(Concept) Verordening fysieke leefomgeving 2025-01
Tekst van het document
GECONSOLIDEERDE VERSIE D.D. 13 november 2025 Verordening fysieke leefomgeving Harderwijk Inhoud HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEPALINGEN ................................................................................................2 HOOFDSTUK 2: BESCHERMING MILIEU, UITERLIJK AANZIEN EN VEILIG GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN ..............................................................................................................................................10 HOOFDSTUK 3: GELUIDHINDER .............................................................................................................16 HOOFDSTUK 4: NATUUR .......................................................................................................................19 HOOFDSTUK 5: STANDPLAATSEN ..........................................................................................................22 HOOFDSTUK 6: ERFGOED ......................................................................................................................23 Artikel 6.19 Overgangsbepaling.....................................................................................................27 HOOFDSTUK 7: PARKEREN ....................................................................................................................27 HOOFDSTUK 8: AFVALSTOFFEN
.............................................................................................................32 HOOFDSTUK 9: BEGRAAFPLAATSEN ......................................................................................................37 HOOFDSTUK 10: ONDERGRONDSE INFRASTRUCTUREN .......................................................................40 HOOFDSTUK 11: MARKT ........................................................................................................................46 HOOFDSTUK 12: RIOOL .........................................................................................................................48 HOOFDSTUK 13: HAVEN ........................................................................................................................49 HOOFDSTUK 14: WINKELTIJDEN............................................................................................................55 HOOFDSTUK 15: OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN ...........................................................................58
1
HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: BESCHERMING MILIEU, UITERLIJK AANZIEN EN GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN (HOOFDSTUK 2) a. Bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; b. Bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; c. Bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; d. College: het college van burgemeester en wethouders; e. Gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit Bouwwerken Leefomgeving; bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; f. Geveloppervlak: de oppervlakte van de gevel tussen de onderkant, bovenkant en de hoeken van een bouwwerk; g. Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; h.
Kampeermiddel: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 5.1 lid 2 sub a van de Omgevingswet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; i. Openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; j. Rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; k. Terras: een buiten de besloten ruimte van het bedrijf liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. l. Tijdelijke handelsreclame: handelsreclame zoals bedoeld in sub g van dit hoofdstuk, met dien verstande dat deze niet langer dan 4 weken aanwezig is. m. Vrijstaande reclameborden: een handelsreclame-uiting (reclamebord) die niet is bevestigd aan een onroerende zaak maar is geplaatst op de weg; n. Weg: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994. GELUIDHINDER (HOOFDSTUK 3) a. Besluit: Besluit Kwaliteit Leefomgeving; b.
Collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal bedrijven is verbonden; c. Incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal bedrijven; d. Geluidsgevoelige gebouwen: woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven; e. Geluidsgevoelige terreinen: woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonschepen terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij het betreffende bedrijf; f. Onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. 2
NATUUR (HOOFDSTUK 4) a. Bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 4.1 aanhef en onder a. van de Wet natuurbescherming; b. Bomenlijst: de door het college meest recent vastgestelde Bomenlijst; c. Boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een omtrek van de stam van minimaal dertig centimeter op 1.30 meter hoogte boven het maaiveld gemeten en met een minimale lengte van 5 meter. In geval van meerdere stammen geldt de omtrek van de dikste stam; d. Dunning: velling die uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd; e. Hakhout: een of meer bomen die, na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; f. Houtopstand: hakhout, een houtwal of één of meer bomen, zowel in levende als in dode toestand; g. Motorvoertuig: alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen, als bedoeld in het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990; h. Bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder e van de Wegenverkeerswet 1994. STANDPLAATSEN (HOOFDSTUK 5) a. Evenement: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 2:24 Apv; b.
Standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. c. Onder standplaats wordt niet verstaan: I. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet of; II. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 Apv. ERFGOED (HOOFDSTUK 6) a. Archeologisch monument: terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen; b. Archeologische vondst: overblijfsel, voorwerp of ander spoor van menselijke aanwezigheid in het verleden afkomstig van een archeologisch monument; c. Cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden; d.
Cultuurgoed: roerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed; e. Gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; f. Minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; g. Normaal onderhoud: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde; h. Omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet; i. Rijksmonument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister; j. Stads- en dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun 3
wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden. PARKEREN (HOOFDSTUK 7) a. RVV 1990: het Reglement verkeersregels en verkeerstekens van 26 juli 1990, Stb 459; b. Motorvoertuig: alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen, als bedoeld in het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990; c. Parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen, als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990). d. Houder: degene die naar de omstandigheden als houder van een voertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat voor een motorvoertuig dat is ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens als houder wordt aangemerkt degene op wiens naam het voor het motorvoertuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in het register was ingeschreven; e.
