Commentaarnota zienswijzen.pdf
Tekst van het document
Dit blijkt volgens indieners uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 november 2005 (LJN AU5840) over het toenmalige bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Harderwijk. Dit wordt volgens indieners nog eens bevestigd door een uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2738). Als een park alleen nog maar gedeeltelijk bedrijfsmatig word geëxploiteerd dan zou het volgens de afdeling te ver gaan om deze eis van verplichte bedrijfsmatige exploitatie ook te stellen aan de eigenaren van tweede woningen die de woning voor eigen gebruik of eigen verhuur hadden. Commentaar Wij volgen indiener niet in haar standpunt en verwijzen voor de beantwoording van deze opmerking naar ons commentaar bij opmerking 6.1. Wij benadrukken daarnaast dat naast de bedrijfsmatige exploitatie ook eigen recreatief gebruik is en blijft toegestaan. Opmerking 7.4 Indieners zijn van mening dat de voorgestelde gebruiksbeperking in strijd is met de rechtszekerheid. Een eigenaar moet volgens indieners kunnen vertrouwen op de gebruiksmogelijkheden van zijn recreatieverblijf zoals die in het bestemmingsplan zijn vastgelegd en hij hoeft er niet op bedacht te zijn dat daarin onverhoeds ingrijpende beperkingen worden aangebracht.
Mocht het bestemmingsplan onherroepelijk worden, dan zullen indieners een verzoek om planschade indienen door de waardevermindering van hun recreatieverblijf. Commentaar Het wijzigen van een bestemmingsplan is een mogelijkheid dat bij een wet in formele zin is gegeven en dit is niet in strijd met de rechtszekerheid. De gemeenteraad heeft bij het vaststellen van bestemmingsplannen beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Om deze reden is dan ook centrale bedrijfsmatige exploitatie voor de wisselende verhuur verplicht gesteld. In het bestemmingsplan is bovendien met een verandering rekening gehouden door het opnemen van overgangsrecht. Gelet op de huidige situatie zal echter het huidige gebruik van de recreatiewoningen niet (of nauwelijks) afwijken van het toekomstige toegestane gebruik. Een feitelijk gebruik van het overgangsrecht zal dan ook niet of nauwelijks aan de orde zijn. Indien een eigenaar meent toch schade te ondervinden van dit bestemmingsplan, dan bestaat de mogelijkheid tot het verzoek om planschade. Opmerking 7.5 Indieners zijn van mening dat het voorgestelde bestemmingsplan een vergaande en ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het fundamentele rechtsbeginsel van de contractsvrijheid.
Dit beginsel houdt in dat het partijen vrij staat een overeenkomst te sluiten met wie zij wensen, met de inhoud die zij wensen en op het moment dat zij wensen. Als eigenaren van een recreatieverblijf staat het volgens indieners straks niet meer vrij om over het gebruik ervan te contracteren met wie zij willen en op hun eigen voorwaarden. Indieners geven aan dat zij straks verplicht zijn om de exploitatie uit handen te geven aan een bedrijf dat op dit moment maar een beperkt deel van het park in eigendom heeft en bedrijfsmatig exploiteert, maar dat straks als gevolg van dit bestemmingsplan een monopolie
- 17 -
krijgt op de verhuur van de recreatieverblijven op Het Verscholen Dorp. In het licht van het beginsel van de contractsvrijheid is dit volgens indieners onbestaanbaar. Commentaar Wij verwijzen hiervoor naar ons antwoord op opmerking 6.1 en benadrukken bovendien het volgende ten aanzien van de contractsvrijheid en het door indieners gestelde fundamentele eigendomsrecht. Dat het bestemmingsplan beperkingen oplegt vormt op zichzelf geen belemmering. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (ECLI:NL:RVS:2014:1565), laat artikel 8 van het EVRM en 1 van het Eerste protocol bij het EVRM onverlet de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van de eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang (vergelijk de uitspraak van 14 april 2010, zaaknummer 200907391/1/H2) en is een bestemmingsplanregeling een zodanige regulering (vergelijk de uitspraak van 12 november 2003, zaaknummer 200301877/1). In het licht van de beleidsvrijheid bij het vaststellen van nieuwe bestemmingen en regels en evenwichtige wijze van de afweging van belangen is er geen aanleiding dat de oplegging van de centrale bedrijfsmatige exploitatie in strijd is met fundamenteel recht. Dit betreft een rechtmatige regulering van het eigendom. Zie ook Gst. 2004, 78. Deelconclusie: De zienswijze wordt niet gedeeld.
Deze zienswijze geeft geen aanleiding het ontwerpbestemmingsplan gewijzigd te laten vaststellen.
