CConstaterende datHarderwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Regels bp Buitengebied - Lage Enkweg naast 16.pdf

Raadsvergadering 29 juni 2023, gemeente HarderwijkBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Buitengebied - Lage Enkweg naast 1619.471 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

bij een functiewijziging dienen de wettelijke bepalingen inzake externe veiligheid met betrekking tot vervoer gevaarlijke stoffen over wegen en over het spoor en met betrekking tot gasleidingen in acht te worden genomen; h. bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheden worden de bij of krachtens, 1. de Wet geluidhinder gestelde bepalingen in acht genomen; 2. de Wet milieubeheer gestelde bepalingen ter zake van luchtkwaliteit in acht genomen; i. de financieel-economische haalbaarheid moet zijn verzekerd.

13.2 Actualisering van de in het plan opgenomen verwijzingen naar wetten, verordeningen, circulaires, publicaties, instanties en dergelijke Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het actualiseren van de in het bestemmingsplan opgenomen verwijzingen naar wetten, verordeningen, circulaires, publicaties, instanties en dergelijke, onder de volgende voorwaarden: a. de wijzigingsbevoegdheid wordt uitsluitend toegepast indien het handhaven van de in de regels opgenomen redactie tot onduidelijkheden en/of onjuistheden met het oog op de verwijzing leidt. b. een eventueel bij de actualisering op te nemen verwijzing naar de aangepaste wetten, verordeningen, circulaires, publicaties en instanties wordt alleen opgenomen indien deze aanpassingen geen inhoudelijke beleidswijziging betreffen.

13.3 Wijziging naar bedrijfsfuncties Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het wijzigen van de bestemming Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden naar de functies zoals zijn weergegeven in kolom 3 van Nevenactiviteiten en nieuwvestiging van bedrijven onder de volgende voorwaarden: a. de wijzigingsbevoegdheid wordt uitsluitend toegepast indien de agrarische bedrijfsactiviteiten blijvend worden gestaakt; b. de wijzigingsbevoegdheid wordt uitsluitend toegepast op de gronden ter plaatse van het bouwvlak; c. detailhandel is niet toegestaan; d. de nieuwe vorm van bedrijvigheid mag uitsluitend in de bestaande bebouwing worden uitgeoefend, met dien verstande dat vervangende nieuwbouw tot een maximale oppervlakte van 250 m² is

33

bestemmingsplan Buitengebied - Lage Enkweg naast 16 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00295-0003 toegestaan, mits een inrichtingsplan wordt overgelegd dat is gericht op verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, bijvoorbeeld in de vorm van: 1. natuurontwikkeling; 2. openbare toegankelijkheid van het buitengebied en recreatieve voorzieningen in de vorm van fiets- of wandelpaden; 3. cultuurhistorie; 4. waterberging; e. de totale oppervlakte aan bebouwing van het nieuwe bedrijf bedraagt maximaal 1.000 m²; f. minimaal 50% van de bestaande bedrijfsgebouwen dient te worden gesloopt; g. bebouwing die de toegestane oppervlaktemaxima overstijgt, dient te worden afgebroken; h. buitenopslag is niet toegestaan.

13.4 Wijziging ten behoeve van te verwijderen aanduidingen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen voor het verwijderen van toegekende bouwvlakken en/of de aanduiding "intensieve veehouderij" in de bestemming Agrarisch met waarden Natuur- en Landschapswaarden, met dien verstande dat: a. een bouwvlak en/of de aanduiding “intensieve veehouderij” wordt verwijderd onder gelijktijdige aanpassing van de toegestane emissie in de tabel in Emissieplafond per bedrijf bij deze regels, indien de agrarische bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd en/of de omgevingsvergunning voor het oprichten of in werking hebben van een inrichting is ingetrokken of gewijzigd;

34

bestemmingsplan Buitengebied - Lage Enkweg naast 16 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00295-0003

Artikel 14 Algem ene procedureregels Bij de voorbereiding van een besluit tot het het stellen van nadere eisen op grond van het bepaalde in de regels van dit plan is de navolgende voorbereidingsprocedure van toepassing: a. voorafgaand aan de terinzagelegging maken burgemeester en wethouders het voornemen om nadere eisen te stellen in een huis-aan-huisblad dat in de gemeente wordt verspreid en voorts op de gebruikelijke wijze bekend; b. het ontwerpbesluit en de daarop betrekking hebbende stukken liggen gedurende twee weken voor een ieder ter inzage; c. de bekendmaking houdt de mededeling in dat belanghebbenden schriftelijk of mondeling een zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren kunnen brengen bij burgemeester en wethouders gedurende de termijn van terinzagelegging; d. indien tegen het voornemen zienswijzen zijn ingediend, wordt het besluit omtrent het stellen van nadere eisen met redenen omkleed; e. burgemeester en wethouders stellen de indiener(s) van een zienswijze in kennis van hun besluit.

35

bestemmingsplan Buitengebied - Lage Enkweg naast 16 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00295-0003

Artikel 15 Algem ene afwijkingsregels Het bevoegd gezag kan afwijken van de regels in deze planregels ten aanzien van de volgende onderwerpen: a. de bouw van niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een oppervlakte van niet meer dan 25 m², een inhoud van niet meer dan 70 m³ en een hoogte van niet meer dan 5 m, ten dienste van openbaar nut, zoals schakelhuisjes, transformatorhuisjes, wachthuisjes, straatmeubilair, telefooncellen en kabelverdeelkasten; b. de bouw van balkons, luifels, bordessen, pergola's en dergelijke bouwwerken, met dien verstande dat de diepte van balkons niet meer mag bedragen dan 1,50 m; c. het bouwen van antennes waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 25 m;

36

bestemmingsplan Buitengebied - Lage Enkweg naast 16 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00295-0003

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

Artikel 16 Overgangsrecht 16.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a. met maximaal 10 %. a. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 16.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b.

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

37

bestemmingsplan Buitengebied - Lage Enkweg naast 16 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00295-0003

Artikel 17 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Buitengebied - Lage Enkweg naast 16.

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van.................... voorzitter, griffier,

38

bestemmingsplan Buitengebied - Lage Enkweg naast 16 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00295-0003

Bijlagen

39

bestemmingsplan Buitengebied - Lage Enkweg naast 16 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00295-0003

40

bestemmingsplan Buitengebied - Lage Enkweg naast 16 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00295-0003

Bijlage 1 Beeldkwaliteit Hierdense Enk

41

bestemmingsplan Buitengebied - Lage Enkweg naast 16 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00295-0003

50

bestemmingsplan Buitengebied - Lage Enkweg naast 16 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00295-0003

Bijlage 2 Landschappelijke erfinrichtingsplan

51

Bijlage 1: Inrichtingsplan

voor akkoord de gemeente: datum.........................

................................... 3. Solitaire boom

voor akkoord eigenaar: 1. Knip- of scheerheg

datum...........................

