CConstaterende datHarderwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Drielanden - Harderweide deelplan 3_Toelichting

Raadsvergadering 21 maart 2024, gemeente HarderwijkBij agendapunt: Vaststelling BP Drielanden - Harderweide deelplan 322.525 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.4

Cultuurhistorie en archeologie

In het kader van de planontwikkelingen in Harderweide is reeds in 1999 door RAAP Archeologisch Adviesbureau een archeologisch onderzoek uitgevoerd door middel van een bureauonderzoek en een karterend booronderzoek (RAAP-rapport 459, zie bijlage 2). Tijdens het archeologisch onderzoek in het gebied Drielanden-zuid en -west (Harderweide) zijn alleen losse archeologische vondsten uit de Steentijd en de Late Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd gedaan. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van archeologische resten in de ondergrond. Het tijdens het onderzoek gevonden aardewerk dateert voor een belangrijk deel uit de tweede helft van de Late Middeleeuwen (1250-1500) of uit de 16e eeuw. De datering van het aardewerk komt in grote lijnen overeen met de in het rapport geopperde ontginningsperiode. Tijdens het booronderzoek zijn geen archeologische resten aangetroffen. Het ontbreken van archeologische resten kan voor het grootste deel verklaard worden uit de bodemgesteldheid van het onderzoeksgebied Drielanden. Tijdens het booronderzoek is vastgesteld dat het in het gebied uitsluitend bodems aanwezig zijn die onder zeer vochtige tot natte omstandigheden zijn gevormd. Bodems die op eertijds drogere omstandigheden wijzen, bijvoorbeeld podzolbodems, zijn in het gehele gebied niet aanwezig.

Het gebied was in het verleden waarschijnlijk altijd te nat en daardoor onaantrekkelijk voor bewoning. Het resultaat van het onderzoek vormt derhalve een bevestiging van de lage archeologische verwachting voor het onderzoeksgebied Drielanden. In dit verband kan ook gewezen worden op de hoge dekzandrug die het gebied in het zuiden flankeert en die ongetwijfeld een veel aantrekkelijker woonplaats voor de oude bewoners van het gebied vormde. Op basis van de resultaten van het aanvullend archeologisch onderzoek in Harderweide worden geen aanbevelingen gedaan voor vervolgonderzoek. Op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten in deze wijken in de directe omgeving van het plangebied zijn er vanuit archeologie geen bezwaren en/of beperkingen ten aanzien van het plan. Conform het archeologiebeleid is daarom geen verder archeologisch onderzoek vereist in kader van dit bestemmingsplan. Het is daarom ook niet nodig om een dubbelbestemming “archeologische waarde” in het plan op te nemen.

28

bestemmingsplan Drielanden - Harderweide deelplan 3 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00292-0002

5.5

Ecologie

5.5.1 Inleiding De Wet natuurbescherming heeft als doel het behouden en herstellen van de natuur. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Sommige soorten zijn kwetsbaar. Een goede natuurbescherming is belangrijk. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. De wet kent twee soorten bescherming: gebiedsbescherming en soortenbescherming. In het kader van woningbouwproject Harderweide is in 2010, 2015 en 2018 ecologisch onderzoek uitgevoerd. Deze eerder uitgevoerde onderzoeken (zie ook bijlage 3) zijn verouderd door wijzigingen in de wetgeving en door de uitspraak van de Raad van State over het Programma Aanpak Stikstof (PAS) op 29 mei 2019. Bovendien is het aantal woningen dat is voorzien in fase 2 verhoogd en is de realisatie van de woningen in fase 3 nog niet getoetst. In de voortoets (zie ook bijlage 4) wordt de bouw van de maximaal 881 woningen van fase 2 en 3 getoetst aan de gebiedsbescherming van de Wnb, waarin de bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld. Daarnaast heeft er nog nader onderzoek plaatsgevonden naar kleine marterachtigen in Harderweide. De conclusies uit het rapport worden hieronder weergegeven. 5.5.2 Beschermde gebieden Natura 2000 Binnen de Wet natuurbescherming zijn de Natura 2000-gebieden beschermd.

Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden en vormt daarmee de basis voor het Europees beleid voor behoud en herstel van biodiversiteit. Natura 2000 is niet alleen ter bescherming van gebieden, maar draagt ook bij aan soortenbescherming. Natura 2000 omvat alle gebieden die zijn beschermd op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd. Voor de Natura 2000-gebieden geldt ook de zogenaamde externe werking. Dit betekent dat ook gekeken moet worden of er negatieve effecten zijn van ontwikkelingen die plaatsvinden buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebieden maar die toch van invloed kunnen zijn op dit gebied. Het plangebied ligt niet in en grenst niet aan een beschermd gebied in het kader van de Wnb. Het dichtstbijzijnde beschermde gebied betreft het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren, dat is gelegen op ongeveer 175 m afstand ten noordwesten van het plangebied. Tussen het Natura 2000-gebied en het plangebied liggen onder meer de A28 en een geluidswal. In het aanwijzingsbesluit zijn de begrenzing en de instandhoudingsdoelen opgenomen. Het gebied is op 23 december 2009 definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. Verder ligt het Natura 2000-gebied Veluwe op ongeveer 2,5 km ten oosten van het plangebied. De Veluwe is op 14 juni 2014 definitief aangewezen als Natura 2000-gebied.

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het GNN is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. De Groende Ontwikkelingszone (GO) bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan bos of natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het gaat vooral om landbouwgrond, maar ook om terreinen voor verblijfs- en dagrecreatie, infrastructuur, woningen en bedrijven. De GO heeft een dubbele doelstelling. Er is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. De provincie nodigt de Gelderse samenleving uit om in de GO initiatieven te ontwikkelen die bijdragen aan de realisatie van deze dubbele doelstelling. Vanwege de dubbele doelstelling is er in de GO ruimte voor nieuwe ontwikkelingen en voor een uitbreiding van bestaande bedrijven, woningen en bouwwerken en andere functies. Het plangebied ligt niet op en grenst niet aan gronden die in het kader van het provinciaal ruimtelijk

29

bestemmingsplan Drielanden - Harderweide deelplan 3 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00292-0002 natuurbeleid zijn aangewezen als GNN of Groene Ontwikkelingszone (GO). Op enige afstand ten westen van het plangebied ligt het Wolderwijd waarvan het openwater is aangewezen als GNN en enkele oeverzones zijn aangewezen als GO.

Voortoets De ecologische effectbeoordelingen uit de afgelopen jaren, beschrijven ook de effecten op Natura 2000-gebieden om het plangebied. Bij deze eerdere effectbeoordelingen zijn de effecten verdroging in het plangebied tijdens de aanlegfase, optische verstoring door recreatie en verzuring en vermesting door stikstofdepositie in kaart gebracht. Andere effecten konden destijds worden uitgesloten door de afstand tot de Natura 2000-gebieden Veluwerandmeren en Veluwe en/of de inrichting van het gebied tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden. Bij dit laatste is met name de drukke A28 met de aangrenzende geluidswal tussen het plangebied en de Veluwerandmeren en de bebouwing en infrastructuur tussen het plangebied en de Veluwe relevant. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld effecten als verstoring door geluid en licht of optische verstoring vanuit het plangebied, mede gelet op de afstand tot de gebieden, op voorhand worden uitgesloten.

