CConstaterende datHarderwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing uitbreiding Van der Valk verkleind document.pdf

Commissie Ruimte 23 februari 2023, gemeente HarderwijkBij agendapunt: Afwijkingsprocedure uitbreiding Van der Valk24.818 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van en incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering ten allen tijde een belangrijke rol. De projectlocatie ligt aan het Bouw & Infra Park en de Leuvenumseweg. De Leuvenumseweg is een doorgaande weg waarmee het projectgebied snel aangesloten is op het regionale wegennet. Ook het Bouw & Infra Park is goed ontsloten. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zo kan bijvoorbeeld via meerdere aanvalswegen een mogelijke brand geblust worden. Daarnaast kan via het Bouw & Infra Park de Watertorenweg bereikt worden en van de bronnen af worden gevlucht. Ook kan via de Leuvenumseweg van de bronnen af worden gevlucht. Zelfredzaamheid Ter plaatse van het projectgebied wordt een hotel gerealiseerd. De aanwezige personen zullen over het algemeen zelfredzaam zijn. Indien verminderd zelfredzame personen aanwezig zijn wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden. Het voor het groepsrisico maatgevende scenario is een zogenoemde BLEVE. De effecten van een koude en warme BLEVE zijn hittestraling, overdruk en scherfwerking.

Het slachtofferbeeld wordt voornamelijk bepaald door de hittestraling en niet door de overdruk. Gebouwen kunnen bescherming bieden tegen de hittestraling, maar moeten dan wel bestand zijn tegen de overdruk. Afhankelijk van de situatie en de inrichting van de omgeving kan het handelingsperspectief verschillen. Snel reageren is bevorderlijk. Om dekking te zoeken is een schuilplaats binnen gaan een goed handelingsperspectief. Wanneer gebouwen ontbranden of instorten is het

33/512

handelingsperspectief ontruimen en vluchten. Wanneer gebouwen wel bestand zijn tegen de hittestraling, dienen personen binnen te blijven. Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in dit scenario is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen, denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Advies VeiligheidsregioNoordoost Gelderland In het advies van de veiligheidsregio worden de bovenstaande conclusies overgenomen. In opvolging van het advies voor een extra ontsluiting voor bij eventuele calamiteiten wordt richting het Bouw- en Infrapark een ontsluitingsweg aangelegd. In afbeelding 4.5 is de ontsluiting weergegeven.

In bijlage 9 is het advies van de VNOG opgenomen.

34/512

Afbeelding 4.5 ontsluiting richting Bouw- en Infrapark Conclusie Het projectgebied ligt binnen het invloedsgebied van de A28, Spoorlijn Amersfoort - Zwolle en hogedruk aardgasledingen A-510 en N-570-20. Vanwege de afstand tot de A28 en het spoor vormt het groepsrisico geen beperkingen voor de beoogde ontwikkeling. Voor de aardgasleidingen geldt dat het groepsrisico kleiner is dan de oriëntatiewaarde en door de planontwikkeling niet toeneemt. Uit de beperkte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het projectgebied als voldoende kan worden beschouwd. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering.

4.10 Kabels, leidingen en zoneringen Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht. Zoals hiervoor reeds besproken bevinden zich nabij het projectgbied, een tweetal gasleidingen. De aan te houden zakelijk rechtstrook van de hoofd aardgastransport leiding bedraagt 5 meter aan weerszijden van de leiding. Voor de regionale aardgastransportleiding geldt een zakelijk rechtstrook van 4 meter aan weerszijden van de leiding. Het projectgebied ligt buiten de belemmeringenstroken. De belemmeringenstroken leggen geen beperkingen op aan het projectgebied. Naast de gasleiding ligt ook een persleidingriool van het waterschap op het terrein. Voor activiteiten binnen de vrijwaringszone heeft afstemming plaats gevonden met het waterschap (zie ook paragraaf 4.4).

4.11 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Algemeen In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is vastgelegd dat voorafgaand aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming noodzakelijk is; Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het plan wordt genoemd in kolom 3 (plannen). Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het plan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig.

35/512

Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor een plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. Drempelwaarden Besluit m.e.r. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C of D van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn.

De geplande ontwikkeling valt onder categorie D11.2 'De aanleg, wijzeging of uitbreiding van een stedleijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' met een drempelwaarde van 'een oppervlakte van 100 hectare of meer' of 'een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer'. De ontwikkeling valt ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. In bijlage 11 is de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Conclusie Deze ontwikkeling is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van het verlenen van de omgevingsvergunning.

36/512

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheidsaspecten van een ontwikkeling. In dat verband wordt onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.

5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Er bestaan op voorhand geen belemmeringen voor het verlenen van medewerking aan de beschreven ontwikkeling, door het doorlopen van een procedure ex artikel 2.12 lid 1 sub a onder sub 30 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Een ieder wordt in de gelegenheid gesteld om tegen het besluit tot verlenen van de omgevingsvergunning in bezwaar en beroep te gaan. In het voortraject van de ontwikkeling zijn is er samenspraak geweest met verschillende belanghebbende partijen. Hieronder wordt kort ingegaan op deze partijen. Provincie Gelderland en de Vogelbescherming Noord-Veluwe Met de Provincie Gelderland en de Vogelbeschermingswacht Noord- Veluwe hebben diverse overleggen plaatsgevonden over de mitigerende en compenserende maatregelen om de leefomstandigheden voor reptielen en vogels zo min mogelijk te verstoren. Hierbij is ook de boswachter betrokken geweest. Vooroverleg omwonenden Voor de omwonenden is een participatie bijeenkomst georganiseerd. Bij de aanvraag omgevingsvergunning zal een verslag van de bijeenkomst bijgevoegd worden.

5.2

Economische uitvoerbaarheid en grondexploitatie

Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het project is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze waarop gemeentelijke kosten op het plan worden verhaald (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid De ontwikkeling betreft een particulier initiatief, waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. De financiële haalbaarheid is niet in het geding. Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.

37/512

Voor dit project geldt dat er sprake is van een omgevingsvergunning waarmee een gebouw wordt opgericht met hotel functie. De gemeente sluit hiervoor met de aanvrager een anterieure overeenkomst, waarin onder andere ook het aspect planschade is geregeld. Het vaststellen van een grondexploitatieplan is daarom niet noodzakelijk. Door middel van de grondexploitatieregeling beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten, bijvoorbeeld voor het bouw- en woonrijp maken en kosten voor de ruimtelijke procedure. Dit project maakt ten opzichte van het geldende bestemmingsplan geen bouwplannen mogelijk waarop de grondexploitatieregeling van toepassing is.