Algemene vergunning: de door het college van burgemeester en wethouders verleende vergunning krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op alle daartoe aangewezen vergunningplaatsen, parkeerapparatuurplaatsen en de kelder van het stadhuis; f. Bewoner: de belanghebbende die volgens de Basisregistratie Personen in het vergunningengebied woont; g. Gehandicaptenparkeerkaart: zoals bedoeld in artikel 85 van het RVV 1990; h. Gehandicaptenvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990; i. Parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten met inbegrip van centrale parkeermeters, centraal register en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan; j. Parkeerapparatuurplaats: een parkeerplaats behorende bij parkeerapparatuur; k. Parkeerplaats: het als zodanig aangegeven gedeelte van een weg of terrein dat bestemd is om te parkeren, dan wel parkeergarages zoals Stadhuis, Bleek, Houtwal, Vuldersbrink en Hortus; l. Centraal register: register van het ServiceHuis Parkeer- en Verblijfsrechten bestemd voor de registratie van parkeerrechten in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van gereguleerd parkeren met gebruik van een telefoon of een ander communicatiemiddel; m.
Vergunning: door het college van burgemeester en wethouders verleende parkeervergunning, waarmee het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen parkeerapparatuurplaats vergunningplaats en/of in een parkeergarage; n. Vergunningbewijs: het schriftelijk en/of digitaal bewijs van de vergunning, verstrekt door het college van burgemeester en wethouders aan de vergunninghouder; o. Vergunningplaats: een parkeerplaats die is aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990 of gelegen is binnen een zone, aangeduid met bord E9 uit bijlage I van het RVV 1990 voor zover deze plaats niet is uitgezonderd dan wel parkeergarages zoals Stadhuis, Bleek, Houtwal, Vuldersbrink en Hortus; p. Vergunninghouder: de natuurlijke of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend; q. Werker: de eigenaar of houder van een motorvoertuig wanneer deze een beroep of bedrijf uitoefent in het vergunningengebied; r. POET: adres met parkeren op eigen terrein: adres met een parkeerplaats op eigen terrein al dan niet in een garage of garagebox die volgens een raadsbesluit, bouwvergunning, 4
omgevingsvergunning, erfpachts- of splitsingsakte of huur- of koopovereenkomst toebehoort aan een specifiek adres; s. GROP: adres met geen recht op een parkeervergunning: I. adres die onderdeel uitmaakt van een bouwplan waarbij volgens een raadsbesluit, bouwvergunning, omgevingsvergunning, erfpachts- of splitsingsakte of huur- of koopovereenkomst de parkeerbehoefte volledig op eigen terrein is gerealiseerd; II. adres waarbij volgens een raadsbesluit, bouwvergunning, omgevingsvergunning, erfpachts- of splitsingsakte of huur- of koopovereenkomst vrijstelling is verleend voor het aanleggen van parkeerplaatsen; t. Deelauto: motorvoertuig met herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruik op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke personen en een aanbieder of tussen natuurlijke personen uit meer dan één huishouden; u. Deelautoplaats: parkeerplaats aangewezen voor het parkeren van een deelauto. v. Zware werker: werker die valt onder ten minste één van de volgende categorieën: zij die levensreddende of spoedeisende medische hulp verrichten of moeten verrichten in de binnenstad; zij die geregeld zware materialen moeten vervoeren of omvangrijk gereedschap bij zich hebben; zij die een winkel in de binnenstad gevestigd hebben in de uitvoering waarvan bezorging essentieel is, zijnde uitsluitend bloemenzaken, bakkers en groentezaken. AFVALSTOFFEN (HOOFDSTUK 8) a.
Bioafval: biologisch afbreekbaar tuin- en plantsoenafval, levensmiddelenafval en keukenafval afkomstig van huishoudens; b. Inzamelmiddel: voor de inzameling van afvalstoffen bestemd hulp- of bewaarmiddel, ten behoeve van een huishouden; c. Inzamelplaats: daartoe op grond van artikel 8.4 aangewezen plaats; d. Inzamelvoorziening: voor de inzameling van afvalstoffen bestemd(e) bewaarmiddel of -plaats ten behoeve van meerdere huishoudens; e. Perceel: perceel waar geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. BEGRAAFPLAATSEN (HOOFDSTUK 9) a. Begraafplaats(en): de begraafplaatsen Oostergaarde en Elzenhof; b. Graf: een zandgraf of keldergraf; c. Grafkelder: een betonnen of gemetselde constructie waarin een of meerdere lijken worden begraven of asbussen worden bijgezet; grafkelders kunnen onderdeel zijn van een bovengrondse muur of wand; d. Asbus: een bus ter berging van as van een overledene; e. Urn: een voorwerp ter berging van een of meer asbussen; f. Particulier graf: een graf waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot: i. het doen begraven en begraven houden van lijken; ii. het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen; iii. het doen verstrooien van as. g. Algemeen graf: een graf bij de gemeente in beheer waarin gelegenheid wordt geboden tot het doen begraven van lijken; h.
Particulier urnengraf: een graf waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot: i. het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen; ii. het doen verstrooien van as. 5
i.