Hydrologie In de eerdere natuurtoetsen is het mogelijke effect van verdroging getoetst om te kijken of ingrepen in het plangebied van invloed kunnen zijn op de hydrologie van de Natura 2000-gebieden Veluwerandmeren en Veluwe. Hierin werd geconcludeerd dat significant negatieve effecten door verdroging (of vernatting) konden worden uitgesloten. Ten opzichte van de eerdere toetsing is relevant dat de grootschalige ingrepen in de waterhuishouding in het plangebied al zijn uitgevoerd. De oppervlaktewateren in het plangebied zijn al vergraven. De nieuwe waterstructuren van het Cresentpark, die de waterberging voor de woonwijk vormen, zijn inmiddels al gerealiseerd. Daarmee blijft alleen de lokale bronbemaling bij de aanleg van de woningen, bijvoorbeeld voor het aanleggen van de fundering van de woningen, over als ingreep op de hydrologie in het plangebied. De lokale bronbemaling voor de bouw van de woningen in het plangebied heeft met zekerheid geen merkbare invloed op het oppervlaktewater van de grote Veluwerandmeren of de Veluwe, zodat negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen door verdroging (of vernatting) kunnen worden uitgesloten.

De voor verdroging gevoelige habitattypen zwakgebufferde vennen, zure vennen, beken en rivieren met waterplanten, vochtige heide, actieve hoogvenen, overgangsen trilvenen, pioniervegetaties met snavelbiezen en kalkmoerassen liggen buiten de contour van 3 km. Op basis van het Natuurbeheerplan Gelderland 2023 blijkt dat binnen de 3 km-contour uitsluitend het beheertype ‘N16.01 Droog bos met productie’ is gelegen. Dit bostype is niet gevoelig voor verdroging en vormt ook geen geschikt biotoop voor habitatsoorten of vogelsoorten van Natura 2000-gebied Veluwe die gevoelig zijn voor verdroging. De hydrologische effecten van het plan reiken bovendien ook niet tot een afstand van 3 km. Voor het plan Drielanden is een vergunning ingevolge de Grondwaterwet verkregen. Uit de toegekende vergunning komt naar voren dat als gevolg van de bemalingen geen schade aan Vogel- en Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000-gebieden) wordt verwacht.

Recreatiedruk Een potentiële verstoring van natuurwaarden door de bewoners van een woonwijk treedt vooral op door het wandelen in de omgeving (al dan niet met hond). Het Natura 2000-gebied Veluwe ligt hemelsbreed op een afstand van ongeveer 2,5 km. Eventuele recreatieve activiteiten in het Natura 2000-gebied Veluwe zullen, gezien de afstand tussen het plangebied en de Veluwe, gewoonlijk plaatsvinden door te reizen met fiets en auto. De effecten zijn gezien de afstand echter niet meer aan de nieuwe woonwijk te koppelen. De Veluwe is voor heel veel mensen een populair recreatiegebied. Mede omdat recreanten overal vandaan komen, heeft de provincie een recreatiezonering voor het hele Natura 2000-gebied uitgewerkt om aan te geven op welke delen van de Veluwe recreanten de ruimte krijgen en waar verstoringsgevoelige natuur de ruimte krijgt. De recreatiezonering en overige maatregelen uit het Natura 2000-beheerplan moeten ervoor zorgen dat recreatie op de Veluwe plaats kan vinden zonder verstoring

30

bestemmingsplan Drielanden - Harderweide deelplan 3 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00292-0002 van de verstoringsgevoelige natuurwaarden, waaronder de Natura 2000-instandhoudingsdoelen. Een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Veluwe als gevolg van recreanten vanuit de nieuw te bouwen woningen is dan ook niet te verwachten. Door de aanleg van een fietsbrug aan de noordzijde van Drielanden-West over de rijksweg A28 is de randzone van het Wolderwijd, als onderdeel van Natura 2000-gebied Veluwerandmeren, toegankelijk gemaakt voor recreanten vanuit de bestaande woonwijk Drielanden en door huidige en toekomstige bewoners van Harderweide. Langs het Wolderwijd, ter hoogte van het plangebied, bevinden zich fietspaden en enkele strandjes. Het betreft hier recreatiegebied Nulde-Horst. De fietspaden zijn gelegen buiten het als Natura 2000-gebied aangewezen gebied. Als gevolg van fase 2 en 3 van de woonwijk Harderweide mag verwacht worden dat de recreatiedruk zal toenemen in het bestaande recreatiegebied. De toename in recreatie zal zich beperken tot de reeds bestaande voorzieningen (fietspaden en strandjes) die al intensief worden gebruikt, waardoor geen toename in verstoring te verwachten is.

Conclusie Uit de voortoets komt naar voren dat (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden Veluwerandmeren en Veluwe als gevolg van het plan op voorhand kunnen worden uitgesloten. De mogelijke effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden als gevolg van verzuring of vermesting door stikstofdepositie zijn door middel van een AERIUS-berekening in een separate rapportage in beeld gebracht en getoetst.

Voortoets en Stikstofdepositie Als gevolg van de (aanleg)werkzaamheden en het gebruik van de woonwijk neemt het aantal verkeersbewegingen toe en daarmee de uitstoot van stikstofdioxide. Door de toename van verkeersbewegingen (verkeersaantrekkende werking) kan een toename van de stikstofdepositie door gemotoriseerd verkeer op omliggende kwetsbare natuurterreinen optreden waardoor een verslechtering van stikstofgevoelige habitattypen kan optreden. Binnen het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren komen geen stikstofgevoelige habitattypen voor die te maken hebben met een overbelasting door stikstof. Binnen het Natura 2000-gebied Veluwe komen wel stikstofgevoelige habitattypen voor die te maken hebben met een overbelasting door stikstof. De Veluwe is dan ook opgenomen in de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). De achtergronddepositie in het Natura 2000-gebied Veluwe ligt op een aantal plaatsen voor stikstofgevoelige habitattypen al reeds te hoog, waardoor er sprake is van een overbelaste situatie. Met behulp van de AERIUS Calculator is voor de aanlegfase berekend wat de eventuele stikstofuitstoot zou zijn in Natura 2000-gebied Veluwe. Voor de gebruiksfase is reeds een Wnb vergunning in het kader van het SSRS (stikstofregistratiesysteem) verleend.

In de berekening voor de aanlegfase is uitgegaan van de realisatie van in totaal naar boven afgerond nog 513 woningen, 27.820 m2 aan verharding, 20.450 m2 aan terreininrichting en een geluidsscherm op de aarden wal van 1.450 meter lang. Uit dit onderzoek (zie bijlage 5) blijkt dat voor alle aanlegfasen in de jaren 2024 tot en met 2028 wordt geconstateerd dat de projectbijdrage niet leidt tot een stikstofdepositie, maar dat er elk jaar zelfs sprake is van een afname van 0,01 mol N/ha/jaar in Natura 2000-gebied Veluwe. Voor het jaar 2025 bedraagt deze afname zelfs 0,02 mol N/ha/jaar. Met betrekking tot de invoergegevens van de AERIUS-berekening is voor de rekenjaren 2026, 2027 en 2028 uitgegaan van elektrisch mobiel materiaal. Deze uitgangspunten worden geborgd in de omgevingsvergunning. Met het toepassen van intern salderen en het gebruik van elektrisch mobiel materiaal treedt er door stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden. Een vergunning van de Wnb is in het kader van de stikstofdepositie dan ook niet nodig.