38/512

Hoofdstuk 6 6.1

Afweging en conclusie

Aanleiding

Deze ruimtelijke onderbouwing dient ter afweging voor het verlenen van een omgevingsvergunning ex artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wabo, waarmee een een hotel met een bouwhoogte van 13 meter wordt mogelijk gemaakt.

6.2

Afweging

Op grond van het geldende bestemmingsplan is het niet toegestaan om een hotel met ondergrondse parkeergarage te realiseren omdat er ter plaatse de gebruiks- en bouwmogelijkheden hiervoor ontbreken. Het project is niet strijdig met de relevante beleidsuitgangspunten op zowel rijks-als provinciaal en gemeentelijk niveau en veroorzaakt geen conflicten met de sectorale wet- en regelgeving. In de beoogde situatie is ook sprake van een verantwoorde milieusituatie.

6.3

Conclusie

Het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project is in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.

39/512

40/512

Bijlagen

41/512

42/512

Bijlage 1

43/512

Voortoets Natura 2000 en GNN

VOORTOETS NATURA 2000 EN TOETSING GNN LEUVENUMSEWEG 7 TE HARDERWIJK

Rapportage voortoets Natura 2000 en toetsing GNN Leuvenumseweg 7 te Harderwijk Opdrachtgever

P.A.M. Teunissen Architectenbureau Veurseweg 143 2251 AB Voorschoten

Rapportnummer Versienummer

15403.003 D6

Status

Eindrapportage

Datum

25 januari 2023

Vestiging

Overijssel Wilhelm Röntgenstraat 7a 8013 NE Zwolle 088 - 5001600 zwolle@econsultancy.nl

Opsteller

De heer ing. E.R. Witter

Paraaf

Kwaliteitscontrole

De heer J.G. Boogaard, BSc

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

3

TOETSING AAN NATURA 2000 ................................................................................................ 5 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

4

Oppervlakteverlies ............................................................................................................ 9 Versnippering.................................................................................................................. 11 Verontreiniging................................................................................................................ 11 Verstoring door geluid .................................................................................................... 12 Verstoring door licht ........................................................................................................ 13 Verstoring door trilling ..................................................................................................... 13 Optische verstoring ......................................................................................................... 13 Verstoring door mechanische effecten ........................................................................... 16 Conclusie Natura 2000 ................................................................................................... 17 Mitigatie verlies leefgebied ............................................................................................. 18 Aanvullende inrichtingsmaatregelen............................................................................... 19

TOETSING AAN GELDERS NATUURNETWERK ................................................................... 20 5.1 5.2 5.3 5.4

6

Ligging ten opzichte van Natura 2000-gebied de Veluwe ................................................ 5 Doelstelling Natura 2000 .................................................................................................. 5 Habitatrichtlijn ................................................................................................................... 6 Vogelrichtlijn ..................................................................................................................... 7 Gevoeligheid ..................................................................................................................... 8

INVENTARISATIE MOGELIJKE EFFECTEN NATURA 2000 ................................................... 9 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

5

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4

Ligging ten opzichte van GNN ........................................................................................ 20 Randvoorwaarden omgevingsverandering ..................................................................... 21 Conclusie GNN ............................................................................................................... 22 Compensatie GNN.......................................................................................................... 23

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 25

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 15403.003

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van P.A.M. Teunissen Architectenbureau opdracht gekregen voor het uitvoeren van een voortoets Natura 2000 en toetsing aan het GNN ten behoeve van een uitbreiding van het Van der Valk Hotel aan de Leuvenumseweg 7 te Harderwijk. Ten aanzien van Wet natuurbescherming spelen zowel soortenbescherming als gebiedenbescherming een rol. Vanwege de ligging binnen de grenzen van het Natura 2000-gebied de Veluwe en de ligging in het Gelders Natuurnetwerk (GNN), gelden er randvoorwaarden aan het beoogde gebruikt. Deze rapportage betreft een toetsing aan de randvoorwaarden die gelden ten aanzien van Natura 2000 en de GNN. De gevolgen ten aanzien van soortbescherming binnen de Wet natuurbescherming, is in een separate rapportage getoetst (Econsultancy rapport 15403.001, d.d. 3 mei 2021). De voortoets Natura 2000 heeft als doel vast te stellen of er op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, (significante) gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Het betreft een oriënterende fase. Uit de oriënterende fase moet blijken welke situatie aan de orde is: •

•

•

Er is zeker geen negatief effect. Dit betekent dat er geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig is. Er is wel een mogelijk negatief effect, maar dit is zeker geen significant negatief effect. Dit betekent dat vergunningverlening aan de orde is. Omdat het effect zeker niet significant is, volstaat daarvoor de zogenoemde verslechteringstoets. Er is een kans op een significant negatief effect. Dit betekent dat vergunningverlening aan de orde is. Omdat er een kans op een significant negatief effect bestaat, is een passende beoordeling vereist.

De toetsing aan het beleid ten aanzien van de GNN is op basis van de regels uit de Gelderse Omgevingsverordening. Hierin staat beschreven onder welke voorwaarden ontwikkelingen binnen de grenzen van het GNN mogelijk zijn. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

Rapport 15403.003 versie D6

Pagina 1 van 26

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 1,5 ha) ligt aan de Leuvenumseweg 7, circa 2 kilometer ten zuidoosten van de kern van Harderwijk. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 172.420, Y = 482.750 (zie figuur 1)

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie betreft een perceel met voornamelijk bomen en struiken. Het bomenbestand bestaat voornamelijk uit grove den, beuk en eik. Op de bouwlocatie is geen ondergroei aanwezig, maar rond de bouwlocatie bevinden zich enkele struiken. Verder is er een strooisellaag aanwezig bestaande uit dode bladeren. In het westen van het perceel bevindt zich een woning. Daarnaast ligt in het midden van de onderzoekslocatie een zanddepot. De onderzoekslocatie is gelegen in bosrijk buitengebied aan de rand van Harderwijk op het Bouw & Infrapark. Ten westen van de onderzoekslocatie loopt de N302. Aan de noordzijde loopt de A28. Rondom de onderzoekslocatie is verschillende bebouwing aanwezig zoals het Van der Valk Hotel (zuidwesten), appartementencomplexen (oosten) en bedrijfspanden (noordoosten). Ten noorden grenst de onderzoekslocatie aan een oprit/parkeerplaats. In figuur 3 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 11 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

Rapport 15403.003 versie D6

Pagina 2 van 26

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.

Figuur 3. Onderzoekslocatie vanuit het westen met links parkeerplaats.

Figuur 4. Zanddepot in het midden van de onderzoekslocatie gezien vanaf het westen.

Figuur 5. Gebouw aan westzijde van de onderzoekslocatie.

