CConstaterende datHarderwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerpbestemmingsplan Zuiderzeestraatweg 44-46 (toelichting regels verbeelding).pdf

Raadsvergadering 1 december 2022, gemeente HarderwijkBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied Zuiderzeestraatweg 4625.930 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De meest zuidwestelijk gelegen nieuwe woning dient te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Een gevel is geluidluwe indien de gevelbelasting niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De meest noordelijk gelegen nieuwe woning dient over zowel een geluidluwe gevel als over een geluidluwe buitenruimte te beschikken. Daarnaast dient ten minste één slaapkamer aan de geluidsluwe zijde te zijn gepositioneerd. Uit de resultaten blijkt dat alle woningen beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Indien in het ontwerp rekening wordt gehouden met de maatregelen kan aan de beleidsregels van de gemeente Harderwijk worden voldaan  Voor de meest noordelijke nieuwe woning geldt een GES score van 4, voor de meest zuidwestelijk gelegen woning geldt een GES score van 2 en voor de overige twee woningen geldt een GES score van 1. De milieu gezondheid kwaliteit is matig tot goed.  Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB.

In tabel 4.3 is de benodigde karakteristieke geluidwering weergegeven. Conform de beleidsregels van de gemeente Harderwijk dient voor de geluidwering te worden uitgegaan van de cumulatieve geluidbelasting, in tabel 4.3 opgenomen als comfort eis.  De gevelbelasting is weliswaar hoger dan de voorkeursgrenswaarde, maar lager dan de maximale ontheffingswaarde. Indien voldaan wordt aan de voornoemde maatregelen en vereiste gevelgeluidwering kan worden gesteld dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.

22

Bestemmingsplan Buitengebied - Zuiderzeestraatweg 46

Newtonweg  De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 41 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde, waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan.  De milieu gezondheid kwaliteit is conform de beleidsregels van de gemeente Harderwijk zeer goed.

Industrielawaai Doel van het onderzoek is om aan te tonen dat de nieuwe woningen het bedrijf niet zal hinderen in de vergunde geluidruimte. Hiertoe zijn de geluidbelastingen bepaald bij zowel de nieuwe als bestaande woningen nabij het bedrijf. Aan de hand van de resultaten uit hoofdstuk 3 kunnen de volgende conclusies worden getrokken:  De langtijdgemiddelde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 47 dB(A) bij de nieuwe woningen en 52 dB(A) bij de bestaande woningen (zonder waarneempunt 15 en 16).  De piekbelastingen bedraagt ten hoogste 75 dB(A) bij de nieuwe woningen en 77 dB(A) bij de bestaande woningen (zonder waarneempunt 15 en 16).  Uit het vorenstaande blijkt dat de bestaande woningen bepalend zijn voor de te vergunnen geluidruimte en daarmee beperken de nieuwe woningen het bedrijf niet.  Het bedrijf moet voldoen aan de geluideisen van het Activiteitenbesluit. Uitgaande dat de standaard geluideisen van het Activiteitenbesluit van toepassing zijn, 50 dB(A) etmaalwaarde voor de langtijdgemiddelde belastingen en 70 dB(A) etmaalwaarde voor de piekgeluiden. Uitgaande dat de piekgeluiden bij de bestaande woningen voldoen aan de eis van 70 dB(A), betekent dit dat de piekgeluiden bij de nieuwe woningen 2 dB(A) lager.

 Daarmee is aangetoond dat de nieuwe woningen het bedrijf niet zullen bepreken qua vergunde geluidruimte en er voor geluid geen bezwaren zijn om medewerking te verlenen aan het voorliggende plan. Voor geluid zijn de bestaande woningen maatgevend.

4.4.3

Conclusie

Voor de geluidsbelasting afkomstig van wegverkeerslawaai wordt een verzoek voor hoge grenswaarde ingediend ten behoeve van twee van de nieuw te realiseren woningen. Industrielawaai afkomstig van het nabijgelegen industrieterrein vormt geen belemmering. Het aspect geluid is geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

4.5

Bodem

4.5.1

Algemeen

Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf.

4.5.2

Toetsing van het onderhavige plan

Ten behoeve van het onderhavige plan is door Lycens B.V. in december 2021 een verkennend bodemonderzoek inclusief asbest in bodem uitgevoerd. De conclusie van dit onderzoek is hierna opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 7.

Verkennend bodemonderzoek De aanleiding voor het onderzoek is de geplande planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herinrichting van de locatie. Het doel van het onderzoek is het bepalen van de bodemkwaliteit op de locatie en daarmee mogelijke verontreinigingen in grond en grondwater te signaleren welke consequenties kunnen hebben voor de geplande planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herinrichting van de locatie.

23

Bestemmingsplan Buitengebied - Zuiderzeestraatweg 46

Op grond van de beschikbare gegevens (resultaten vooronderzoek, zintuiglijke waarnemingen gedaan tijdens het veldwerk en de analyseresultaten) kan het volgende worden geconcludeerd: Resultaten grond Chemisch-analytisch zijn in de bovengrond op het zuidelijk terreindeel en in de ondergrond licht verhoogde gehalten aan PCB aangetoond. De verhoogde gehalten zijn vermoedelijk te aan het gebruik van de locatie door de jaren heen. De gemeten gehalten overschrijden de achtergrondwaarden in geringe mate en vormen geen belemmering voor de geplande planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herinrichting van de locatie. De gemeten gehalten zijn echter niet aan een directe bron te relateren. Het uitvoeren van nader onderzoek is niet noodzakelijk. In de bovengrond op het noordelijke terreindeel zijn geen van de onderzochte parameters verhoogd gemeten. Tevens is er in de toplaag van de druppelzone geen asbest gemeten. Ter plaatse van het aanvullend onderzochte noordwestelijke terreindeel zijn zowel in de boven- als in de ondergrond geen van de onderzochte parameter in verhoogde mate gemeten. De gemeten gehalten vormen dan ook geen belemmering voor de geplande planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herinrichting van de locatie.