Algemeen urnengraf: een graf bij de gemeente in beheer waarin gelegenheid wordt geboden tot het doen bijzetten van asbussen met of zonder urnen; j. Particuliere urnennis: een nis waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen; k. Particuliere gedenkplaats: een plaats waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend om overledenen te gedenken; l. Verstrooiingsplaats: een plaats waarop as wordt verstrooid; m. Grafbedekking: gedenkteken en grafbeplanting op een graf, gedenkplaats of verstrooiingsplaats; n. Beheerder: de ambtenaar die belast is met de dagelijkse leiding van de begraafplaats(en) of degene die hem vervangt; o. Rechthebbende: natuurlijk persoon of rechtspersoon aan wie een uitsluitend recht is verleend op een particulier graf, een particulier urnengraf of een particuliere gedenkplaats, dan wel degene die redelijkerwijze geacht kan worden in diens plaats te zijn getreden; p. Gebruiker: natuurlijk persoon of rechtspersoon aan wie een recht tot gebruik van een ruimte in een algemeen graf of een algemeen urnengraf is verleend, dan wel degene die redelijkerwijze geacht kan worden in diens plaats te zijn getreden; q.
particulier natuurgraf: een eeuwigdurende graf waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot het doen begraven en begraven houden van een lijk in een natuurlijk afbreekbaar lijkomhulsel voor onbepaalde tijd, bestaande uit een vierkant van 3 bij 3 meter waarbinnen een graf van 2 bij 1 is gesitueerd. ONDERGRONDSE INFRASTRUCTUREN (HOOFDSTUK 10) a. Regio Noord-Veluwe: samenwerking van zes gemeenten, plus de gemeenten Hattem en Heerde, waarbinnen uniforme afspraken gelden voor netbeheerders; b. Net of netwerk: samenstel van ondergrondse kabel(s) en/of leiding(en), bestemd voor het transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie (een, al dan niet openbaar elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in artikel 1.1 onder e en h van de Telecommunicatiewet); c.
Kabels en leidingen: kabels en/of leidingen als onderdeel van een net(werk), daaronder ook begrepen de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations en andere hulpmiddelen, behalve voor zover deze verbindingen en hulpmiddelen liggen binnen de installatie van een producent of van een afnemer en ook omvattende lege buizen, ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, voorbeelden van deze kabels en leidingen zijn telecommunicatie- en omroepkabels, elektriciteitskabels (koppel-, transport- en distributiekabels), gasleidingen (transport-, distributie- en dienstleidingen), waterleidingen en kabels en leidingen voor industriële netwerken; d. (huis)Aansluiting: het gedeelte van de kabel of leiding door openbare grond dat een netwerk verbindt met een netwerkaansluitpunt ten behoeve van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met d, van de Wet Waardering Onroerende Zaken, of met een ander netwerk; e. Openbare gronden: openbare gronden, als genoemd in artikel 1.1, onder aa, van de Telecommunicatiewet; f. Netbeheerder: de rechtspersoon die is aangewezen als beheerder van een net of netwerk voor de levering van elektriciteit, gas, water, aardwarmte of WKO, dan wel aanbieder is van een (al dan niet openbaar) elektronisch communicatienetwerk; g.
Grondroerder: degene, waaronder de netbeheerder, onder wiens verantwoordelijkheid of leiding graafwerkzaamheden worden verricht; h. Gedoogplichtige: degene op wie een gedoogplicht rust als bedoeld in artikel 1, van de Belemmeringenwet Privaatrecht of in artikel 5.2, eerste lid, van de Telecommunicatiewet; 6
i.
Coördinatieverplichting: de coördinerende rol van de gemeente over de aanleg, instandhouding en opruiming van alle kabels en leidingen in de gehele openbare grond binnen de gemeentelijke grenzen; j. Werkzaamheden: handmatige en mechanische (graaf)werkzaamheden in de openbare grond in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en leidingen en daarnaast alle werkzaamheden die de gemeente uit hoofde van haar functie als beheerder van openbare grond in het kader van kabels en leidingen dient uit te voeren; k. Spoedeisende reparatie of onderhoudswerk waarvan uitstel niet mogelijk is als een werkzaamheden: ernstige belemmering of storing in de dienstverlening via het betreffende net is opgetreden; l. Werkzaamheden van het aanbrengen of verwijderen van kabels en leidingen in minder ingrijpende aard: reeds aangebrachte voorzieningen (mantelbuizen); reparaties of onderhoudswerk aan kabels en leidingen met een lengte van minder dan vijfentwintig (25) meter en niet vallend onder onderdeel k van deze begripsbepalingen; het maken van (huis)aansluitingen, waarbij geen verhardingen of groenvoorzieningen worden gekruist, tot een lengte van vijfentwintig (25) meter; m. Instemmingsbesluit: besluit van het college op een aanvraag van voorgenomen werkzaamheden; n.
