelling van het verdachte gebied. Voor de afbakening van individuele kraters is de in het WSCS-OCE gegeven richtlijn voor de afbakening van tapijtbombardementen gehanteerd. Dit omdat het WSCS-OCE geen afzonderlijke richtlijn

63

BB18-140-01

Vooronderzoek CE

bevat die kan dienen voor de afbakening van kraterpatronen veroorzaakt door duikbombardementen uitgevoerd door individuele (jacht)bommenwerpers. Op het luchtfotomateriaal zijn slechts enkele ‘complete’ kraterpatronen gesignaleerd (patronen waarbij beide bommen tot uitwerking zijn gekomen) die gerelateerd kunnen worden aan het bombardementen van No 257 Squadron op 29 januari en 6 februari 1945. De patronen die afkomstig zijn van de eveneens op 29 januari uitgevoerde aanval van No 197 Squadron zijn buiten beschouwing gelaten. Van de complete patronen is de maximale afstand tussen de kraters vastgesteld op ca. 47 meter. Deze afstand is vermeerderd met een maximale ondergrondse horizontale verplaatsing van 8 meter75, alsmede een luchtfotocorrectie/tolerantie van 10 meter. De resulterende risicostraal bedraagt derhalve 65 meter (47m + 8m + 10m). Omdat de aanwezigheid van bebouwing de waarneming van inslagen rond de spoorbrug bemoeilijkt is een afbakening op basis van kraterpatronen niet toereikend. In het kader van de risicobeperking is daarom gekozen eveneens de in het WSCS-OCE opgenomen richtlijn voor de afbakening van een verdacht gebied bij duikbombardementen op line-targets (in dit geval de spoorlijn) in acht te nemen. Voor de begrenzing van dit gebied zijn de krater bij km 79.9 en 79.45 als uitgangspunt genomen.

In het terrein tussen km 79.9 en 80.4 (de ‘losse krater) zijn in het polderland geen verstoringen als gevolg van inslagen gesignaleerd. Bovendien is de afstand ten opzichte van het doel (de spoorbrug) dermate groot dat de inslag bij 80.4 als een apart kraterpatroon kan worden beschouwd. Om die reden is op deze locatie de bovengenoemde risicostraal van 65 meter gehanteerd.

Figuur 35. Vooraanzicht van een Hawker Typhoon, voorzien van invasiemarkeringen (zwarte en witte banden op de vleugels) en een tweetal 1.000 lb bommen. Bron afbeelding: www.historyofwar.org.

75 Afgeleid van de in het document van A. Meijers, Offset vliegtuigbommen versie 9 genoemde afstanden.

64

BB18-140-01

Vooronderzoek CE

Figuur 36. De (complete) kraterpatronen (kaders, blauw) die kunnen worden gerelateerd aan het bombardement van 29 januari 1945 en die als uitgangspunt zijn genomen voor de afbakening van het verdachte gebied afwerpmunitie, 1000 lb. Luchtfoto 21 februari, luchtfotonummer 4105.

Verschillen verdacht gebied T&A Survey/BeoBOM Zoals reeds hierboven omschreven zijn door de firma T&A Survey ter plaatse van het spoor diverse verdachte gebieden aangemerkt (deelgebieden 3 en 4) waarbinnen CE in de vorm van afwerpmunitie kunnen worden verwacht. T&A Survey heeft hierbij de volgende uitgangspunten gehanteerd: BeoBOM wijkt hier, om de volgende redenen, vanaf: Deelgebied 3 Bij de afbakening van het verdachte gebied rond de spoorbrug over de Giessen is aanvankelijk uitgegaan van de zichtbare kraterpatronen. Omdat vanwege de aanwezigheid van bebouwing, de schaduwwerking daarvan, of andere redenen slechts enkele patronen zichtbaar zijn, is gekozen voor een combinatie van afbakeningsmethoden; Voor de begrenzing van het verdacht gebied ter plaatse van het spoor (line target, 91 meter gemeten vanuit het hart van het doel/de spoorlijn) zijn andere kraters als uitgangspunt genomen dan die door T&A Survey zijn gebruikt. De uiterste grens aan west- en oostzijde is vastgesteld op basis van de kraters die het verste bij het getroffen doel vandaan liggen; De ligging van het spoor te Hardinxveld-Giessendam is sinds de Tweede Wereldoorlog gewijzigd. Om deze reden is bij de afbakening van het verdacht gebied ‘line target’ rekening gehouden met een tolerantie/luchtfotocorrectie van 10 meter. Tevens is de maximale ondergrondse horizontale verplaatsing van 8 meter in acht genomen.

