Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing Holzstraat_Zeestraat
Tekst van het document
Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, dan wel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000- gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Veel Natura 2000-gebieden gebieden zijn kwetsbaar voor stikstofdepositie; stikstofdepositie vormt een bedreiging voor verschillende Habitattypen en de leefomgeving van verschillende Habitatsoorten. Om het effect van deze emissie te onderzoeken heeft BiedtRuimte een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de bouwfase (tijdelijk karakter) en de gebruiksfase. Uit het onderzoek, dat als bijlage 2 is opgenomen, blijkt het volgende. De activiteiten in de ontwikkelfase leiden gezamenlijk tot een Nox-emissie van 7,1 kg/jaar en een NH3 emissie van 0,3 kg/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit tijdens de ontwikkelfase, leidt niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied.
De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dus ook geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden De activiteit in de gebruiksfase leidt tot een Nox-emissie van 3,7 kg/jaar en een NH3-emissie van 0,5 kg/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de gebruiksfase, leidt niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dan ook geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden. Als gevolg van de ontwikkel- en gebruiksfase vindt er geen toename van depositie plaats in Natura 2000-gebied. Er zijn geen rekenresultaten die leiden tot een significant negatief effect op deze natuurgebieden. De voorgenomen activiteiten in de ontwikkel- en gebruiksfase leiden niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden Conclusie Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot de aspecten flora & fauna.
25
4.4 Bodem Beleidskader Bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan en/of bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van een plan. Voor een bestemming zoals wonen, gelden andere normen dan voor bijvoorbeeld de bestemming bedrijven. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Analyse Het plan voorziet in het bouwen van een appartementengebouw. Omdat sprake is van een milieugevoelige functie dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. Daarom heeft een verkennend bodem- en asbestonderzoek plaatsgevonden in het plangebied, op basis van norm NEN 5725. De resultaten zijn als bijlage 3 opgenomen. Ten behoeve van het onderzoeken zijn boringen uitgevoerd. In de bovengrond en in het grondwater zijn verontreinigingen aangetoond. Ter plaatse van boring 2 is de bovengrond sterk verontreinigd met lood.
Aangezien er minder dan 25 m³ grond sterk verontreinigd is met lood, is er geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Aangezien er gebruik gemaakt wordt van infiltratiekratten wordt deze grond gesaneerd (15 m3). Ook dient er dient voorkomen te worden dat er vermenging ontstaat met de schone grond. De sterk verontreinigde grond mag niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van het bevoegd gezag (gemeente Harderwijk). Voorafgaande aan de sanering dient een saneringsplan opgesteld te worden en goedgekeurd te worden door het bevoegd gezag. Een sanering mag alleen door hiervoor erkende bedrijven worden uitgevoerd. In de mengmonsters van de fijne fractie van MM FF - 01 en MM FF 02 is geen asbest aangetoond. Conclusie De grond met verontreinigde lood wordt gesaneerd omdat hier infiltratiekratten worden geplaatst. Daarnaast is er uit milieukundig oogpunt geen bezwaar tegen de geplande nieuwbouw, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).
4.5 Geluid Beleidskader Geluidsoverlast kan worden veroorzaakt door industrielawaai, railverkeerslawaai, wegverkeerslawaai en luchtverkeerslawaai. De Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet kennen grenswaarden voor geluid. Bepaalde geluidgevoelige objecten mogen alleen worden toegelaten als zij geen ontoelaatbare geluidsbelasting ondervinden. Daartoe moeten op grond van artikel 3.3.1 Besluit ruimtelijke ordening zones in het bestemmingsplan worden opgenomen rond geluidbronnen. Het bestemmingsplan moet de ligging en de afmetingen van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen gelegen binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder aangeven. Als een bepaalde bestemming en/of een bepaalde geluidsbron niet in de Wet geluidhinder of Luchtvaartwet is geregeld, moet in het kader van de goede ruimtelijke ordening toch een akoestische afweging gemaakt worden. Analyse
26
Onderliggend plan maakt de functie ‘wonen’ mogelijk. Deze bestemming dient als geluidsgevoelig te worden aangemerkt. Uit een analyse van de omgeving blijkt dat het plangebied ligt binnen de 26 invloedssfeer van enkele wegen. Daarom heeft onderzoek naar wegverkeerslawaai plaatsgevonden. De resultaten van het onderzoek zijn als bijlage 4 opgenomen. In het uitgevoerde onderzoek zijn de geluidsbelastingen gepresenteerd ten gevolge van het wegverkeerslawaai afkomstig van de provinciale weg N302, Knardijk west, Newtonweg en de 30 km/uur wegen de Holzstraat, Zeestraat en Laan 1940-1945. Resultaten onderzoek Ter plaatse van de ontwikkelingen wordt vanwege de geluid gezoneerde wegen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB volgens de Wet geluidhinder voldaan. Een hogere waarde procedure is daarom niet van toepassing. Vanwege het wegverkeer op de 30 km/uur wegen Holzstraat/ Hendric Stevinstraat en de Zeestraat bedraagt de geluidsbelasting respectievelijk 49 en 50 dB inclusief 5 dB correctie volgens artikel 110g Wgh. Dit is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, maar lager dan het ambitieniveau volgens het geluidsbeleid van 58 dB en de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB volgens de Wgh. Volgens het gemeentelijk geluidsbeleid geldt voor de 30 km/uur wegen tot een afstand van 12 meter vanaf de ontwikkeling een motiveringsplicht.