Werken: een constructie, of werkzaamheden, niet zijnde een gebouw, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; o. Niet-openbare kabels en leidingen (dan wel het netwerk waartoe deze behoren): leidingen die niet gebruikt worden om openbare (voor het publiek beschikbare) diensten aan te bieden; p. Marktconforme kosten: kosten zoals deze onder normale omstandigheden in een markteconomie op de desbetreffende markt worden gemaakt; q. Breekverbod: verbod voor het uitvoeren van breek- en/of graafwerkzaamheden in de grond, geldend bij extreme weersomstandigheden; r. Uitvoeringsvoorschriften: uitvoeringsvoorschriften volgens het “Handboek kabels en leidingen van de regio Noord-Veluwe”; s. Omwonenden: de bewoners en bedrijfsmatige gebruikers van alle percelen, grenzend aan het tracé van kabels en leidingen; t. Registratiesysteem: geautomatiseerd systeem waarin meldingen van (graaf)werkzaamheden aan kabels en leidingen worden verwerkt door of namens de gemeente. MARKT (HOOFDSTUK 11) a. Markt: de door het college ingestelde warenmarkt; b. Standplaats: de ruimte die voor de duur van de markt is aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel; c. Vaste standplaats: de standplaats die voor onbepaalde tijd ter beschikking is gesteld aan een vergunninghouder; d.
Dagplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als vaste standplaats is toegewezen dan wel ingenomen; e. Standwerken: de activiteit voor de verkoop van één artikelsoort waarbij de vergunninghouder publiek om zich heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende uiteenzetting probeert over te halen tot de aankoop van een artikel; f. Standwerkersplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld om te standwerken; g. Vergunninghouder: degene aan wie door het college vergunning is verleend voor het innemen van een standplaats; h. Anciënniteitlijst: de lijst van vergunninghouders van een vaste standplaats; i. Marktmeester: de persoon die als zodanig is aangewezen door het college. 7
RIOOL (HOOFDSTUK 12) a. Hoofd: de directeur van het domein Stad en Omgeving; b. Eigenaar: de beheerder van- en voorts ieder, die krachtens enig zakelijk recht, bezit daaronder begrepen, beschikking heeft over enig onroerend goed; c. Hoofdriool: de doorgaande rioolleiding in de openbare weg; d. Dienstriool: de rioolleiding, welke loopt van het hoofdriool tot de plaatsen van afvoer van het aangesloten perceel. HAVEN (HOOFDSTUK 13) a. behoudsorganisatie: rechtspersoon die het behoud van varend erfgoed of traditionele vaartuigen nastreeft; b. FVEN (Federatie Varend Erfgoed Nederland): de FVEN is de overkoepelende organisatie van de behoudsorganisaties voor historische schepen. De FVEN behartigt de gemeenschappelijke belangen van de behoudsorganisaties, en coördineert en stimuleert activiteiten die van belang zijn voor het Varend Erfgoed. Daarnaast faciliteert de koepel de behoudsorganisaties, waaronder de registratie in het Register Varend Erfgoed Nederland (RVEN); c. Historisch schip: een vaartuig dat bestemd is en gebruikt wordt om te varen en dat dient te voldoen aan het toetsingskader zoals omschreven in artikel 13.1, lid 5 en de uitwerking ervan zoals vastgelegd in nadere regels; d.
Havenmeester: de door burgemeester en wethouders als zodanig aangewezen functionaris / ambtenaar, zijn plaatsvervanger, alsmede bij afwezigheid van hen de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, belast met het toezicht op het openbaar water; e. Havens en wateren: alle havens voor de beroepsvaart en pleziervaart alsmede alle andere bevaarbare wateren binnen de grenzen van de gemeente Harderwijk; f. Kade: een aan een haven grenzend gebied; g. Ligplaatsenkaart: door burgemeester en wethouders vast te stellen kaart met daarop aangeduid ligplaatsen voor verschillende categorieën schepen en gedeelten van openbaar water waar het verboden is met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel beschikbaar te stellen; h. Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; i. RVEN (Register Varend Erfgoed Nederland): de RVEN is een register waarin schepen zijn opgenomen die voldoen aan de criteria van de FVEN en de bij de FVEN aangesloten behoudsorganisaties voor het type schip; j. Schip: elk vaartuig, hoe ook genaamd en van welke grootte, inhoud, toerusting of inrichting het ook zij, dat feitelijk wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel tot verplaatsing te water; k.