Zienswijze 8 Deze zienswijze is identiek aan zienswijze 7 met uitzondering van de gedetailleerde berekening van planschade en een extra verwijzing naar relevante jurisprudentie. Daarom zijn uitsluitend die bezwaren hieronder samengevat en beantwoord. Opmerking 8.1 Mocht het bestemmingsplan onherroepelijk worden, dan zal indiener een verzoek om planschade indienen door de waardevermindering van zijn recreatieverblijf. Indiener stelt de planschade voor zijn bungalow op totaal € 51.250 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip dat “bestemmingsplan Buitengebied – Het Verscholen Dorp” definitief wordt vastgesteld. De huidige waarde van de bungalow is volgens indiener thans € 205.000. Indiener heeft het planschadebedrag berekend op 1/4 deel van de huidige (getaxeerde) waarde omdat er sprake is van een substantiële wijziging. Commentaar Deze opmerking wordt voor kennisgeving aangenomen. Opmerking 8.2 Indiener geeft aan dat er de nodige jurisprudentie is op grond waarvan kan worden gesteld dat de vaststelling van het ontwerpbestemmingsplan op gespannen voet staat met het bedrijven van deugdelijke ruimtelijke ordening. Indiener verwijst naar ECLI:NL:RVS:2006:AW1263, de uitspraak van 9 november 2005, zaaknummer200405773/1 en ECLI:NL:RVS:2014:1147.
Het opleggen van de eis van (centrale) bedrijfsmatige exploitatie kan volgens indiener enkel nieuwvestiging treffen, zonder aan bestaande rechten te tornen. Commentaar Wij verwijzen hiervoor naar ons antwoord op opmerking 6.1. Deelconclusie: De zienswijze wordt niet gedeeld. Deze zienswijze geeft geen aanleiding het ontwerpbestemmingsplan gewijzigd te laten vaststellen.
- 18 -
Zienswijze 9 Opmerking 9.1 Indiener vindt het aanscherpen van de planregels in strijd met het algemeen belang en de structuurvisie. Indiener is van mening dat de gemeente een beheerder vrij baan geeft door in het ontwerp bestemmingsplan op te nemen dat hij de enige exploitant is. Dit betekent ongeoorloofd bestuur, dictatuur en extreme bepaling van prijzen voor nutsvoorzieningen en park beheer. Er ontstaat volgens indiener een monopolie positie, die nu al uitgebaat wordt door de “beheerder” op het gebied van de nuts voorzieningen en prijzen voor gas, elektra en water alsmede het uitbaten van extra zuiveringslasten, terwijl op de kavel door de gemeente al rioolheffing via de gemeentelijke belastingen geheven wordt. Commentaar Verwezen wordt onder meer naar ons antwoord bij opmerking 6.1. Voor ons is het van belang dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De publiekrechtelijke borging van de centrale bedrijfsmatige exploitatie, het recreatieve gebruik alsmede het verbod op permanente bewoning is van belang. Opmerking 9.2 Indiener ziet graag in het bestemmingsplan ook duurzaamheid als vitaliteit opgenomen worden. Duurzaamheid wordt volgens indiener nu de grond in geboord en overboord gezet door terug geleverde energie niet te vergoeden. Indiener stelt dat de beheerder dit zowel als in strijd met zijn eigen principes ziet als in strijd met de parkregels.
Indiener vindt dit een slecht principe voor een “vitaal” park. Commentaar Wij stimuleren het treffen van duurzaamheidsmaatregelen. Het ontwerpbestemmingsplan staat dit ook niet in de weg. Echter de fysieke mogelijkheden daartoe en de onderlinge verrekening tussen eigenaar en exploitant/beheerder is een privaatrechtelijke aangelegenheid. Opmerking 9.3 Indiener is van mening dat het opleggen van dwangsommen van € 2.500,- p/mnd ook niet bevorderlijk is voor het voeren van een recreatieonderneming. Het beleid dat per 1 april alles “schoongeveegd moet zijn” is volgens indiener niet realistisch. Woningen van huurders kunnen door bouw vertragingen 1 of 2 maanden uitlopen, waardoor de huurder langer in de woning moet blijven zitten. Commentaar Gezien de genoemde datum van 1 april verwijst indiener waarschijnlijk naar het Winterwonenbeleid. Het Winterwonenbeleid staat los van dit ontwerpbestemmingsplan. Indien er aanleiding bestaat om het beleid Winterwonen aan te passen, dan is dat een andere procedure. Dit staat los van de ruimtelijke relevantie van dit ontwerpbestemmingsplan. Deelconclusie: De zienswijze wordt niet gedeeld. Deze zienswijze geeft geen aanleiding het ontwerpbestemmingsplan gewijzigd te laten vaststellen.
