CConstaterende datHarderwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

f Integrale verordening Sociaal Domein Harderwijk.pdf

Commissie Samenleving 15 april 2021, gemeente HarderwijkBij agendapunt: 19.45 uur Integrale Verordening Sociaal Domein17.547 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

c. gelijk aan het tarief dat werd gebruikt in de Algemene wet bijzondere ziektekosten voor dienstverleners uit het sociaal netwerk. 6. Het pgb-tarief voor kortdurend verblijf is: a. 100 procent van het naturatarief voor dienstverleners die werken volgens vastgestelde kwaliteitsstandaarden. b. 75 procent van het naturatarief voor zelfstandige ondernemers dan wel andere juridische constructies die geacht kunnen worden niet of nauwelijks overheadkosten te maken. c. € 30,00 per etmaal voor dienstverleners uit het sociaal netwerk. 7. Voor eerste- en tweedegraads bloed- en aanverwanten geldt het tarief voor een persoon uit het sociaal netwerk, ook al is iemand een zelfstandige zonder personeel of werkzaam bij een erkende instelling, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om hiervan af te wijken. 8. Het pgb-tarief voor beschermd wonen is 80% van het geldende naturatarief. 9. Voor vervoer bij begeleiding groep is een opslag mogelijk voor de heen- en de terugreis zowel bij regulier vervoer als bij rolstoelgebruik. Deze opslag is gelijk aan het bedrag dat wordt betaald aan de natura-aanbieder. 10.

De belanghebbende aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk als deze persoon hiervoor een tarief hanteert dat niet hoger is dan het op grond van de leden 1 tot en met 7 gehanteerde tarief. Voor diensten dient de belanghebbende de bepalingen uit het Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag in acht te nemen 11. Het pgb voor de verhuis- en herinrichtingkostenvergoeding bedraagt € 2.500,-, welk bedrag niet vaker dan eens per zeven jaar kan worden verstrekt. 12. Aan de belanghebbende die op verzoek van het college een aangepaste – rolstoelgeschikte – woning verlaat, kan een, in beginsel kostendekkend maar op € 10.000,- gemaximeerd, pgb worden verstrekt. 13. Een pgb voor woningsanering, die noodzakelijk is in verband met een longaandoening zoals cara en/of allergische aandoeningen, en rolstoelvast tapijt is slechts eenmalig en vindt plaats aan de hand van de volgende maximale vergoedingsbedragen: a. vloerbedekking per strekkende meter (4 meter breed) € 56,b. gordijn woonkamer per vierkante meter raamoppervlakte € 30,c. gordijn slaapkamer per vierkante meter raamoppervlakte € 22,50. 14. Bij vervanging van aanwezige vloerbedekking en/of gordijnen gelden de volgende vergoedingspercentages: Ouderdom te vervangen artikel

Te vergoeden percentage

0 tot 2 jaar

100%

2 tot 4 jaar

75%

4 tot 6 jaar

50%

6 tot 8 jaar

25%

Ouder dan 8 jaar

0%

15. De hoogte van het pgb voor tijdelijke huisvesting wordt voor maximaal zes maanden verstrekt en bedraagt de werkelijke kosten van de kale huur tot een maximum van: a. € 650,- per maand voor zover het gaat om een zelfstandige woonruimte; b. € 350,- per maand voor zover het gaat om een niet zelfstandige woonruimte. 16. Het college kan een pgb voor het vrijhouden van een woning/huurderving toekennen aan een woningbouwcorporatie of andere verhuurder voor de werkelijke kosten tot een maximum van € 650,- per maand. 17. Het pgb voor gebruik van vervoer bedraagt:

a. voor een auto € 0,19 per kilometer tot een maximum van 2.000 kilometer per jaar; b. voor een rolstoelbus € 0,32 per kilometer tot een maximum van 2.000 kilometer per jaar; c. voor een taxi € 0,50 per kilometer tot een maximum van 2.000 kilometer per jaar; d. voor een rolstoeltaxi € 0,84 per kilometer tot een maximum van 2.000 kilometer per jaar. 18. Het pgb voor een autoaanpassing wordt vastgesteld op basis van een offerte waarbij de goedkoopst passende voorziening in acht wordt genomen of tot een maximum van € 2.500,-. Dit pgb wordt niet vaker dan eens per zeven jaar verstrekt. 19. Het pgb voor sportvoorzieningen en -hulpmiddelen bedraagt voor de aanschaf en (eventueel) onderhoud maximaal € 2.500,-. Dit pgb wordt niet vaker dan eens per drie jaar verstrekt. artikel 3.15 Specifiek beschermd wonen en opvang Voor ‘college’ dient in deze paragraaf ten aanzien van beschermd wonen en opvang steeds gelezen te worden ‘de desbetreffende instantie’. paragraaf 3.5 Bijdrage in de kosten artikel 3.16 Maatwerkvoorziening 1. Een belanghebbende is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel een pgb, zolang deze van de maatwerkvoorziening of pgb gebruikmaakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2.