Figuur 6. Zanddepot en hekwerk gezien vanaf het noordwesten.

Figuur 7. Zuidelijk deel onderzoekslocatie met links Hotel Van der Valk.

Figuur 8. Drie ingemeten bomen die gekapt zullen worden.

Rapport 15403.003 versie D6

Pagina 3 van 26

Figuur 9. Hotel Van der Valk en strook Natura 2000, gezien vanaf zanddepot.

2.2

Figuur 10. Midden van de onderzoekslocatie gezien vanaf zanddepot met op de achtergrond woningen Ceintuurlaan.

Figuur 11. Onderzoekslocatie gezien vanaf zanddepot vanaf westelijke richting.

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens het naastgelegen Van der Valk Hotel uit te breiden met 77 kamers en een wellness ter hoogte van waar nu het zanddepot is gelegen. De uitbreiding valt onder de bestemming ‘gemengd’ van het Bouw- & Infrapark. Voor de uitbreiding zullen 9 bomen worden gekapt die al zijn ingemeten. Daarnaast zullen twee paden worden aangelegd van het bestaande gebouw naar de nieuwbouw. De werkzaamheden zullen op zijn vroegst in 2023 starten, buiten het broedseizoen. In figuur 12 is een ontwerpschets weergegeven van de voorgenomen uitbreiding van het Van der Valk Hotel. De nieuwbouw zal gebouwd worden buiten de aangewezen grenzen van Natura 2000gebied Veluwe. De twee verbindingspaden zullen wél een strook Natura 2000-gebied van 20 meter breed doorkruisen. Het betreft een rijweg van 5 meter breed, die de nieuwbouw met de huidige parkeerplaats zal verbinden voor auto’s en fietsers en een voetpad van 1,5 meter breed, die het hotel met de nieuwbouw zal verbinden. De verbinding voor auto’s zal half-verhard worden aangelegd en voorzien worden van naar bedeneden richtende verlichting die beweging geactiveerd zal zijn. Voor de aanleg van de paden zullen geen bomen gekapt worden. Het voetpad wordt onverhard.

Figuur 12. Ontwerpschets uitbreiding Van der Valk Hotel (bron: P.A.M. Teunissen Architectenburo B.V., 20-01-2023).

Rapport 15403.003 versie D6

Pagina 4 van 26

3

TOETSING AAN NATURA 2000

3.1

Ligging ten opzichte van Natura 2000-gebied de Veluwe

De onderzoekslocatie grenst aan het Natura 2000-gebied de Veluwe. In figuur 13 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natura 2000-gebied weergegeven.

Figuur 13. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.

3.2

Doelstelling Natura 2000

Voor ieder Natura 2000-gebied geldt dat deze een specifiek (vaak internationaal) belang heeft voor bepaalde soorten en/of habitattypen. Op grond van de staat van instandhouding en het relatief belang van soorten en habitattypen zijn de belangrijkste verbeteropgaven en doelen op landelijk niveau vastgesteld. Deze landelijke doelen vormen de kaders voor de formulering van instandhoudingdoelen op gebiedsniveau. Algemene doelen zijn behoud en indien van toepassing herstel van: • •

•

de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie; de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijke niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

Rapport 15403.003 versie D6

Pagina 5 van 26

3.3

Habitatrichtlijn

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen van aangewezen habitattypen. De meest dichtbij zijnde aangewezen habitattypen betreffen droge heide, zandverstuivingen en stuifzandheide met struikhei en zijn weergegeven in figuur 14.

Figuur 14. Ligging aangewezen habitattypes op de onderzoekslocatie en omgeving.

Behalve habitattypen zijn ook de leefgebieden van enkele habitatsoorten beschermd. De in totaal 7 habitatsoorten die voor de Veluwe zijn aangewezen, zijn voornamelijk soorten die afhankelijk zijn van watergebonden habitats zoals de beekprik, rivierdonderpad en drijvende waterweegbree. De meervleermuis heeft geen potentieel leefgebied in de omgeving. De enige habitatsoorten die potentieel leefgebied in de omgeving van de onderzoekslocatie hebben zijn vliegend hert en kamsalamander. De onderzoekslocatie zelf vormt echter geen leefgebied voor deze soorten, zodat deze verder buiten beschouwing kunnen worden gelaten.

Rapport 15403.003 versie D6

Pagina 6 van 26

3.4

Vogelrichtlijn

Voor Natura 2000-gebied Veluwe zijn 10 broedvogelsoorten aangewezen. Deze soorten zijn de boomleeuwerik, duinpieper, draaihals, grauwe klauwier, ijsvogel, nachtzwaluw, roodborsttapuit, tapuit, wespendief en zwarte specht. In opdracht van BIJ12 heeft SOVON Natura 2000-leefgebiedenkaarten opgesteld voor deze soorten. In de leefgebiedenkaarten wordt binnen de begrenzing van Natura 2000-gebied Veluwe onderscheid gemaakt tussen ‘geen leefgebied’, ‘potentieel leefgebied’ en ‘bezet leefgebied’. Potentieel leefgebied biedt in potentie geschikt habitat voor de soort, maar er zijn geen territoria bekend binnen dit gebied. Potentiele leefgebieden kunnen belangrijk zijn voor het realiseren van uitbreidingsdoelstellingen en het robuust maken van populaties van de betreffende soorten. Bezet leefgebied is geschikt leefgebied waarbinnen territoria zijn vastgesteld van de betreffende soorten. In tabel I staat weergegeven voor welke soorten de onderzoekslocatie is aangewezen als leefgebied, de leefgebiedkaarten van de desbetreffende soorten zijn te vinden in bijlage 3. De pixelgrootte op deze kaarten zijn 25 x 25 meter, hiermee dient rekening te worde gehouden bij de interpretatie van de begrenzing van de leefgebieden. Tabel I. Aanwijzingsdoelstellingen voor Vogelrichtlijnsoorten in Natura 2000-gebied Veluwe relevant voor onderzoekslocatie.