Uit de analyseresultaten ter plaatse van de mogelijke restverontreiniging blijkt dat in de bovengrond ter plaatse van de gaten G03 en G04 asbest is aangetoond. In gat G03 is sprake van een gewogen asbestconcentratie welke de interventiewaarde overschrijdt. In gat G04 overschrijdt de gewogen concentratie de interventiewaarde niet. De gewogen concentratie in G03 vormt dan ook een belemmering voor de geplande planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herinrichting van de locatie. De omvang van de asbestverontreiniging ter plaatse van de gehele restverontreinigingslocatie wordt geschat op circa 5 m³ (10 m² met een gemiddelde laagdikte van circa 0,5 m¹). Resultaten grondwater Chemisch analytisch zijn in het grondwater licht verhoogde concentraties aan barium, cadmium, koper, nikkel en zink aangetoond. De gemeten concentraties overschrijden de streefwaarde in geringe mate en vormen geen belemmering voor de geplande planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herinrichting van de locatie. De verhoogde concentraties zijn niet aan een directe bron te relateren.

Conclusie verkennend bodemonderzoek Uit het onderzoek kan geconcludeerd worden dat de licht verhoogde gehalten aan PCB's in de grond en de licht verhoogde concentraties aan enkele zware metalen in het grondwater, ons inziens, milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen vormen voor de planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herinrichting van de locatie. Echter de aangetroffen asbest(rest)verontreiniging ter plaatse van de achtergevel van de woning vormt een belemmering voor de geplande planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herontwikkeling van de locatie. De restverontreiniging valt onder het Besluit Asbestwegen. Aangezien het verboden is om in bezit te zijn van een asbesthoudende weg wordt geadviseerd om de verontreiniging te saneren. Voorafgaand aan de sanering dient hiervoor een Melding Asbestweg te worden gedaan bij het bevoegd gezag (Inspectie Leefomgeving en Transport, IL&T). Na het indienen van de melding dient de sanering (aangezien er hier sprake is van grond) uitgevoerd te worden door BRL6000 en BRL7000 erkende partijen. Geadviseerd wordt om de gehele asbestverontreiniging, ter plaatse van de restverontreiniging onder de klinkers en de restverontreiniging ter plaatse van de voormalige klimop, gezien de geringe omvang, in één fase te saneren.

Na de sanering van de asbestverontreinigingen vormt de bodemkwaliteit ten aanzien van asbest geen belemmering voor de geplande planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herontwikkeling van de locatie. De gestelde hypothese dat de locatie als "onverdacht" beschouwd kan worden ten aanzien van chemische parameters is niet juist gebleken op basis van de aangetoonde licht verhoogde gehalten aan PCB in grond en de licht verhoogde concentraties aan enkele zware metalen in het grondwater. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft echter een representatief beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Bovendien vormen de gemeten gehalten (grond) en concentraties (grondwater) geen belemmering voor het toekomstige gebruik van de onderzoekslocatie. De gestelde hypothese dat de locatie van de restverontreiniging ten aanzien van de parameter asbest in bodem als 'verdacht' kan worden aangemerkt is juist gebleken. Analytisch is in de bovengrond ter plaatse van de achtergevel van het woonhuis asbest aangetoond. De gestelde hypothese dat de druppelzone ten aanzien van de parameter asbest in bodem als 'verdacht' kan worden aangemerkt is niet juist gebleken. Analytisch is in de toplaag ter plaatse van de druppelzone geen asbest aangetoond.

24

Bestemmingsplan Buitengebied - Zuiderzeestraatweg 46

4.5.3

Toetsing Parallelweg 9/10

Om de bodemgesteldheid in beeld te brengen is op 15 februari 2018 een verkennend bodemonderzoek voor de slooplocatie verschenen (zie Bijlage 8). Hierna worden de resultaten van het onderzoek weergegeven. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage van deze toelichting. In het rapport is de volgende conclusie opgenomen: De onderzoekshypothese "verdachte locatie met een diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld" wordt op basis van de analyseresultaten en het berekende gewogen gehalten asbest bevestigd. De concentratie asbest in de inspectiegaten A1, A2, A3, A4, E1, E2, K4, K5, K6, M1 en M2 is groter dan de helft van de maximaal toegestane concentratie van 100 mg/kg d.s. In de overige inspectiegaten is geen asbest aangetroffen of wordt de (halve) maximaal toegestane concentratie niet overschreden. De verhoogde concentratie asbest ter plaatse van bovengenoemde gaten wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van asbest in de fijne fractie (<20 mm). De inspectiegaten zijn in de afwateringszone van het dak geplaatst (de zogenaamde druppellijn). De aangetroffen concentratie asbest wordt zeer waarschijnlijk veroorzaakt door de erosie van de dakplaten. Bij deze schuren zijn geen dakgoten aanwezig, het regenwater komt derhalve direct op en in de bodem onder de dakrand terecht.