5. Bestaande houtsingel versterken

container plaats 10 x = 6,5 m bij 1 m

...................................... tuin

14

16

aan te planten boom HDW00B 07645G0000

aan te planten boom

HDW00B 05236G0000

bestaande boom

bestaand groen

2. Knip- of scheerheg

2

aan te leggen groen tuin

4. Solitaire boom

verharding

12

HDW00B 03811G0000

nieuwe schuur

Landschappelijke inpassing Lage enkweg ong. nr

0

20

Schaal

30

40

50 m

: 1:500

Project : Landschappelijke inpassing Deelnemernr : PA20BESTEN Naam : Dhr. D. W. den Besten Adres : Lage Enkweg ong. nr PC, Plaats : 3849 NN Hierden Opsteller Plan : E. Timmerman Datum : november 2021 Versie : def

N O

W zorg voor ons landschap

Z

Landschappelijke versterking Lage Enkweg Inrichtingsplan Deelnemernr: Naam: Straat: Postcode, plaats:

PA20BESTEN Dhr. D.W. den Besten Lage Enkweg 16 3849 NN Hierden

E-mail: Telefoonnr: Afwijkend postadres:

nvt

Opsteller plan:

Eward Timmerman

Datum:

1-7-2021

Versie

2

Stichting Landschapsbeheer Gelderland Rosendael 2a, 6891 DA Rozendaal 026 35 37 444 info@landschapsbeheergelderland.nl www.landschapsbeheergelderland.nl

Inrichtingsplan Dhr. den Besten is bezig met een ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied van de gemeente Harderwijk. Men is voornemens om naast Lage Enkweg 16 het bestaande gebouw te slopen en hiervoor in de plaats een woning met bijgebouw te realiseren. Om te voldoen aan de planologische procedure vraagt de gemeente Harderwijk onder anderen voor een landschappelijke inpassing van deze ruimtelijke ontwikkeling en het versterken van het omringende landschap. Stichting Landschapsbeheer Gelderland is gevraagd hiervoor een passend advies voor uit te brengen. Dit plan is een samensmelting van een drietal ontwerpprincipes en uitgangspunten. Zo heeft de erfadviseur in dit plan de analyse van het landschap waarin de ontwikkeling plaats vind (het Kampenlandschap (bijlage 2)) en de bijbehorende cultuurhistorische principes gekoppeld aan uw eigen wensen en ideeën. Uiteraard is er gekozen voor de aanplant van inheemse, lokaal passende boom- en struiksoorten. Hieronder volgt een concrete, landschappelijke uitwerking van de door de eigenaar aangedragen locatie. Hoewel de ruimte beperkt is en het perceel al redelijk in het groen ligt valt hier met name langs de oostzijde winst te behalen met het uitbreiden van de bestaande singel structuur.

Middels de aanplant van enkele solitaire bomen wordt het dakvlak van de woning en het bijgebouw gebroken en sluit het erf aan op de naast gelegen erven(beplanting). Daarnaast is het verwijderen/ vervangen van het bestaande gebouw al een kwaliteitsverbetering op zichzelf, als men voldoet aan de gestelde welstandseisen van de gemeente Harderwijk.

Leeswijzer In het plan wordt per aan te leggen landschapselement een korte toelichting gegeven op de cultuurhistorische waarde van dit element op uw terrein. Daarnaast is er een uitwerking gemaakt resulterend in een lijst van aan te leggen soorten en aantallen. Ten aanzien van de uitvoering, welke u zelf gaat organiseren, wil ik u wijzen op onze website www.landschapsbeheergelderland.nl waar, naast aanleg, ook de beheeraspecten van de diverse landschapselementen middels instructiefilmpjes te zien zijn.

Beplanting De beplanting ten behoeve van de landschappelijke versterking bestaat uit de volgende landschapselementen; • Knip- en scheerheggen [nr. 1,2] • Vrij uitgroeiende struweelhaag [nr. ] • Vogelbosje en geriefbosje [nvt ] • Solitaire boom, laanboom of bomengroep [nr. 3,4] • Houtwal en houtsingel [nr. 5] • Elzensingel en elzenhakhoutsingel [nvt.] • Hoogstamboomgaard [nvt ] • Knotbomen [nvt] • Leibomen [nvt] • Poel [nvt]

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

2

1. Knip- en scheerheg ………………………………………………………………………………………………………………………

Op uw terrein Langs de voorzijde van de kavel staat nu een heg van gewone beuk. Deze haag in westelijke richting en deels langs de toegangsweg doorplanten. Hiermee sluiten de voorzijde van het ‘ nieuwe erf’ meer aan op de regionale karakteristieken van het historische boeren erf.

Aanleg nieuw element Locatie Lengte Plantwijze Aantal Soort Maat Aanleg en beheer Overig

: : : : : : : :

Zie ontwerpkaart 25 meter (Aanvullen) 4 stuks per meter 60 Gewone beuk 60 - 80 cm lengte Zie informatievellen in de bijlage Minimaal 0,5 meter uit de eigendomsgrens planten

Cultuurhistorische waarde Knip- en scheerheggen zijn al eeuwen te vinden in het Nederlandse cultuurlandschap. Deze lijnvormige landschapselementen kennen een sterke samenhang met het omringde landschap. Nabij boerderijen en rondom boomgaard en moestuin waren veelal de heggen te vinden. Vaak diende de heggen als eigendoms- of perceelsscheiding. De doornige heg had daarnaast ook nog een belangrijke veekerende functie. Langs de rivieren dienden de heggen om de waterstroom bij overstromingen te remmen en te verdelen, zodat het vruchtbare slib kon bezinken. Knip- en scheerheg Inmiddels zien we dat veel heggen bedreigd worden. Veel heggen zijn uit het landschap verdwenen door de komst van prikkeldraad, de ruilverkavelingen en achterstallig onderhoud. Alle reden om de heg weer terug te brengen in het landschap. Heggen zijn namelijk nog altijd functioneel als windscherm en als veekering, ook bij hoge rivierwaterstanden zorgen ze voor een permanente afrastering. Daarnaast houden ze de grond vast en dragen ze bij aan een goede waterhuishouding. Ook veel dieren hebben profijt van de aanwezigheid van een heg. Vogels gebruiken het als broedplaats; veel kleine zoogdieren vinden er voedsel en een schuilplaats en voor vleermuizen is een haag erg belangrijk als oriëntatiepunt.

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

3

2. Knip- en scheerheg ………………………………………………………………………………………………………………………

Op uw terrein Langs de achterzijde van het perceel staat een hegstructuur, achter de bestaande overkapping, op de scheiding met de paardenbak van de buren. Door het verwijderen van de overkapping komt er meer licht op de heg en kan de heg op termijn weer meer gesloten raken. Het is wenselijk om de gaten die zijn ontstaan door lichtgebrek op te vullen.

Aanleg nieuw element Locatie Lengte Plantwijze Aantal Soort Maat Aanleg en beheer Overig

: : : : : : : :

Zie ontwerpkaart 25 meter (aanvullen) 4 stuks per meter 60 Gewone beuk 60 - 80 cm lengte Zie informatievellen in de bijlage Minimaal 0,5 meter uit de eigendomsgrens planten

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

4

3. Solitaire boom ………………………………………………………………………………………………………………………

Op uw terrein Een beeldbepalende boom op het voorerf. De boom zorgt voor structuur op het voorerf en breekt het zicht op woning en bijgebouw.

Aanleg nieuw element Locatie Lengte Breedte Plantwijze Aantal Soort Maat Aanleg en beheer Overig

: : : : : : : : :

Zie ontwerpkaart nvt Nvt Plantafstand minimaal 6-8 meter uit bebouwing 1 1 x zomer linde (hoogstam stoof peer) 10 -12 cm stamomtrek op 1.10 cm hoogte Zie informatievellen in de bijlage Minimaal 2 meter uit de eigendomsgrens planten

Cultuurhistorische waarde Een solitaire boom of bomengroep werd regelmatig in het weiland aangeplant als schaduw voor het vee of om het landschappelijke beeld compleet te maken. Ook werd een solitaire boom regelmatig op de hoek van het perceel aangeplant als afbakening (grensboom). Verder vindt men ook regelmatig solitaire bomen rondom het huis. Veel boomsoorten hadden een functie. Zo werd een walnoot vaak in de buurt van de keuken aangeplant omdat de walnoot muggen en vliegen weert en ook zorgde voor schaduw. Laanbomen kennen een historische functie op Solitaire boom bijvoorbeeld landgoederen en grotere boerderijen en buitenplaatsen als onder andere aankleding van wandellanen. Door deze aanplant ontstond er schaduw op het wandelpad. De welgestelde bewoners konden op deze manier geriefelijk wandelen zonder dat men werd gebruind door de zon. Iets wat in die dagen als teken van armoede werd gezien. De statigheid van een rij laanbomen werd door het gebruik van speciale soorten bomen versterkt.