In grijs de leefgebieden van soorten die zijn aangewezen voor de onderzoekslocatie zelf. De overige leefgebieden liggen in de omgeving van het plangebied. Code

Naam

Status leefgebied

Doelstelling Oppervlak/omvang leefgebied

Kwaliteit leefgebied

Populatie

A246

Boomleeuwerik

Potentieel geschikt leefgebied en Behoud bezet leefgebied

Verbetering

2400 paar

A233

Draaihals

Potentieel geschikt leefgebied

Verbetering

Verbetering

t.b.v. hervestiging

A255

Duinpieper

Potentieel geschikt leefgebied

Verbetering

Verbetering

t.b.v. hervestiging

A338

Grauwe klauwier

Potentieel geschikt leefgebied en Verbetering bezet leefgebied

Verbetering

40 paar

A229

IJsvogel

Potentieel geschikt leefgebied en Behoud bezet leefgebied

Behoud

30 paar

A224

Nachtzwaluw

Potentieel geschikt leefgebied

Behoud

Behoud

610 paar

A276

Roodborsttapuit

Potentieel geschikt leefgebied en Behoud bezet leefgebied

Behoud

1100 paar

A277

Tapuit

Potentieel geschikt leefgebied en Verbetering bezet leefgebied

Verbetering

100 paar

A072

Wespendief

Potentieel geschikt leefgebied

Behoud

Behoud

100 paar

A236

Zwarte specht

Potentieel geschikt leefgebied en Behoud bezet leefgebied

Behoud

400 paar

Rapport 15403.003 versie D6

Pagina 7 van 26

3.5

Gevoeligheid

De toetsing van de mogelijke externe effecten op Natura 2000-gebieden in de omgeving is uitgevoerd aan de hand van de effectenindicator van het Ministerie van Economische Zaken (Effectenindicator Synbiosys Alterra, 2021). In de effectenindicator zijn de meest voorkomende storende factoren met betrekking tot Natura 2000-gebieden in het kader van diverse werkzaamheden beschreven. De effectenindicatoren die het meest aansluit op de voorgenomen ingreep zijn de activiteiten ‘woningbouw’ en ‘landrecreatie’ In tabel III staan dikgedrukt de storende factoren weergegeven die bij deze toetsing worden beoordeeld. De niet dikgedrukte factoren kunnen wegens de aard van de voornemens en de ligging buiten Natura 2000-gebieden op voorhand worden uitgesloten. Effecten van stikstofdepositite zijn separaat getoetst door Econsutancy (rapport 15403.002, d.d. april 2021), waarbij geconcludeerd werd dat het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgt en negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Tabel II. Storende factoren conform effectenindicator*. 1. Oppervlakteverlies 2. Versnippering 3. Verzuring 4. Vermesting 5. Verzoeting 6. Verzilting 7. Verontreiniging 8. Verdroging 9. Vernatting 10. Verandering stroomsnelheid

11. Verandering overstromingsfrequentie 12. Verandering dynamiek substraat 13. Verstoring door geluid 14. Verstoring door licht 15. Verstoring door trilling 16. Optische verstoring 17. Verstoring door mechanische effecten 18. Verandering in populatiedynamiek 19. Bewuste verandering soortensamenstelling

* De vetgedrukte factoren worden bij de toetsing betrokken, de overige factoren zijn op voorhand niet aan de orde.

Per factor wordt beschreven of deze als gevolg van de voorgenomen ingreep in zijn algemeenheid kan plaatsvinden. Vervolgens wordt beschreven of het optreden van de verstorende factor tot negatieve effecten kan leiden. Niet iedere soort is even gevoelig voor de mogelijk optredende storende factoren. In tabel IV staat per habitat/soort die in het plangebied aanwezig is in welke mate deze volgens de effectenindicator gevoelig is voor storende factoren. Tabel III. Gevoeligheid voor storingsfactoren volgens effectenindicator.

Rapport 15403.003 versie D6

Pagina 8 van 26

4 4.1

INVENTARISATIE MOGELIJKE EFFECTEN NATURA 2000 Oppervlakteverlies

Kenmerk: afname beschikbaar oppervlak leefgebied soorten en/of habitattypen. Interactie andere factoren: verlies van oppervlakte leidt tot verkleining en in sommige gevallen ook tot versnippering van het leefgebied (zie aldaar). Een kleiner gebied heeft bovendien meer te leiden van randinvloeden: vaak is de kwaliteit van het leefmilieu aan de rand minder goed dan in het centrum van het gebied. Op deze manier leidt verlies oppervlakte mogelijk ook tot een grotere gevoeligheid voor bijvoorbeeld verdroging, verzuring of vermesting. Gevolg: door afname van het beschikbare oppervlak neemt ook het aantal individuen van een soort af. Om duurzaam te kunnen voortbestaan moet elke soort uit een minimum aantal individuen bestaan; bij diersoorten wordt meestal van een minimum aantal paartjes (reproductieve eenheden) gesproken. Wanneer een populatie te klein wordt neemt de kans op uitsterven toe, zeker als deze populatie geen onderdeel uitmaakt van een samenhangend netwerk van leefgebieden. Bij een populatie die uit te weinig individuen bestaat, neemt ook de kans op inteelt toe en dus de genetische variatie af. Hierdoor wordt een populatie kwetsbaar voor veranderingen ten gevolge van bijvoorbeeld predatie, extreme seizoensinvloeden of ziekten. Ook habitattypen kennen een ondergrens voor een duurzame oppervlakte.

Analyse: De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van een beschermd habitattype. Het dichtstbijzijnd habitattype is gelegen op circa 500 meter afstand van de onderzoekslocatie. Oppervlakteverlies van aangewezen habitattypen is met de voorgenomen ingreep op voorhand uit te sluiten. Oppervlakteverlies kan enerzijds optreden door afname van geschikt leefgebied voor aangewezen soorten als gevolg van de herinrichting van het gebied. Anderzijds kan in algemene zin oppervlakteverlies optreden als een leefgebied niet meer geschikt is door bijvoorbeeld een toename van recreatiedruk. Het plangebied vormt voor een gedeelte bezet leefgebied voor de boomleeuwerik, draaihals, zwarte specht, nachtzwaluw en wespendief. Voor de overige aangewezen vogelsoorten, vliegend hert en kamsalamander is geen potentieel geschikt leefgebied aanwezig op de onderzoekslocatie, redelijkerwijs kan voor deze soorten negatieve effecten op het leefgebied door oppervlakteverlies uit worden gesloten. Zwarte specht Het plangebied maakt deels onderdeel uit van het ‘bezet leefgebied’ van de zwarte specht. Zoals te zien is in bijlage 3 zal het wandelpad voor een gedeelte in ‘bezet leefgebied’ komen te liggen. De auto/fietsverbinding zal in ‘potentieel leefgebied’ komen te liggen.