Uitgaande van een maximale breedte van 1,0 m onder de dakrand (50 cm links van de druppellijn en 50 cm rechts van de druppellijn) bedraagt het verontreinigd bodemvolume in totaal (uitgaande van een ontgravingsdiepte van ca. 20 cm) ca.12 m3. Formeel gezien is afperkend onderzoek noodzakelijk ter plaatse van de gaten A1, A2, A3, A4, E1, E2, K4, K5, K6, M1 en M2, echter door de afwezigheid van dakgoten kan worden geconcludeerd dat de aangetroffen concentratie asbest hierdoor wordt veroorzaakt. Een afperkend onderzoek is ons inziens derhalve niet noodzakelijk. De verontreinigde grond dient te worden ontgraven en afgevoerd naar een grondbank / reinigingsbedrijf. Voorafgaand aan de sanering dient een BUS-melding te worden ingediend bij het bevoegd gezag (provincie Gelderland). De sanering dient te worden begeleid door een BRL SIKB 6000 gecertificeerd bedrijf. De ontgraving en uitvoering van de sanering dient plaats te vinden door een BRL SIKB 7000 gecertificeerd bedrijf. Het aangetroffen asbest op het maaiveld zal d.m.v. handpicking tijdens de asbestsanering worden verwijderd. Met dit onderzoek is voldaan aan de voorwaarde uit het pilot sloopregeling Eendengebied. De saneringwerkzaamheden zullen plaatsvinden zoals beschreven in het onderzoek. Het aspect bodem vormt daarmee geen belemmering voor het slopen van de twee eendenschuren.

4.5.4

Conclusie

Uit het verkennend bodemonderzoek is gebleken dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de realisatie van de woningen, aangezien de saneringwerkzaamheden zullen plaatsvinden zoals beschreven in de onderzoeken.

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1

Algemeen

De 'Wet milieubeheer' is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om:  negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken;  mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De paragraaf luchtkwaliteit in de 'Wet milieubeheer' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:  er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt, wat wil zeggen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3% ten opzichte van de grenswaarde);  een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden, nadat de EU op 7 april 2009 derogatie heeft verleend.

25

Bestemmingsplan Buitengebied - Zuiderzeestraatweg 46

NIBM-grens woningbouwlocatie, 3% criterium:  < 1.500 woningen (netto) bij minimaal een ontsluitingsweg, met een gelijkmatige verkeersverdeling;  < 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

4.6.2

Toetsing van het onderhavige plan

De realisatie van 3 woningen (en omvorming van een recreatiewoning naar woning) betreft een geringere omvang dan wat hiervoor is aangegeven. De luchtkwaliteit zal dus 'in niet betekenende mate' verslechteren. Daarom hoeft niet nader op het aspect luchtkwaliteit te worden ingegaan. Wat betreft de toets ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden bij woningen, op grond van de regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007, mensen blootgesteld aan luchtverontreiniging gedurende een significante periode ten opzichte van een etmaal. De Atlas Leefomgeving geeft een goede indicatie van de achtergrondconcentraties ter plekke.

Figuur 4.2: Achtergrondconcentratie PM2,5 (bron: AtlasLeefomgeving.nl)

Figuur 4.3: Achtergrondconcentratie PM10 (bron: AtlasLeefomgeving.nl)

Figuur 4.4: Achtergrondconcentratie Stikstofdioxide (bron: AtlasLeefomgeving.nl)

26

Bestemmingsplan Buitengebied - Zuiderzeestraatweg 46

Uit de kaarten blijkt dat de achtergrondconcentraties luchtvervuilende stoffen ter plaatse van het plangebied relatief laag te zijn. Ook liggen ze ver onder de grenswaarden. zoals onderstaand weergegeven. Achtergrondconcentratie

Grenswaarde

Fijnstof PM 2,5

8-10 ug/m3

25 ug/m3

Fijnstof PM 10

17-19 ug.m3

40 ug/m3

Stikstofdioxide

14-16 ug/m3

40 ug/m3

Een algemene trend is evenwel dat de emissiefactoren van wegverkeer en de concentratie fijn stof al jaren afnemen. Het RIVM verwacht dat dit ook in de komende jaren het geval zal zijn. De blootstelling aan luchtverontreiniging in het plangebied is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. Op grond van de Wet Luchtkwaliteit worden er binnen het plangebied geen grenswaarden overschreden ook zijn er geen dreigende grenswaardenoverschrijdingen. In het kader van dit bestemmingsplan worden er geen nieuwe ontwikkelingen of uitbreidingen mogelijk gemaakt, die in betekenende mate leiden tot een verbetering of verslechtering van de luchtkwaliteit. Zowel vanuit de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt de luchtkwaliteit geen belemmering voor het bestemmingsplan. Beoordeling slooplocatie Parallelweg Met het plan worden de huidige agrarische bedrijfsactiviteiten aan de Parallelweg beëindigd, waardoor emissies van geur en fijnstof wordt beëindigd en de luchtkwaliteit zal worden verbeterd.

4.6.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit is geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

4.7

Erfgoed

4.7.1

Archeologie

Algemeen Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologie vriendelijke alternatieven. Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, vallen de artikelen waarin de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd, nog in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Onderzoek Ten behoeve van het onderhavige plan is door Lycens B.V.

in februari 2021 een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. De conclusie van dit onderzoek is hierna opgenomen, voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 9. Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Op basis van het bureauonderzoek is een lage archeologische verwachting afgegeven voor de periode Paleolithicum tot de Late Middeleeuwen en een hoge verwachting voor de periode Late Middeleeuwen tot de Nieuwe Tijd. Deze verwachting is gebaseerd op de bodemkundige en geomorfologische kenmerken van het gebied, het Actueel Hoogtebestand Nederland en archeologische onderzoeken in de directe omgeving van het plangebied.

27

Bestemmingsplan Buitengebied - Zuiderzeestraatweg 46

Op basis van dit vooronderzoek en het advies van de regioarcheoloog is binnen het gebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd om vast te stellen of de bodem intact is. Aangezien bij de eerste boring is vastgesteld dat sprake was van een (ten dele) intacte podzolbodem zijn de boringen gezet met een 15 cm edelmanboor en is het opgeboorde sediment gezeefd. Het onderzoek is hiermee opgeschaald naar een karterend onderzoek. Op basis van het ontbreken van archeologische indicatoren in de boringen buiten wat fragmentjes oranjerood baksteenpuin in de top van het esdek bij de bestaande bebouwing is het niet waarschijnlijk dat er binnen het plangebied sprake is van een vindplaats uit de periode Paleolithicum tot de Late Middeleeuwen. Op basis van het uitgevoerde onderzoek is niet vast te stellen of sprake is van een sporenvlak uit de periode Late Middeleeuwen tot de Nieuwe Tijd. Indien aanwezig zullen deze naar verwachting bestaan uit sloten en greppels en overige sporen gerelateerd aan landbouw. Gezien het ontbreken van archeologische indicatoren worden geen sporen van bewoning verwacht binnen het plangebied. De archeologische waarde van dergelijke sporen is zeer beperkt. Geadviseerd wordt dan ook geen vervolgonderzoek uit te voeren binnen het plangebied.