31

bestemmingsplan Drielanden - Harderweide deelplan 3 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00292-0002 5.5.3 Beschermde soorten De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van dier- en plantensoorten. In grote lijnen blijft de bescherming gelijk aan de oude Flora- en Faunawet. Het doel van deze wet is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. De wet hanteert het 'nee, tenzij'-principe. Dit betekent dat alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten in principe verboden zijn. Alleen onder strikte voorwaarden zijn afwijkingen van de verbodsbepalingen mogelijk. Hiervoor moet een ontheffing worden aangevraagd bij de provincie. De aanvraag moet onderbouwd worden met een onderzoek naar het voorkomen van en de effecten op beschermde soorten. In de Wet natuurbescherming is daarnaast een zogenaamde 'algemene zorgplicht' opgenomen. De zorgplicht is van toepassing op alle planten en dieren, ongeacht of ze wettelijk beschermd zijn. De zorgplicht houdt in dat er bij ingrepen, zoals bouwactiviteiten, altijd zorgvuldig moet worden omgegaan met aanwezige planten en dieren. Schadelijke activiteiten moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Uit het onderzoek van 2017 komt naar voren dat in en om het plangebied beschermde soorten voorkomen.

Daarnaast is sinds dit onderzoek het aantal woningen dat is gepland voor fase 2 verhoogd en zijn kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) van de vrijstellingslijst van de provincie Gelderland afgehaald. Hierdoor is ook het onderzoek van fase 2 ten behoeve van soortenbescherming uit 2017 niet langer actueel. Bovendien is fase 3 in de eerdere onderzoeken nog niet op soortenbescherming in het kader van de Wnb getoetst. In bijlage 4 wordt hier nader op ingegaan. In het kader van mogelijke verbodsovertredingen van de Wnb zijn de navolgende aspecten van belang.

5.5.3.1 Das Ten zuiden van het plangebied is langs de Horloseweg een dassenburcht aanwezig. Met de ontwikkeling van het plangebied gaat essentieel foerageergebied van de dassen verloren en ook de burcht zelf als verblijfplaats voor de Das. In oktober 2012 is voor het project door RVO een ontheffing verleend. In maart 2016 is de ontheffing gewijzigd. Als mitigerende maatregel zijn in 2016 vier dassentunnels onder de Groene Zoomweg gesloten om te voorkomen dat dassen het plangebied Harderweide bleven gebruiken als foerageergebied. In het voorjaar van 2017 is geconstateerd dat dassen gaten in het aanwezige raster langs de weg hadden gemaakt en via de Groene Zoomweg het plangebied konden bereiken. Hieruit blijkt dat de mitigerende maatregel feitelijk niet werkt en de dassen bovendien risico lopen om verkeersslachtoffer te worden bij oversteek van de Groene Zoomweg. In de ontheffingsaanvraag is verzocht de tunnels weer te openen zodat de dassen het plangebied als foerageergebied kunnen blijven gebruiken tot het moment van de ontwikkeling van het terrein en gecreëerde burchten of tunnels van dassen te verwijderen in het gebied. Op die manier wordt permanente vestiging van dassen in het gebied Harderweide voorkomen. Daarnaast is verzocht om een aantal opgelegde voorwaarden door RVO aan te passen. Op basis van de ontheffing kan de aanleg van Harderweide deelplan 3 worden doorgevoerd.

Tijdens het veldbezoek in 2022 zijn echter geen sporen van das, zoals graafsporen, latrines, wissels of burchten, waargenomen in het plangebied. Das wordt dan ook niet meer in het plangebied verwacht.

5.5.3.2 Gras en planten De graslanden in het plangebied bestaan voornamelijk uit algemene gras- en plantensoorten, zoals Engels raaigras, ridderzuring, smalle weegbree, akkerdistel, braam, klimop en haagwinde. De begroeiing langs de oevers van de sloten bestond voornamelijk uit riet, braam, haagwinde en klimop. De bomenrijen bestaan voornamelijk uit zwarte els en in de ondergroei zijn rozenstruiken aanwezig. De aanwezige soorten in duiden op voedselrijke omstandigheden. Gezien de terreingesteldheid, het aanwezige biotoop, de voedselrijkdom en het ontbreken van waarnemingen uit de omgeving (NDFF), zijn beschermde plantensoorten niet in het plangebied te verwachten.

32

bestemmingsplan Drielanden - Harderweide deelplan 3 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00292-0002 5.5.3.3 Broedvogels - algemeen Ten aanzien van vogels in het algemeen dient bij uitvoering van werkzaamheden rekening te worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Verstoring van broedgevallen van vogels dient te worden voorkomen. Dit kan plaatsvinden door werkzaamheden buiten de broedperiode uit te voeren. Tevens kunnen voorbereidende maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat vogels tot broeden kunnen komen binnen het plangebied. Voor het broedseizoen wordt in het kader van de Wnb geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt.

5.5.3.4 Broedvogel - nestplaats jaarrond beschermd In de directe omgeving van het plangebied zijn verschillende vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten bekend, zoals huismus, gierzwaluw, buizerd, boomvalk en ransuil (NDFF). Nesten van gebouwbewonende soorten, zoals huismus en gierzwaluw, kunnen worden uitgesloten doordat in het plangebied geen bebouwing aanwezig is. In het plangebied zijn enkele elzensingels aanwezig. Tijdens het veldbezoek zijn geen jaarrond beschermde nesten in de bomen waargenomen. Door het dichte bladerdek konden echter niet alle bomen volledig worden geïnspecteerd op de aanwezigheid van nesten. In de bomen van zijn tijdens het veldbezoek meerdere eksters, kraaien en twee buizerds waargenomen, zodat de aanwezigheid van een nest in de bomen met een dicht bladerdek niet kan worden uitgesloten. Bij een veldbezoek in de winterperiode is toch een bestaand nest aangetroffen. Dit nest zou kunnen worden gebruikt door Ransuil en Boomvalk. Omdat pas over enkele jaren wordt gebouwd en het onderzoek dan niet actueel zou zijn, is besloten om dit onderzoek pas tegen die tijd uit te voeren. Het plangebied maakt deel uit van het foerageergebied van vogels met jaarrond beschermde nesten, met name vogels die in open gebieden foerageren, zoals de tijdens het veldbezoek waargenomen buizerds.

In de bomen, struiken, sloten en watergangen in en rondom het plangebied kunnen algemene vogels, zoals de tijdens het veldbezoek waargenomen heggemus en knobbelzwaan, broeden. Daarnaast kunnen in de hoge en steile zand- en aardehopen in het plangebied oeverzwaluwen tot broeden komen. Nesten van de te verwachten algemene soorten zijn alleen tijdens de broedperiode beschermd.