Als gevolg van de aanleg van de het voetpad zal er een afname van 30 m2 aan bezet/potentieel leefgebied zijn en als gevolg van de aanleg van de rijweg 100 m2 potentieel leefgebied. Er zullen geen bomen worden gekapt binnen de grenzen van het aangewezen bezet en potentieel leefgebied van de zwarte specht. Doordat de houtopstand in de strook Natura 2000-gebied voornamelijk bestaat uit jonge loofbomen en grove den is het niet te verwachten dat er ondanks de herontwikkeling zwarte spechten hier zouden gaan broeden. De huidige aanwezigheid van menselijke activiteit maakt het eveneens suboptimaal als broedlocatie voor de soort. Enkele honderden meters ten oosten en zuiden van de onderzoekslocatie zijn wel geschikte broedgebieden aanwezig, door de aanwezigheid van oude loofbomen en minder menselijke activiteit. Voor de zwarte specht is de aanwezigheid van voldoende liggend en staand dood hout essentieel om te foerageren. Alhoewel dit maar beperkt aanwezig is in de strook Natura 2000 op de onderzoekslocatie, is het wel mogelijk dat de onderzoekslocatie gebruikt kan worden als foerageergebied door de zwarte specht. Ten behoeve van de nieuwbouw zullen buiten de grenzen van het Natura 2000-gebied enkele bomen worden gekapt.

Rapport 15403.003 versie D6

Pagina 9 van 26

Door tijdens de werkzaamheden te sturen op het creëren van meer liggend en staand dood hout zal in het gebied de foerageermogelijkheden voor zwarte specht verbeteren, zodat per saldo meer geschikte foerageermogelijkheden voor deze soorten aanwezig zijn dan in de huidige situatie het geval is. Doordat er geen broedgelegenheden zijn en maar beperkte foerageermogelijkheden, zijn significant negatieve effecten als gevolg van oppervlakteverlies door de planvorming uit te sluiten. Als gevolg van het aanleggen van verbindingspaden in het gebied en een uitbreiding van het hotel zal er wel een toename zijn van menselijke activiteit in het plangebied en het aantal bezoekers en recreanten in de directe omgeving. In hoeverre een toename van bezoekers kan leiden tot een afname van geschikt leefgebied, wordt verder getoetst in paragraaf 3.7. Boomleeuwerik De onderzoekslocatie maakt deels onderdeel uit van het ‘potentieel leefgebied’ van de boomleeuwerik. Als gevolg van de aanleg van de paden zal er een afname van 130 m2 aan potentieel leefgebied zijn. In het plangebied en de directe omgeving is geen optimaal geschikt leefgebied voor boomleeuweriken aanwezig. De soort prefereert heideterreinen en bosranden boven dichte bosgebieden, die op enkele honderden meters ten oosten van de onderzoekslocatie wel aanwezig zijn. De boomleeuwerik broedt niet in grote bomen maar in korte vegetatie.

Vanwege het ontbreken van geschikt leefgebied binnen de invloedsfeer van de voorgenomen herontwikkeling is oppervlakteverlies van leefgebied van boomleeuwerik op voorhand uit te sluiten. Draaihals De onderzoekslocatie maakt deels onderdeel uit van het ‘potentieel leefgebied’ van de draaihals. Als gevolg van de aanleg van de paden zal er een afname van 130 m2 aan potentieel leefgebied zijn. De draaihals is een spechtensoort en broedt vooral in berken in half open bosgebieden met de aanwezigheid van berken, veelal grenzend aan heideterrein. Daarnaast prefereert de soort ondergroei om te foerageren naar mieren en mierenpoppen. Doordat deze habitats niet aanwezig zijn op de onderzoekslocatie kan geconcludeerd worden dat de onderzoekslocatie geen onderdeel zal uitmaken van het leefgebied van de draaihals. Nachtzwaluw De onderzoekslocatie maakt deels onderdeel uit van het ‘potentieel leefgebied’ van de nachtzwaluw. Als gevolg van de aanleg van de paden zal er een afname van 130 m2 aan potentieel leefgebied zijn. Voor de nachtzwaluw geldt net als de boomleeuwerik dat het broedgebied vooral uit open gebieden bestaat zoals heideterreinen en zandvlaktes. Kapvlaktes kunnen ook leefgebied vormen en dienen samen met heideterreinen als broedlocatie.

Vanwege het ontbreken van geschikt leefgebied binnen de invloedsfeer van de voorgenomen herontwikkeling is oppervlakteverlies van leefgebieden van nachtzwaluw op voorhand uit te sluiten. De reden dat het plangebied als 'potentieel' leefgebied is aangewezen is omdat nachtzwaluwen het bos en bosranden gebruiken om te foerageren. Aangezien geen bomen worden gekapt en indien donkerte behouden blijft in het N2000 gebied, is er geen sprake van afname van potentieel leefgebied en is er geen risico op significant negatieve effecten. Wespendief De onderzoekslocatie maakt deels onderdeel uit van het ‘potentieel leefgebied’ van de wespendief. Als gevolg van de aanleg van de paden zal er een afname van 130 m2 aan potentieel leefgebied zijn. Voor de begrenzing van het leefgebied van de wespendief is een vereenvoudigde methode toegepast, hierdoor is vrijwel de gehele Veluwe aangewezen als potentieel leefgebied. Uit de uitgevoerde quickscan is gebleken dat de soort niet op de onderzoekslocatie en de directe omgeving broedt (er zijn geen horsten waargenomen). Door de vele menselijke activiteit die in de huidige situatie reeds aanwezig is rond het onderzoeksgebied, is het onwaarschijnlijk dat de wespendief in de toekomst hier zal broeden.

Rapport 15403.003 versie D6

Pagina 10 van 26

Een groot deel van het plangebied is weinig geschikt om te foerageren. Het voedselbiotoop bestaat uit bos en bosranden, randen van kapvlakten en heide, bermen, taluds en vrijwel alle denkbare andere plekken waar nesten van sociaal levende en in de grond nestelende wespen voorkomen. Vooral randzones en reliëfrijke stukken zijn geschikt. Openheid is net als bij de nachtzwaluw, de boomleeuwerik en de draaihals van belang. De wespendief foerageert op de grond en moet vaak diep graven om bij voedsel (wespennesten) te komen. Omdat de soort erg kwetsbaar is tijdens het graven is de vogel erg alert op beweging en geluid in de omgeving. Door de huidige aanwezigheid van autowegen, wandelpaden en bedrijvigheid op en rond de onderzoekslocatie is het niet waarschijnlijk dat dit gebied belangrijk foerageergebied vormt. Het is niet te verwachten dat met de voorgenomen ontwikkeling er specifiek verslechtering zal optreden. 4.2

Versnippering

Kenmerk: van versnippering is sprake bij het uiteenvallen van het leefgebied van soorten. Interactie andere factoren: treedt op ten gevolge van verlies leefgebied of verandering in abiotische condities van het leefgebied. Kan leiden tot verandering in populatiedynamiek. Gevolg: als het leefgebied niet meer voldoende groot is voor een populatie, of individuen van één populatie kunnen de verschillende leefgebieden niet meer bereiken, neemt de duurzaamheid van de populatie af. Een gevolg kan zijn een verandering op in de soortensamenstelling en het ecosysteem. Soorten zijn in verschillende mate gevoelig voor de versnippering van hun leefgebied. Het meest gevoelig zijn soorten met een gering verspreidingsvermogen, soorten die zich over de grond bewegen en soorten met een grote oppervlaktebehoefte. Versnippering door barrières zoals wegen en spoorlijnen leidt mogelijk ook tot sterfte van individuen en kan zo effect hebben op de populatiesamenstelling. Bij versnippering moet men altijd goed rekening houden met het schaalniveau van het populatienetwerk.