Met betrekking tot de aanbevelingen/bevindingen uit onderhavig onderzoek dient contact opgenomen te worden met het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Harderwijk vertegenwoordigd door de heer Wispelwey. Conclusie Uit het onderzoek is gebleken dat er zeer beperkte archeologische waarden zijn aangetroffen, om die reden is een vervolg onderzoek niet noodzakelijk. Daarmee kan geconcludeerd worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de realisatie van dit plan. Ook voor het vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

4.7.2

Cultuurhistorie

Algemeen In de visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' (juni 2011) zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1.

werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk. Cultuurhistorische Waardenkaart Gelderland De provincie Gelderland heeft een cultuurhistorische waardenkaart waarin de belangrijke archeologische en cultuurhistorische objecten en structuren van de provincie zijn weergegeven. De provincie beoogt hiermee de identiteit van de Gelderse regio's te behouden door cultuurhistorische elementen herkenbaar te maken en in stand te houden. Daarnaast zet ze in op een constante ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische waarden door uitvoering te geven aan programma's en projecten. Onderzoek In het plangebied is een cultuurhistorisch waardevol element te vinden. Hieronder in figuur 4.2 is te zien dat de bestaande woning die aan de voorzijde van het perceel staat, cultuurhistorisch waardevol is.

28

Bestemmingsplan Buitengebied - Zuiderzeestraatweg 46

Figuur 4.2: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Harderwijk Hoeve't Loar, Zuiderzeestraatweg 46, Hierden Zuiderzeestraatweg 46 is een driebeukige boerderij met een rietenwolfsdak en windveren van zaagwerk. De boerderij is in 1937 gebouwd. De gevels zijn opgetrokken in metselwerk van rode baksteen in staand verband, met een plint in donkerdere steen, die afgewerkt is met een halfsteens rollaag. De voorgevel heeft drie van bovenlichten en luiken voorziene vensters. Boven de kozijnen bevinden zich decoratieve ontlastingsbogen van rode en gele baksteen met groene boogvelden. Onder de dakrand zitten twee kleinere vensters met bovenlichten en een geblokte steens rollaag. Het pand is recentelijk gemoderniseerd.

Figuur 4.3: Vooraanzicht cultuurhistorische boerderij

29

Bestemmingsplan Buitengebied - Zuiderzeestraatweg 46

Conclusie Binnen het plangebied is een cultuurhistorische gewaardeerde aspect aanwezig. De bebouwing in het plangebied betreft een (bijzondere) karakteristieke gebouw. Dit pand zal behouden blijven in de beoogde situatie. Verder zijn er (in de directe omgeving) geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Als gevolg van het onderhavige plan gaan geen cultuurhistorische waarden verloren en worden ook niet aangetast. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

4.7.3

Conclusie

Op basis van de separate conclusies van archeologie en cultuurhistorie valt samen te vatten dat het aspect erfgoed geen belemmering vormt voor de realisatie van het onderhavige plan.

4.8

Externe veiligheid

4.8.1

Algemeen

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen.

30

Bestemmingsplan Buitengebied - Zuiderzeestraatweg 46

4.8.2

Toetsing van het onderhavige plan

Middels de Risicokaart is beoordeeld of er risicobronnen in en rond het plangebied aanwezig zijn.

Figuur 4.4: Uitsnede risicokaart Risicovolle inrichtingen Er zijn geen inrichtingen aanwezig waarvan de risicocontouren de plangrens overschrijden. In figuur 4.4 is één risicovolle inrichting te zien. Dit betreft Zena Vuurwerk aan de Kruisweg 4. Het plangebied ligt ruim buiten de plaatsgebonden risicocontouren van deze risicobron, waardoor deze bron geen negatieve effecten heeft op voorliggend plan. Gezien de afstand tot de bron (circa 250 meter) vormt deze inrichting geen belemmering. Buisleidingen Buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd komen niet voor in het plangebied of in de omgeving van het plangebied. De dichtsbijzijnde buisleiding is de aardgasleiding N-570-34, langs de A28. Deze buisleiding heeft een diameter van 114 mm en maximale werkdruk van 40 bar. De 1% legaliteitsgrens ligt hierdoor op 100 meter. Omdat het plangebied zich op 890 meter van deze buis bevindt, vormt deze buis geen belemmering voor het planvoornemen. Transportroutes gevaarlijke stoffen In de nabijheid van de locatie liggen de Rijksweg A28 en de spoorlijn Amersfoort-Zwolle. Dit zijn mobiele risicobronnen die mogelijk kunnen leiden tot belemmeringen voor de realisatie van de woningen. In onderstaande tabel zijn het plaatsgebonden risico (PR 10-6 contour), het plasbrandaandachtsgebied (PAG) en het invloedsgebied getoetst aan de afstand tot het plangebied.

Risicobron Rijksweg A28 Spoorlijn AmersfoortZwolle

PR 10-6 contour (m) n.v.t. 6

PAG (m) 30 30

Invloedsgebied (m) 880 4.000

afstand tot plangebied 1.300 1.200

Rijksweg A28 Het plangebied ligt buiten het plasbrandaandachtsgebied. Tevens ligt het plangebied buiten de 200 meter zone voor het groepsrisico en het invloedsgebied toxisch waardoor verantwoording niet noodzakelijk is.