5.5.3.5 Vleermuizen Uit de gegevens van de NDFF komen verschillende vleermuissoorten naar voren, zoals gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis en laatvlieger (NDFF). Vanwege het ontbreken van bebouwing in het plangebied kan de aanwezigheid van gebouwbewonende soorten, zoals laatvlieger en gewone dwergvleermuis, in het plangebied worden uitgesloten. In de bomen in het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen geschikte holtes, scheuren of loszittende bast waargenomen die als verblijfplaats kunnen dienen voor vleermuizen. De bomen in het plangebied zijn ook relatief jong en dun en daarmee weinig geschikt voor vleermuizen. Hierdoor zijn verblijfplaatsen van vleermuizen in de bomen in het plangebied niet te verwachten. Wel kan het plangebied onderdeel vormen van het foerageergebied van vleermuizen. Gezien de openheid van het gebied zijn enkele algemene vleermuissoorten te verwachten die kunnen foerageren in open gebieden, zoals de uit de omgeving bekende gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis (NDFF). De opgaande beplanting in het plangebied vormt geen onderdeel van een doorgaande lineaire structuur die een essentieel onderdeel zou kunnen vormen van een vliegroute van vleermuizen.

33

bestemmingsplan Drielanden - Harderweide deelplan 3 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00292-0002 5.5.3.6 Algemene amfibieën en zoogdieren Binnen het plangebied komen geschikte biotopen en verschillende op basis van de Wnb beschermde algemene amfibieën en grondgebonden zoogdieren voor, zoals bruine kikker en gewone pad, huisspitsmuis en konijn. Als gevolg van het plan kunnen enkele verblijfplaatsen van algemene amfibieënen zoogdiersoorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Gelderland. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wnb. In de directe omgeving van het plangebied zijn het voorkomen van de niet-vrijgestelde bever, boommarter, eekhoorn en wezel bekend (NDFF). Geschikt leefgebied voor bever, zoals grote watergangen en rustig bosgebied, is niet in of aangrenzend aan het plangebied aanwezig. Het voorkomen van bever in het plangebied kan dan ook worden uitgesloten. In het plangebied ontbreken takkenhopen en er zijn tijdens het veldbezoek geen geschikte boomholtes waargenomen waarin boommarter een nest kan hebben.

Ook is het plangebied vrij open met relatief weinig en jonge bomen, terwijl boommarter is aangewezen op bosgebied met voldoende grote bomen en beschutting. Hierdoor kan de aanwezigheid van boommarter in het plangebied worden uitgesloten. Ook voor eekhoorn ontbreekt geschikt leefgebied, door het open karakter van het plangebied en de geïsoleerde ligging van de bomenrijen. In het plangebied is geen geschikt leefgebied aanwezig voor dagvlinder grot vos en de gevlekte witsnuitlibel. In het plangebied zijn geen takkenrillen of takkenhopen waargenomen waarin kleine marterachtigen, zoals wezel, hermelijn en bunzing, een nest kunnen maken. De oevers van de sloten in het plangebied waren tijdens het veldbezoek dichtbegroeid met bramen- en rozenstruiken. Deze gebieden bieden voldoende beschutting voor kleine marterachtigen om verblijfplaatsen in te maken. Bovendien bieden de met riet overgroeide oevers van de perceelsloten in het plangebied beschutte rechtlijnige elementen waarlangs wezel, hermelijn en bunzing zich door het plangebied kunnen verplaatsen. Hierdoor kan de aanwezigheid van leefgebied en verblijfplaatsen van wezel, hermelijn en bunzing in het gebied van fase 2 en fase 3 niet worden uitgesloten. Er is dan ook nader onderzoek naar kleine marterachtigen uitgevoerd (zie bijlage 6). Het onderzoek leverde geen foto’s van wezel, hermelijn of bunzing op.

Ook zijn tijdens de bezoeken geen sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van kleine marterachtigen. Er is éénmalig een steenmarter gefotografeerd. Verder zijn steenmarters niet waargenomen gedurende het gehele onderzoek. Dit, en het ontbreken van geschikte nestlocaties binnen het plangebied, duidt erop dat het plangebied geen essentieel onderdeel is van het leefgebied van steenmarters. Verder zijn geen beschermde, niet vrijgestelde soorten waargenomen op de camerabeelden. Een ontheffing van de Wnb is dan ook niet nodig.

5.5.3.7 Conclusie soortenbescherming Een groot deel van de bestaande sloten blijft gehandhaafd en dan met name die langs de bestaande oude elzensinges in het plangebied. Omdat deze oude elzensingels op een paar bomen na gehandhaafd blijven zullen er geen/nauwelijks jaarrond beschermde nesten van boombewonende broedvogelsverloren gaan. Te zijner tijd zal nog nader onzerzoek op dit punt plaatsvinden. Bij uitvoering van het plan verandert het plangebied als foerageergebied voor vogels met jaarrond beschermde nesten die in de buurt van het plangebied kunnen broeden, zoals buizerd. Buizerd jaagt echter tot enkele kilometers rondom het nest. Ten zuiden van het plangebied, aan de overzijde van de Groene Zoomweg, is in ruime mate vergelijkbaar alternatief foerageergebied voor buizerd en andere te verwachten soorten aanwezig. Hierdoor kunnen negatieve effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten door verlies van foerageergebied worden uitgesloten. Verder moet bij de werkzaamheden rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Dit betekent dat bij voorkeur buiten het broedseizoen wordt gewerkt, dus buiten de periode half maart tot half juli. Het is ook mogelijk voor het broedseizoen te starten met de werkzaamheden en continu door te werken. Dan is het waarschijnlijk dat vogels niet in het plangebied gaan broeden vanwege de continue verstoring.

Ook wordt geadviseerd de zandhopen in het gebied voorafgaande aan de aanlegfase af te

34

bestemmingsplan Drielanden - Harderweide deelplan 3 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00292-0002 vlakken, zodat de hellingshoek van de hopen niet meer dan 1:3 bedraagt, om vestiging van oeverzwaluw in het plangebied tijdens de aanlegwerkzaamheden te voorkomen.

5.6

Water

5.6.1 Inleiding In deze waterparagraaf wordt ingegaan op de rol die water vervult in de ontwikkeling van het plangebied. Daarnaast wordt aangegeven of en in welke mate het plan gevolgen heeft voor de waterhuishouding (waaronder grondwater en waterveiligheid) en hoe wordt omgegaan met hemelwater en gebruikt water (huishoudelijk afvalwater). Op deze ruimtelijke ontwikkeling is het waterbeleid zoals beschreven in paragraaf 3.8 van toepassing. Op basis van de richtlijnen is dit vertaald naar een waterbewust plan. 5.6.2 Proces Deze waterparagraaf is de schriftelijke weerslag van een zogenaamde watertoets door de waterbeheerder(s). De watertoetsprocedure is gevolgd door vanaf het begin de waterbeheerders en overige stakeholders in het ontwerpproces te betrekken. Dit waren onder andere Waterschap Vallei en Veluwe, Rijkswaterstaat, Provincie Gelderland en de gemeenten Ermelo en Harderwijk. Het eerste waterhuishoudkundige plan voor Drielanden als geheel dateert van 1996. Het eerste watertoetsoverleg over deelgebied Harderweide (Drielanden West) was op 3 november 2003, daarvan is destijds een watertoets rapportage opgesteld. Echter door het verplaatsen van de das en de financiëleen bouwcrisis is de ontwikkeling stil komen te liggen.