De bijdrage in de kosten wordt in alle gevallen bepaald op de maxima die de Wmo 2015 en het Uitvoeringsbesluit stellen, tenzij in deze paragraaf anders wordt bepaald. 3. Een bijdrage in de kosten is niet verschuldigd: a. in de situaties genoemd in artikel 3.8 lid 3 Uitvoeringsbesluit; b. als de maatwerkvoorziening gerealiseerd wordt in een woongebouw waarvan de woning van de belanghebbende onderdeel uitmaakt, en voor zover de voorziening betrekking heeft op het toe- en/of doorgankelijk maken van het woongebouw; c. voor de maatwerkvoorzieningen waakvlam begeleiding en groepsbegeleiding arbeidsmatig. d. voor de pgb’s, zoals genoemd in artikel 3.14 leden 11 tot en met 18; e. voor woningaanpassing ten behoeve van minderjarigen. 4. De belanghebbende is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor het gebruik van collectief vervoer. De eigen bijdrage in de kosten is maximaal de kosten die de belanghebbende gemaakt zou hebben in het openbaar vervoer. De bijdrage per rit bestaat uit een opstaptarief en een kilometertarief voor de reisafstand tot 25 km. 5. De bijdrage in de kosten voor opvang wordt vastgesteld en geïnd door het Centraal administratiekantoor (CAK). artikel 3.17 Algemene voorzieningen 1. De belanghebbende is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor het gebruik van de algemene voorziening was- en strijkservice. 2.

De hoogte van de bijdrage in de kosten is gelijk aan de desbetreffende bedragen uit de vigerende Nibud-normen. artikel 3.18 Kostprijs De kostprijs van een: a. maatwerkvoorziening is gelijk aan het bedrag dat de maatwerkvoorziening het college kost; b. pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. paragraaf 3.6 Kwaliteit en veiligheid artikel 3.19 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, door:

2.

3.

a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de belanghebbende; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; d. voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken De eisen als bedoeld in het eerste lid zijn in ieder geval zodanig dat: a. de dienstverlening veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verstrekt; b. de dienstverlening tijdig en conform afspraak wordt verstrekt; c. de dienstverlening is afgestemd op de reële behoefte van de belanghebbende en op andere vormen van zorg of hulp die de belanghebbende ontvangt; d. de dienstverlening verstrekt wordt met respect voor en inachtneming van de rechten van de belanghebbende; e. de rechtspersoon en/of de natuurlijke persoon, die de ondersteuning verleent, ingeschreven staat in het beroeps- en of handelsregister of een vergelijkbaar register; f.

de rechtspersoon en/of de natuurlijke persoon, die de ondersteuning verleent, beschikt over een volledig geïntegreerd kwaliteitssysteem, welke voldoet aan de landelijk eisen, blijkend uit een ISO-certificering of een daarmee vergelijkbaar kwaliteitssysteem; g. de rechtspersoon en/of de natuurlijke persoon, die de ondersteuning verleent, beschikt over een vastgestelde klachtenregeling; h. de rechtspersoon en/of de natuurlijke persoon, die de ondersteuning verleent, de medezeggenschap van cliënten heeft georganiseerd, zoals beschreven in de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen; i. de rechtspersoon en/of de natuurlijke persoon een actieve signaleringsplicht heeft ten aanzien van veranderingen in de gezondheid (fysiek en psychisch), de sociale situatie en de behoefte van de belanghebbende aan meer of andere zorg; j. de rechtspersoon en/of de natuurlijke persoon, die de ondersteuning verleent, beschikt over kwalitatief verantwoorde kennis en kunde, passend bij de behoefte en persoonskenmerken van de belanghebbende; k. de rechtspersoon zorg draagt voor scholing zodanig dat de medewerkers over kwalitatief verantwoorde kennis en kunde kunnen (blijven) beschikken; l.

personen die beroepsmatig dan wel vanuit een professioneel georganiseerde situatie in contact kunnen komen met cliënten, een verklaring omtrent het gedrag (VOG) bezitten die niet eerder is afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de aanbieder ging werken; m. de rechtspersoon en/of de natuurlijke persoon, die de ondersteuning verleent, draagt zorg voor het naleven van beroeps- en meldcodes; n. de rechtspersoon en/of de natuurlijke persoon, die de ondersteuning verleent, werkt met inachtneming van protocollen en richtlijnen opgesteld door de eigen beroepsgroep; o. elke medewerker de Nederlandse taal spreekt en schrijft. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zonodig in overleg met de belanghebbende ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

artikel 3.20 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten;

2.

d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; e. kosten voor bijscholing van het personeel; f. de kosten van de beroepskracht, waaronder de loonkosten en overige kosten voortvloeiend uit de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, de kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid en de overige kosten van wettelijke verplichtingen verbonden aan het leveren van een dienst. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met: a. de marktprijs van de voorziening, en b. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals: 1°. aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; 2°. instructie over het gebruik van de voorziening; 3°. onderhoud van de voorziening, en 4°. verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden.

artikel 3.21 Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 Wmo 2015, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4. Het college kan bij nadere regels bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. paragraaf 3.7 Herziening, intrekking, terugvordering en controle artikel 3.22 1.

2.

3.

4.

Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015. Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik. Onverminderd artikel 2.3.8 Wmo 2015 doet een belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 Wmo 2015. Onverminderd artikel 2.3.10 Wmo 2015 kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 Wmo 2015 herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de belanghebbende niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d. de belanghebbende niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of e.

de belanghebbende de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

5.

6.

Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de belanghebbende opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de belanghebbende en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb. Als het recht op een in eigendom, of een in bruikleen of in pgb verstrekte voorziening is ingetrokken, kan de restant geldwaarde van deze voorziening worden teruggevorderd.

artikel 3.23 Opschorting betaling uit het pgb Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een belanghebbende een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, Wmo 2015. artikel 3.24

Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. artikel 3.25 Terugbetaling woningaanpassing bij verkoop Wanneer een woning binnen 10 jaar na gereedmelding van de woningaanpassing wordt verkocht, is de eigenaar van de woning gehouden om het college hiervan schriftelijk op de hoogte te stellen. De kosten van de aangebrachte aanpassingen en/of woonvoorzieningen dienen te worden terugbetaald volgens onderstaand afschrijvingsschema, tenzij de verkoop van de woning redelijkerwijs niet te voorkomen was: a. voor het eerste jaar 100% van de kosten; b. voor het tweede jaar 90% van de kosten; c. voor het derde jaar 80% van de kosten; d. voor het vierde jaar 70% van de kosten; e. voor het vijfde jaar 60% van de kosten; f. voor het zesde jaar 50% van de kosten; g. voor het zevende jaar 40% van de kosten; h. voor het achtste jaar 30% van de kosten; i. voor het negende jaar 20% van de kosten; j. voor het tiende jaar 10% van de kosten. paragraaf 3.8 Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten artikel 3.26 Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1.

Mantelzorgers van belanghebbenden in de gemeente kunnen door middel van een melding bij het college of een door hen aan te wijzen instantie voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking worden gebracht. 2. Het college bepaalt bij nadere regels waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van belanghebbenden in de gemeente bestaat. artikel 3.27

Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen Het college kan bij nadere regels ter uitwerking van het bepaalde in art. 2.1.7 Wmo 2015 bepalen aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen, die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming te verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.

paragraaf 3.9 Klachten, medezeggenschap en inspraak artikel 3.28 Klachtregeling 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. artikel 3.29 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle door de aanbieder aangeboden voorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. artikel 3.30 Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2.

Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.

Hoofdstuk 4 Jeugdwet paragraaf 4.1 Begripsbepalingen artikel 4.1 Begripsbepalingen 1. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand diepgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders; b. andere voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de Jeugdwet; c. basisvoorziening: voorziening die gezien kan worden als een reguliere maatschappelijke voorziening binnen de gemeente, zoals: huisartsen, jongerenwerk, religieuze organisaties, onderwijs, kinderopvang, politie of verenigingen; d. budgetplan: het verplicht door of namens de belanghebbende in te dienen plan dat de voorgenomen besteding van een aan te vragen persoonsgebonden budget beschrijft; e. gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders; f.

maatwerkvoorziening: een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden individuele jeugdhulpvoorziening die door of namens het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt op basis van een beschikking, een verwijzing huisarts, medisch specialist of jeugdarts, of van een functionaris in het justitieel kader als bedoeld in de Jeugdwet; g. ondersteuningsplan: plan waarin de doelen en gewenste resultaten staan beschreven en dat als leidraad kan dienen voor de in te zetten ondersteuning; h. pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 Jeugdwet; i. sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de jeugdige of zijn ouders een sociale relatie onderhoudt, waaronder familieleden die niet in hetzelfde huis wonen, buren, vrienden en kennissen; j. toegangsteam: de beoordelende medewerker of medewerkers van onderscheidenlijk het Centrum voor Jeugd en Gezin in de gemeenten Ermelo en Harderwijk enerzijds en het met de uitvoering van de Jeugdwet belaste onderdeel van Meerinzicht voor de gemeente Zeewolde anderzijds. 2. Alle begrippen die in dit hoofdstuk worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene verordening gegevensbescherming.

paragraaf 4.2 Algemene voorzieningen artikel 4.2 Toegang algemene voorziening Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder toegangsbeoordeling of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling. artikel 4.3 Beschikbare algemene voorzieningen De volgende algemene voorzieningen zijn beschikbaar: a. Informatie- en (opvoed)advies; b. Voorlichting, cursussen en trainingen; c. Jeugdgezondheidszorg (JGZ); d. Jongeren coaching en participatiebevordering (Jeugd en jongerenwerk); e. Ambulante ondersteuning en jeugdhulp door basisvoorzieningen.

paragraaf 4.3 Maatwerkvoorzieningen artikel 4.4 Beschikbare maatwerkvoorzieningen De volgende niet-limitatief opgesomde maatwerkvoorzieningen zijn in de vorm van een naturavoorziening beschikbaar: • Ambulante Specialistisch GGZ-behandeling (thuis en op locatie van aanbieder); • Ambulante opvoedhulp (thuis en op locatie van aanbieder); • Ambulante begeleiding van verstandelijk/lichamelijk beperkte jeugd (thuis en op locatie van aanbieder); • Ambulante basis GGZ (thuis en op locatie van aanbieder); • Dyslexie-Jeugdhulp; • Pleegzorg; • Gezinshuizen/mentorhuizen; • Overige verblijfvormen (inclusief bovenregionale), inclusief begeleiding en behandeling; • Jeugdbescherming en -reclassering. paragraaf 4.4 Toegang procedureel artikel 4.5 Aanvraag 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door of namens een jeugdige of ouder schriftelijk worden ingediend bij het college; 2. Als een maatwerkvoorziening in natura volgens de jeugdige of zijn ouders niet passend is, kan een aanvraag gedaan worden voor een persoonsgebonden budget. Daarbij geven de jeugdige of zijn ouders in een budgetplan in ieder geval aan: a. wat de voorgenomen uitvoering van de maatwerkvoorziening is, inclusief uitvoerder en kosten; b. wat de kwalificaties van de uitvoerder zijn, en; c.