Zienswijze 10 Opmerking 10.1 Indieners maken bezwaar tegen het feit dat zij niet zelf hun chalet mogen verhuren (uitlenen) aan hun kinderen, familie en vrienden maar dat zij dit zouden moeten gaan doen via de exploitant. Indieners zijn ook van mening dat de waarde van hun eigendom hierdoor sterk wordt verminderd bij eventuele verkoop. Indieners vinden dat bij eventuele verkoop de nieuwe eigenaar dit zelf moet mogen bepalen. Commentaar In het bestemmingsplan zal ter verduidelijking een begripsomschrijving van de begrippen ‘eigen recreatief gebruik’, ‘centrale bedrijfsmatige exploitatie’ alsmede ‘wisselend recreatief gebruik’ worden
- 19 -
opgenomen. Voor het beschikbaar stellen aan familie/vrienden die niet vallen onder de definitie ‘eigen recreatief gebruik’ zal met de exploitant een overeenkomst moeten worden gesloten. De inhoud van deze overeenkomst en de onderlinge afspraken (te leveren diensten en verhuurpercentages) die hierover gemaakt kunnen worden is een privaatrechtelijke aangelegenheid tussen exploitant en kaveleigenaar en wordt niet in een publiekrechtelijk instrument zoals een bestemmingsplan vastgelegd. Indien indiener meent dat er economische schade ontstaat als gevolg van dit ontwerpbestemmingsplan, dan wordt gewezen op de mogelijkheden om te verzoeken om planschade. Dit staat los van het gegeven of dit ontwerpbestemmingsplan conform een goede ruimtelijke ordening is. Opmerking 10.2 Indieners nemen het de gemeente kwalijk dat zij niet persoonlijk zijn geïnformeerd over dit bestemmingsplan omdat zij als eigenaar niet woonachtig zijn in Harderwijk maar in Montfoort. Commentaar Wij hebben de publicatie van de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan op de gebruikelijke en wettelijk verplichte wijze gepubliceerd in het Gemeenteblad. Ook is een verkorte publicatie in de Harderwijker Courant vermeld. Eigenaren zijn zelf verantwoordelijk voor de belangenbehartiging van hun eigendom.
Om toekomstige berichtgevingen te ontvangen zou indiener op www.overheid.nl een berichtenservice kunnen inschakelen waarbij hij zelf kan aangeven waarover indiener automatische meldingen zou willen ontvangen. Deelconclusie: De zienswijze wordt niet gedeeld. Deze zienswijze geeft geen aanleiding het ontwerpbestemmingsplan gewijzigd te laten vaststellen.
5. Samenvatting In totaal zijn tien verschillende zienswijzen behandeld. Van deze zienswijzen wordt voorgesteld de zienswijzen die zijn genummerd met 1 tot en met 5 te delen en de zienswijzen genummerd als 6 tot en met 10 niet te delen. Doordat er bij twee zienswijzen standaardbrieven zijn gebruikt die door respectievelijk 17 en 36 mensen zijn ingediend, kan worden gesteld dat er uiteindelijk 21 zienswijzen worden gedeeld. Dit zijn positief geformuleerde zienswijzen. Van de 61 zienswijzen zijn er 40 zienswijzen niet gedeeld. Dit zijn de negatief geformuleerde zienswijzen. Het delen van de zienswijzen 1 tot en met 5 leidt tot een voorstel voor gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan. Het gaat om de volgende wijzigingen van de planregels: Om misverstanden te voorkomen worden de begrippen ‘recreatief gebruik’, ‘eigen recreatief gebruik’ en ‘’wisselend recreatief gebruik’ gedefinieerd en het vetgedrukte woord centrale extra toegevoegd aan het bestaande begrip ‘centrale bedrijfsmatige exploitatie’. -
1.5 gecentraliseerde bedrijfsmatige exploitatie en beheer: het in het kader van de uitoefening van een recreatiebedrijf centraal exploiteren en beheren van centrale voorzieningen en recreatiewoningen en –verblijven, uitsluitend ten behoeve van wisselende recreatieve (nacht)verblijfsmogelijkheden, zodanig dat de ingebruikgeving aan derden van alle tot het recreatieterrein behorende recreatiewoningen en -verblijven is ondergebracht bij één centrale exploiterende organisatie;
-
1.6 recreatief gebruik Gebruik primair gericht op ontspanning of vrijetijdsbesteding;
-
1.7 eigen recreatief gebruik recreatief gebruik van een recreatiewoning door uitsluitend de eigenaar dan wel groep personen waarmee de eigenaar een (duurzame) gemeenschappelijke huishouding voert en die zijn/haar/hun sociaal maatschappelijk leven en hoofdwoonverblijf elders hebben. Indien het huishouden uit twee of meer personen bestaat, betreft het een leefvorm of samenlevingsvorm met een continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid.
- 20 -
-
1.8 wisselend recreatief gebruik recreatief gebruik niet zijnde eigen recreatief gebruik.
Om misverstanden te voorkomen worden de leden a en b van artikel 11.1 samengevoegd en verduidelijkt. De tekst komt als volgt te luiden: -
Het bepaalde in artikel 11.1 onder a wordt dan vervangen door: a. verblijfsrecreatieve voorzieningen met bestaande bijbehorende ondersteunende horeca, met dien verstande dat: 1. het aantal recreatiewoningen niet meer mag bedragen dan 133; en 2. de recreatiewoningen uitsluitend mogen worden opgericht en gebruikt voor eigen recreatief gebruik; en 3. uitsluitend via één en dezelfde gecentraliseerde bedrijfsmatige exploitatie en beheer in gebruik gegeven mogen worden aan derden ten behoeve van wisselend recreatief gebruik.
-
lid 11.1 onder b komt te vervallen en is niet meer van toepassing voor dit bestemmingsplan Buitengebied – Het Verscholen Dorp.
Harderwijk, oktober 2022