Analyse: Ten behoeve van het beoogde gebruik worden er twee nieuwe paden in het terrein aangelegd. Voor de soorten met (potentiele) leefgebieden binnen het plangebied ontstaan hierdoor echter geen barrières. De houtopstand blijft behouden waardoor de soorten gemakkelijk het gebied kunnen passeren, bijvoorbeeld via de boomkronen. Daarnaast vormt de met verbindingspaden te doorkruisen strook Natura 2000-gebied, geen essentiële verbinding van natuurkern naar natuurkern. De locatie is gelegen aan de rand van de Veluwe en het loopt hier als het ware ‘dood’. Het is daarom uit te sluiten dat de genoemde soorten de onderzoekslocatie gebruiken als migratieroute. Als gevolg van het aanleggen van verbindingspaden in het gebied zal er wel een toename zijn van menselijke activiteit wat tot verstoring kan lijden. In hoeverre een toename van bezoekers kan leiden tot een versnippering van het gebied wordt verder getoetst in paragraaf 3.7. 4.3

Verontreiniging

Kenmerk: Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, welke stoffen onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling (radioactief en niet radioactief), geneesmiddelen, endocrien werkende stoffen etc. Deze stoffen werken in op de bodem, grondwater, lucht. Interactie andere factoren: geen directe interactie met andere factoren. Wel kan verontreiniging als gevolg van andere factoren optreden. Gevolg: Vrijwel alle soorten en habitattypen reageren op verontreiniging. De ecologische effecten uiten zich in het verdwijnen van soorten en/of het beïnvloeden van gevoelige ecologische processen. Deze beïnvloeding kan direct plaatsvinden maar ook indirect via een opeenvolging van ecologische interacties. Bovendien kan verontreiniging zich pas vele jaren/decennia later manifesteren. De gevolgen van verontreiniging zijn divers en complex.

Rapport 15403.003 versie D6

Pagina 11 van 26

In het algemeen kan gesteld worden dat aquatische habitattypen en soorten gevoeliger zijn dan terrestrische systemen. Ook geldt dat soorten in de top van de voedselpiramide, als gevolg van accumulatie, van verontreinigingen gevoeliger zijn. Echter, afhankelijk van de concentratie en duur van de verontreiniging zijn alle habitattypen en soorten gevoelig en kan verontreiniging leiden tot verandering van de soortensamenstelling.

Analyse: De onderzoekslocatie is niet gelegen in een gebied dat is aangewezen als habitatrichtlijngebied. Wel kan in algemene zin verontreiniging leiden tot een afname van de kwaliteit van het leefgebied van aangewezen vogelsoorten. In de aanlegfase zijn effecten door verontreiniging niet te verwachten. Met de bouw van het hotelgebouw en realisatie van verbindingspaden worden geen verontreinigende stoffen toegepast. Bij calamiteiten kan er brandstof of olie uit machines lekken. In dit geval is de zorgplicht van toepassing om deze verontreiniging direct op te ruimen. 4.4

Verstoring door geluid

Kenmerk: verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen; permanent zoals geluid wegverkeer danwel tijdelijk zoals geluidsbelasting bij evenementen. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. Interactie andere factoren: Treedt vaak samen met visuele verstoring op door bijv. vlieg- en autoverkeer, manifestaties etc. Gevolg: Logischerwijs zijn alleen diersoorten gevoelig voor direct effecten van geluid. Geluid sec is een belangrijke factor in de verstoring van fauna. De verstoring door geluid wordt beïnvloed door het achtergrondgeluid en de duur, frequentie en sterkte van de geluidsbron zelf. Geluidsbelasting kan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen. Dit kan vervolgens weer leiden tot het verlaten van het leefgebied of bijvoorbeeld een afname van het reproductiesucces. In bepaalde gevallen kan ook gewenning optreden, in het bijzonder bij continu geluid. Voor zeezoogdieren en vogels is in bepaalde gevallen deze dosis-effect relatie goed gekwantificeerd.

Analyse: Als gevolg van de realisatie van de hoteluitbreiding kan er in de aanlegfase sprake zijn van een tijdelijke toename van geluid. Door deze werkzaamheden buiten het broedseizoen van de aangewezen soorten (globaal lopend van 15 maart tot 15 augustus) uit te voeren zal deze tijdelijke toename van geluid niet leiden tot het niet kunnen behalen van de instandhoudingsdoelstellingen, waarmee (significant) negatieve effecten zijn uitgesloten. Zelfs als binnen het broedseizoen werkzaamheden plaats moeten vinden zal dit niet tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen leiden. Omdat voor het merendeel het gaat op potentieel leefgebied waarbij broedgevallen van de aangewezen soorten redelijkerwijs zijn uit te sluiten, zal verstoring door geluid in de aanlegfase geen verstoring plaatsvinden. In de gebruiksfase zal slechts een verwaarloosbare toename van geluid zijn. De toename die zal plaatsvinden, zal komen van wandelaars over het wandelpad tussen het huidige gebouw en de nieuwbouw en komen van verkeersbewegingen tussen de huidige parkeerplaats van het hotel en de nieuwbouw. Over deze verbinding zullen auto’s en fietsers rijden met een beperkte snelheid. Ook omgevingsgeluid speelt in het gebied een rol. De onderzoekslocatie is gelegen binnen enkele tientallen meters van drukke verkeerswegen, wandelpaden en bedrijvigheid.

Doordat er in de huidige situatie reeds sprake is van verstoring door geluid, zal de toename van geluid in de gebruiksfase verwaarloosbaar zijn.

Rapport 15403.003 versie D6

Pagina 12 van 26

4.5

Verstoring door licht

Kenmerk: verstoring door kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en industrieterreinen, glastuinbouw etc. Interactie andere factoren: geen (onbekend) Gevolg: Kunstmatige verlichting van de nachtelijke omgeving kan tot verstoring van het normale gedrag van soorten leiden. Naar mogelijke effecten is nog vrij weinig onderzoek gedaan. Veel kennis gaat daarom nog niet verder dan het kwalitatief signaleren van risico’s. Met name schemer- en nachtactieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, doordat zij juist aangetrokken worden of verdreven door de lichtbron. Hierdoor raakt bijvoorbeeld hun ritme ontregeld of verlichte delen van het leefgebied worden vermeden.