waarom het aanbod van de door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder niet passend is naar het oordeel van de jeugdige of zijn ouders. 3. Indien jeugdhulp wordt ingezet na verwijzing als bedoeld in artikel 4.7 lid 3 of in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering is het bepaalde in het vorige lid van overeenkomstige toepassing. 4. Als de jeugdhulp betrekking heeft op een ander dan de aanvrager, behoeft de aanvraag de instemming van de jeugdige of zijn ouders waarop de aanvraag betrekking heeft. 5. Heeft de aanvraag betrekking op een minderjarige: a. die jonger is dan 12 jaren, of; b. die ouder is dan 12 jaren en niet in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, dan is niet de instemming van de minderjarige vereist, maar van diens wettelijke vertegenwoordiger. 6. Heeft de aanvraag betrekking op een minderjarige die de leeftijd van 12 maar nog niet die van 16 jaren heeft bereikt, dan behoeft de aanvraag de instemming van zowel de minderjarige als de wettelijke vertegenwoordiger, mits de minderjarige in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.

Weigert de wettelijke vertegenwoordiger in te stemmen met de aanvraag, dan zal het college de aanvraag toch in behandeling nemen als de jeugdhulp voor de minderjarige kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de minderjarige te voorkomen, alsmede indien de minderjarige ook na de weigering van de toestemming de jeugdhulp weloverwogen blijft wensen. 7. Heeft de aanvraag betrekking op een jeugdige met de leeftijd van 16 of 17 jaar, dan behoeft de aanvraag géén instemming van de wettelijk vertegenwoordiger, mits de jeugdige in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.

8.

Degenen die een aanvraag indienen voor een maatwerkvoorziening, verstrekt het college in ieder geval een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

artikel 4.6 Onderzoek 1. Het college onderzoekt, mede op basis van een gesprek met de jeugdige of zijn ouders, zo spoedig mogelijk de hulpvraag, hierbij wordt rekening gehouden met: a. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige of zijn ouders en het probleem of de hulpvraag; b. het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp; c. de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; d. de mogelijkheden om de hulpvraag te beantwoorden door het inzetten van een algemene voorziening; e. de mogelijkheden om een maatwerkvoorziening te verstrekken; f. de mogelijkheden om de hulpvraag te beantwoorden met gebruikelijke hulp. g. de wijze waarop een mogelijk toe te kennen maatwerkvoorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; h. de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders. i. de hulp welke hulp geboden kan worden vanuit ouders en/of het sociale netwerk. 2. Het college dient na onderzoek vast te stellen of er sprake is van opgroei- en/of opvoedingsproblemen en welke problemen en/of stoornissen dit zijn. 3.

Het college dient na vaststelling van eventuele opgroei- en/of opvoedingsproblemen te bepalen welke hulp naar aard en omvang noodzakelijk is voor de jeugdige of het gezin. 4. Het college kan, met toestemming van de jeugdige en/of ouders, informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts of het onderwijs, en hiermee in gesprek gaan over de meest aangewezen jeugdhulp. 5. Wanneer een maatwerkvoorziening aangewezen is, wordt de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn. 6. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van en de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd. artikel 4.7 Toegang en besluit 1. Het college neemt het besluit als bedoeld in het eerste lid op grond van de aanvraag als bedoeld in artikel 4.5 en het onderzoek als bedoeld in artikel 4.6. 2. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen 72 uur een passende voorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, doch in ieder geval binnen twee weken na de start van de hulp, vast in een beschikking. 3.

Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. Het college legt de te verlenen maatwerkvoorziening vast in een beschikking. 4. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Tevens draagt het college zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI) of de selectiefunctionaris van de JJI nodig acht bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing. Hiervoor verleent het college geen beschikking.

artikel 4.8 Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: a. welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. bij duurvoorzieningen, wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. de termijn waarna de beschikking wordt ingetrokken; zoals vermeld onder artikel 4.14 lid 4; d. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; e. welke rechtsmiddelen tegen de beschikking kunnen worden aangewend. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking in ieder geval: a. voor welk resultaat het pgb moet worden besteed; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. bij duurvoorzieningen, wat de ingangsdatum en de beoogde duur zijn van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; e. de termijn waarna de beschikking wordt ingetrokken, zoals vermeld onder artikel 4.14 lid 4; f. de voorwaarden voor uitbetaling van het pgb en de wijze van uitbetaling van het pgb en g. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. h.

welke rechtsmiddelen tegen de beschikking kunnen worden aangewend. 4. Bij het besluit wordt aan de belanghebbende informatie verstrekt over de rechten en de plichten van de jeugdige en zijn ouders op grond van de Jeugdwet, de verordening en de nadere regels. 5. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van de beschikking. paragraaf 4.5 Beoordeling artikel 4.9 Criteria maatwerkvoorzieningen Jeugdigen of ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor zover: a. zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, waaronder in ieder wordt verstaan gebruikelijke hulp en hulp van andere personen uit het sociale netwerk; b. zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag door gebruik te maken van een algemene voorziening, of; c. zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag door gebruik te maken van een andere voorziening. paragraaf 4.6 Beoordeling persoonsgebonden budget artikel 4.10 Voorwaarden pgb 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 Jeugdwet. 2. De jeugdige of ouders kunnen alleen voor een pgb in aanmerking komen, indien zij een volledig ingevuld persoonlijk budgetplan hebben overgelegd. 3.