31

Bestemmingsplan Buitengebied - Zuiderzeestraatweg 46

Spoorlijn Zwolle-Amersfoort Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour, en het plasbrandaandachtsgebied. Bovendien ligt het plangebied op een grotere afstand dan 200 meter vanaf de spoorlijn. Indien gevoelige objecten buiten de 200 meter contour zijn gelegen hoeft het groepsrisico niet berekend te worden. Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied toxisch, waardoor dit onderwerp standaard verantwoord moet worden voor de aspecten zelfredzaamheid en rampenbestrijding. Verantwoording zelfredzaamheid en rampenbestrijding Wanneer het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een transportas moet er altijd gekeken worden naar de mogelijkheden voor bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Hierbij geldt dat voor de zelfredzaamheid enkel ingegaan hoeft te worden op de nieuwbouwlocaties (nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten). Onderstaand een beschouwing van deze aspecten. Het maatgevende scenario voor beide transportroutes is toxische belasting als gevolg van een giftig gas. Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dicht bij de risicobron.

De bluswatervoorziening in de nabijheid van het bestemmingsplan is niet optimaal, maar voldoende. Het plangebied is goed bereikbaar voor de hulpverleningsdiensten. De VNOG adviseert om over de bluswatervoorziening en de bereikbaarheid van het plangebied, bij de uitwerking in gesprek te gaan met de accounthouder van de gemeente Harderwijk. Zelfredzaamheid Alle software waar de VNOG gebruik van maakt, werkt nog niet volledig na de gijzel-software waar de VNOG mee te maken heeft gehad. Niet gezien kan worden of het plangebied in het bestemmingsplan onder dekking van de WAS-palen valt. Het plangebied ligt aan de rand van het dorp, dus kan het aannemelijk zijn dat het plan niet valt onder dekking van de WAS-palen. Het Rijk is van plan deze WAS-palen uit te faseren. De zelfredzaamheid van de burgers binnen de gemeente kan vergroot worden door het gebruik van NL-alert. Hierop wordt door de overheid de komende jaren verder geïnvesteerd. Burgers zullen echter zelf het initiatief moeten nemen om hun mobiele telefoon hiervoor geschikt te maken (zie: http://www.crisis.nl/nl-alert).

4.8.3

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

4.9

Flora en fauna

4.9.1

Algemeen

Wet natuurbescherming De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen als afzonderlijke hoofdstukken, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken.

32

Bestemmingsplan Buitengebied - Zuiderzeestraatweg 46

Natura 2000 De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming. Natura 2000-is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden. In een habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend. Soortbescherming De Wet natuurbescherming kent naast het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden drie beschermingscategorieën onder het hoofdstuk 'soortbescherming': 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels op grond van de Vogelrichtlijn (art 3.1). 2. Soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn (art. 3.5). 3.

Nationaal beschermde 'andere soorten' (art.3.10) als vermeld in Bijlage A van de Wet Natuurbescherming alsmede alle de vaatplanten van de soorten genoemd in bijlage B van de Wet Natuurbescherming. De Soortbescherming is alleen (met uitzondering van de zorgplicht) van toepassing op soorten genoemd onder deze drie beschermingscategorieën. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Het NNN is ruimtelijk in de Provinciale Structuurvisie vastgelegd. Het vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden. Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Wanneer bij ruimtelijke ontwikkelingen een bestemmingsplan wijziging moet worden doorgevoerd dient altijd een 'Nee, tenzij'- toets te worden uitgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er als gevolg van de voorgenomen maatregelen significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden.

4.9.2

Toetsing van het onderhavige plan

Ten behoeve van het onderhavige plan is door Lycens B.V. in november 2021 een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd en in maart 2021 een quickscan ecologie. Daarnaast is voor de slooplocatie door Groenewold Adviesbureau voor Milieu & Natuur in november 2019 een quickscan ecologie uitgevoerd. De conclusies van deze onderzoeken zijn hierna opgenomen, voor de volledige onderzoeken wordt verwezen naar respectievelijk, Bijlage 10, Bijlage 11 en Bijlage 12.

Zuiderzeestraatweg 46 Gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk geen externe werking kent. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, kan op basis van voorliggende studie (in combinatie met de stikstofberekening) worden uitgesloten. Stikstofdepositieonderzoek Uit de rekenresultaten van Aerius-calculator is gebleken dat als gevolg van onderhavig project gedurende de gebruiksfase geen sprake is van stikstofdeposities op de omliggende Natura 2000-gebieden hoger dan 0,00 mol/ha/j. Voor de aanlegfase geldt sinds de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering en de wijziging van het Besluit natuurbescherming per 1 juli 2021 een vrijstelling waardoor deze fase buiten beschouwing gelaten mag worden. Het aspect stikstof in relatie tot Natura 2000 vormt geen belemmering voor de realisatie en de vergunningverlening van de 'omgevingsvergunning, activiteit bouwen'.

33

Bestemmingsplan Buitengebied - Zuiderzeestraatweg 46

Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezet een beschermd grondgebonden zoogdier er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezet een amfibie er een vaste (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied en amfibieën bezetten er geen voortplantingsplaats. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.

Voor de beschermde grondbonden zoogdieren en amfibieën, die een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'vangen' en het 'beschadigen en vernielen van rust' en voortplantingsplaats. Grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied, voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën en vogels, aangetast, maar dit leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortenbescherming. Parallelweg 9/10 Gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk geen externe werking kent.

Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, kan op basis van voorliggende studie (in combinatie met de stikstofberekening) worden uitgesloten. Stikstofdepositieonderzoek Aan Parallelweg is in de beoogde situatie in de gebruiksfase geen sprake van emissie van stikstof. De stallen worden gesloopt en milieuvergunning van de eendenhouderij wordt ingetrokken. Hierdoor is zelfs sprake van een forse verminder van de emissie van stikstof. Voor de aanlegfase (in dit geval de sloopfase) geldt sinds de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering en de wijziging van het Besluit natuurbescherming per 1 juli 2021 een vrijstelling waardoor deze fase buiten beschouwing gelaten mag worden. Het aspect stikstof in relatie tot Natura 2000 vormt geen belemmering voor de realisatie van onderhavig plan.

Soortenbescherming Er zijn geen beschermde soorten of verblijfplaatsen aangetroffen, met uitzondering van de huismus. Specifiek is gezocht naar (potentiële) verblijfplaatsen van steenuil, kerkuil en vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen. In de late avond is het gebied geïnventariseerd op steenuilen (met geluid) en vleermuizen (batdetector). Er was geen reactie van steenuilen, waarmee een verblijfplaats is uit te sluiten. Hoewel verblijfplaatsen niet direct worden verwacht is een ronde gelopen met de batdetector, tussen 22.00-00.00 uur. Er zijn enkele overvliegende rosse vleermuizen gehoord en een paar keer een overvliegende of foeragerende gewone dwergvleermuis. De dieren kwamen van elders aanvliegen. Op basis hiervan zijn vaste verblijfplaatsen met voldoende zekerheid uit te sluiten. Het is niet onmogelijk dat diverse soorten vogels broeden in of direct rond het plangebied (bijv. merel, roodborst, witte kwikstaart, zwarte roodstaart). Alle broedende vogels zijn beschermd.

34

Bestemmingsplan Buitengebied - Zuiderzeestraatweg 46

De huismus is in groten getale aanwezig en komt af op het voer voor de eenden. In een aantal stallen lopen nog mesteenden. Tijdens het locatiebezoek medio juli 2019 is een aantal geschat van 30-50 huismussen, welke in verschillende groepen rondvliegen. Overigens vliegen de mussen ook regelmatig van en naar andere percelen buiten het plangebied. Het staat vast dat de mussen niet broeden in de leegstaande stallen, zonder dakisolatie. Er zijn diverse verblijfplaatsen geconstateerd onder de dakpannen van de woningen Parallelweg 9 en 10, maar deze woningen blijven behouden. Het was niet duidelijk of de vogels ook verblijfplaatsen hebben achter de dakisolatie van de eendenstallen. Op basis van de waarnemingen lijken de mussen de stallen vooral te bezoeken vanwege het voer. Een aanvullend locatiebezoek op 3 oktober 2019 bevestigt dat. Die dag zijn alleen huismussen rond de beide woningen waargenomen. Er kwamen in de vroege ochtend geen huismussen uit de stallen. Het gebruik van de stallen voor het houden van eenden zal eind 2019 worden beëindigd. Daarmee zal het voedselaanbod verdwijnen en is de verwachting dat er veel minder mussen op het perceel af zullen komen. Omdat er geen nestplaatsen verdwijnen, maar wel veel mussen ‘gebruik maken’ van het voedselaanbod is de vraag of en zo ja welke maatregelen nodig zijn.

In november is de locatie nogmaals bezocht en is ook een aantal rondes in het omliggende gebied uitgevoerd. Daaruit bleek dat de huismus vrijwel overal in de omgeving aanwezig is en dat er ook volop goede foerageermogelijkheden zijn. Dat komt doordat op veel plekken dieren aanwezig zijn, waardoor ook voer en nestmateriaal aanwezig is (paarden, eenden, schapen, kippen e.d.). Conclusie uit de diverse bezoeken is dat de mussen broeden in de woningen langs de Parallelweg en de Tweede Parallelweg en zowel foerageren in het plangebied als daarbuiten. De eendenschuren zijn dus wel foerageergebied maar niet essentieel. Plan is de opstallen te slopen en het gebied als weiland/natuur in te richten. Hiervoor is separaat een inrichtingsplan opgesteld, afgestemd op o.a. de eisen van de huismus. Daarmee is in ieder geval voldoende dekking en water aanwezig en blijft het gebied een goed foerageergebied. Door de inrichting ontstaat er ook een brugfunctie met voldoende dekking naar nabijgelegen foerageergebied. De verwachting is dat andere soortgroepen ook zullen profiteren van de houtwallen. Bij aanvang van de werkzaamheden (cq de sloop van de opstallen) in het broedseizoen verdient het aanbeveling om vanuit de zorgplicht het gebied voorafgaand aan de werkzaamheden nogmaals te controleren op mogelijke verblijfplaatsen. Alle broedende vogelsoorten zijn beschermd.

Als broedende vogels aanwezig zijn moet worden gewacht tot de jonge vogels zijn uitgevlogen. Er geldt een vrijstelling voor de algemeen beschermde soorten (Omgevingsverordening Gelderland). Overigens blijft de algemene zorgplicht altijd van kracht. Het aanvragen van een ontheffing Wnb is derhalve niet nodig. Het advies is de werkzaamheden buiten de broedperiode van vogels uit te voeren.

4.9.3

Conclusie

Mits de sloop plaats vindt buiten het broedseizoen vormt het aspect ecologie geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

4.10

Verkeer en parkeren

4.10.1

Algemeen

Om te bepalen of het plan geen negatieve effecten heeft op omliggende wegen en de parkeersituatie, wordt in deze paragraaf de effecten beschreven van het plan op het verkeer en parkeersituatie. Voor parkeren wordt getoetst aan de voor het plangebied geldende parkeernormen.

4.10.2

Toetsing van het onderhavige plan

Verkeer De woningen zullen voor een lichte toename van het aantal verkeersbewegingen zorgen. Bij een gemiddelde van 8,2 vervoersbewegingen per woning per etmaal, worden er 32,8 bewegingen per dag gegenereerd. Bij een spitsuur-gemiddelde van 10%, leidt dit tot een extra verkeersbeweging van 1 auto per 20 minuuten. Dit is geen probleem voor de omliggende wegen.