Overwogen wordt dat het treffen van maatregelen aan de wegen zelf of in de vorm van een afscherming redelijkerwijs niet mogelijk zijn. Daarmee resteert het zorgen voor voldoende geluidswering zodat in de woningen sprake is van een aanvaardbaar binnenniveau. Vanwege 30 km/uur wegen zijn hogere waarden niet van toepassing, formeel is een onderzoek naar de geluidswering van de gevels daarom niet verplicht. Geadviseerd wordt om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen wel te streven naar een binnenwaarde van 33 dB volgens afdeling 3.1 uit het Bouwbesluit. Met een aanvullend akoestisch onderzoek naar de geluidswering van de gevels kan worden aangetoond dat aan het Bouwbesluit wordt voldaan. Hiervoor dient volgens het geluidsbeleid de gecumuleerde geluidsbelasting te worden gehanteerd. De gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt ten hoogste 56 dB. Hiermee wordt voldaan aan het gemeentelijk geluidsbeleid dat deze niet hoger mag zijn dan 63 dB. Er is daarmee geen sprake van een onacceptabel leefklimaat. Ook dient volgens het geluidsbeleid een woning met een geluidsbelasting tussen de 48 en 53 dB over tenminste één geluidsluwe gevel te beschikken. Uit de rekenresultaten blijkt dat de noordgevel van de woningen geluidsluw is. Conclusie Voorliggend plan is op basis van het aspect akoestiek uitvoerbaar.
4.6 Water Beleidskader Europees en nationaal beleid Duurzaam, schoon oppervlaktewater en bescherming van het drinkwater voor de toekomst. Dat zijn, heel in het kort, de belangrijkste doelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Waterbeheer 21e eeuw (WB21), die samengaan zijn in het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Europese Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater op orde komt. Oppervlaktewater moet voldoen aan normen voor bepaalde chemische stoffen (waaronder de zogeheten prioritaire (gevaarlijke) stoffen). Worden die normen gehaald, dan spreken we van ‘een goede chemische toestand’. Daarnaast
27
moet het oppervlaktewater goed zijn voor een gevarieerde planten- en dierenwereld. Is dat het geval, dan heet dat ‘een goede ecologische toestand’. Hieronder valt ook een groot aantal andere chemische stoffen dan de hierboven al genoemde prioritaire (gevaarlijke) stoffen. Voor het grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Daarnaast moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen bijvoorbeeld natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand (goede kwantitatieve toestand). In de geldende Europese richtlijnen en de EU-richtlijn Prioritaire Stoffen staat precies omschreven wat een goede chemische toestand voor oppervlaktewater is. De ecologische doelstellingen stellen de lidstaten onderling vast in zogeheten (internationale) stroomgebied-beheersplannen. Voor verschillende typen wateren gelden verschillende ecologische doelstellingen. In een plas leven bijvoorbeeld andere planten- en dierensoorten dan in kustwater. Daarom verschillen de ecologische doelen per watertype. De chemische normen zijn bij ieder water ongeveer hetzelfde, met uitzondering van de nutriënten. Daarvoor geldt weer wel een benadering die per watertype kan verschillen. Waterwet De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de watersysteembenadering centraal.