Analyse: Volgens de effectenindicator zijn alle genoemde vogelsoorten gevoelig voor lichtverstoring. Om de effecten van lichtverstoring zo veel mogelijk weg te nemen wordt de verlichting langs het wandelpad en het rijpad te gerealiseerd met naar beneden richtende verlichting die met beweging geactiveerd wordt. Dit dient gewaarborgd te worden in een lichtplan waarin onder andere beschreven wordt hoeveel lichtpunten er komen, waar de lichtpunten komen en welke armaturen worden gebruikt. De randvoorwaarden ten aanzien van het vermijden van een toename van licht in het Natura 2000gebied geldt ook voor de verlichting van het nieuwe gebouw. Deze mag niet uitstralen in het Natura 2000-gebied. 4.6

Verstoring door trilling

Kenmerk: Er is sprake van trillingen in bodem en water als dergelijke trillingen door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals bij boren, heien, draaien van rotorbladen etc. Interactie andere factoren: kan vooral samen optreden met verstoring door geluid. Gevolg: Trilling kan leiden tot verstoring van het natuurlijke gedrag van soorten. Individuen kunnen tijdelijk of permanent verdreven worden uit hun leefgebied. Over het daadwerkelijke effect van trilling is nog zeer weinig bekend. Naar het effect op zeezoogdieren is wel onderzoek verricht.

Analyse: Geen van de aangewezen soorten in het plangebied zijn gevoelig voor verstoring door trilling. Tijdens de aanlegfase is het mogelijk dat er verstoring door trilling op kan treden door bijvoorbeeld graafwerkzaamheden en verdichten van de bodem. Gezien de tijdelijke aard van de effecten, de mate van gevoeligheid voor trillingen van de aangewezen soorten en de afwezigheid van geschikt broed- en foerageerhabitat zijn significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen uit te sluiten. 4.7

Optische verstoring

Kenmerk: optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. Interactie andere factoren: treedt vaak samen op met verstoring door geluid (in geval van recreatie) of trilling en licht (in geval van voertuigen, schepen). Gevolg: Optische verstoring leidt vooral tot vluchtgedrag van dieren. De soort reageert bijvoorbeeld op beweging omdat een potentiële vijand wordt verwacht. Andersom kan optische verstoring juist ook het uitzicht van soorten beperken waardoor zij potentiële vijanden niet zien naderen. De daadwerkelijke effecten zijn zeer soortspecifiek en hangen van de schuwheid van de soort en de mate waarin gewenning optreedt. Bovendien kunnen de effecten afhankelijk zijn van de periode van de levenscyclus van de soort: in de broedtijd zijn soorten over het algemeen schuwer en dus gevoeliger voor optische verstoring.

Rapport 15403.003 versie D6

Pagina 13 van 26

Analyse: Volgens de effectenindicator en Krijgsveld et al, 2008, zijn de duinpieper, nachtzwaluw, tapuit en vliegend hert gevoelig voor optische verstoring en zijn de boomleeuwerik, draaihals, wespendief en de zwarte specht weinig verstoringsgevoelig voor optische verstoring zoals landrecreatie. Daarnaast is voor de soorten, met uitzondering van de zwarte specht, geen geschikt voortplantingshabitat aanwezig, waardoor de gevoelige periode van verstoring tijdens de broedtijd niet aan de orde is. Echter kunnen deze soorten wel verstoord worden tijdens het foerageren. De zwarte specht en wespendief foerageren op de bosbodem waardoor wel sprake kan zijn van een verstoring van de foerageerfunctie van deze soorten. Doordat de boomleeuwerik en nachtzwaluw gebonden zijn aan heideterrein en open bos, wordt niet verwacht dat deze soorten negatieve effecten omtrent optische verstoring ondervinden door de voorgenomen planvorming. Rond het Bouw- & Infrapark ligt momenteel een deel van de MTB-route Harderwijk die door de onderzoekslocatie heen loopt (figuur 15). Om verstoring van broedgebied van de onder andere de zwarte specht op voorhand te voorkomen, is er bij het plannen en uitzetten van de route gelet op geschikte en/of bekende broedlocaties voor de zwarte specht. Deze locatie zijn vermeden om verstoring tegen te gaan. Tevens zijn het plannen van de route bosmierennesten vastgelegd.

Mochten bij het uitvlaggen nieuwe nesten gevonden worden en is de standaard werkwijze dat ook deze gespaard worden en de route wordt omgeleid.

Figuur 15. MTB-route rond Bouw- & Infrapark Harderwijk (bron: MTBroutes.nl, 2021).

Door de nieuwbouw zal het deel van de MTB-route die rond het Bouw & Infrapark en door de onderzoekslocatie loopt, opgeheven worden. Hierdoor zal de optische verstoring die momenteel veroorzaakt wordt door de mountainbikers in dit gebied wegvallen en zal naar verwachting het aantal mountainbikers in de bredere omgeving afnemen. Door de uitbreiding van het hotel is het te verwachten dat er meer bezoekers gaan wandelen en fietsen in de directe omgeving en dus het Natura 2000-gebied. De meeste wandelaars zullen niet veel verder dan 5 kilometer afleggen (wandeling van ongeveer een uur). In figuur 20 is aangegeven welke gebieden binnen een wandeling van 2,5 km, 4 km en 6 km bereikbaar zijn vanaf het hotel. Hierbij is gekeken naar de meest kwetsbare habitats die in de omgeving liggen. Dit zijn voornamelijk de open gebieden, zoals de zandverstuivingen en de stuifzandheide. Er worden geen paden aangelegd, zodat optische verstoring in de beboste gebieden een minder belangrijke rol speelt dan de open terreinen. Voor recreatie per fiets wordt er vanuit gegaan dat deze zich over een veel groter gebied verspreid dan alleen in de omgeving van het hotel. Dit zal daardoor op voorhand geen merkbaar effect hebben op het totaal aantal fietsende recreanten. De planlocatie ligt aan de grens van de kom van Harderwijk. Dit betekent dat er vrij hoge recreatiedruk is.

Bezoekers komen zowel vanuit Harderwijk zelf als van de omliggende bungalowparken. Langs de wandelroutes richting het Beekhuizerzand zijn meerdere recreatieve voorzieningen aanwezig , zoals een trim- en cooperbaan, een slowrun verzamelpunt en een natuurspeelterrein (aangewezen als stuifzandheide). Verder is er een uitkijktoren aan de rand van het Beekhuizerzand. Het Beekhuizerzand zelf wordt behalve voor recreatie ook gebruikt als militair oefenterrein.