35

Bestemmingsplan Buitengebied - Zuiderzeestraatweg 46

Parkeren Nieuwe functies betekenen meestal ook dat er sprake is of zal zijn van een toename van verkeersbewegingen, alsmede ontstaat er een parkeerbehoefte. Uitgangspunt is dat nieuwe functies geen onevenredige extra hinder veroorzaken voor reeds aanwezige functies in de omgeving. Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 4 extra woningen. Gezien het bepaalde in het GVVP moet voor deze locatie parkeren op eigen terrein worden gerealiseerd, dit wordt ook gedaan.

4.10.3

Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

4.11

Water

4.11.1

Algemeen

Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen, een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin staat de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan op de waterhuishouding. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan gevolgen heeft voor de waterhuishouding (waaronder grondwater en waterveiligheid). Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten'. Beleidskader De Europese Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; emissies worden verbeterd; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater.

Sinds 1 november 2003 is er een wettelijke verplichting om een watertoets uit te voeren bij ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen. Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet inzichtelijk worden gemaakt wat de gevolgen zijn van een ruimtelijke ontwikkeling voor het waterbeheersysteem en op welke wijze de ruimtelijke ontwikkeling en het waterbeheer op elkaar worden afgestemd. Waterwet De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Hierbij moet worden gedacht aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit heeft geresulteerd in één vergunning, de Watervergunning, die met een wettelijk vastgesteld aanvraagformulier kan worden aangevraagd.

36

Bestemmingsplan Buitengebied - Zuiderzeestraatweg 46

Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); In 2003 is door het Rijk, de provincies (IPO), de waterschappen (Unie van Waterschappen) en de gemeenten (VNG) het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) ondertekend in navolging op het advies Waterbeheer 21e eeuw (WB21). Het doel van het NBW is om rekening houdend met klimaatverandering, zeespiegelrijzing, bodemdaling en verstedelijking het watersysteem op orde te hebben in 2015 en richting 2050 op orde te houden. Het tegengaan van wateroverlast is een belangrijk onderdeel van het waterbeheer. De werknormen uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) geven aan in welke mate (frequentie) wateroverlast wordt geaccepteerd (kans op inundatie vanuit oppervlaktewater). Deze normen zijn afhankelijk van het grondgebruik en het streven vanuit het NBW om in 2015 aan deze normering te voldoen. Om wateroverlast te voorkomen en problemen af te wentelen op benedenstroomse gebieden is in het NBW de strategie vasthouden -bergen-afvoeren uit het advies WB21 aangehouden. Het landelijke beleid streeft ook naar verbetering van de waterkwaliteit en ecologie als integraal onderdeel van het water. De voorkeursstrategie schoonhouden, scheiden, zuiveren is daarbij een belangrijke leidraad.

De aanpak van diffuse bronnen zoals bouwmaterialen (duurzaam bouwen), het gebruik van bestrijdingsmiddelen en het wegverkeer zijn bij onder andere het afkoppelen van hemelwater belangrijke aandachtspunten. De aanleg van natuurvriendelijke oevers, het vergroten van trek- en paaimogelijkheden van vis, een natuurlijker peilbeheer en het stimuleren van de groei van waterplanten dragen bij aan het verbeteren van waterkwaliteit en ecologie. Nationaal Waterplan De hoofddoelstelling voor waterbeheer in Nederland is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP): Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst. Het NWP is per 22 december 2009 de vervanger van de Vierde Nota Waterhuishouding en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Dit eerste Nationaal Waterplan is ook een structuurvisie op basis van de Waterwet en de Wet ruimtelijke ordening. In het Nationaal Waterplan (2016-2021) staan 5 ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen. Het kabinet kiest voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics). Dit zorgt er voor dat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is.

Verder wil het kabinet dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht, dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. Tot slot wil het kabinet dat Nederlanders waterbewust leven. Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen. Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (klimaatadaptatie) Met het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie is door de overheden afgesproken om vanaf 2020 ruimtelijke adaptatie een integraal onderdeel uit te laten maken van het beleid. Het Deltaplan versnelt en intensiveert de aanpak van wateroverlast, hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen, met als doel om Nederland voor 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht te hebben. Daarvoor wordt de methodiek van 'weten, willen, werken' gehanteerd volgens de werkwijze die in 2014 in de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie is afgesproken. Regionaal Waterprogramma 2016-2021 Gelderland Samen met de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vormt het Regionaal Waterprogramma Gelderland het beleid van de provincie Gelderland voor het thema Water.

In het Regionaal Waterprogramma zijn de ambities en de aanpak op het gebied van water en ondergrond, drinkwater, waterveiligheid en wateroverlast, natuur, waterkwaliteit en diverse gebruiksfuncties uitgewerkt. Waterbeheersprogramma 2016-2021 Waterschap Vallei en Veluwe (vanaf 2022 wordt dit de BOP) Het waterbeheerprogramma beschrijft de inhoudelijke koers van het Waterschap Vallei en Veluwe aan de hand van zes ambities. Beschermen van het gebied tegen overstromingen; zorgen voor de juiste hoeveelheid water; zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit; schoon en vuil water zo veel mogelijk scheiden; de hoogst mogelijke waarde uit water halen; en het beheren van de waterketen en het watersysteem gebeurt als één systeem, samen met de partners. Om haar taak als waterbeheerder uit te kunnen oefenen en doelstellingen uit de Waterwet te bereiken maakt het waterschap gebruik van de keur en de legger. De keur is een verordening waar gedoogplichten, geboden en verboden in staan. Deze regels gelden voor toestanden en handelingen op en vlakbij waterkeringen, watergangen en kunstwerken zoals duikers. De legger bevat de ligging en maatvoering van waterstaatkundige werken en waterpartijen, alsmede de onderhouds- en beschermingszones. In de legger wijst het waterschap tevens aan wie het onderhoud van een watergang, dijk of constructie moet uitvoeren.