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

5

4. Solitaire boom ………………………………………………………………………………………………………………………

Op uw terrein Een beeldbepalende boom op het achter erf. De boom past de achterzijde van het erf in en creëert schaduw op warme dagen.

Aanleg nieuw element Locatie Lengte Breedte Plantwijze

: : : :

Aantal Soort Maat Aanleg en beheer Overig

: : : : :

Zie ontwerpkaart nvt Nvt Plantafstand 8 meter (minimaal 5 meter uit de schuur en 8-10 meter uit de woning) 1 1 x Walnoot 10 -12 cm stamomtrek op 1.10 cm hoogte Zie informatievellen in de bijlage Minimaal 2 meter uit de eigendomsgrens planten

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

6

5. Houtwal en houtsingel ………………………………………………………………………………………………………………………

Op uw terrein De singel langs de oostelijke kavelgrens versterken ( de eiken en berken behouden). Door langs de rand 1 rij van struikvormers te planten ontstaat er een natuurlijke opbouw (mantel zoom) van de beplantingsstrook die erg interessant is voor vlinders en andere nuttige insecten. Ook veel (zang)vogels vinden hier voedsel en voldoende plekken om te nestelen.

Aanleg nieuw element Locatie Lengte Plantrijen Plantwijze Aantal Soort

: : : : : :

Maat Aanleg en beheer Overig

: : :

Zie ontwerpkaart 30 meter 1 plantrij Plantafstand 1 in de rij tussen de rij 1.50 30 5 x krent 5 x aalbes 5 x hazelaar 5 x wilde appel 5 x hondsroos 5 x Gelderse roos 60 -80 cm lengte Zie informatievellen in de bijlage Bomen minimaal 2 meter uit de eigendomsgrens planten struiken minimaal 0,5 meter

Cultuurhistorische waarde Een houtwal is een lijnvormig door de mens opgeworpen zandlichaam waarop bomen en/of struiken groeien. De wallen dienden vroeger om vee binnen of wild buiten het omgeven gebied te houden. Houtwallen werden ten tijde van de ontginningen (middeleeuwen) op de hogere zandgronden aangelegd. Langs houtwallen vind je vaak aan één of beide zijden greppels. Deze werden gegraven om met de vrijkomende grond de wal op te kunnen werpen. De wallen waren tussen de 50 en 100 cm hoog. Een houtsingel is een lijnvormige aanplant van bomen Houtsingel en/of struiken van 4 tot maximaal 20 meter breed. Houtsingels lijken veel op houtwallen. Er is echter geen sprake van een opgeworpen wal. Houtsingels werden vooral op de lagere zandgronden aangelegd, meestal parallel aan sloten. De singels leverden brand- en geriefhout, waaraan in het gemengde bedrijf grote behoefte was. Omdat de boer verschillende diktes hout nodig had, werd een hakhoutbeheer gevoerd. Door de komst van prikkeldraad, de schaalvergroting en ruilverkavelingen zijn vele kilometers van deze elementen verdwenen. De houtwal en houtsingel hebben landschappelijk en ecologisch een belangrijke verbindende functie. Ze zijn tevens van belang voor vleermuizen om zich te oriënteren en als

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

7

verbindingszone voor fauna. Bij de houtwal zorgt met name de wal voor extra ecologische waarde door de variatie in nat-droog en warm-koud.

Mantel-zoom vegetatie ……………………………………………………………………………………………………………………… Voor houtsingels/ bosjes of andere (kleinere en grotere) boselementen is het zeer waardevol om een gevarieerd ecologische beheer toe te passen en om op de juiste plaatsen een mantel-zoom vegetatie te ontwikkelen. Een mantel-zoom vegetatie bestaat uit 3 onderdelen die een natuurlijke overgang maken van de gras,- en kruidenlaag, de struikenlaag en het opgaande bos. Deze overgangen zijn zeer waardevol, zeker wanneer deze door de zon beschenen worden. ( wanneer de mantelzoom zone oost-west gericht ontwikkeld wordt is dit het meest interessant)

Mantel-zoom vegetatie

Bij aanleg van bosjes/houtwallen kan door het gebruik van de diversiteit van soorten (struikvormers/boomvormers) de basis worden gelegd voor een goede mantelzoom vegetatie. Een eenvoudige ingreep daarbij is het plaatsen van een raster op 2 meter buiten de aanplant. Er ontstaat dan vanzelf ruigte/ kruiden wat samen met de aanplant de basis vormt voor de mantelzoom vegetatie. De opbouw van de mantelzoomvegetatie wordt versterkt door het toepassen van hakhoutbeheer

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

8

Beplantingslijst ……………………………………………………………………………………………………………………… Onderstaande plantsoenlijst omvat de beplanting die nodig is om het voorgestelde plan uit te voeren.

Dhr. D.W. den Besten Nederlandse naam

Maat

Aantal

Bosplantsoen 2 jarig maat 60-80 Krent Hazelaar Beuk (groen) Wilde appel Aalbes Hondsroos Gelderse roos Boompalen

Amelanchier lamarckii Corylus avellana Fagus sylvatica Malus sylvestris Ribes rubrum Rosa canina Viburnum opulus

60-80 60-80 60-80 60-80 60-80 60-80 60-80

5 5 120 5 5 5 5

Boompalen

Onbehandeld

8x250

2

Laanbomen Walnoot Zomerlinde

Juglans regia Tilia platyphyllos

10-12 10-12

1 1

Soorten kunnen worden gewijzigd in overleg met de gemeente

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

9

Bijlage 1 Plankaart ………………………………………………………………………………………………………………………

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

10

Bijlage 2 Gebiedskenmerken Kampenlandschap/ Essenlandschap

Kenmerkende structuren zijn, de openheid op de akkercomplexen en het verdichten van het overige landschap door toevoeging van lanen, erf- en kavelbeplanting.

Algemeen Kenmerkend voor hogere zandgronden zijn de kernen en een groot complex van oude bouwlanden bij het dorp. Scherpe overgang naar de lagere gebieden. Kenmerken van oude bouwlanden zijn de bolle ligging, grote open percelen met randbeplantingen (houtwallen), laanbeplantingen en steilranden. Bebouwing Kenmerkend voor de hogere zandgronden zijn de bebouwingslinten (tegenwoordig vaak kernen). Grondgebruik Bouwland. Beplanting Houtwallen, laanbeplanting, bosjes. Langs dreven (brede landwegen) en wegen: bomen zoals eiken, beuken, lindes en kastanjes. Hagen langs onverharde wegen. Geen beplanting op de enken. en waar planten Wat waar planten? De meest voorkomende streekeigen boom- en struiksoorten voor de dekzandruggen en oude bouwlanden en de plek op het erf en in het landschap waar u ze het beste aan kunt planten.

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

11

Houtwal en houtsingel: Zomereik aangevuld met ruwe berk en lijsterbes, en struiken zoals meidoorn, hazelaar, veldesdoorn, hondsroos, vuilboom, Gelderse roos en inheemse hulst langs een perceel. n de omgeving van beken: Grauwe wilg, zwarte els, authentieke zwarte populier en inlandse vogelkers. Struweelhaag: Gecombineerde doornenhaag van meidoorn, sleedoorn, egelantier en hondsroos als perceelsrand. Of een gemengde haag met hazelaar, vogelkers, Gelderse roos, veldesdoorn, rode kornoelje, meidoorn, sleedoorn, kardinaalsmuts en hondsroos. Geriefhoutbosje: Schietwilg, gewone es, inheemse zwarte populier, zwarte els, hazelaar en berk. Knotbomen: Schietwilgen en zwarte elzen in natte gebieden, zomereiken en gewone essen in drogere gebieden. Hoogstamboomgaard: Hoogstamfruitbomen met appel (Goudrenet, Notarisappel, Zoete Bloemée), peer (Clapps favourite, Beurré Hardy), pruim (Reine Claude, D’Anthan, Reine Victoria) omhaagd door meidoorn. Haag rond of bij de voortuin: Meidoorn, veldesdoorn, haagbeuk, liguster. Haag rond of bij de fruitgaarde/moestuin: Meidoorn of veldesdoorn. Solitaire bomen op het erf: Fruitbomen, zomereik, linde, tamme kastanje, berk, walnoot of kers (meikers).