Vaartuig: elk drijvend lichaam dat wegens zijn drijfvermogen wordt gebruikt, dan wel bestemd of geschikt is voor het vervoer te water van personen of goederen/en drijvend lichaam voor vervoer of transport over wateroppervlakten; l. Vaste ligplaats: ligplaats bedoeld voor vaartuigen die ligplaats mogen innemen op grond van een vergunning; m. Wonen: het wonen op een historisch schip, voor zover dit past binnen de wettelijke kaders, waaronder het omgevingsplan en de ligplaatsenkaart; n. Adviescommissie: Adviescommissie omgevingskwaliteit als bedoeld in de Verordening op de adviescommissie Omgevingskwaliteit. WINKELTIJDEN (HOOFDSTUK 14) a. de wet: de Winkeltijdenwet; 8
b. feestdagen: Nieuwjaarsdag, Eerste Paasdag, Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Eerste Pinksterdag, Tweede Pinksterdag, Eerste Kerstdag en Tweede Kerstdag. c. SBI: Standaard Bedrijfsindeling 2008 van de Kamer van Koophandel (versie SBI codering 2018). Wanneer de in deze verordening genoemde SBI wordt gewijzigd door de Kamer van Koophandel, dan moet voor de in deze verordening genoemde SBI de meest recente SBI worden gelezen, zoals gepubliceerd door de Kamer van Koophandel. Artikel 1.2 Toepassingsbereik Deze verordening is van toepassing op het grondgebied van de gemeente Harderwijk. Artikel 1.3 Doelen van de verordening De doelen van de Verordening Fysieke Leefomgeving Harderwijk zijn: a. een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit bereiken en in stand houden, en b. een doelmatig beheer en gebruik van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Artikel 1.4 Beslistermijn 1. Voor zover niet anders bepaald in de hoofdstukken van deze verordening beslist het bevoegd bestuursorgaan op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. 2. Voor zover niet anders bepaald in de hoofdstukken van deze verordening kan het bevoegd bestuursorgaan de in lid 1 genoemde termijn met ten hoogste acht weken verlengen.
Hiervan dient het bevoegd bestuursorgaan de aanvrager binnen de in het eerste lid genoemde termijn in kennis te stellen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. 4. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op de aanvragen genoemd in artikel 13.4 en hoofdstuk 14. De artikelen 13.5, lid 2 en 14.1, lid 2 zijn van toepassing op het bepaalde in artikel 13.4 en hoofdstuk 14. 5. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing in deze verordening, tenzij anders bepaald in de hoofdstukken. Artikel 1.5 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1.6 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel 1.7 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1.
De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; 9
c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder van de vergunning/ontheffing dit verzoekt. Artikel 1.8 Termijnen vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 1.9 Weigeringsgronden 1. Een vergunning of ontheffing kan op algemene gronden worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Artikel 1.10 Handhaving door toezichthouders en/of opsporingsambtenaren 1.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze Verordening en de Algemene Verordening Harderwijk zijn belast: a. personen werkzaam bij team Stadstoezicht; b. buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst van de Omgevingsdienst Veluwe of een rechtsopvolger van de omgevingsdienst; en c. personen die bij besluit van het college van burgemeester en wethouders zijn aangewezen; tenzij anders bepaald in de hoofdstukken van deze Verordening of in de Algemene Verordening Harderwijk. 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid zijn de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften. HOOFDSTUK 2: BESCHERMING MILIEU, UITERLIJK AANZIEN EN VEILIG GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN PARAGRAAF 1 VERTONINGEN E.D. OP DE WEG Artikel 2.1 Voorwerpen op of aan een openbare plaats 1. Het is verboden een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien: a. het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan een openbare plaats, de bruikbaarheid daarvan belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de openbare plaats; of b. het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.9 kan een vergunning worden geweigerd: a. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; 10
3. 4.
5.
6.
b. als het beoogde gebruik op zichzelf, of in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen en reclameborden. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 11.1; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5.1; en c. terrassen als bedoeld in artikel 1.1. sub k, als hiervoor een exploitatievergunning middels artikel 2:28 Apv is verleend; d. het college is bevoegd nadere regels vast te stellen voor categorieën voorwerpen waarvoor geen vergunningsplicht zoals bedoeld in het eerste lid geldt, maar waarvoor wel een melding moet worden gedaan; e. het college is bevoegd nadere regels vast te stellen voor categorieën voorwerpen waarvoor zowel geen vergunningsplicht zoals bedoeld in het eerste lid als meldingsplicht geldt; en f. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld door de Omgevingswet, het omgevingsplan, provinciale omgevingsverordening, of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of een provinciale verordening. Het is verboden zonder melding aan het bevoegde bestuursorgaan voorwerpen aan te brengen of vast te maken aan bomen of aan objecten die zijn bestemd voor of gebruikt worden ten behoeve van de openbare dienst.
Artikel 2.2 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend: a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij het omgevingsplan of voorbereidingsbesluit; of b. door het college in de overige gevallen. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Artikel 2.3 (Omgevings)vergunning voor het maken en veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag: a. een uitweg te maken naar de weg; b. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van: a. de bruikbaarheid van de weg; b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c.
de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente; 11
dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. e. f.