In het kader van de risicobeperking is zowel uitgegaan van de risicostralen ter plaatse van de kraters, als de in het WSCS-OCE opgenomen richtlijn voor de afbakening in geval van een duikbombardement op een line-target (91 + 10 + 8 m). 65

BB18-140-01

Vooronderzoek CE

Deelgebied 4 Aangezien op het luchtfotomateriaal van 3 februari 1945 nabij km 80.4 slechts één duidelijke krater is waar te nemen, gaat het hier om de helft van een volledige bommenlast (2x 1000 lb), wat betekent dat er hier (slechts) sprake is van maximaal één blindganger van 1.000 lb; De risicostraal rond de waargenomen krater bedraagt in totaal 65 meter, in plaats van de door T&A Survey gehanteerde straal van 75 meter. Deze afstand is gebruikt omdat op basis van het luchtfotomateriaal van 3 februari 1945 de maximale afstand tussen twee kraters is vastgesteld op ca. 47 meter. Deze afstand is vermeerderd met een luchtfotocorrectie/tolerantie van 10 meter + 8 meter maximale ondergrondse horizontale verplaatsing, resulterende in een totaal van 65 meter rondom de waargenomen krater.

Figuur 37. Voorbeeld van het op de in de bijlage gevoegde bodembelastingkaart weergegeven verdachte (oranje) en opsporingsgebied (rood).

Verticale afbakening verdacht gebied Blijkens het gebruikte bronnenmateriaal werd de directe nabijheid van het projectgebied op 29 januari 1945 getroffen door een luchtaanval waarbij afwerpmunitie van 1000 lb en 500 lb werd ingezet. Om de verticale afbakening van het verdachte gebied afwerpmunitie te kunnen vaststellen dient conform het WSCS-OCE rekening te worden gehouden met de volgende gegevens:

66

BB18-140-01

Vooronderzoek CE

Verwachte indringingshoek en –snelheid; Gewicht; De vorm en diameter van het CE; Bodemweerstand. Verwachte indringingshoek en –snelheid De verwachte indringingshoek en –snelheid van de diverse CE kon op basis van het beschikbare bronnenmateriaal niet met zekerheid worden vastgesteld. Het is echter aannemelijk dat deze circa 45 tot 60 graden bedroeg, de gebruikelijke hoek waarin een jachtbommenwerper dook bij de uitvoering van een duikbombardement (dive bombing).76 De valsnelheid van de afgeworpen bom is met behulp van het DELTARES-rekenmodel vastgesteld op circa 198 meter per seconde.

Figuur 38. Schematische weergave van een duikbombardement. De hoogte waarop de duik wordt ingezet is circa 6.000 voet (2829 meter), de hoogte waarop de bom(men) uiteindelijk word(en)t afgeworpen circa 2800 voet (853 meter). Bron afbeelding: informatiebundel EXPLOAD.

Gewicht/vorm en diameter CE Bij de bepaling van het gewicht, de vorm en de diameter van de mogelijk aan te treffen CE is uitgegaan van het zwaarst gemelde type en kaliber, afwerpmunitie met een gewicht van 1000 lb (Brits). Het gewicht van dit type CE bedraagt 486 kilogram77.

76 EXPLOAD, Informatiebundel IB-14021-1. Aanvallen met jachtbommenwerpers, tactieken en nauwkeurigheid/spreiding van inslagen, d.d. 10 juni 2014. 77 wwiiequipment.com.