Rapport 15403.003 versie D6

Pagina 14 van 26

Figuur 16. Wandelroutes vanaf het hotel naar de meest gevoelige habitats.

Een klein ommetje van rond de 2,5 kilometer betekent dat men alleen langs de habitattypen stuifzandheide en droge heide wandelt. Het gebied met stuifzandheide is in gebruik als natuurspeelplaats. Gelet op de aanwezige recreatiedruk zal van aanvullende verstoring geen sprake zijn. Het gebied dat is aangewezen als droge heide betreft een baan die is gekapt ten behoeve van een hoogspanningsleiding.

Figuur 17. Het als stuifzandheide aangewezen gebied dat als natuurspeelplaats in gebruik is (foto: Sven Klatt, via Google).

De uitkijktoren bij het Beekhuizerzand is bereikbaar middels een wandeling van 4 kilometer. Wil men het stuifzand bezoeken, dan is de wandeling minimaal 6 kilometer. Verwacht wordt dat dit slechts een beperkt deel van de bezoekers van het hotel zal worden gedaan. De recreatiedruk aan de rand het Natura 2000-gebied bij Harderwijk is vrij groot. Specifieke cijfers hieromtrent zijn voor deze toetsing niet achterhaald, omdat de toename van recreatie door een toename van 77 kamers niet merkbaar zal zijn ten opzichte van de huidige recreatiedruk. De provincie Gelderland is momenteel doende om in het kader van recreatiezonering verschillende gebiedsprocessen uit te voeren. Het gebiedsproces voor het Hulshorsterzand-Beekhuizerzand is onlangs afgerond. De inhoud is nog niet openbaar bekend. Uitgegaan wordt van een meer gereguleerde recreatiedruk in de omliggende gebieden van de onderzoekslocatie, waardoor de uitbreiding niet zal zorgen voor negatieve effecten op aangewezen vogel- en habitatsoorten.

Rapport 15403.003 versie D6

Pagina 15 van 26

In de conceptfase van de recreatiezonering wordt vooralsnog uitgegaan van matig tot intensief recratief gebruik in het gebied rond het plangebied (zone A en B).

Figuur 18. Zonering volgens Concept Recreatiezonering Veluwe.

4.8

Verstoring door mechanische effecten

Kenmerk: Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. De oorzaken en gevolgen zijn bij deze storende factor zeer divers. Interactie andere factoren: verstoring kan samenvallen met verstoring door geluid, licht en trilling. Gevolg: deze storende factor kan leiden tot een verandering van het habitattype en/of verstoring of het doden van faunaindividuen. Bij habitattypen treedt de verstoring/verandering vaak op ten gevolge van recreatie of bijvoorbeeld militaire activiteiten. Het effect is zeer afhankelijk van de kwetsbaarheid (gevoeligheid) van het habitattype. Waterrecreatie en scheepvaart leiden tot golfslag, hetgeen effect kan hebben op de oeverbegroeiing en waterfauna. Luchtwervelingen van bijvoorbeeld windmolens kunnen leiden tot vogelsterfte.

Analyse: Volgens de effectenindicator is de wespendief zeer gevoelig en zijn de nachtzwaluw en zwarte specht gevoelig voor mechanische verstoring. Dit effect is aan de orde als gevolg van toenemende recreatiedruk, specifiek als er buiten de paden wordt gerecreëerd. Aangezien er alleen gebruik mag worden gemaakt van de bestaande paden zal dit voor de kortere wandelingen niet leiden tot mechanische effecten. Voor betreding van de stuifzandheide en stuifzanden van het Beekhuizerzand geldt dat deze naar verwachting door een beperkt deel van het publiek uit het hotel zal worden bezocht omdat de wandelafstand meer dan 5 kilometer is. Ten opzichte van het geheel aan bezoekers zoals wandelaars, hardlopers, mountainbikers en gezinnen zal er geen merkbaar effect zijn. Verwezen wordt naar de recreatiezonering, waarbij de provincie in samenspraak met de gemeente Harderwijk moet toezien op de balans tussen natuur en natuurbeleving. In het concept zoneringsplan is het volgende opgenomen over het gebied:

Rapport 15403.003 versie D6

Pagina 16 van 26

Op basis van de inbreng van de deelnemers aan het gebiedsproces is de conceptzonering op enkele punten aangepast. Het Hulshorsterzand blijft – over gemarkeerde wandelpaden aan de randen – jaarrond toegankelijk voor wandelaars in zone D Delen van het Hulshorsterzand zullen nog worden aangepast van zone D naar een zone C/C*, zodat het zand daar jaarrond beleefbaar blijft door over (gemarkeerde) routes te wandelen en bijvoorbeeld in het zand te spelen. De exacte ligging van deze gebieden wordt nog onderzocht. Een aantal paden dwars over het zand is in het broedseizoen ontoegankelijk, zodat daar de grondbroedende vogels voldoende rust krijgen. Het Beekhuizerzand is uiteindelijk aangeduid als zone C* (rustig gebied met extensief recreatief medegebruik, rekening houdend met zeer verstoringsgevoelige soorten), mede vanwege de omvang van het zandgebied, de maaswijdte (afstand tussen paden) en het gebruik door Defensie. In het broedseizoen worden enkele paden in de kwetsbare overgangszones ontoegankelijk. De komende tijd moet een aantal zaken nog verder verkend worden. Op het Hulshorsterzand wordt nog onderzocht of de strook direct onder de A28 tussen Hierderweg en Klarenweg aangepast moet worden van zone C naar zone D om in dit deel van het gebied een zo robuust mogelijke zone zonder verstoring in het broedseizoen te maken.

De MTB-verbinding Nunspeet en Harderwijk (tussen Klarenweg en Hierderweg) is belangrijk voor met name de lokale fietsers en verenigingen. Daarom zijn met Toerclub de Volharding gesprekken gestart die de komende tijd worden voortgezet. In deze gesprekken wordt gezamenlijk gekeken naar een alternatief tracé, hiervoor zijn ook door de vereniging ideeën aangedragen. Ook wordt nog gekeken waar precies een jaarrond open te blijven wandelpad komt tussen de Klarenweg en de Oude Klarenweg op het Hulshorsterzand. 35 Concept Recreatiezoneringsplan Veluwe < Inhoudsopgave Voor het Beekhuizerzand is het fietspad over het zand nog onderwerp van onderzoek. Er wordt verkend of het mogelijk, wenselijk en haalbaar is om het tracé van het fietspad te verleggen. Tijdens het gebiedsproces zijn er een aantal alternatieven besproken en op een rij gezet. 4.9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Harderwijk&id=7e82830b-75c4-4152-94f2-d3818105bd47