Artikel 2.4 Gedoogplicht aanduidingen 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, straatnaamborden, daarbij behorende onderschriften daaronder begrepen, huisnummers en wijkaanduidingen of andere voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting, worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het college geeft tevoren schriftelijk kennis aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid van hun voornemen over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van straatnaamborden, daarbij behorende onderschriften daaronder begrepen, huisnummers en wijkaanduidingen. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringwet Privaatrecht. 4. Het is verboden enige aanduiding als bedoeld in het eerste lid, te verwijderen, wijzigen, beschadigen, verplaatsen of onleesbaar te maken. 5. Het in het vierde lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. 6. Het in het vierde lid bepaalde geldt niet voor de rechthebbende op een bouwwerk die met inachtneming van het door het college vastgestelde huisnummer de aanduiding hiervan in afwijkende vorm wenst aan te brengen. Het college kan ter zake nadere regels stellen.
PARAGRAAF 2 VEILIGHEID OP DE WEG OF OP EEN ANDERE PLAATS Artikel 2.5 Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel 2.6 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in stuifzandgebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode en/of als een fase 2 (voorheen: code rood) is afgegeven voor natuurgebieden, zolang deze fase 2 van toepassing is; b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2. De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 3. De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel 2.7 Objecten onder hoogspanningslijn 1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas 12
of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig functioneren van de hoogspanningslijnen en de veiligheid daarvan en vooraf hierover schriftelijk advies is ingewonnen van de beheerder van de betrokken hoogspanningslijnen. 3. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Artikel 2.8 Veiligheid op het ijs 1. Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of een provinciale omgevingsverordening.
PARAGRAAF 3 BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING Artikel 2.9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. Artikel 2.10 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen, als bedoeld in art. 1.1 hoofdstuk 2 onder h, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2.
Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien krachtens de Omgevingswet of door of krachtens een provinciale omgevingsverordening. PARAGRAAF 4 KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN
13
Artikel 2.11 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.9 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: a. de bescherming van natuur en landschap; of b. de bescherming van een stadsgezicht. Artikel 2.12 Aanwijzing kampeerplaatsen 1. Het verbod van artikel 2.11, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 2.11, derde lid. PARAGRAAF 5 HANDELSRECLAME Artikel 2.13 Verbod aanbrengen handelsreclame zonder omgevingsvergunning 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een bouwwerk te gebruiken of het gebruik daarvan toe te laten voor het maken van handelsreclame met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a.
handelsreclame aangebracht achter de binnenzijde of op de buitenzijde van een doorzichtige raam/venster op de begane grondverdieping van een gebouw mits: per raam/venster maximaal 1/3 deel van het vensteroppervlak wordt benut voor handelsreclame indien op de buitenzijde, plat op het venster is aangebracht en niet dikker is dan 3 mm; het handelsreclame betreft van diensten of producten die in het betreffende bouwwerk of het bijbehorende perceel plaatsvinden respectievelijk worden verkocht het geen bewegende, knipperde en periodiek oplichtende handelsreclame betreft b. handelsreclame op zuilen, borden, muren of op andere bouwwerken, aangewezen door de overheid; c. handelsreclame betrekking hebbend op: openbare verkoping, aanbiedingen ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; het beroep, de dienst of het bedrijf, dat in of op het bouwwerk wordt uitgeoefend of waarvoor deze zaak is bestemd, zomede op naamborden; mits deze handelsreclame, gezamenlijk geen grotere oppervlakte hebben dan 0,50 m2en geen van alle een grotere afmeting in één richting hebben dan 1,00 meter en mits deze opschriften en aankondigingen plat zijn aangebracht op of aan het bouwwerk; d.
handelsreclame, betrekking hebbend op de naam en/of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken en/of op de naam van degenen die bij het ontwerp en/of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf en niet verlicht zijn, zulks voor zover zij feitelijke betekenis hebben; 14
e. handelsreclame aan gebouwen en in openbaar vervoer (inclusief bushokjes), indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer; f. handelsreclame op of aan een bouwwerk mits: het een wijziging betreft van een bestaande legale handelsreclame; de afmetingen (lengte, breedte en/of hoogte) niet groter worden en de positie niet wijzigt; het geen bewegende, knipperde of periodiek oplichtende handelsreclame betreft; het handelsreclame betreft van diensten of producten die in het betreffende bouwwerk plaatsvinden, respectievelijk worden verkocht. g. handelsreclame op de gevel van een bestaand bedrijfspand, die gelegen op één van de bedrijventerreinen, mits: plat aangebracht op gevel, de gezamenlijke oppervlakte van alle reclameuitingen op de betreffende gevel niet meer dan 15% van het betreffende geveloppervlak bedraagt haaks aangebracht op de gevel, niet meer dan 1 meter uit de gevel steekt; het handelsreclame betreft van diensten of producten die in het betreffende pand/perceel plaatsvinden respectievelijk worden verkocht; niet boven de dakrand uitsteekt, of op het dak is geplaatst; het geen bewegende, knipperde of periodiek oplichtende handelsreclame betreft. h.