67

BB18-140-01

Vooronderzoek CE

Benaming

Lengte (projectiel)

Gewicht

Diameter

1.000 lb General Purpose (G.P.) bomb

133.4 cm

486 kg

41 cm

Bodemweerstand Bij DINOloket zijn voor het projectgebied de beschikbare sonderinggegevens opgevraagd. Bij de berekening van de maximale penetratiediepte van CE dient te worden uitgegaan van deze sonderingen. Bij het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) zijn de huidige maaiveldhoogten binnen het projectgebied nagegaan. Met behulp van historisch kaartmateriaal zijn de maaiveldhoogten voor de periode 1940-1945 nagegaan. Op basis van het vergelijkend onderzoek kan geconcludeerd worden dat de maaiveldhoogte ter plaatse van het projectgebied niet sterk is veranderd. Op basis van de bronnen kan worden gesteld dat de maaiveldhoogte voor de periode 1940-1945 tussen circa 0,10 en 1,40m-NAP heeft gelegen. Penetratieberekening ter plaatse van het spoor Hardinxveld-Giessendam Op basis van bovenstaande informatie is met behulp van het door Deltares ontwikkelde rekenmodel de maximale penetratiediepte van afwerpmunitie van 1.000 lb bepaald. Onderstaande tabel toont de uitkomsten van de penetratieberekeningen, waaruit blijkt dat 14,50m-NAP (13,66m-MV) als de maximale ondergrens van het verdachte gebied afwerpmunitie geldt. Sondering

Type CE

Penetratie (MV)

Penetratie (NAP)

CPT000000004526

1000 lb

Ca. 10,00m-MV

Ca, 11,50m-NAP

CPT000000004527

1000 lb

Ca. 10,00m-MV

Ca. 11,50m-NAP

CPT000000026310

1000 lb

Ca. 10,00m-MV

Ca. 11,50m-NAP

CPT000000026311

1000 lb

Ca. 10,00m-MV

Ca. 11,50m-NAP

S38D00036

1000 lb

13,66m-MV

14,50m-NAP

S38D00709

1000 lb

13,13m-MV

14,00m-NAP

S38D00781

1000 lb

11,82m-MV

12,50m-NAP

S38D00782

1000 lb

9.25m-MV

10,50m-NAP

S38D00787

1000 lb

10,01m-MV

10,50m-NAP

S38D00812

1000 lb

11,58m-MV

13,50m-NAP

S38D00813

1000 lb

11,58m-MV

12,50m-NAP

68

BB18-140-01

Vooronderzoek CE

Figuur 39. De ligging van de verschillende sonderingen ten opzichte van het projectgebied. Bron: DINOloket. Bron satellietbeeld: World Imagery.

69

BB18-140-01

Vooronderzoek CE

Conclusie en aanbevelingen In het kader van het project bedrijventerrein Tussen de Sporen ’t Oog te Hardinxveld staan verschillende werkzaamheden gepland. Om deze te kunnen realiseren, zullen bodemroerende werkzaamheden worden uitgevoerd. De Arbeidsomstandighedenwet stelt dat er gezorgd moet worden voor een veilige werkplek. Uit dien hoofde dient een onderzoek naar de aanwezigheid van CE te worden uitgevoerd. Dit onderzoek wordt in de regelgeving een vooronderzoek genoemd. Het vooronderzoek wordt uitgevoerd conform de huidige wettelijke norm, zoals vastgelegd in het WSCS-OCE. Voorliggend rapport heeft betrekking op het projectgebied te Hardinxveld-Giessendam, zoals getoond in dit vooronderzoek. Verdacht gebied afwerpmunitie, 1.000 en 500 lb, Brits Uit het geraadpleegde bronnenmateriaal is gebleken dat als gevolg van een tweetal door geallieerde jachtbommenwerpers uitgevoerde bombardementen (29 januari en 6 februari 1945) mogelijk CE in het projectgebied zijn achtergebleven. Het gaat hierbij om afwerpmunitie in de vorm van maximaal 1.000 lb (Brits) welke kunnen worden verwacht tot een diepte van maximaal 13,66m-MV, oftewel 14,50m-NAP; Verdacht gebied afwerpmunitie, 1.000 lb, Brits Tevens is sprake van een verdacht gebied waarbinnen alléén afwerpmunitie van 1.000 lb kan zijn achtergebleven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/713/documents/22889