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

12

Bijlage 3 Algemene plant informatie Struiken en bosplantsoen Algemeen Dit zijn soorten die of in een rij of per oppervlakte beplant worden. De maat van het geleverde materiaal is doorgaans 60-100 cm hoog. Struiken planten we 1,25 x 1,25 meter uiteen. Bosplantsoen 1,50 x 1,50 meter. In de meeste gevallen krijgt u een gevarieerd sortiment. Er zitten dan wat boomvormers in en wat struikvormers. Met name de manier waarop de menging wordt uitgevoerd kan bepalend zijn voor een goed of minder goed resultaat. Boomvormers: Berk, Es, Els, Eik, Beuk, Esdoorn zijn boomvormers die ook in een beplanting met struiken kunnen voorkomen. De boomvormers dient men als ze gemengd worden geplant met struiken in het midden van een beplanting (niet aan de rand dus) aan te leggen. Struikvormers: Gelderse roos, Sleedoorn, Kardinaalsmuts, Hondsroos en Egelantier zijn soorten die aan de rand van een beplanting het beste resultaat leveren. De Krent, Vuilboom, Hulst, Lijsterbes, Kornoelje en Hazelaar zijn de soorten die beter schaduw verdragen kunnen. Het is dan wel raadzaam om deze soorten in groepjes (wanneer mogelijk, 3-5 stuks) aan te planten. Aanleg De beplanting kan in verschillende verbanden aangeplant worden, in rijen, in driehoeksverband, in een wildverband enz. Voor alle verbanden geldt dat er in zwarte grond geplant dient te worden. Van tevoren ploegen, spitten of frezen is van groot belang.

Daarnaast dient de grond onkruid vrij te zijn en na aanplant ook de eerste jaren onkruidvrij te blijven (gebruik geen gif aangezien de jonge aanplant hier sterk van te lijden heeft). Het planten zelf kan vrij vlug uitgevoerd worden. Let op dat u niet te diep plant. De diepte is o.a. afhankelijk van de omvang van het wortelstelsel. Steek een gat, (houdt de grond op de schop), plaats het plantje zo dat alleen de wortels in het gat zitten. Gooi de grond weer in het gat, terwijl u het plantje vasthoudt. De grond iets aanduwen.

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

13

Onderhoud De beplanting begint klein, na 2 tot 3 jaar echter zal de beplanting gesloten raakt (d.w.z. de takken van de beplanting elkaar raken) er moet worden gesnoeid. Een beplanting van alleen struikvormers kunt u onderhouden om jaarlijks takken die problemen geven af te knippen. Ook is het mogelijk om dunningen uit te voeren, door struiken af te zetten. Zo kunnen de struiken zich ontwikkelen tot een mooie dichte, met kleurige bessen en bloemen, groene beplantingsvorm. Doet u daarna niks meer dan schieten bepaalde soorten door en wordt de beplanting hol van onderen. Er moet een verjonging plaatsvinden. Verjonging, als de struiken mooi in sluiting zijn, kan plaatsvinden door bijvoorbeeld jaarlijks 1/4 deel af te zetten (niet te laag 15-20 cm). Na 4 jaar is de gehele beplanting dan verjongd. Dit afzetten kan het beste, evenals de dunningen in het najaar plaatsvinden. Voor een beplanting met alleen boomvormers, wat op termijn dus bos dient te worden geldt dat de plantafstand groter is namelijk 1.50 x 1.50 meter en dat het daardoor de eerste jaren niet nodig is om te snoeien e.d. Wanneer de beplanting in sluiting komt, d.w.z. dat de kruinen van de bomen elkaar raken dan is het zaak om de zogeheten "blijvers" te kiezen. Met andere woorden welke bomen mogen groot en oud worden.

Deze bomen moeten de ruimte krijgen om zich in goed te kunnen ontwikkelen, de bomen die rechtstreeks de blijvers hinderen kunnen verwijderd worden. Deze dunning moet verstandig uitgevoerd worden, haal niet teveel weg. Dit proces kan op de langere termijn nog eens uitgevoerd worden zodat de bomen die uiteindelijk moeten overblijven wederom meer ruimte krijgen. Wilt u een beplanting krijgen van bomen met daaronder een struikenetage dan dient u de struiken/boompjes die u wilt behouden vrij te stellen door, wanneer de beplanting gesloten raakt, de omliggende beplanting af te zetten op 15-20 cm boven de grond. Laat de beplanting weer in sluiting komen en herhaal dan deze ingreep. Op deze manier krijgt u een mooie dichte beplanting met opgaande soorten. Dit snoeien kan het beste in het najaar plaats vinden. Voor alle drie de beplantingsvormen geldt dat water geven en onkruidbestrijding in de eerste jaren van groot belang is. Ook is het belangrijk dat het vee of het wild niet bij de jonge beplanting kan komen. Tevens is het raadzaam om voor het juiste onderhoud de cursus landschappelijke beplantingen van Stichting Landschapsbeheer Gelderland te volgen.

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

14

Heggen en Hagen Algemeen Door het regelmatig knippen van bepaalde boom- en struiksoorten kan er een haag ontstaan. Dit knippen zorgt ervoor dat er geen verticale groei plaatsvindt, en dat daardoor de beplanting dichter wordt. Soorten die gebruikt worden als haag zijn o.a. beuk, veldesdoorn, haagbeuk, taxus, hulst, mei- en sleedoorn en liguster. De hoogte van het plantmateriaal is doorgaans 60-100 cm. De haag dient minimaal een op halve meter van de erfgrens geplant te worden. De plantafstand is doorgaans om de 25 cm, 4 per meter dus. Taxus en hulst kunnen om de 40 cm geplant worden (5 per 2 meter). Aanleg Graaf een geul langs een gespannen lijn van ongeveer 50 cm diep. Vul deze aan met compost of goede potgrond voor een betere groei. Verdeel eerst de planten langs de geul en plant ze vervolgens. Voor een mooie strakke haag kan het raadzaam zijn om de eerste jaren de haag tussen twee draden te laten opgroeien. Knip direct na het planten 15-20 cm uit de kop van het plantje, dit stimuleert om sneller en breder te groeien. Liguster daarentegen kan men het beste direct na het planten tot 15 cm boven de grond afknippen (eenmalig), zo ontstaat een betere vertakte en dichtere haag. Onderhoud Een haag wordt bij voorkeur twee maal per jaar geknipt.

Wanneer jaarlijks eenmaal wordt geknipt, wat de haag een wat ruwer voorkomen geeft, kan dit het beste na de langste dag gebeuren (eind juni). De hoofdgroei is dan al voorbij. Knipt men twee maal dan zijn de maanden mei en september geschikt. Knip wanneer het bewolkt, niet te warm is. De uiteindelijke hoogte van de haag is afhankelijk van het knippen. Houdt daarbij het doel van de haag duidelijk in ogenschouw. De eerste jaren na aanplant moet er goed voor de plantjes gezorgd worden, dit houdt in: - Water geven in droge perioden. (2 x per week een grote hoeveelheid) - Beschermen tegen vraat van geiten, paarden, koeien, konijnen enz door de dieren minimaal 1 meter van de haag te houden.