In 2014 is de voorbereiding van nieuwe planologische procedures weer opgepakt en vanwege nieuwe inzichten in het moderne waterbeheer is ook de watertoets procedure hervat. Hiervoor zijn tussen maart en juni 2015 een drietal watertoets overleggen geweest waarin gezamenlijk afspraken en uitgangspunten zijn geformuleerd om voor Harderweide een door alle stakeholders gedragen waterstructuur te ontwikkelen die toekomstbestendig is. Bij deze nadere invulling van de waterhuishoudkundige structuur is in 2015 door Tauw (Actualisering Watertoets) en Antea Group (Geohydrologisch onderzoek) nader geadviseerd en gerapporteerd (zie bijlage 7). Nelen&Schuurmans hebben het voorlopig ontwerp beoordeeld (zie bijlage 8) en in 2018 geadviseerd bij het maken van het definitieve ontwerp. Naar aanleiding van de wens van ontwikkelaars en gemeentebestuur om de waterbergende functie van de Crescent buffervijver te combineren met een recreatieve voorziening is in 2017 in overleg met waterschap Vallei & Veluwe gestart met het ontwerp van het laatste deel van de singel en het daarop aansluitende waterbergingsgebied Crescentpark. Er is aandacht besteed aan de inrichting van het gebied en de robuustheid van de waterkwaliteit in relatie tot de hoeveelheid regenwater die bij droge, natte en extreem natte weersomstandigheden in het gebied moet worden geborgen.

En er is aandacht besteed aan de randvoorwaarden bij de recreatieve functie die het gebied krijgt. Eind 2019 is de hoofdwaterstructuur aangelegd en het Crescentpark geopend. 5.6.3 Watersysteemkenmerken De oorspronkelijke maaiveldhoogte in het plangebied Harderweide liep af van circa 3 m +NAP in het zuidoosten tot circa 1,25 m +NAP in het noorden. Het grootste deel van het plangebied, zo ook Harderweide fase 3, ligt in het stroomgebied van de Beek van de Hoge Geest. Deze beek wordt voornamelijk gevoed met overtollig neerslag- en ontwateringswater uit het aangrenzende landbouwgebied (en uit Ermelo). Bij hoge grondwaterstanden wordt ook kwelwater van het Veluwemassief afgevoerd. Om de voor landbouw vereiste minimale drooglegging te bereiken, bevond zich in het gebied een systeem van sloten en greppels. Deze sloten waterden via de hoofdwatergangen vrij af op het Wolderwijd en zijn in droge perioden niet watervoerend. In de buurten Muziekland I, Muziekland II, Muziekland III, Harderhout I, Harderhout II en Harderhout III van de wijk Drielanden, ligt een stelsel van sprengkoppen en singels. De sprengkoppen snijden het eerste watervoerende pakket aan en worden dus gevoed met grondwater. Dit grondwater is afkomstig van het Veluwemassief en heeft een hoge kwaliteit. Ten noordwesten van de A28 ligt het randmeer Wolderwijd. Het Wolderwijd kent een winterstreefpeil van

35

bestemmingsplan Drielanden - Harderweide deelplan 3 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00292-0002 -0,30 m en een zomerstreefpeil van -0,05 m. t.o.v. NAP. Het Wolderwijd ontvangt overtollig oppervlaktewater uit Drielanden. In de huidige situatie vindt deze afwatering plaats via twee duikers onder de A28 door. In het plangebied worden twee bodemtypen aangetroffen. Het grootste deel van het plangebied bestaat uit beekeerdgronden, bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand. In het westelijke deel (waaronder Harderweide fase 3) van de beekeerdgronden komt een zavel- of kleidek voor van 15 à 40 cm dik. In het noordwestelijke deel van het plangebied bevinden zich kalkarme poldervaaggronden, bestaande uit zavel, profielverloop 2, met pleistoceen zand beginnend tussen 40 en 120 cm onder maaiveld. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een vrijwel zuidwestelijk gerichte grondwaterstroming. Vanuit het Veluwe massief stroomt grondwater het plangebied binnen. Een deel hiervan kwelt op en wordt afgevoerd door het oppervlaktewaterstelsel richting het Wolderwijd. Het grootste deel van het kwelwater uit het Veluwe massief kwelt op in het Wolderwijd en (voornamelijk) Flevoland. De berekende isohypsen van het freatisch grondwater zijn met modelberekening voor Drielanden bepaald voor respectievelijk de gemiddelde zomer-, wintersituatie en de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG).

In de wintersituatie ligt de grondwaterspiegel in de zuidoostelijke punt van Harderweide fase 3 op circa 1,25 m. t.o.v. NAP en bij de noordwestelijke rand (de A28) op circa 0,5 m. t.o.v. NAP. In de zomersituatie ligt de grondwaterspiegel enkele decimeters lager. 5.6.4 Waterbewust plan Het algemene wensbeeld voor stedelijk water is een goed functionerend en gezond watersysteem. Dit betekent een goede kwaliteit (zonder stank of zwerfvuil). Stadswateren vervullen een belangrijke functie voor aan- en afvoer van water en berging van (regen)water. Maar ze hebben ook een belangrijke rol bij beleving en gebruik van de openbare ruimte, in dit geval in combinatie met recreatieve elementen. Bij aanleg van de totale uitbreidingswijk "Drielanden" is met waterbeheerder afgesproken dat er voldoende waterberging wordt gerealiseerd binnen de eisen van het waterschap en dat de in de toekomstige situatie de bestaande kwel flux niet negatief wordt beïnvloed. Een belangrijk deel van de waterberging is gerealiseerd door middel van tijdelijke buffering voor overtollig hemelwater in het waterbergingsgebied Crescentpark. Streefpeil oppervlaktewater Het streefpeil van het oppervlaktewater is bepaald op +0,50 m. t.o.v. NAP voor heel Harderweide. Hierbij wordt voornamelijk afgevoerd via de westelijke duiker onder de 28 door.

Bij een T=100 gebeurtenis kan het waterpeil in de singel en het Crescentpark tijdelijk oplopen naar 1,1 m. t.o.v. NAP, waarbij ook de afvoercapaciteit van de oostelijke duiker wordt benut. Aanleghoogte Aangezien het plangebied hellend is, zal in de verdere ontwikkeling de exacte bouwhoogtes bepaald moeten worden. De minimale toekomstige maaiveldhoogte van de openbare ruimte na ophoging ligt op 1,6 m. t.o.v. NAP. Dit is minimaal 0,7 m. boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG), 0,4 m. boven het maximaal oppervlaktewaterpeil bij extreme neerslagsituaties (1,5 m. t.o.v. NAP) en gelijk aan de minimale hoogte die in verband met hoogwaterbescherming tegen overstroming vanuit het Wolderwijd gehanteerd wordt. Volgens de studie "Stresstest hoogwater Veluwerandmeren" van HKV (2019) is de overstromingskans tussen de 1/10.000 en 1/100.000 jaar (zie bijlage9). De oorspronkelijke GHG werd begrensd door een oppervlakkig drainerende invloed van een kleinschalige netwerk van greppels en sloten waarmee overmatige kwel kon worden opgevangen in perioden met hoge grondwaterstand en weinig verdamping. Naast ophoging wordt de gewenste ontwateringsdiepte bereikt middels DIT riolering. Huishoudelijk afvalwater Het huishoudelijk afvalwater binnen Harderweide wordt onder vrijverval ingezameld en ook onder vrijverval

36

bestemmingsplan Drielanden - Harderweide deelplan 3 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00292-0002 afgevoerd naar de oostelijk gelegen reeds gerealiseerde woonwijk Drielanden. Het bestaande rioolstelsel/gemaal is ontworpen op deze extra aanvoer en de bestaande riolering ligt diep genoeg om het afvalwater uit Harderweide te ontvangen. Het maaiveld moet mogelijk lokaal hoger aangelegd worden om met voldoende gronddekking op de rioolbuizen, ook afvalwater vanuit de zuidwestelijke hoek van het plangebied onder vrijverval af te kunnen voeren.