handelsreclame op of aan een vlaggenmast, reclamezuil of reclamebord, die volgens de welstandsnota welstandsvrij is mits: het geen bewegende, knipperde of periodiek oplichtende handelsreclame betreft; het handelsreclame betreft van diensten of producten die in of bij het bijbehorende gebouw of perceel plaatsvinden, respectievelijk worden verkocht. Artikel 2.14 Tijdelijke handelsreclame 1. Het in artikel 2.13 lid 1 gestelde verbod geldt niet voor tijdelijke handelsreclame, voor zolang deze feitelijke betekenis heeft en voldaan is aan de in het tweede lid van dit artikel opgenomen criteria. 2. De in het derde lid gestelde criteria gelden niet voor reclame-uitingen in het inwendige gedeelte van het onroerend goed, ook niet als deze zichtbaar zijn vanaf de weg. 3. Tijdelijke handelsreclame zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel moet betrekking hebben op de dienst die wordt verleend of het bedrijf of het beroep dat wordt uitgeoefend in de onroerende zaak. Voor de binnenstad geldt dat het gebruik van fluorescerende kleuren of spiegelende materialen niet is toegestaan en maximaal 1 tijdelijke handelsreclame-uiting per onroerende zaak is toegestaan. 4. Tijdelijke reclame mag maximaal tweemaal per kalenderjaar per bouwwerk en per onderneming worden aangebracht. Per keer mag de tijdelijke handelsreclame maximaal 4 weken aanwezig zijn. 5.
Aan het bevoegd gezag kan, schriftelijk en onder opgaaf van redenen, worden verzocht de tijdelijke reclame voor een langere duur dan 4 weken in stand te houden. Het bevoegd gezag beslist binnen vier weken na ontvangst van het in dit artikellid bedoelde verzoek of, en zo ja, voor welke periode, de tijdelijke reclame kan worden toegestaan.
15
Artikel 2.15 Indieningsvereisten aanvraag reclamevergunning 1. Onverminderd het gestelde in de Algemene wet bestuursrecht en de ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) moet een aanvraag om omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 1, lid 1, bij het bevoegd gezag worden ingediend onder overlegging van: a. een tekening op een schaal van één op honderd, van het bouwwerk met op dezelfde schaal de plaats waar het opschrift, de aankondiging of afbeelding zal worden aangebracht. Artikel 2.16 Weigeringsgronden reclamevergunning 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 2.13, lid 1 kan worden geweigerd: a. indien de reclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. in het belang van de verkeersveiligheid; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor de omgeving gebruikers van het in de nabijheid gelegen onroerend goed. 2. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden, die uitsluitend mogen strekken ter bescherming van de belangen, die de vergunningverlening beoogt. Artikel 2.17 Eisen aan niet-vergunningsplichtige handelsreclame Het is verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in artikel 2.13 lid 2, de veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige hinder voor de omgeving te veroorzaken.
Artikel 2.18 Hardheidsclausule In gevallen dat de toepassing van deze paragraaf tot een onredelijke of onbillijke beslissing leidt, kan het bevoegd gezag, ter zijner beoordeling in afwijking van de bepalingen in artikel 2.13, 2.14 en 2.16 een handelsreclame toe staan. HOOFDSTUK 3: GELUIDHINDER Artikel 3.1 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 3.3 van deze verordening gelden niet op ten hoogste tien door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer van de volgende delen: de binnenstad van Harderwijk zoals gedefinieerd in het gemeentelijk geluidbeleid voor de binnenstad, de rest van de bebouwde- en de onbebouwde kom van Harderwijk, Hierden. 4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor de eerste collectieve festiviteit bekend. 5.
Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Bij een festiviteit, zoals bedoeld in lid 1, blijven de ramen van de ruimte(s) waarin de festiviteit plaatsvindt gesloten en worden deuren die de ruimte(s) verbinden met de 16
buitenlucht uitsluitend geopend voor het onmiddellijk doorlaten van bezoekers en goederen. In gevallen van nood is het verbod uit dit lid niet van toepassing. 7. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 3.3 van deze verordening - uiterlijk om 00.30 uur te worden beëindigd. Artikel 3.2 Kennisgeving incidentele festiviteiten 1. Het is een bedrijf toegestaan maximaal vier incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 3.3 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de vergunning ten minste vijf werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2. Wanneer een bedrijf beschikt over een goed werkende geluidssluis geldt in afwijking van lid 1 dat het de bedrijf is toegestaan om per kalenderjaar acht incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 3.3 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de vergunning ten minste vijf werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 3.
Onder geluidssluis wordt verstaan de ruimte die zich bevindt tussen de buitenlucht en de ruimte waarin de festiviteit plaatsvindt, en welke is gericht op het reduceren van geluidsoverlast door de plaatsing van twee goed sluitende deuren waarvan één toegang geeft tot de buitenlucht en één tot de ruimte waarin de festiviteit plaatsvindt en die niet gelijktijdig geopend worden. 4. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving. 5. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 6. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de bedrijf een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 7. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 3.3 van deze verordening - uiterlijk om 00.30 uur beëindigd. 8. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Artikel 3.3 Onversterkte muziek 1.
Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Besluit binnen bedrijven is de onder f. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden gelden als maximaal toegestane waarden; b. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; c. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; d. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; e. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. f. Tabel
17
7.00 – 19.00 uur
19.00 – 23.00 uur
23.00 – 7.00 uur
Lar.LT op de gevel van gevoelige gebouwen
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
Lar.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
LAmax in inen aanpandige gevoelige gebouwen
55 B(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
2. Onversterkte muziek vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een bedrijf gedurende de dag- en avondperiode, is uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 3. Indien bij het oefenen zoals bedoeld in lid 2, versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing. 4. Bij het ten gehore brengen van in lid 2 bedoeld muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 3.1 en artikel 3.2. Artikel 3.4 Overige geluidhinder 1. Het is verboden op een openbare plaats op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Van geluidhinder is sprake indien de waarden in de onderstaande tabel worden overschreden. 7.00-19.00 uur
19.00-23.00 uur
23.00-7.00 uur
18
LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A
LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
3. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 4. Het college kan terreinen of wateren aanwijzen, waar het verbod, vervat in het eerste lid, niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, (recreatie) toestellen of (bouw)machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van (geluid)hinder. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of een provinciale omgevingsverordening. HOOFDSTUK 4: NATUUR PARAGRAAF 1 HET BEWAREN VAN HOUTOPSTANDEN Artikel 4.1 Bomenlijst 1. Het college is bevoegd de bomenlijst te beheren. 2. De bomenlijst omvat ten minste een voor ieder goed herkenbare omschrijving, de standplaats, het kadastrale perceelnummer, de eigenaar en/of zakelijk gerechtigde en de reden van registratie van iedere houtopstand. 3. De eigenaar van een houtopstand die op de lijst staat, is verplicht schriftelijk aan het college mededeling te doen van: a. het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van de houtopstand anders dan door velling op grond van een verleende vergunning. De mededeling dient te geschieden binnen 4 weken na het geheel of gedeeltelijk tenietgaan; b.
de dreiging dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan als gevolg van voorgenomen werkzaamheden van welke aard dan ook. De mededeling dient te geschieden onmiddellijk indien sprake is van dreiging dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan. 4. Indien er werkzaamheden gepland staan binnen de kroonprojectie van een houtopstand die op de bomenlijst voorkomt, dient er tenminste 8 weken voor aanvang van de voorgenomen werkzaamheden een kapvergunningaanvraag te worden ingediend.
19
Artikel 4.2 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen, wanneer deze houtopstand voorkomt op de Bomenlijst, in eigendom is van de gemeente Harderwijk of zich bevindt buiten de bebouwde kom. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.9 kan de vergunning worden geweigerd op grond van: a. de natuurwaarde van de houtopstand; b. de landschappelijke waarde van de houtopstand; c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand; e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. 3. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet voor: a. zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet natuurbescherming; b. vruchtbomen die deel uitmaken van een bedrijfsmatige exploitatie; c. bomen die moeten worden gekapt krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last van het college, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4.3. d. acute noodsituaties, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4.3. e. hakhout indien de kapmaatregel noodzakelijk is voor het duurzaam in stand houden van het hakhoutelement indien niet meer dan 30% van de kroonomvang door de kapmaatregel verloren gaat; f.
dunning waarbij niet meer dan 30% van de kroonomvang verloren gaat. 4. Een vergunning voor het vellen van waardevolle bomen (categorie 2 Bomenlijst) wordt slechts verleend, indien: a. een zwaarwegend maatschappelijk belang opweegt tegen duurzaam behoud van de beschermde houtopstand, of b. naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade, en c. alternatieven zijn onderzocht. 5. Aan een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand kan het voorschrift worden verbonden dat overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen moet worden herplant. 6. Indien het niet mogelijk is om te herplanten, kan aan een omgevingsvergunning het voorschrift worden verbonden dat een geldelijke bijdrage wordt gestort in de voorziening ‘bomenfonds’. 7. Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het vijfde en/of zesde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen. 8. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder vellen mede verstaan, rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. 9. Het college kan nadere regels stellen, met betrekking tot de uitoefening van bevoegdheden uit dit artikel. Artikel 4.3 Kappen zonder vergunning en instandhoudingsplicht 1.
Indien een houtopstand, waarop het verbod van toepassing is, zonder vergunning is gekapt, legt het bevoegd gezag de verplichting op te herplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen en binnen een door haar te bepalen termijn. Is herplant op de betreffende locatie niet mogelijk dan kan per gevelde houtopstand een financiële bijdrage worden verlangd voor groencompensatie op een andere locatie binnen de gemeente.