Voor plantinstructie: www.landschapsbeheergelderland.nl

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

15

bestemmingsplan Buitengebied - Lage Enkweg naast 16 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00295-0003

68

bestemmingsplan Buitengebied - Lage Enkweg naast 16 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00295-0003

Bijlage 3 Nevenactiviteiten en nieuwvestiging van bedrijven

69

Nevenactiviteiten en nieuwvestiging van bedrijven Type bedrijf

Toegestane nevenactiviteiten, met

Toegestane

dien verstande dat de maximale

bedrijfsactiviteiten

omvang

kader van nieuwvestiging van

van

het

bebouwd

oppervlak niet meer mag bedragen

bedrijven.

dan is aangegeven. Landelijke bedrijven

-

Agrarisch loonbedrijf

500 m²

Toegestaan

-

Landbouwmechanisatiebedrijf

500 m²

Toegestaan

-

Bos-, natuur- en landschapsbeheer

500 m²

Toegestaan

-

Hoveniersbedrijf

500 m²

Toegestaan

-

Dierenasiel/-pension,

dan

500 m²

Toegestaan

Leveren van diensten ten behoeve van

500 m²

Toegestaan

500 m²

Toegestaan

anders

paardenpension

-

bos- en/of beheer van natuurgebieden

-

Landbouw en zorg (dagopvang)

Andersoortige bedrijven

-

Kampeerboerderij

350 m²

Toegestaan

-

Bezoekerscentrum

500 m²

Toegestaan

-

Kinderboerderij

500 m²

Toegestaan

-

Museum/atelier

500 m²

Toegestaan

-

Speelboerderij

500 m²

Toegestaan

-

Terras/Theetuin

500 m²

Toegestaan

-

Verhuur van fietsen

500 m²

Toegestaan

-

Dierenartspraktijk en dierenkliniek

500 m²

Toegestaan

-

Milieuvriendelijke

500 m²

Toegestaan

500 m²

Niet toegestaan

bedrijven,

ambachtelijke

kunstnijverheidsbedrijven,

bijenhouderijen

-

Kleinschalige

woon-

en

werkcombinaties (zoals kantoor aan huis)

-

IJsmakerij en ijsverkoop

500 m²

Niet toegestaan

-

Verkoop aan huis van eigen agrarische

500 m²

Niet toegestaan

1.000 m²

Toegestaan

producten

-

Caravanstalling

in

het

bestemmingsplan Buitengebied - Lage Enkweg naast 16 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00295-0003

Bijlage 4 Beleidsregels schuilstallen en paardenbakken

71

Beleidsregel schuilstallen en paardenbakken (Vastgesteld)

1. Beleidsregel schuilstallen en paardenbakken (artikel 3.1.2 lid 2 onder a Bro, artikel 2.12 lid 1 sub a onder 1° en onder 3° Wabo). Vastgesteld door burgemeester en wethouders op 1 oktober 2019 Bekendgemaakt op 9 oktober 2019 Inwerkingtreding op 10 oktober 2019

2

2. Inleiding 2.1

Aanleiding

In de gemeente Harderwijk is sprake van een toename van schuilhutten en paardenbakken in het buitengebied. Aangezien de aanwezigheid van deze bouwwerken de ruimtelijke kwaliteit kan aantasten, is ervoor gekozen beleidsregels voor schuilhutten en paardenbakken op te stellen. Hiermee kan er zorg voor worden gedragen dat zowel de ruimtelijke belangen als de belangen van dierhouders en zijn/haar dieren gewaarborgd kunnen worden.

2.2

Schuilstallen

Het houden van dieren die vaak het gehele jaar buiten verblijven (zoals schapen, geiten, runderen, paarden en ezels) heeft in het buitengebied een enorme vlucht genomen. Bij goede weersomstandigheden is het geen probleem dat deze dieren buiten staan. Bij slechte weersomstandigheden (zoals veel regen, harde wind, veel zon en hoge temperaturen) kan het dierenwelzijn in het geding komen. Beschutting kan de gewenste bescherming bieden tegen extreme weersomstandigheden en voorkomen dat het gevaar van het dierenwelzijn in het geding komt. Naar aanleiding van de Nota dierenwelzijn van de gemeente Harderwijk is bij de totstandkoming van het geldende bestemmingsplan Buitengebied 2014 veelvuldig gesproken over het toestaan van schuilstallen in het buitengebied. Het bereiken van een goed welzijn voor dieren was daarbij een randvoorwaarde, maar wel op een dusdanige manier dat dit niet ten koste zou gaan van de ruimtelijke kwaliteit. Dit heeft weliswaar geleid tot een bestemmingsplanregeling, maar die blijkt in de praktijk niet altijd geschikt. Zo is tijdens een handhavingsactie gebleken dat de al aanwezige schuilstallen in het buitengebied in slechts een enkel geval aan de voorwaarden uit het bestemmingsplan Buitengebied 2014 voldoen.

Er komen veel aanvragen binnen voor het oprichten van nieuwe of bestaande schuilstallen op een weiland of stuk grond in het buitengebied waarop door aanvragers dieren worden gehouden. Hierbij gaat het dan vaak om losse percelen, zonder bijbehorende woning of boerderij, wat een strijdigheid met het bestemmingsplan oplevert. Deze aanvragers wonen vaak niet in de buurt van het weiland of stuk grond, wat maakt dat zij een wens hebben voor solitaire schuilstallen op gronden waar de bouwmogelijkheden beperkt zijn. Een versoepeling van de regels voor het bouwen van een schuilstal in het buitengebied is om deze reden gewenst zodat hieraan tegemoet gekomen kan worden.

2.3

Paardenbakken

In het buitengebied is tevens een tendens zichtbaar dat met de opkomst van het hobbymatig houden van paarden, de behoefte aan paardenbakken is toegenomen. Visueel kan een paardenbak worden herkend aan een bewerkte of aangepaste bodem, dat is omgezet in een rechthoekige eenheid en voorzien van een bak met zand. Daarnaast is een paardenbak omheind door een constructie van enige omvang. Deze omheining wordt gezien als onderdeel van de paardenbak en voor beiden is omgevingsvergunning nodig voor de activiteit bouwen. In het geldende bestemmingsplan 2014 zijn regels opgesteld om de oprichting van paardenbakken te reguleren, maar deze blijken in de praktijk niet goed bruikbaar. Een aanpassing van de regels voor het bouwen van een paardenbak in het buitengebied is dan ook gewenst.

3

3. Bestaande beleidskaders Het huidige gemeentelijk beleid inzake schuilstallen en paardenbakken is neergelegd in het bestemmingsplan Buitengebied 2014 (hierna: bestemmingsplan) en erop gericht verrommeling in het buitengebied door bebouwing zoveel mogelijk te voorkomen. Dit wordt binnen het bestemmingsplan bewerkstelligd door gebouwen en bijbehorende bouwwerken alleen toe te staan binnen bouwvlakken en de bouwmogelijkheden buiten het bouwvlak te limiteren. De oprichting van schuilstallen en paardenbakken vindt in de praktijk echter vaak plaats op gronden waar dit op grond van het bestemmingsplan niet is toegestaan. In het bestemmingsplan zijn ten behoeve van de oprichting van een schuilstal en een paardenbak regels opgenomen om met een omgevingsvergunning af te wijken van het bestemmingsplan, mits wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. In veel gevallen kunnen op te richten schuilstallen en paardenbakken niet aan deze voorwaarden voldoen.