Ook wordt bepaald of er controle (schouw) wordt gedaan.

37

Bestemmingsplan Buitengebied - Zuiderzeestraatweg 46

Zuiveringskring Afvalwaterketen Plan WHEP 2016-2023 (ZAP WHEP) Het ZAP is een gezamenlijk plan van gemeenten Harderwijk, Ermelo en Putten alsmede Waterschap Vallei en Veluwe en heeft de status van het (wettelijk verplicht) verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP). In het plan zijn de volgende beleidsmatige uitgangspunten gedefinieerd voor de wettelijke gemeentelijk zorgplichten stedelijke afvalwater, hemelwater en grondwater: 

Stedelijk Afvalwater

Uitgangspunt voor stedelijk afvalwater zijn de wettelijke verplichtingen Wet milieubeheer art. 10.33. Stedelijk afvalwater bestaat uit huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. De zorgplicht voor stedelijk afvalwater kent in vergelijking met de andere zorgplichten weinig vrijheid: inzamelen, transporteren en zuiveren (door het waterschap) is verplicht. 

Hemelwater

Op het gebied van hemelwater is de belangrijkste opgave de gevolgen van de klimaatverandering op te vangen. We doen dit door aanpassingen van onze systemen en door meer gebruik te gaan maken van de openbare ruimte voor opvang en verwerking van hemelwater. Vanuit de Waterwet artikel 3.5 zijn gemeenten verantwoordelijk voor een doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater. Deze verantwoordelijkheid geldt alleen zolang degenen die zich wil ontdoen van hemelwater niet redelijkerwijs de mogelijkheid heeft om het hemelwater zelf in de bodem of op een oppervlaktewater te lozen. Uitgangspunten hierbij zijn:  Perceeleigenaar is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor inzameling en verwerking van hemelwater (infiltratie op eigen terrein). Indien dit redelijkerwijs niet van de perceeleigenaar kan worden verwacht, zal de gemeente de zorgplicht over moeten nemen.  Perceeleigenaren van bestaande bebouwing worden gestimuleerd om hemelwater van de vuilwater riolering af te koppelen.  Bij eventuele reconstructie: hemelwater van openbaar gebied afkoppelen van riolering, tenzij dit niet doelmatig blijkt te zijn.

 Bij eventuele nieuwe grootschalige ontwikkelingen (inbreiding en/of herinrichting): hemelwater bij voorkeur lokaal inzamelen en verwerken (infiltratie of lozing op oppervlaktewater), tenzij dit niet doelmatig blijkt te zijn (bijvoorbeeld bij ongeschikte bodemsamenstelling, hoge grondwaterstand of bestaand dicht stedelijk gebied). Om het afstromend hemelwater schoon te houden worden geen uitlogende materialen gebruikt bij de woningbouw en in de openbare ruimte (straatmeubilair en dergelijke). Op nieuwe bouwlocaties zal alleen het huishoudelijk afvalwater worden aangesloten op de gemeentelijke riolering. Voor het hemelwater moet een andere wijze van afvoeren worden gevonden. Hiervoor bestaan in principe twee mogelijkheden, namelijk infiltratie in de bodem en lozing op het oppervlaktewater. 

Grondwater

De bewoner heeft de verplichting om overtollig grondwater op eigen terrein te verwerken (waterwet art. 3.6). De gemeente heeft een regierol wat inhoudt dat in overleg met degene die overlast ervaart er wordt gekeken naar een mogelijke oplossing. Uitgangspunten hierbij zijn:  de perceeleigenaar: verwerkt grondwater op eigen terrein en zorgt voor een waterdicht pand.  de gemeente: neemt meldingen in ontvangst en zoekt naar een oplossing;  alleen als geen enkele andere partij een oplossing kan of hoeft te bieden, dan neemt de gemeente maatregelen. Er worden alleen maatregelen genomen als sprake is van structurele grondwateroverlast die de gemeente op een doelmatige manier kan oplossen;  het waterschap; neemt peilbesluiten en beïnvloedt hiermee de grondwaterstand. Vooral buiten de bebouwde kom speelt het waterschap hiermee een belangrijke rol. Ook verleent het waterschap vergunning voor kleinere grondwateronttrekkingen;  de provincie: verleent vergunningen voor grotere industriële grondwateronttrekkingen, onttrekkingen voor de drinkwatervoorziening en onttrekkingen voor een bodemenergiesysteem. Ook werkt de provincie aan natuurontwikkeling. Vooral als ergens sprake is van verdroging zal grondwater voor de provincie een belangrijk onderwerp zijn;  Bij nieuwbouw ligt de bodem van de kruipruimte minimaal 0,2 m boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand.

38

Bestemmingsplan Buitengebied - Zuiderzeestraatweg 46

Grondwaterneutraal bouwen Voor de bouw van eventuele ondergrondse ruimten (kelders) moet de grondwaterstand gedurende de uitvoeringsperiode mogelijk worden verlaagd. De constructie van de kelder(s) moet zodanig waterdicht worden uitgevoerd dat na de bouw in de gebruiksfase geen (permanente) grondwaterstandverlaging nodig is. Tevens betekent dit ook, dat bij nieuwbouw het vloerpeil (bijvoorbeeld ophogen) of de bouwwijze (bijvoorbeeld kruipruimte loos) moet worden afgestemd op de grondwaterstand, zodat er geen permanente drainage nodig is. Om grondwateroverlast te voorkomen moet er een watertoets worden uitgevoerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Harderwijk&id=9c254237-c796-4aab-a32a-58bf455e7dc4