De jeugdige of ouders aan wie een pgb wordt toegekend, dient ervoor te zorgen dat de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de ondersteuning moet gaan bieden voldoet aan de in artikel 4.23 opgenomen kwaliteitseisen. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 8.1.1 leden 2 en 4 Jeugdwet verstrekt het college geen pgb, voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte jeugdhulp noodzakelijk was.

5.

6.

7.

8.

De jeugdige of diens ouders worden geacht voldoende in staat te zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen als bedoeld in artikel 8.1.1 lid 2 onder a Jeugdwet, als zij zelfstandig of met behulp van zijn netwerk, dan wel curator, bewindvoerder of gemachtigde: a. duidelijk kunnen maken welke problemen worden ervaren en bij welke ondersteuning zij gebaat zouden zijn; b. de taken, die aan het pgb zijn verbonden, op verantwoorde wijze kunnen uitvoeren. Indien de taken, bedoeld in artikel 8.1.1 lid 2 onder a Jeugdwet, niet door de budgethouder zelf worden uitgevoerd, dan mag de daarvoor ingeschakelde persoon niet tevens de jeugdhulpverlener van de jeugdige zijn. Het college kan een pgb weigeren: a. indien aan de jeugdige of zijn ouders in de afgelopen drie jaren, voorafgaand aan de datum van het gesprek, een persoonsgebonden budget is verleend en waarbij door de jeugdige of zijn ouders niet is voldaan aan de voorwaarden van het persoonsgebonden budget; b. voor zover dit is bedoeld voor begeleidings- of administratiekosten in verband met het persoonsgebonden budget Een pgb voor ondersteuning vanuit het sociale netwerk wordt alleen verstrekt voor zover: a. de geboden hulp passend, adequaat en veilig is; b.

de personen uit het sociale netwerk die de hulp gaan verlenen, zich voldoende op de hoogte hebben gesteld van de verantwoordelijkheden die aan het bieden van jeugdhulp verbonden zijn; c. er bij de personen uit het sociale netwerk die de hulp gaan bieden geen sprake is van overbelasting of dreiging daarvan; d. de in te zetten jeugdhulp geen ggz-behandeling betreft; e. de persoon uit het sociale netwerk geen handelingen verricht die op grond van de norm van verantwoorde werktoedeling aan een geregistreerde professional zijn voorbehouden; f. de in te zetten jeugdhulp geen ggz-behandeling betreft; g. de persoon uit het sociaal netwerk op basis van opleiding en/of ervaring in staat moet zijn de in de individuele situatie vereiste dienstverlening te realiseren; h. de persoon uit het sociaal netwerk beschikt over een actuele verklaring omtrent het gedrag, tenzij de persoon een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad is.

artikel 4.11 Van het pgb uitgesloten kosten De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb: a. kosten voor begeleiding en bemiddeling; b. kosten voor coördinatie; c. kosten voor crisishulp/crisisopvang; d. kosten voor een vrij besteedbaar bedrag en vrijwilligersvergoeding; e. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; f. kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering; g. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; h. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb. artikel 4.12 Onderscheid formele en informele jeugdhulp 1. Van formele jeugdhulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de eerste of tweede graad van de budgethouder: a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de op basis van het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; b. personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel en die ten aanzien van de op basis van het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het

2.

3.

Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; c. personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp, mits deze inschrijving correspondeert met de jeugdhulp in kwestie. Indien de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp, ongeacht het al dan niet tevens hebben van de hoedanigheid van verlener van professionele jeugdhulp. Indien de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 1 onder a, b of c, is sprake van informele hulp.

artikel 4.13 De hoogte van het pgb 1. De hoogte van het pgb voor formele hulp bedraagt 75% van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura, mits dit toereikend is. 2. De hoogte van het pgb voor formele hulp als bedoeld in het vorige lid wordt in afwijking van het daar bepaalde gemaximeerd op het bedrag dat kan worden afgeleid uit het door de jeugdige en/of zijn ouders ingediende budgetplan, voor zover dit lager zou zijn. 3. Het pgb-tarief voor begeleiding door informele hulp wordt vastgesteld op het bedrag dat in die situatie gehanteerd wordt bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg. 4. Het pgb-tarief voor kortdurend verblijf door informele hulp bedraagt € 30,00 per etmaal met een maximum van € 130,00 per kalendermaand. 5. Het maximale tarief voor een vervoersvoorziening wordt als volgt bepaald: a. indien de jeugdige per auto wordt vervoerd, € 0,19 per kilometer; b. indien de jeugdige per (rolstoel)taxi wordt vervoerd, wordt voor de maximale tarieven voor taxivervoer uitgegaan van de tarieven genoemd op de website www.kilometerafstanden.nl. paragraaf 4.7 Herziening, intrekking, terugvordering en controle artikel 4.14 Herziening, intrekking en terugvordering 1.