Regenwater Op basis van de relatief hoge grondwaterstanden en bodemgesteldheid wordt ter plaatse van Harderweide afgeraden om hemelwater lokaal in de bodem te infiltreren. Vanuit het uitgeefbaar terrein kan het hemelwater aangesloten worden op het zowel boven- als ondergrondse hemelwaterstelsel dat in de wijk wordt aangelegd. Een voorbeeld van bovengrondse voorzieningen zijn goten in de weg. Bij een ondergrondse voorziening moet gedacht worden aan hemelwaterriolering. Bij aansluiting van private percelen op ondergrondse gescheiden hemelwateriolering is er niet alleen bij aanleg, maar vooral bij eventuele wijzigingen door particulieren een reëel risico op foutaansluitingen. Het is vanuit beheer gewenst om te komen tot een goed doordachte, eenduidige en vooral begrijpelijke hemelwaterstructuur. Ook wateroverlast in en nabij woningen wordt daarmee voorkomen. Zowel over verhard oppervlak als in de tuin is verhang nodig om het water te laten afstromen. Dit verhang is medebepalend het maaiveld verloop. De drempelhoogtes van woningen worden hierop afgestemd. In overleg met de bouwers/ontwikkelaars van het gebied wordt speciale aandacht besteed aan de hoogteligging van kavelgrenzen en gemeenschappelijke achterpaden.

Oppervlaktewater In het stedenbouwkundig plan worden de groenstructuren (houtwallen) gebruikt om droogvallend oppervlaktewater te realiseren die een drainerende (aftopppen boven huidig GHG) en afvoerende functie hebben. Besloten is om deze watergangen niet te compartimenteren omdat het hoofdwatergangen systeem en het waterbergingsgebied Crescentpark voldoende waterbergingscapaciteit hebben. 5.6.5 Beheerafspraken Het beheer van de beek, singels en vijver komt bij Waterschap Vallei en Veluwe te liggen. Overige watergangen, inclusief duikers, komen qua beheer bij de gemeente Harderwijk te liggen. 5.6.6 Conclusie De waterhuishoudkundige richtlijnen zijn bepalend geweest voor de inrichting van het plangebied en realisatie van oppervlaktewater. Er wordt rekening gehouden met ondiepe ligging van grondwater en voldoende ruimte gecreëerd voor de afvoer en berging van regenwater. Risico's op wateroverlast blijven daarmee beperkt tot een acceptabel niveau.

5.7

Milieu

5.7.1 Inleiding In deze paragraaf komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan bod. Het betreffen hier de randvoorwaarden en beperkingen die voorkomen uit het beleid en wetgeving op het gebied van: bodem (Wet bodembescherming), bedrijvigheid (Wet milieubeheer), geluid (Wet geluidhinder), externe veiligheid (BRZO, REVI, Bevi, Wet milieubeheer) en luchtkwaliteit (Wet luchtkwaliteit). Daarnaast is op basis van het milieubeleidsplan Harderwijk gebiedsgericht milieubeleid vastgesteld. Voor de wijk Drielanden heeft dit geresulteerd in het Milieukwaliteitsbeeld Drielanden. Om de leefomgevingskwaliteit binnen een plangebied te optimaliseren zijn de volgende beleidseisen vastgelegd: Bij uitzondering kan voor maximaal 10% van te projecteren geluidgevoelige bestemmingen hogere grenswaarde (verkeerslawaai) worden vastgesteld. Dit komt, voor het milieuaspect geluid overeen met milieugezondheidskwaliteit Redelijk (GES score 2). Voor de overige geluidgevoelige bestemmingen moet de milieugezondheidskwaliteit Goed (GES score 1) worden aangehouden. De geluidbelasting van de binnenplanse wegen blijft onder de voorkeursgrenswaarde (48 dB), ook

37

bestemmingsplan Drielanden - Harderweide deelplan 3 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00292-0002 als het gaat om 30 km/uur wegen en woonerven. Er moet naar gestreefd worden om geen geluidgevoelige bestemmingen te bouwen met een hogere geluidbelasting dan 55 dB ten gevolge van de spoorweglawaai. Pas wanneer maatregelen aan de bron of in het overdrachtsgebied niet voldoende geluid reduceren, is het bij uitzondering mogelijk om hiervoor hogere grenswaarde voor te verlenen. Dit kan alleen als er zwaarwegende financiële, landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige of vervoerskundige redenen zijn om deze functies binnen de contour te plaatsen. 5.7.2 Bodemkwaliteit Algemeen Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's daardoor zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Harderweide ligt in de zone ‘arseengebieden’ van de Nota bodembeheer. In dit gebied komt arseen in de bodem van nature verhoogd voor.

Voor dit gebied geld een lokale maximaal waarde (LMW) van 76 mg/kg d.s., deze is gelijk aan de interventiewaarde.

Onderzoek In september 2022 heeft er in het plangebied een verkennend bodemonderzoek en asbest in grond- en puinonderzoek plaatsgevonden (PJ Milieu BV, 1501904A, 21 oktober 2022, zie bijlage 10).

Grond Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'onverdachte locatie' voor het verkennend bodemonderzoek geen stand houdt. Enkele parameters zijn in de bovengrond en het grondwater licht verhoogd aangetoond. Een aanvullend onderzoek met een gewijzigde hypothese wordt niet noodzakelijk geacht. Geconcludeerd wordt dat de hypothese ‘verdachte locatie’ voor het verkennend bodemonderzoek ter plaatse van “sloot I” geen stand houdt. Zintuiglijk is geen dempingsmateriaal aangetroffen. Analytisch zijn geen verhoogde gehalten in de ondergrond van de voormalige sloot aangetoond. Geconcludeerd wordt dat de hypothese ‘verdachte locatie’ voor het verkennend bodemonderzoek ter plaatse van “dam K” eveneens geen stand houdt. Zintuiglijk is uitsluitend baksteen aangetroffen (gesorteerd puin). In de grond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond.

Asbest Geconcludeerd wordt dat de hypothese ‘verdachte locatie’ voor het asbest in grondonderzoek ter plaatse van dam K stand houdt. In gat 32 is asbest aangetroffen. Het gehalte overschrijdt niet de grenswaarde voor nader asbest in grondonderzoek.

