Samenvatting en conclusie van het armoede onderzoek Harderwijk
Tekst van het document
Samenvatting en conclusies armoedeonderzoek gemeente Harderwijk Hieronder volgt een korte, duidende samenvatting van het onderzoeksrapport van KWIZ Analyse minimahuishoudens gemeente Harderwijk. Met de infographic geeft dit een beeld van de conclusies voor de gemeente Harderwijk. Bevolking & huishoudens •
Harderwijk telt 49.387 inwoners en 21.470 huishoudens (gem. 2,30 p.p.), boven landelijk gemiddelde (2,16).
Totale minimahuishoudens • •
1.335 huishoudens hebben een inkomen van ≤ 100% van het Wettelijk sociaal minimum (Wsm) (6,2%), 2.283 huishoudens ≤ 130% Wsm (10,6%). Kenmerken: 54% alleenstaanden, 11% eenoudergezinnen, 18% meerpersoons zónder kinderen, 17% mét kinderen; 33% bijstand, 34% AOW, 33% overig inkomen.
In beeld bij de gemeente •
De gemeente heeft 64% van de minimahuishoudens in beeld.
Kinderen in minimahuishoudens • • •
800 kinderen groeien op in een huishouden ≤ 100% Wsm, 1.277 kinderen ≤ 130% Wsm (12,7%). 768 kinderen zijn in beeld bij de gemeente (60%). Wijkverdeling top 3: 32% Tweelingstad, 23% Stadsweiden/Stationsomgeving, 19% Stadsdennen.
Schuldhulp, budgetbeheer & Wmo • •
141 huishoudens krijgen schuldhulp, 62 budgetbeheer. 3.056 adressen Wmo-voorzieningen (9.028 verstrekkingen); 18% minimahuishoudens, 82% overige.
ZZP’ers •
1.998 zzp’ers (5,3% van beroepsbevolking); 20 zzp’ers met minimuminkomen in beeld (1%), schatting 150 zzp’ers ≤ 130% Wsm; 130 niet in beeld.
Bereik minimaregelingen • • • • • •
Kwijtschelding gemeentelijke belastingen: bereik 80% (landelijk 70–75%). Bijzondere bijstand: bereik 26% (landelijk 20–25%). Individuele inkomenstoeslag: bereik 75% (landelijk 40–50%). Collectieve zorgverzekering: bereik 17% (landelijk 30–40%). Tegemoetkoming aanvullende zorgkosten: bereik 20%; gecombineerd zorgpolis + tegemoetkoming 37% . Maatschappelijke bijdrageregeling: volwassenen 47% (landelijk 30–35%), kinderen 38% (landelijk 45–50%).
• • •
Schoolkosten VO: bereik 3% (landelijk 20–25%). Hier lijkt sprake te zijn van een fout door onjuiste aanlevering van data aan KWIZ. Dit wordt nader onderzocht, mogelijk volgt hier een aanpassing op. Stichting Leergeld: 44% (landelijk 35–45%). Jeugdfonds Sport & Cultuur: 31% (landelijk 25–35%) .
Inkomenseffecten •
• •
Gebruik van alle gemeentelijke regelingen zorgt logischerwijs voor een toename in maandelijks besteedbaar budget, met uitzondering van de alleenstaanden mét een zorgvraag. Voor deze groep geldt dat zij ook met gebruik van alle gemeentelijke regelingen pas rond kunnen komen bij een inkomen van 110% Wsm. Als alleenstaanden zonder kinderen, paren met en zonder kinderen geen gebruik maken van gemeentelijke regelingen, komen zij op bijstandsniveau niet rond. Loont werken? • Boven 100% Wsm vervallen gemeentelijke regelingen geleidelijk; landelijke toeslagen nemen af, behalve bij alleenstaande ouders. • Kortdurende minima (zonder individuele toeslag) profiteren netto bij extra inkomen tot 130% Wsm. • Langdurige minima (met individuele toeslag) verliezen soms budget: het vervallen van de toeslag versus werkgerelateerde kosten kan leiden tot een tijdelijk lager besteedbaar inkomen.
Huishoudtypen Er is voor dit onderzoek een keuze gemaakt om acht verschillende huishoudtypen te onderzoeken. Dit is een selectie, er zijn immers nog meer verschillende huishoudtypen te definiëren. Daarnaast is het van belang te realiseren dat het gaat om gestandaardiseerde en genormaliseerde bedragen. Individuele huishoudens kunnen hiervan afwijken. Wij hebben o.a het huishoudtype paren met kinderen tussen de 8 en 13 jaar en tussen de 13 en 17 jaar laten onderzoeken. Het huishoudtype alleenstaande ouder met kinderen in de verschillende leeftijdscategorieën is niet onderzocht. Dit is niet gedaan omdat over het algemeen geldt dat alleenstaande ouders minder snel financiële tekorten hebben. Alleenstaande ouders hebben langer recht op landelijke toeslagen. En deze toeslagen zijn vaak relatief hoog (hoger dan bij paren). Uit het onderzoek blijkt dat chronisch zieken financieel kwetsbaar zijn. Als gemeente kunnen we onderzoeken aan welke ‘knoppen we kunnen draaien’ om deze specifieke groep beter te ondersteunen. Individuele Inkomenstoeslag en de Maatschappelijke bijdrage regeling Voor de individuele inkomenstoeslag (IIT) hanteren we een ruimhartig beleid en wijken daarmee af van het landelijk beeld. Wij hanteren de voorwaarden: een inkomen niet hoger dan 110% Wsm en een referteperiode van 2 jaar.
In veel gemeenten wordt een inkomensgrens van 100% Wsm en een referteperiode van 3 jaar gehanteerd. De maatschappelijke bijdrage regeling (MBR) voor volwassenen wordt goed gebruikt. Het bereik ligt iets hoger dan landelijk gemiddeld. In het kader van dubbelingen/overlap in regelingen kunnen we kijken of de regeling wellicht anders kan worden vorm gegeven.
Heffingskorting In het onderzoek is de vraag meegenomen of een extra heffingskorting bijdraagt aan het bestrijden van armoede. Uit de analyse blijkt dat de gemeente een aantal belangrijke keuzes heeft te maken alvorens antwoord kan worden gegeven op de vraag. Los daarvan kan worden geconcludeerd dat een extra heffingskorting weliswaar een financieel steuntje in de rug is voor inwoners met een laag inkomen, maar het effect ervan op het daadwerkelijk tegengaan van armoede is minimaal. De verwachte jaarlijkse bijdrage per huishouden, tussen € 25,00 en € 50,00, is relatief laag, terwijl het inrichten, uitvoeren en bekendmaken van een nieuwe regeling aanzienlijke inspanningen en kosten met zich meebrengt. Deze verhouding tussen kosten, inspanning en opbrengst maakt dat het invoeren van een nieuwe heffingskorting niet doelmatig is. Een effectiever alternatief is om het bestaande armoedebeleid verder te versterken en uit te breiden. Door optimalisatie van bestaande regelingen kan de gemeente gerichter en met meer impact bijdragen aan het verminderen van armoede.