Degene aan wie krachtens deze verordening een maatwerkvoorziening is verstrekt, is verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening. 2. Onverminderd artikel 8.1.4 Jeugdwet kan het college een besluit, genomen op grond van deze verordening, herzien, intrekken of beëindigen als het college vaststelt dat: a. de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de jeugdige of zijn ouders niet langer op de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen; c. de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer toereikend is te achten; d. de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening of het pgb, of e. de jeugdige of zijn ouders de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd. 3. Als het college een besluit op grond van lid 2 onder a, heeft herzien of ingetrokken kan het college de geldswaarde vorderen van het teveel of ten onrechte genoten pgb. 4.

Een besluit tot verlening van een persoonsgebonden budget kan, nadat de reden is nagegaan, worden ingetrokken als blijkt dat het budget binnen drie maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

artikel 4.15 Controle 1. Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt dan wel besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn. 2. Het college kan nadere regels stellen in het kader van de Jeugdwet omtrent bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening, alsmede misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet. paragraaf 4.8 Afstemming met andere voorzieningen artikel 4.16 Gezondheidszorg 1. Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2.6 eerste lid, onderdeel g Jeugdwet en artikel 4.7 lid 3, plaatsvindt. 2. Het college maakt afspraken met de zorgverzekeraars en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) over hoe de continuïteit van jeugdhulp/zorg te garanderen voor jeugdigen die in behandeling zijn en de leeftijd van 18 jaar bereiken en daarmee onder de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg komen te vallen, en hoe te voorkomen dat jeugdigen tussen wal en schip vallen wanneer er discussie is over het wettelijke kader. 3. Het college draagt ervoor zorg dat de jeugdige en/of zijn ouders ondersteund worden richting het CIZ, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg.

artikel 4.17 Gecertificeerde instellingen 1. Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over de aansluiting tussen de algemene voorzieningen als bedoeld in paragraaf 4.2 en de gecertificeerde instellingen. 2. Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over: a. het overleg over de aangewezen jeugdhulp in het kader van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, zoals bedoeld in artikel 3.5 lid 1 Jeugdwet, b. het overleg over de eventueel gewenste jeugdhulp na beëindiging van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, c. de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp van de gecertificeerde instelling en hoe het college daarvan op de hoogte gesteld wordt, d. wanneer en onder welke voorwaarden de gecertificeerde instelling budgethouder van een persoonsgebonden budget kan zijn namens de jeugdige en zijn ouders, e. hoe te handelen wanneer de gecertificeerde instelling meent dat niet gecontracteerde jeugdhulp ingezet dient te worden. 3. Het college en de gecertificeerde instelling leggen de afspraken als bedoeld in het tweede lid vast in een protocol als bedoeld in artikel 3.5 lid 3 lid Jeugdwet. artikel 4.18 Justitiedomein 1.

Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en Justitiële Jeugdinrichtingen over het overleg over de inzet van jeugdhulp bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing en jeugdreclassering als bedoeld in artikel 2.4 lid 2 onderdeel b Jeugdwet. 2. Het college en de betrokken instellingen nemen de afspraken zoals bedoeld in het eerste lid op in het protocol zoals bedoeld in artikel 4.17 lid 3 en het protocol bedoeld in artikel 3.1 lid 5 Jeugdwet.

artikel 4.19 Voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht 1. Het college zorgt ervoor dat alle locaties voor kinderopvang, primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs een contactpersoon hebben bij het toegangsteam van de gemeente. 2. Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de in lid 1 genoemde contactpersonen en de leerplichtambtenaren. 3. Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen, onderwijszorg en leerplichtzaken worden vastgelegd in het ondersteuningsplan van de jeugdige en/of zijn ouders. artikel 4.20 Veilig Thuis Het college maakt afspraken met Veilig Thuis over de toegang naar algemene en maatwerkvoorzieningen. artikel 4.21 Wmo 2015‐voorzieningen 1. Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van dit hoofdstuk en voorzieningen voor jeugdigen op grond van de Wmo 2015. 2. Het college draagt zorg voor een goede afstemming van de voorzieningen voor jeugdigen op grond van dit hoofdstuk en voorzieningen voor volwassenen, zijnde ouders, op grond van de Wmo 2015. 3. Het college draagt zorg voor de continuïteit van jeugdhulp/maatschappelijke ondersteuning onder zijn verantwoordelijkheid wanneer de jeugdige de leeftijd van 18 jaar bereikt.

artikel 4.22 Voorzieningen werk en inkomen Het college draagt ervoor zorg dat het toegangsteam, jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren en waar nodig jeugdigen en hun ouders helpen de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen – zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, reintegratievoorzieningen, armoedevoorzieningen – te krijgen om deze belemmeringen weg te nemen, voor zover de jeugdige of zijn ouders daaraan hun medewerking wensen te verlenen. paragraaf 4.9 Kwaliteit artikel 4.23 Kwaliteitscriteria 1. De aanbieder houdt zich aan de norm van verantwoorde hulp, waaronder de verplichting om geregistreerde professionals in de zetten. Medewerkers zijn zodanig ervaren en/of gekwalificeerd dat zij jeugdigen en/of hun (pleeg)ouders kunnen begeleiden en ondersteunen, ook bij specifieke en complexe problematiek. 2. De aanbieder sluit aan bij de visie, uitgangspunten en werkwijze van de gemeente, zoals geformuleerd in het jeugdbeleid, de verordening en de nadere regels. 3. De aanbieder draagt zorg voor systematische kwaliteitsbewaking. 4. De aanbieder beschikt voor al haar rechtstreeks bij de jeugdhulp betrokken medewerkers over een actuele Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). 5. De aanbieder: a.