Conclusie bodem De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen wijziging van het bestemmingsplan en de aanvraag van een omgevingsvergunning. 5.7.3 Bedrijven en milieuzonering Een doel van de ruimtelijke ordening en het milieubeleid is het streven naar een optimale leefomgevingskwaliteit. In een bestemmingsplan wordt daarom onder andere ingezet op milieuzonering, gericht op voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende activiteiten, zoals bedrijven, en anderzijds milieugevoelige functies als wonen.

38

bestemmingsplan Drielanden - Harderweide deelplan 3 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00292-0002 Binnen het plangebied worden geen bedrijven of maatschappelijke voorzieningen mogelijk gemaakt maar uitsluitend woningen. Er is dan ook geen overlast te verwachten van milieubelastende aktiviteiten in het woongebied. 5.7.4 Geur Geur in de leefomgeving is grotendeels afkomstig van bedrijvigheid. Elke geur kan boven een bepaalde concentratie hinder veroorzaken. Om hinder van agrarische bedrijven te voorkomen is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) van toepassing. De wet regelt onderlinge afstanden tussen geurgevoelige functies, zoals woningen en recreatieobjecten en agrarische bedrijvigheid. In de nabijheid van het plangebied liggen geen agrarische bedrijven meer. Op de locatie van de voormalige varkenshouderij aan de Horloseweg 38 zijn inmiddels vrijstaande woningen gebouwd (Ermelosebrink). Geur vormt dan ook geen belemmering voor het plangebied. 5.7.5 Geluid 5.7.5.1 Algemeen Dit bestemmingsplan heeft tot doel om woningbouw mogelijk te maken in deelplan 3 van Harderweide. Wanneer een bestemmingsplan de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen/woningen mogelijk maakt, moet beoordeeld worden of een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden.

In de omgeving van woningen zijn vaak allerlei geluidsbronnen aanwezig die negatieve invloed kunnen hebben op de leefomgevingskwaiteit. Onderzocht moet worden wat de geluidbelasting van deze bronnen is op woningen en andere geluidgevoelige functies. Wegverkeerslawaai Langs een verkeersweg ligt een planologisch aandachtsgebied. Binnen deze zone biedt de Wet geluidhinder in een aantal situaties bescherming aan geluidsgevoelige bestemmingen. Het basisbeschermingsniveau of de voorkeursgrenswaarde is 48 dB. Indien de geluidsbelasting lager is dan de voorkeursgrenswaarde zijn er geen belemmeringen vanuit de Wet geluidhinder. Bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarde dienen maatregelen onderzocht te worden. Indien maatregelen niet voldoende zijn of op bezwaren stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard, dan kan een hogere waarde worden vastgesteld. De gemeente Harderwijk is bevoegd gezag om hogere waarden vast te stellen (artikel 110a lid 1 Wgh). De gemeente heeft beleidsregels opgesteld voor de vaststelling van hogere waarden. Er zijn onder andere eisen opgesteld waaraan voldaan moet worden alvorens een hogere waarde mag worden vastgesteld. De twee belangrijkste eisen zijn: Art. 8: Hogere waarden worden alleen vastgesteld indien er sprake is van minimaal 1 geluidluwe zijde.

Dit betekent dat op minimaal één gevel van een woning de geluidbelasting de 48 dB niet mag overschrijden. Art. 10: Wanneer een nieuw ruimtelijk plan meer dan 200 woningen toelaat, kan bij uitzondering voor maximaal 10% van de nieuw te bouwen woningen binnen het plangebied een hogere waarden aangevraagd worden. Voor de overige 90% moet voldaan worden aan de voorkeursgrenswaarde. Door middel van een procedure besluit hogere grenswaarde kan een hogere geluidsbelasting (hogere waarde) worden toegestaan. Deze verhoging is mogelijk tot een hoogst toelaatbare waarde. De hoogte van deze hoogst toelaatbare waarde is afhankelijk van verschillende factoren, zoals bijvoorbeeld de ligging van de geluidsgevoelige bestemming in binnenstedelijk of buitenstedelijk gebied. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg. Het stedelijke gebied is het gebied binnen de bebouwde kom, met uitzondering van het gebied binnen de geluidszones van autowegen en autosnelwegen. De maximaal te ontheffen hogere waarde in binnenstedelijk gebied bedraagt 63 dB en in buitenstedelijk gebied 53 dB. Bij het vaststellen van een hogere waarde moet worden aangetoond dat de normen voor het binnenniveau van 33 dB niet worden overschreden.

De Wet geluidhinder is niet van toepassing op wegen die liggen binnen een woonerf en voor 30 km/u-wegen, omdat er geen zones gelden. Deze wegen veroorzaken meestal geen geluidsbelastingen boven de voorkeurswaarde. Dat kan wel voorkomen bij een klinkerweg of een weg met relatief veel verkeer. In de jurisprudentie is om deze reden bepaald dat een akoestische afweging bij het opstellen

39

bestemmingsplan Drielanden - Harderweide deelplan 3 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00292-0002 van een ruimtelijk plan nodig is met een verwijzing naar een goede ruimtelijke ordening. Bij de voorbereiding van dit bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd om de akoestische aspecten in beeld te brengen en te toetsen aan wet en regelgeving en plaatselijk beleid. De volgende wegen hebben invloed op de leefomgevingskwaliteit in het plangebied en zijn in het akoestisch onderzoek beoordeeld:De bestemmingen zijn geprojecteerd in de wettelijke geluidszones van de A28 en de Groene Zoomweg. Voor de A28 geldt een geluidzone met een breedte van 400 m (4 rijstroken, buitenstedelijk) en voor de Groene Zoomweg geldt een geluidzone van 200 m (2 rijstroken, stedelijk). de A28 (wettelijke geluidzone van 400 m (4 rijstroken, buitenstedelijk); de Groene Zoomweg (wettelijke geluidzone van 200 m (2 rijstroken, stedelijk); wegen binnen fase 2; De volgende conclusies zijn gebaseerd op het akoestisch rapport (Nieuwbouwwijk Harderweide, deelplan 3, Arcadis, d.d. 6 september 2022, dat als bijlage 11 bij deze plantoelichting is gevoegd). 5.7.5.2 Geluidbelasting vanwege A28, Groene Zoomweg en binnenplanse wegen De gemeente Harderwijk heeft voor heel Harderweide nadrukkelijk gekozen om de derde bouwlaag ook als geluidgevoelig te beschouwen.

Om de geluidbelasting vanwege de A28 bij de nieuw te realiseren woningen terug te brengen is uiteindelijk gekozen voor een scherm/wal combinatie tussen de A28 en de nieuwe woonwijk en tussen de Groene Zoomweg en de nieuwe woonwijk. De wal langs de A28 is inmiddels opgehoogd naar 8 m. Boven op de wal wordt nog een geluidscherm van 4 meter hoog geplaatst. Daarnaast wordt het bestaande geluidscherm langs de A28 met 3 meter opgehoogd naar 5,5 meter hoog. Langs de Groene Zoomweg ligt al een aarden wal van 4 meter hoog en hoeven geen verdere maatregelen te worden genomen. Uit het akoestisch onderzoek voor deelplan 3 blijkt dat vanwege wegverkeerslawaai van de A28 voor 29 woningen sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De geluidbelasting bedraagt maximaal 52 dB. De maximaal toegestane waarde van 53 dB wordt niet overschreden. De woningen met een geluidsbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde beschikken allemaal over een geluidluwe gevel. Dit betekent dat op minimaal één gevel van een woning de geluidbelasting de 48 dB niet overschrijdt vanwege wegverkeerslawaai. De geluidbelasting vanwege de Groene Zoomweg overschrijdt bij geen enkele woning de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Op de wegen in de wijk wordt een snelheidsregime gehanteerd van maximaal 30 km/uur. De wet geluidhinder is daarmee niet van toepassing.