4. Doel Om tegemoet te komen aan de toenemende vraag om schuilstallen en paardenbakken, is het van belang om beleidsregels op te stellen die meer mogelijkheden geven om deze bouwwerken in het buitengebied op te richten en te gebruiken. De gemeente wil daar waar mogelijk de vraag naar schuilstallen en paardenbakken faciliteren. Uitbreiding van de bouwmogelijkheden zal zich toespitsen op handzamere regels, zonder de inpassing in het landschap en de overlast richting derden uit het oog te verliezen. Het blijft zaak dat specifieke gebiedskenmerken beschermd blijven. Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen worden nadere eisen gesteld. Het doel van deze beleidsregel is: • het opstellen van een toetsingskader ruimtelijke ordening voor schuilstallen en paardenbakken in het buitengebied; • het geven van randvoorwaarden waaronder het aanleggen en gebruiken van schuilstallen en paardenbakken in het buitengebied is toegestaan; • in het kader van dierenwelzijn de dieren adequate huisvesting te bieden. In deze beleidsregel wordt verder niet ingegaan op paardenbakken ten behoeve van het bedrijfsmatig houden van paarden. In verband met de invloed op de omgeving is bedrijfsmatig gebruik van een paardenbak niet wenselijk, met uitzondering van de gevallen die expliciet in het bestemmingsplan zijn geregeld.

5. Toepassingsbereik van deze beleidsregel Deze beleidsregel wordt gebruikt om individuele aanvragen om een omgevingsvergunning voor schuilstallen en paardenbakken te toetsen of om te gebruiken in een handhavingstraject.

4

6. Wettelijke bevoegdheid vaststellen beleidsregel Op grond van artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de gemeente een beleidsregel vaststellen. Onder beleidsregel wordt verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan. Een bestuursorgaan kan dus beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid.

De basis voor het opstellen van deze beleidsregel is gelegen in artikel 3.1.2, tweede lid, sub a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en artikel 2.12, eerste lid , sub a onder 1° en onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In artikel 3.1.2, tweede lid, onder a van het Bro is opgenomen dat een bestemmingsplan ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening regels kan bevatten waarvan de uitleg afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. Indien in een bestemmingsplan van de gemeente Harderwijk wordt verwezen naar beleid rondom schuilstallen en paardenbakken, is deze beleidsregel van toepassing. In artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder ten eerste van de Wabo is geregeld dat het college van burgemeester en wethouders (B&W) bevoegd is een omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking (een zogenoemde binnenplanse afwijking). Het betreft hier een discretionaire bevoegdheid. B&W heeft in beginsel de vrijheid planologische medewerking te verlenen, al naar gelang de strijdigheid met het bestemmingsplan aanvaardbaar wordt geacht of niet. In artikel 2.12, eerste lid, sub a onder 3° van de Wabo is geregeld dat er een met het bestemmingsplan strijdige omgevingsvergunning verleend kan worden, mits de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Met het vaststellen van de beleidsregel Schuilstallen en Paardenbakken wordt geanticipeerd op een wijziging van het Veegplan Buitengebied waarbij dit beleid in het vast te stellen bestemmingsplan wordt opgenomen. De nu geldende afwijkingsmogelijkheden voor schuilstallen en paardenbakken zal worden vervangen door een dynamische verwijzing naar de beleidsregel. Zodra het Veegplan Buitengebied rechtskracht heeft, kan gebruik worden gemaakt van het voorwaardenkader uit de beleidsregel Schuilstallen en Paardenbakken. Tot het moment dat het Veegplan Buitengebied rechtskracht krijgt, kan, in gevallen waarin het niet gewenst is om te wachten op de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, geanticipeerd worden op dit beleid. Voor de concrete gevallen waar wordt voldaan aan de beleidsregel Schuilstallen en Paardenbakken kan vooruitlopend op het Veegplan Buitengebied een omgevingsvergunning met afwijking worden verleend als bedoeld in artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3° Wabo. In dit kader is artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3° Wabo als aanvullende grondslag toegevoegd. Deze beleidsregels zijn van toepassing op bouw- en gebruiksplannen die niet in het geldende bestemmingsplan passen, niet vergunningsvrij zijn en in aanmerking komen voor een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan.

5

6

7. Beoordelingscriteria 7.1

Definities

In deze beleidsregel worden de volgende definities gehanteerd:

7.1.1 Bestemmingsplan Het bestemmingsplan Buitengebied 2014 van de gemeente Harderwijk en herzieningen van dit bestemmingsplan.

7.1.2 Goede landschappelijke inpassing Van een goede landschappelijke inpassing is in ieder geval sprake, indien sprake is van het aanbrengen van gebiedseigen beplanting, gebruik van gebiedseigen natuurlijke materialen en bij de situering zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij bestaande landschapselementen, perceelsafscheidingen of aangrenzende bebouwing.

7.1.3 Paardenbak Een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk terrein met een andere ondergrond dan gras, kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen en berijden van paarden en pony's en/of het anderszins beoefenen van de paardensport, met of zonder de daarbij behorende voorzieningen.

7.1.4 Schuilstal Een overdekte ruimte die met de grond verbonden is en die uitsluitend mag worden benut voor het laten schuilen van dieren tegen weersinvloeden, waarbij het dier vrij in en uit kan lopen zonder menselijk ingrijpen. Opslag is niet toegestaan, tenzij het gaat om de opslag van voer en stro. Een zeecontainer wordt niet aangemerkt als schuilstal.

7

7.2

Beleidsregels schuilstallen

Voor het oprichten van een schuilstal gelden de volgende voorwaarden:

7.2.1 Goede landschappelijke inpassing Een schuilstal mag enkel worden opgericht indien sprake is van een goede landschappelijke inpassing.

7.2.2 Landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwaarden a.

b.

c.

Realisering van een schuilstal is binnen de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden’ van het bestemmingsplan niet toegestaan ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde – Natuurnetwerk’. Realisering van een schuilstal is binnen de bestemming ‘Agrarisch’ van het bestemmingsplan niet toegestaan ter plaatse van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Groene ontwikkelingszone’ en ‘Waarde – Openheid landschap’, tenzij: 1. sprake is van een goede landschappelijke inpassing; 2. de negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt; 3. (aangrenzende) landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwaarden niet in onevenredige mate worden aangetast. Realisering van een schuilstal is binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden’ van het bestemmingsplan niet toegestaan ter plaatse van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Groene ontwikkelingszone’ en ‘Hierdense enk en Mheenlanden’ zoals weergeven in Bijlage 1 Landschapstypen van het bestemmingsplan Buitengebied 2014, tenzij: 1. sprake is van een goede landschappelijke inpassing; 2. de negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt; 3.

(aangrenzende) landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwaarden niet in onevenredige mate worden aangetast.

7.2.3 Noodzaak en doelmatigheid Er dient sprake te zijn een aantoonbare noodzakelijkheid en doelmatigheid van een schuilstal in het kader van dierenwelzijn. De noodzaak en doelmatigheid van de schuilstal moet, in het kader van dierenwelzijn, worden aangetoond.

7.2.4 Afmetingen schuilstal a. b.

De oppervlakte van een schuilstal mag niet groter zijn dan 30 m². De bouwhoogte van een schuilstal mag niet meer bedragen dan 3 meter.

8

7.3

Beleidsregels paardenbakken

Voor het oprichten van een paardenbak gelden de volgende voorwaarden:

7.3.1 Aantal paardenbakken Per bouwperceel is maximaal 1 paardenbak toegestaan.

7.3.2 Bakvulling De vulling van een paardenbak mag niet leiden tot nadelige gevolgen voor de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem.

7.3.3 Goede landschappelijke inpassing Een paardenbak mag enkel worden opgericht indien sprake is van een goede landschappelijke inpassing.

7.3.4 Hinder De oprichting van een paardenbak mag niet leiden tot onevenredige nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden.

7.3.5 Hobbymatige activiteit Een paardenbak mag enkel worden gebruikt ten behoeve van paarden die hobbymatig worden gehouden.

7.3.6 Hoogte omheining Een paardenbak mag worden voorzien van een omheining met een maximale hoogte van 1.50 meter.

7.3.7 Landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwaarden a.

b.

c.