Er wordt uitgegaan van het geheel van relaties tussen waterkwaliteit, waterkwantiteit, oppervlaktewater, grondwater, watergebruikers en grondgebruikers. Hierbij wordt het kader geschept voor het Nederlandse waterbeheer in de komende decennia. Per 1 januari 2017 is de Waterwet gewijzigd. De beoordeling van de veiligheid van primaire waterkeringen wordt nu gebaseerd op de overstromingskans. In 2050 moeten de waterkeringen voldoen aan de normen die per 1 januari 2017 van kracht zijn. Waterbeheer 21e eeuw De commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) is gevraag advies uit te brengen over de waterhuishoudkundige inrichting van Nederland, rekening houdend met ontwikkelingen zoals klimaatverandering, bodemdaling en zeespiegelstijging. Deze ontwikkelingen stellen strengere eisen aan het waterbeheer. In WB21 wordt uitgegaan van twee principes (tritsen) voor duurzaam waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheer: - Vasthouden, bergen en vertraagt afvoeren; - Schoonhouden, scheiden en zuiveren. Bij ‘vasthouden, bergen, afvoeren’ wordt regenwater zoveel als mogelijk bovenstrooms vastgehouden in de bodem en het oppervlaktewater. Wanneer toch een wateroverschot ontstaat, wordt het water eerst tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en dan pas afgevoerd.
Bij ‘schoonhouden, scheiden en zuiveren’ gaat het om een voorkeurvolgorde, waarbij de voorkeur uitgaat naar het voorkomen van verontreiniging (schoonhouden). Als toch verontreiniging ontstaat, moeten schoon- en vuilwater zoveel mogelijk worden gescheiden. Ten slotte wordt het verontreinigde water zo goed mogelijk gezuiverd. Deltawet Het doel van de Deltawet, aangenomen op 28 juni 2011, is ons land nu en in de toekomst beschermen tegen hoogwater en de zoetwatervoorziening op orde houden. De afgelopen eeuw is de zeespiegel gestegen, de bodem gedaald en het is warmer geworden. Dat zet door, blijkt uit de cijfers van het KNMI. Hevigere weersomstandigheden, zoals meer regen en periodes van droogte, zijn zaken om rekening mee te houden. Het Deltaprogramma is er om de huidige veiligheid op orde te krijgen en ervoor te zorgen dat ons land is voorbereid op de toekomst. En om daarbij de juiste maatregelen te nemen voor een veilig en
28
aantrekkelijk Nederland met voldoende zoetwater. In het Deltaprogramma werken het Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen samen met maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven en kennisinstituten. Dit gebeurt onder regie van de Deltacommissaris. Naast de lopende programma’s, zoals Ruimte voor de Rivier, Maaswerken, Zwakke Schakels Kust en het nieuwe Hoogwaterbeschermingsprogramma, staan in het Deltaprogramma vijf deltabeslissingen centraal. Deze beslissingen gaan over de normen van onze belangrijkste dijken en andere waterkeringen en de strategieën voor onze waterveiligheid, over de beschikbaarheid en verdeling van zoetwater, over het IJsselmeerpeil, over de manier waarop gebieden veilig kunnen blijven zonder aan economische waarde in te boeten en over hoe bij het bouwen van buurten en wijken rekening kan worden gehouden met water. In 2014 zijn de deltabeslissingen in de Tweede Kamer besproken. Waterbeheerprogramma Waterschap Vallei en Veluwe In het Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 (BOP) koerst het waterschap Vallei en Veluwe naar een duurzame en water inclusieve leefomgeving. De BOP doelen zijn gecategoriseerd in vijf onderwerpen: Waterveiligheid, Watersysteem, Wonen en Zuiveren, Circulaire economie en Energietransitie. Het plangebied ligt in het deelgebied noord-Veluwe.
Noord-Veluwe en randmeerkust ontwikkelen zich momenteel in een goede balans tussen stedelijke ontwikkeling, landbouw, natuur en recreatie. De balans behouden tussen de natuur en de groeiende waterrecreatie op de randmeren, de energie- en landbouwtransitie zijn opgaven in de randmeerkustzone. Keur Waterschap Vallei en Veluwe Op 1 januari 2014 is de nieuwe Keur met de Algemene – en Beleidsregels van Waterschap Vallei en Veluwe in werking getreden. Het waterschap stelt deze regels vast ter behartiging van de waterschapstaak en het bereiken van de doelstelling zoals genoemd in artikel 2.1 van de Waterwet. Alle handelingen in of nabij een waterstaatswerk worden hieraan getoetst. Een belangrijk principe is dat zoveel mogelijk van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegengegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen.
Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken/ draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Analyse Het waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd over voorliggend initiatief door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van vragen heeft ertoe geleid dat de ‘normale procedure’ van de watertoets is toegepast. De standaardwaterparagraaf behorende bij de normale procedure is opgenomen in bijlage 5. Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegengegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater
29
(met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoonhouden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Toets aan initiatief Binnen het plangebied wordt verharding toegevoegd. Om deze verharde oppervlakte te compenseren, moet het hemelwater op de juiste manier worden opgevangen. Het waterschap hanteert hiervoor een basisuitgangspunt van 60 mm, terwijl de gemeente uitgaat van 40 mm.
Dit komt neer op 95,3 m³ en 63,5 m³ aan benodigde opvangcapaciteit. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) in het gebied is vastgesteld op +0,9 m NAP. Om aan deze eisen te voldoen, worden binnen het plangebied twee infiltratiekrattenvelden geplaatst, elk bestaande uit 112 kratten. Deze kratten worden ondergronds geplaatst, waarbij de onderzijde op +1,35 m NAP ligt, ruim boven de GHG. Gezamenlijk hebben de 224 kratten een totale opvangcapaciteit van 92 m³. Dit ligt ruim boven de vereisten van de gemeente, maar is 3 m³ lager dan de eis van het waterschap. Wanneer het hemelwaterafvoerstelsel (HWA) wordt meegerekend, voldoet het plan ook aan de eisen van het waterschap. De twee krattenvelden zijn op het Definitief Ontwerp (DO) met elkaar verbonden, waardoor ze functioneren als communicerende vaten. Voor de berekeningen is uitgegaan van een conservatieve doorlatendheid van 10 m/d. Uit het geotechnisch bodemonderzoek blijkt echter dat de doorlatendheid in werkelijkheid aanzienlijk hoger is, namelijk 334 m/d (zie bijlage 7). Hiermee is de opvangoplossing voldoende en betrouwbaar. Het hemelwater en riool worden gescheiden afgevoerd. Het hemelwater wordt via een infiltratiesysteem opgevangen en geïnfiltreerd in de bodem, terwijl het riool uitsluitend wordt gebruikt voor de afvoer van afvalwater.
Conclusie Dit samen maakt dat er voldoende maatregelen zijn genomen om te voldoen aan het aspect water.
4.7 Bedrijven en milieuzonering Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving van een beoogde ontwikkeling worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het gaat hierbij om interne en externe werking. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de
30
grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Wanneer het plangebied en omgeving getypeerd kunnen worden als 'gemengd gebied' bedragen de hindercontouren minder. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied als: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven.’ Analyse Het plan voorziet in het realiseren van woningen. Dit is een gevoelige bestemming die binnen het bestemmingsplan al mogelijk is. In de direct omgeving van het plangebied bevinden zich overwegend woningen. Op ongeveer 80 meter van het plangebied bevindt zich een maatschappelijke bestemming. Binnen deze bestemming zijn op basis van het bestemmingsplan Zeebuurt geen activiteiten mogelijk die van invloed zijn op voorliggend plan. Conclusie Het plan is op basis van het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ uitvoerbaar.
4.8 Externe veiligheid Beleidskader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.
31
Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Beleidsvisie externe veiligheid gemeenten regio Veluwe noord 2015 De beleidsvisie externe veiligheid gemeenten in de regio Veluwe-Noord bevat een aantal algemene beleidsuitgangspunten: • • • • •
bewust omgaan met uitbreiden van bestaande risicobronnen; bewust omgaan met vestigen nieuwe risicobronnen en beperkt kwetsbare objecten; ruimtelijke scheiding van (beperkt) kwetsbare functies ten opzichte van risicobronnen; bij verhoging van het groepsrisico nagaan welke stedenbouwkundige inrichting en aanvullende maatregelen de gevolgen van calamiteiten kunnen beperken; objecten met niet-zelfredzame personen en objecten met hoge bezettingsgraad niet in de buurt van risicobronnen.
Daarnaast wordt er aanvullend op de twee wettelijke categorieën ‘beperkt kwetsbare objecten’ en ‘kwetsbare objecten’, de categorie ‘zeer kwetsbare objecten’ vastgesteld. Analyse Voorliggend plan maakt woningbouw mogelijk op een locatie waar nu ook sprake is van woningbouw. In die zin kan worden gesproken van een conserverende situatie. Desondanks is in het kader van voorliggend plan de risicokaart geraadpleegd, zoals te zien is in figuur 4.1 . In de directe omgeving bevinden zich geen Bevi-inrichtingen, transporten van gevaarlijke stoffen over weg, spoor of water en geen transporten door leidingen plaats die een belemmering vormen. De risicobronnen die het dichtst bij het plangebied liggen zijn de A28 (1.500 meter) (waarover transportroute voor gevaarlijke stoffen plaatsvindt) en het LPG-tankstation aan de Newtonweg (270 meter). Voor de A28 geldt een richtafstand van 200 meter en van de LPG-tankstation 150 meter. Beide bronnen liggen buiten de wettelijke contouren waarbij onderzoek noodzakelijk is. Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert.
Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Verder liggen er in geen kabels of leidingen in de omgeving van het plangebied die een risico vormen voor het plan. Ook op dit punt is het initiatief uitvoerbaar.
32
LPG
A28 Figuur 4.1 Uitsnede risicokaart van het plangebied (plangebied gemarkeerd met rode ster)(bron: Atlasleefomgeving) Conclusie Voorliggend plan is op basis van het aspect ‘externe veiligheid’ uitvoerbaar en voldoet aan de eisen die gesteld zijn in de beleidsvisie externe veiligheid.
4.9 Luchtkwaliteit Beleidskader Met betrekking tot de luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. In deze wet en de daarop gebaseerde regelingen - Besluit NIBM (luchtkwaliteitseisen) en Regeling NIBM (luchtkwaliteitseisen) - is getalsmatig vastgelegd dat bepaalde projecten 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor stikstof (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: - Er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; - Een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; - Een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL; - Een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Voor toekomstige bewoners dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met een zo laag mogelijke blootstelling aan fijnstof. In dit kader heeft de gemeente Harderwijk in het milieubeleid vastgelegd dat kwetsbare groepen zoveel mogelijk beschermd moeten worden tegen ongezonde lucht en geldt de volgende ambitie: "Geen nieuwe scholen, kinderdagverblijven en zorginstellingen binnen 50 meter van provinciale wegen en de snelweg. Binnen de zone van 50 tot 300 meter vanaf de snelweg is dit alleen mogelijk als hiervoor zwaarwegende financiële, landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige of vervoerskundige redenen zijn om deze functies
33
hier te plaatsen. Het college van burgemeester en wethouders beslist of hieraan wordt voldaan." Er is in dit plan geen sprake van de genoemde functies. De GGD adviseert om nieuwe gevoelige bestemmingen, inclusief woningen, bij voorkeur niet binnen 300 m van de snelweg te bouwen, onafhankelijk van de vraag of aan de grenswaarden wordt voldaan. De locatie ligt op ca. 1 km van de snelweg A28. Er hoeft dan ook niet nader getoetst te worden aan dit voorkeursadvies. Daarnaast adviseert de GGD om nieuwe gevoelige bestemmingen, inclusief woningen, bij voorkeur niet binnen 50 m van provinciale wegen te bouwen en niet direct aan drukke binnenstedelijke wegen, waarbij 'druk' gedefinieerd is als een verkeersintensiteit van meer dan 10.000 motorvoertuigen per etmaal. Analyse Het plan betreft het bouwen van 22 appartementen. Het betreft hier een plan categorie 3A.2 overeenkomstig bijlage 3a van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (milieukwaliteitseisen). Per ontsluitingsweg worden minder dan 1.500 woningen en/of minder dan 100.000 m² bvo kantoor gerealiseerd. Volgens bijlage 3B van de Regeling draagt het plan hierdoor ‘niet in betekenende mate’ bij. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof PM10/PM2,5. Het plan is niet gelegen binnen 50 m van een provinciale- of snelweg.
Er hoeft dan ook niet nader getoetst te worden aan dit voorkeursadvies. Voor de luchtkwaliteit op de appartementen is de atlas van de leefomgeving geraadpleegd, zoals te zien is in figuur 4.2 Hieruit blijkt dat het plangebied voldoet aan een goede luchtkwaliteit. Daarnaast hebben er op locatie van het plangebied al woningen gestaan. Deze twee punten samen maakt dat er sprake is van een goede luchtkwaliteit.
Figuur 4.2 luchtkwaliteit in de omgeving van het plangebied (bron: Atlasleefomgeving) Conclusie Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Daarnaast voldoet het plangebied aan een goede luchtkwaliteit. Dit samen maakt dat het project op basis van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar is.