Over de toegangswegen vanaf de rotonde met de Groene Zoomweg zal echter relatief veel verkeer rijden. In het kader van goede ruimtelijk ordening is dan ook in het akoestisch onderzoek onderzocht welke geluidbelasting er op de omliggende woningen te verwachten is.Uit het onderzoek kan geconcludeerd worden dat de geluidbelasting bij geen enkele woning hoger is dan 48 dB, de voorkeursgrenswaarde die normaliter bij toetsing aan de Wet geluidhinder van toepassing is. Dit betekent dat geconcludeerd kan worden dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 5.7.6 Externe veiligheid 5.7.6.1 Inleiding Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe

40

bestemmingsplan Drielanden - Harderweide deelplan 3 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00292-0002 wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Beleidsvisie externe veiligheid In april 2014 is de Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Harderwijk vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is de toepassing van verschillende restrictieniveaus voor het al dan niet toestaan van risicovolle bedrijven op bedrijventerreinen. Elk bedrijventerrein is gekoppeld aan een restrictieniveau. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen worden dus niet per definitie uitgesloten, maar dit is wel als restrictieniveau opgenomen.

Het oprichten van nieuwe risicovolle bedrijven buiten bedrijventerreinen wordt tevens niet per definitie uitgesloten, al moet wel rekening worden gehouden met een optimale ruimtelijke ordening en veiligheid 5.7.6.2 Onderzoek Externe veiligheid De planontwikkeling van Harderweide is in een vroegtijdig stadium afgestemd met een externe veiligheidsadviseur en de Veiligheidsregio Noord Oost Gelderland (VNOG). Hierdoor is al bij de gebiedsinrichting rekening gehouden met de risicobronnen die zich in de directe omgeving bevinden en hun plaatsgebonden risicocontouren. Zo is bijvoorbeeld de locatiekeuze van de recreatiefunctie (beperkt kwetsbare functies met een lagere personendichtheid en een hogere mate van zelfredzaamheid) dichter bij de risicobronnen gepositioneerd dan de beoogde woonfuncties. Het Projectbureau externe veiligheid van de Omgevingsdienst OVIJ heeft beoordeeld welke externe veiligheidsconsequenties voortvloeien uit de ontwikkeling van Harderweide, dus ook voor deelplan 3. In bijlage 12 is een uitgebreide beoordeling van de nabij Harderweide gelegen risicobronnen opgenomen. Daarnaast is er destijds voor deelplan 2 nog een QRA gedaan voor het tankstation langs de A28.

41

bestemmingsplan Drielanden - Harderweide deelplan 3 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00292-0002 5.7.6.3 Risicobronnen Nabij Harderweide is één stationaire risicobron gelegen, te weten het lpg tankstation Drielander aan de A28 en twee mobiele risicobronnen, namelijk de Spoorlijn Zwolle - Amersfoort en de A28 (Rijksweg). Deelplan 3 ligt op circa 250 meter afstand van de A28 en op meer dan 600 meter afstand van het tankstation. De afstand tot de spoorlijn is circa 1800 meter. De woonfunctie in het plangebied wordt beschouwd als een kwetsbaar object.

Uit de QRA kan geconcludeerd worden dat deelplan 3 buiten de effectafstanden uit de Circulaire effectafstanden LPG-tankstations ligt. De rijksweg A28 en de spoorlijn Amersfoort – Zwolle hebben geen plaatsgebonden risico contour. Het plangebied ligt buiten het plasbrandaandachtgebied (PAG, 30 meter) van de rijksweg A28. Het tankstation, de spoorlijn en de rijksweg A28 leveren dan ook geen belemmering op voor de ontwikkeling van deelplan 3. Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Amersfoort-Zwolle (op circa 1800 meter afstand). Weliswaar neemt de personendichtheid toe maar op een zodanige afstand dat de hoogte van het groepsrisico niet rekentechnisch in beeld gebracht behoeft te worden. Wel zal in de volgende paragraaf ingegaan worden op de onderdelen zelfredzaamheid en rampenbestrijding. 5.7.6.4 Verantwoording Groepsrisico Ten behoeve van de ontwikkeling van Harderweide en de verantwoording van het groepsrisico is twee keer advies opgevraagd bij de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG). Beide adviezen (kenmerk 17-37916/17-053272 en 17-37916/18-056588) zijn meegenomen in de verantwoording groepsrisico. In lijn met de gedachte van het Bevi (artikel 12 lid 1) en het BevT (artikel 7 ) is in een vroeg stadium met verschillende disciplines gekeken naar de locatie voor de nieuwe woonwijk en de nadere invulling van de woonwijk.

In het plan is een waterbergingsgebied direct gesitueerd aan de A28 en is gekozen om een hogere dichtheid van woningen op grotere afstand van de rijksweg te situeren. 5.7.6.5 Maatgevende scenario's Zowel voor het LPG tankstation als voor het transport over de spoorlijn Amersfoort-Zwolle en de rijksweg A28 is sprake van brandbare gassen en toxische vloeistoffen/gassen. De maatgevende scenario´s voor de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid waarbij het plangebied binnen het invloedsgebied van brandbare gassen en toxische vloeistoffen/gassen ligt is een BLEVE, een wolkbrandexplosie en een toxische wolk. Onderstaand is vanuit deze scenario's ingegaan op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. 5.7.6.6 De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident te beperken of te voorkomen. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van de primaire bluswatervoorzieningen worden bestreden door de brandweer. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

42

bestemmingsplan Drielanden - Harderweide deelplan 3 (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00292-0002 5.7.6.7 De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Het plangebied valt in zijn geheel buiten het bereik van de bestaande WAS-palen. De zelfredzaamheid van de aanwezige mensen binnen het plangebied kan vergroot worden door het gebruik van NL-alert. Burgers zullen dan zelf het initiatief moeten nemen om hun mobiele telefoon hiervoor geschikt te maken. Waarschuwen bij een dreigende ramp is op die manier voldoende geborgd. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen, is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Bij een wolkbrandexplosie scenario is het advies om te vluchten van de risicobron af. 5.7.6.8 Conclusie externe veiligheid Op basis van de hierboven genoemde overwegingen kan worden geconcludeerd dat er voldoende mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid zijn. Dit betekent dat er geen nadere eisen aan het plan worden gesteld in het kader van het milieuaspect externe veiligheid.

5.7.7 Luchtkwaliteit 5.7.7.1 Wet milieubeheer Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet Milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (<3% van de jaargemiddelde grenswaarde); een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking treedt nadat de EU derogatie heeft verleend. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De achtergrondconcentraties van deze twee stoffen liggen het dichtst bij de grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer, behorende bij titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen. Overschrijdingen van de grenswaarden van de andere genoemde stoffen komen in Nederland nagenoeg niet voor.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Harderwijk&id=03f26c2d-5217-4c78-b816-83dbd7b7a404