draagt er zorg voor dat haar medewerkers werken volgens de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en bevordert de kennis over en het gebruik van de meldcode door het personeel; b. draagt er zorg voor dat haar HBO-personeel is geregistreerd als jeugdhulpprofessional of een aantoonbare aanvraag heeft ingediend om als jeugdhulpprofessional geregistreerd te worden en dat MBO-personeel altijd onder verantwoordelijkheid van een HBO-geschoolde en geregistreerde medewerker werkt; c. stelt een onafhankelijke vertrouwenspersoon aan en geeft de vertrouwenspersoon voldoende gelegenheid zijn taak uit te voeren;

6. 7. 8. 9.

d. werkt mee aan inspecties en controles en geeft opvolging aan aanbevelingen die hieruit naar voren komen; e. heeft kennis van en handelt naar de uitgangspunten van de nota van de commissie Rouvoet: “Kwaliteitskader voorkomen seksueel misbruik in de jeugd org”. De aanbieder informeert het college over de aard en de inhoud van elke melding aan de inspectie op grond van artikel 4.1.8 Jeugdwet. De (verblijfs-)locaties van de aanbieder voldoen aan alle wettelijke (veiligheids)eisen. De aanbieder registreert zijn betrokkenheid bij een gezin/jeugdige in Esar (Verwijsindex Risicojongeren voor Flevoland). Professionals die niet in dienst zijn bij een jeugdhulpaanbieder moeten voldoen aan de volgende criteria: a. De hulpverlener moet ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel. b. De hulpverlener moet, voor zover de aard van de dienstverlening dit vereist, beschikken over een SKJ-registratie. c. De hulpverlener beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag van maximaal een jaar oud.

artikel 4.24

Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; e. kosten voor bijscholing van het personeel. paragraaf 4.10 Klachten en medezeggenschap artikel 4.25 Klachtregeling Het college behandelt klachten van de jeugdige of zijn ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in dit hoofdstuk overeenkomstig de klachtenregeling van het college. artikel 4.26 Inspraak en medezeggenschap 1. Het college betrekt de ingezetenen van de gemeenten bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2.

Het college stelt de jeugdige of zijn ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hun van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

paragraaf 4.11 Slotbepalingen artikel 4.27 Evaluatie Het door het college gevoerde beleid wordt eens per twee jaar geëvalueerd. artikel 4.28 Toezichthouder Het college kan een toezichthouder aanwijzen die namens het college toezicht houdt op de kwaliteit en rechtmatigheid van de jeugdhulp.

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen artikel 5.1 Hardheids- en restclausule 1. In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. 2. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien strikte toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. artikel 5.2 Inwerkingtreding en overgangsrecht 1. Deze verordening treedt in werking op 1 juni 2021. 2. Per gelijke datum worden de volgende verordeningen ingetrokken:  Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Ermelo  Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Harderwijk  Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Zeewolde  Verordening individuele inkomenstoeslag 2017 gemeente Ermelo  Verordening individuele inkomenstoeslag 2017 gemeente Harderwijk  Verordening individuele inkomenstoeslag 2017 gemeente Zeewolde  Wijzigingsverordening individuele inkomenstoeslag (aanpassing bedragen)  Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 Ermelo  Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 Harderwijk  Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 Zeewolde  Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Ermelo  Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Harderwijk  Re-integratieverordening Participatiewet gemeente

Zeewolde  Wijzigingsverordening Participatiewet gemeente Harderwijk/Ermelo/Zeewolde 2017  Verordening loonkostensubsidie Participatiewet 2015 gemeente Ermelo  Verordening loonkostensubsidie Participatiewet 2015 gemeente Harderwijk  Verordening loonkostensubsidie Participatiewet 2015 gemeente Zeewolde  Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Ermelo/Harderwijk/Zeewolde 2015  Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Ermelo 2018  Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Harderwijk 2018  Verordening Jeugdhulp gemeente Ermelo 2018  Verordening jeugdhulp gemeente Harderwijk 2018  Verordening Jeugdhulp Zeewolde 2015 3. Aanvragen en bezwaarschriften die zijn ingediend onder oud recht worden afgehandeld naar het recht dat is neergelegd in, dan wel opgesteld krachtens, deze verordening. artikel 5.3 Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als Integrale verordening sociaal domein gemeenten Ermelo, Harderwijk en Zeewolde. Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Harderwijk in zijn openbare vergadering van (datum),

de heer H.J. van Schaik voorzitter

de heer H.R. Lanning raadsgriffier

Bijlage bij artikel 2.18 - wijze waarop loonwaarde wordt vastgesteld Voor de bepaling van de loonwaarde maakt het college gebruik van een methodiek die voldoet aan de eisen die worden gesteld in de algemene maatregel van bestuur (Besluit Loonkostensubsidie) en ook aan de eisen van de ministeriële regeling. In dit Besluit wordt geregeld wanneer iemand nog mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft ten behoeve van de vaststelling van de doelgroep loonkostensubsidie. Daarnaast worden in het besluit uitgangspunten benoemd die landelijk moeten gelden in verband met een zorgvuldige loonwaardebepaling. Ook bevat dit besluit mede de basis voor een ministeriële regeling met nadere eisen waaraan methodes voor loonwaardebepaling moeten voldoen. Zodra in het regionaal Werkbedrijf afspraken tot stand zijn gekomen over minimumeisen, treden deze, na akkoord van het Ministerie voor de betreffende regio in de plaats van de eisen die in de ministeriële regeling zijn geformuleerd. In het Beslisdocument Regionaal Werkbedrijf Stedenvierkant, “Sociaal akkoord regio Stedenvierkant: samen werken aan meer werk!”, is over de loonwaardemeting het volgende opgenomen: 1.