Realisering van een paardenbak is binnen de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden’ van het bestemmingsplan niet toegestaan ter plaatse van de dubbelbestemming Waarde – Natuurnetwerk’. Realisering van een paardenbak is binnen de bestemming ‘Agrarisch’ van het bestemmingsplan niet toegestaan ter plaatse van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Groene ontwikkelingszone’ en ‘Waarde – Openheid landschap’, tenzij: 1. sprake is van een goede landschappelijke inpassing; 2. de negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt; 3. (aangrenzende) landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwaarden niet in onevenredige mate worden aangetast. Realisering van een paardenbak is binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden’ van het bestemmingsplan niet toegestaan ter plaatse van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Groene ontwikkelingszone’ en ‘Hierdense enk en Mheenlanden’ zoals weergeven in Bijlage 1 Landschapstypen van het bestemmingsplan, tenzij: 1. sprake is van een goede landschappelijke inpassing; 2. negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt; 3. (aangrenzende) landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwaarden niet in onevenredige mate worden aangetast.

9

7.3.8 Lichtmasten Verlichting in de vorm van lichtmasten is niet toegestaan, tenzij wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. De armaturen mogen uitsluitend de paardenbak zelf verlichten en dienen een naar beneden gerichte uitstraling te hebben. b. In een verlichtingsrapport van een ter zake deskundige dient te worden aangetoond dat de mastposities zodanig zijn gesitueerd dat lichthinder voor de omgeving wordt voorkomen dan wel beperkt. c. De lichtpunthoogte dient zo beperkt mogelijk te zijn, doch in ieder geval niet hoger dan 6 meter. d. Bij een paardenbak zijn maximaal 6 lichtmasten toegestaan. e. De verlichting van de paardenbak is tussen 22.00 en 07.00 uur niet toegestaan. f. De lichtmasten dienen landschappelijk te zijn ingepast als bedoeld in artikel 7.3.3 van deze beleidsregels. g. In een onderzoek van een ter zake deskundige dient te zijn aangetoond dat de Wet natuurbescherming geen belemmering vormt voor de oprichting van lichtmasten. h. De oprichting van lichtmasten mag niet tot gevolg hebben dat (aangrenzende) landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwaarden onevenredig worden aangetast.

7.3.9 Oppervlakte paardenbak De inwendige afmeting van een paardenbak mag maximaal 800 m² bedragen, tenzij met een deskundigenrapport is aangetoond dat een grotere maatvoering in verband met het type paardensport en het daarmee samenhangende niveau noodzakelijk is. In dat geval mag de inwendige afmeting van een paardenbak verruimd worden tot maximaal 1200 m².

7.3.10 Bakdrainage Bakdrainage is toegestaan, mits overleg heeft plaatsgevonden met het waterschap bij lozing op oppervlaktewater en/of de gemeente bij lozing op de riolering.

10

8. Toelichting 8.1 Toelichting beleidsregels schuilstallen en paardenbakken 8.1.1 Begrippen Ad. 7.1.1 Bestemmingsplan Daar waar in de beleidsregels wordt verwezen naar het bestemmingsplan, wordt bedoeld het bestemmingsplan Buitengebied 2014 dat op 30 april 2015 door de gemeenteraad is vastgesteld. Op herzieningen van dit bestemmingsplan zijn de beleidsregels ook van toepassing. Zo zijn de beleidsregels ook van toepassing op het nog vast te stellen bestemmingsplan Veegplan Buitengebied.

Ad. 7.1.2 Goede landschappelijke inpassing In de beleidsregel is opgenomen wanneer in ieder geval sprake is van een landschappelijke inpassing. Dit betekent dat er ook andere mogelijkheden kunnen zijn om een schuilstal of paardenbak goed landschappelijk in te passen.

Ad. 7.1.3 Paardenbak Het begrip paardenbak in deze beleidsregels is gelijk aan het begrip paardenbak zoals dat in het bestemmingsplan Buitengebied 2014 is gedefinieerd.

Ad. 7.1.4 Schuilstal Het begrip schuilstal is niet nader gedefinieerd in het bestemmingsplan Buitengebied 2014. Reden om een definitie op te nemen waaruit in ieder geval blijkt dat een schuilstal bedoeld is voor het laten schuilen van dieren tegen weersomstandigheden. Om duidelijk onderscheid te maken met een volwaardige stal voor hobbymatig gebruik, is opgenomen dat een dier zelfstandig in en uit moet kunnen lopen zonder menselijk ingrijpen. Opslag van voer en stro is toegestaan, maar overig opslag niet. Doordat zeecontainers onwenselijk zijn in het buitengebied en aangemerkt worden als welstandsexces, is expliciet opgenomen dat zeecontainers niet gebruikt mogen worden als schuilstal.

11

8.1.2 Schuilstallen Ad. 7.2.1 Goede landschappelijke inpassing Een schuilstal kan een ongewenst effect hebben in het landschap, zoals verrommeling. Wat passend is in een landschap hangt af van de precieze locatie en omgeving. Met kleine maatregelen als het aanbrengen van gebiedseigen beplanting kan een bijdrage worden geleverd aan een aantrekkelijk landschap. Ook is materiaalkeuze bepalend en de volgende materialen mogen daarbij worden toegepast: gepotdekselde houten gevelbekleding in een bedekte kleur, schuine afdekking met een dakbedekking van singels, leitjes of donkere dakpannen. Met deze materialen wordt verstoring van het landschap tegengegaan. De volgende materialen zijn niet toegestaan: stalen (damwand) profielen en gemetselde (of anderszins) stenen muren. Indien deze materialisering wordt aangebracht, kan een goede landschappelijke inpassing niet worden bereikt. Daarnaast speelt de positionering van een schuilstal ook een rol bij het minimaliseren van verrommeling. Bij voorkeur dient een schuilstal aan de randen van een perceel te worden gepositioneerd, in de hoek van een perceel en aansluitend bij bestaande opstanden, zoals een bosrand, een houtwal of een andere beplantingsstrook. Daar waar dit niet mogelijk is, kan een schuilstal in een uitzonderlijk geval ook in open gebied plaatsvinden.

Het is daarbij wel essentieel dat de karakteristieke openheid van het gebied niet in het geding komt. Van een goede landschappelijke inpassing is in ieder geval sprake, indien er bij de situering zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij bestaande landschapselementen, perceelsafscheidingen of aangrenzende bebouwing. Hieronder is een aantal referentiebeelden van schuilstallen opgenomen, met passende en ongewenste voorbeelden. Schuilstallen passende voorbeelden

12

Schuilstallen ongewenste voorbeelden

Ad. 7.2.2 Landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwetenschappelijke waarden Om specifieke gebiedskenmerken te beschermen is het niet wenselijk dat schuilstallen overal in het buitengebied mogen worden opgericht. De beleidsregel verruimt de mogelijkheid om schuilstallen op te richten in het buitengebied, maar verbindt hier wel strikte voorwaarden aan. Gelders Natuurnetwerk Het Gelders Natuurnetwerk (GNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. De ontwikkeling van het GNN is in het bestemmingsplan verwerkt door de gronden te bestemmen met de dubbelbestemming ‘Waarde – Natuurnetwerk’. Schuilstallen zijn op de gronden die ook de dubbelbestemming ‘Waarde – Natuurnetwerk’ niet toegestaan. Groene ontwikkelingszone, Waarde Openheid landschap, Hierdense enk en Mheenlanden In de Groene ontwikkelingszone (GO) worden geen grootschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt die leiden tot significante aantasting van de kernkwaliteiten van het betreffende gebied. Ter bescherming van de GO zijn deze gebieden in het bestemmingsplan voorzien van een dubbelbestemming ‘Waarde – Groene ontwikkelingszone’ met bijbehorende regels.