Uitgelicht: de loonwaardemeting

1.1 Eén uniforme methode voor loonwaardemeting in de arbeidsmarktregio Een van de uitgangspunten voor de plaatsing van mensen met een arbeidsbeperking is dat de werkgever loon betaalt voor het feitelijke werk dat iemand kan verrichten; we spreken hierbij van de loonwaarde die iemand heeft. Onderdeel van een matchingsarrangement kan zijn dat de werkgever een loonkostensubsidie krijgt om de loonwaarde van de werknemer aan te vullen tot 100% van het Wettelijk Minimumloon (WML). Het is daarom van belang om een goede onderbouwing te geven van de aan te houden loonwaarde. Daartoe wordt in de Pw het instrument loonwaardemeting geïntroduceerd. De loonwaarde wordt in ieder geval vastgesteld voor iedereen die bij een fulltime dienstverband niet in staat is om 100% van het wettelijk minimumloon te genereren. We kiezen voor de methode van loonwaardebepaling van Dariuz. Op basis van offertevergelijking is een commissie, bestaande uit vertegenwoordigers van werkgevers, werknemers en gemeenten, tot deze keuze gekomen. De loonwaardemethodiek Dariuz is gevalideerd en neemt in ieder geval de aspecten tempo, kwaliteit, inzetbaarheid en ontwikkelingsmogelijkheden mee.

Met de keuze voor Dariuz als methode voor loonwaardebepaling in de arbeidsmarktregio wordt voldaan aan de - door de regionale werkkamer vastgestelde - criteria voor een uniform instrumentarium:  De meest efficiënte toepassing, waarbij de meting transparant en laagdrempelig uitgevoerd moet kunnen worden;  De minste belasting voor de werkgever, In ieder geval zal bij één werkgever altijd eenzelfde systeem moeten worden gebruikt.  Omstandigheden als benodigde begeleiding en de psychische en fysieke gesteldheid van desbetreffend persoon worden meegewogen. Ook wordt gekeken naar het ontwikkelingspotentieel van de betreffende medewerker.  De beste prijs;  De reeds opgedane ervaring met een van de op dit moment gevalideerde loonwaardesystemen;  De uitvoering door een daartoe (passend bij de methodiek) gekwalificeerde en onafhankelijke professional. 1.2 Loonwaardemeting altijd op werkplek De loonwaardemeting wordt altijd op de werkplek en in samenspraak met werkgevers afgenomen. Het instrument moet daarom efficiënt kunnen worden toegepast, met zo min mogelijk belasting voor de werkgever en tegen een zo gunstig mogelijke prijs. Voor de wettelijk verplichte jaarlijkse herhaal-

loonwaardemeting passen we maatwerk toe voor wat betreft de vorm waarin dit plaatsvindt. Soms is een kort contactmoment met werkgever en werknemer voldoende om hernieuwd de loonwaarde vast te stellen, in andere gevallen kan een nieuwe meting noodzakelijk zijn. 1.3 Faciliteiten samenhangend met de loonwaardemeting Het instrument loonwaardemeting en de inzet van loonkostensubsidie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Werken met loonkostensubsidie gebaseerd op de loonwaarde is vooral overtuigend wanneer het wordt aangeboden in combinatie met aanvullende instrumenten. Om de inzet van een loonkostensubsidie zo optimaal mogelijk te benutten, formuleren we in de regio Stedenvierkant de doelgroep voor de loonkostensubsidie ruim. Op die manier wordt de regeling toegankelijk voor een grote groep mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt en kan het hen ondersteunen om deel te nemen aan de arbeidsmarkt. Voor een goede inzet van de loonkostensubsidie is het belangrijk om direct bij het begin van de plaatsing heldere afspraken te maken over de manier waarop de loonkostensubsidie wordt ingezet. De plaatsing kan bestaan uit een proef-plaatsing en een voorlopig subsidie-advies, gevolgd door een definitieve plaatsing.

Daarbij kunnen verschillende faciliteiten ter ondersteuning worden ingezet, zoals extra ondersteuning of begeleiding bij aanvang van het werk, bijstelling van de loonwaardemeting na de proefperiode, werkplekaanpassingen en een eventuele no-riskpolis. Bij de definitieve plaatsing volgt een definitief subsidie-advies, waarin de definitieve loonwaardemeting is opgenomen en waarin eventuele bijkomende kosten en risico’s worden afgezet tegen de voordelen voor de werkgever. De loonkostensubsidie wordt gefinancierd uit het inkomensdeel van de Pw, terwijl eventuele bijkomende kosten gefinancierd worden uit een gecombineerd budget, zoals het Participatiebudget van gemeenten, belastingvoordelen en bijdragen van werkgevers.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Harderwijk&id=12355f36-d636-4935-9088-6f66ea71207b