In het buitengebied bevinden zich landschappelijke waarden en historische karakteristieken van het landschap die bijzonder waardevol zijn, zoals houtopstanden, verkavelingspatronen en de enken. Om de openheid niet aan te tasten zijn deze gebieden in het bestemmingsplan voorzien van een dubbelbestemming ‘Waarde – Openheid landschap’ met bijbehorende regels. Daarnaast zijn in het bestemmingsplan regels opgenomen die zien op de instandhouding van natuur- en landschapswaarden ter bescherming van de Hierdense enk en Mheenlanden, zoals weergeven in Bijlage 1 Landschapstypen. De kwetsbaarheid van het landschap verschilt per locatie en daarom zal per geval beoordeeld moeten worden of ter plaatse van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Groene ontwikkelingszone’, ‘Waarde – Openheid landschap’ en de Hierdense enk en Mheenlanden zoals weergeven in Bijlage 1 Landschapstypen van het bestemmingsplan een schuilstal mag worden opgericht.

13

Hier zijn strikte regels aan verbonden. Zo is de oprichting van een schuilstal enkel mogelijk indien sprake is van een goede landschappelijke inpassing. Verder dienen de negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk beperkt te worden. Tenslotte mogen de (aangrenzende) landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwaarden niet in onevenredige mate worden aangetast. Een en ander betekent dat een schuilstal op bijvoorbeeld de Hierdense enk nog steeds niet is toegestaan, indien geen goede landschappelijke inpassing van de schuilstal kan plaatsvinden in het open landschap. Het kan er evenwel ook toe leiden dat in een uitzonderlijk geval toch medewerking kan worden verleend aan de oprichting van een schuilstal op de Hierdense enk. Aan de hand van de opgenomen voorwaarden kan gestuurd worden op ruimtelijke kwaliteit.

Ad. 7.2.3 Noodzaak en doelmatigheid Het onverkort toestaan van schuilstallen in het buitengebied is niet wenselijk. Om (verdere) verrommeling van het landschap te voorkomen, is de eis opgenomen dat moet worden aangetoond dat met het oog op het dierenwelzijn ook daadwerkelijk de nood bestaat een schuilstal op te richten. Daarnaast dient deze schuilstal doelmatig te zijn en dus daadwerkelijk de benodigde bescherming te bieden. Hiermee wordt bereikt dat per geval goed wordt overwogen of een schuilstal ook daadwerkelijk nodig is. Zo kan een schuilstal door meerdere dieren tegelijk worden gebruikt en wordt voorkomen dat bijvoorbeeld in één weiland ieder dier een eigen schuilstal krijgt. Dit is onwenselijk en niet de bedoeling.

Ad. 7.2.4 Afmetingen schuilstal Om de ruimtelijke impact van schuilstallen zo gering mogelijk te laten zijn, is ervoor gekozen regels te verbinden aan de maximale oppervlakte en hoogte van een schuilstal. Met een schuilstal van maximaal 30 m² groot en maximaal 3 meter hoog wordt de ruimtelijke impact in het buitengebied niet te groot.

14

8.1.3 Paardenbakken Ad 7.3.1 Aantal paardenbakken Omdat inwoners soms behoefte hebben aan het hebben van een paardenbak om zo hun hobby goed te kunnen uitoefenen, is het toegestaan om paardenbakken te realiseren. Het is echter niet wenselijk om meer dan 1 paardenbak per bouwperceel te hebben.

Ad. 7.3.2 Bakvulling Opgebracht materiaal (zoals bijvoorbeeld zand en houtsnippers) in een paardenbak mag niet leiden tot vervuiling van de bodem.

Ad. 7.3.3 Goede landschappelijke inpassing Een paardenbak kan een ongewenst effect hebben in het landschap, zoals verrommeling. Wat passend is in een landschap hangt af van de precieze locatie en omgeving. Op gevoelige locaties zijn paardenbakken vanwege zichtbaarheid of landschapsstructuur niet gewenst. Het dient te gaan om een paardenbak die passend is in het landschap. Met kleine maatregelen als het aanbrengen van gebiedseigen beplanting kan een bijdrage worden geleverd aan een aantrekkelijk landschap. Ook is materiaalkeuze bepalend en bij voorkeur is de omheinging van de paardenbak van hout in een bedekte donkere kleur. De vormgeving van de omheining is zo veel mogelijk open en transparant. Daarnaast speelt de positionering van een paardenbak ook een rol bij het minimaliseren van verrommeling. Bij voorkeur dient een paardenbak te worden opgericht binnen een agrarisch bouwvlak of een woonbestemming. Daar waar dit niet mogelijk is, kan een paardenbak in een uitzonderlijk geval ook in open gebied plaatsvinden. Het is daarbij wel essentieel dat de karakteristieke openheid van het gebied niet in het geding komt. Van een goede landschappelijke inpassing is in ieder geval sprake, indien er bij de situering zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij bestaande landschapselementen, perceelsafscheidingen of aangrenzende bebouwing.

15

Hieronder is een aantal referentiebeelden van paardenbakken opgenomen, met passende en ongewenste voorbeelden. Paardenbakken passende voorbeelden

Paardenbakken ongewenste voorbeelden

16

Ad. 7.3.4 Hinder Ter voorkoming van hinder naar derden (aantasting woongenot) is een regeling opgenomen waarin is geregeld dat de oprichting van een paardenbak niet mag leiden tot onevenredige nadelige gevolg voor het woon- en leefklimaat van omwonenden. De richtafstanden in de brochure “Bedrijven en milieuzonering” van de Vereniging van de Nederlandse Gemeenten kunnen worden toegepast om te bepalen op welke afstand een paardenbak gesitueerd kan worden en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen van omwonenden gewaarborgd kan worden. Het uitgangspunt hierbij is dat bij het aanhouden van deze afstanden een aangenaam woon- en leefklimaat wordt verondersteld. In deze brochure wordt bijvoorbeeld een minimale afstand van 50 meter voor geur en 30 meter voor geluid en stof voor paarden aangehouden ten opzichte van woningen. Deze afstanden zijn indicatoren en bieden ruimte voor maatwerk. Elke situatie is namelijk anders en het is dan ook van belang dat gemotiveerd wordt dat de situering van een paardenbak in de buurt van een woning, geen onevenredig nadelig gevolg heeft voor het woon- en leefklimaat van omwonenden. Met betrekking tot geur kan dit bijvoorbeeld ertoe leiden dat naast de paardenbak zelf ook andere aanwezige geurbronnen, zoals een milieumeldingsplichtige mestplaat voor de opslag van paardenmest, in ogenschouw genomen moeten worden.

De locatie van de mestopslag en de frequentie van het ophalen van de mest bepalen vaak of een mestopslag al dan niet leidt tot overlast. Een ander voorbeeld betreft stofoverlast door een paardenbak. Deze overlast kan beperkt worden door de bodem bij droogte te besproeien, zodat stofontwikkeling wordt voorkomen. Ook kan gekozen worden voor een bodem die minder stof geeft, bijvoorbeeld door het toevoegen van houtsnippers of tapijtsnippers. Tenslotte kan de locatie van de paardenbak ook zodanig gekozen worden, dat alleen al daardoor geen onaanvaardbare stofoverlast optreedt.

Ad. 7.3.5 Hobbymatige activiteit Het hobbymatig houden van dieren kenmerkt zich onder andere door het ontbreken van een winstoogmerk en beperkte omvang van het aantal dieren. Het is niet mogelijk om op voorhand vast te stellen welke situatie als hobby- of bedrijfsmatig aangemerkt dient te worden. Het benoemen van een aantal dieren als grens tussen hobby- en bedrijfsmatig houden van dieren is een bestuurlijke keuze en blijft arbitrair. Dit maakt dat per concrete situatie steeds opnieuw moet worden beoordeeld en gemotiveerd of het houden van dieren als hobbymatige activiteit aangemerkt dient te worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Harderwijk&id=799a6b19-81a3-4a87-9747-2be5c23b560b