4.10 Verkeer en parkeren Beleidskader Voldoende parkeervoorzieningen is een belangrijke voorwaarde voor bijna elke ruimtelijke ontwikkeling. De gemeente Harderwijk wenst over de mogelijkheid tot het stellen van eisen aan het parkeren te beschikken. Dit betekent dat de parkeernormen in de planregels van bestemmingsplannen opgenomen moeten worden. Het ‘Partiële
34
herziening parkeerregeling bestemmingsplannen’ beoogt de gemeentelijke Parkeernormennota Harderwijk in de geldende bestemmingsplannen van Harderwijk in te passen. Voorliggend plan dient hieraan te voldoen. Ook dient de bereikbaarheid van de locatie gegarandeerd te zijn. Analyse Bereikbaarheid Voorliggend plan vindt plaats in een bestaande woonwijk. Er is zodoende sprake van een bestaande wegenstructuur. Ter plaatse van het plangebied loopt de Holzstraat dood voor gemotoriseerd verkeer. In de nieuwe situatie wordt aan de achterzijde van het complex een parkeerplaats gerealiseerd die aan de Zeestraat wordt ontsloten. Hier is voor gekozen omdat in 2025 de gemeente de Holzstraat opnieuw wil gaan inrichten. De weg voor het complex komt te vervallen en wordt omgevormd tot fiets-/voetpad. De acht parkeervakken die daar nu liggen, worden elders in de omgeving gecompenseerd. Bijvoorbeeld aan de Zeestraat en de Laan 1940-1945. De plannen moeten nog verder uitgewerkt worden, maar dit houdt wel in dat de Holzstraat-zijde van dit complex niet meer per auto bereikbaar is. Het complex is dus per auto alleen bereikbaar via de Zeestraat. Denk daarbij ook aan bezoekers, pakketdiensten en postbezorgers. Voor de praktische bereikbaarheid en vooral ook de verkeersveiligheid is het van groot belang dat de adressering aan de Zeestraat wordt.
En dus dat de hoofdentree en de brievenbussen voorzien worden aan de entree bij het parkeerterrein. Zo creëren we ruimte om de Holzstraat groen en fietsvriendelijk in te richten. En autoverkeer daar zoveel mogelijk terug te dringen. Voetgangers en fietsers kunnen zowel gebruik maken van de bestaande infrastructuur als van de nieuwe ontsluiting aan de achterzijde van de bebouwing. Parkeren Het plan voorziet in de realisatie van 22 appartementen. Het betreft appartementen die vallen in de volgende categorie: o Huur, etage, midden/goedkoop o Rest bebouwde kom o Matig stedelijk Voor deze woningen geldt een parkeernorm van tussen de 1,0 en 1,8. In de Parkeernormennota Harderwijk is opgenomen dat voor kleinere wooneenheden, zoals studio’s (1- kamerappartementen/wooneenheden) en/of kleinere appartementen/wooneenheden (2-, incidenteel nog 3-kamer) de norm van 1,8 parkeerplaats per woning niet alleen vrij fors is, maar ook een beperkende invloed heeft op de realisatiekans van initiatieven/plannen. Op basis van de meest recente ervarings- en parkeerkencijfers van de CROW kan de parkeernorm voor kleine wooneenheden daarom worden verlaagd naar 1,2 parkeerplaats per kleinere woning (van ongeveer 50-70 m² gbo). Gezien de omvang van de appartementen (60 tot 70 m² gbo) kan worden volstaan met een norm van 1,2 parkeerplaatsen per appartement.
Dat maakt op basis van een aantal van 22 appartementen dat 22 x 1,2 = 26,4 (27) parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Van deze parkeerplaatsen worden er 22 gerealiseerd op eigen terrein achter het appartementengebouw. Daarnaast blijven de 8 parkeerplekken behouden aan de zijkant van de weg Holzstraat. Deze 8 parkeerplaatsen worden in 2025 verplaatst. Hiermee wordt invulling gegeven aan de parkeeropgave. Conclusie
35
Het voorziene plan is op basis van de aspecten ‘verkeer en parkeren’ uitvoerbaar.
4.11 Mer-beoordeling Beleidskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. 1. De initiatiefnemer stelt een aanmeldingsnotitie op. 2. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. 3. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Vormvrije m.e.r-beoordeling Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de Dlijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r.
Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang het stedelijke ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: -
Een oppervlakte van 100 hectare of meer, Een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
De oppervlakte van de voorgenomen activiteit blijft onder de drempelwaarden van 100 hectare en de bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m². De voorgenomen activiteit voorziet niet in het bouwen van 2.000 of meer woningen. De kenmerken van het project worden in toelichting hoofdstuk 2 beschreven. Daaruit blijkt dat de effecten van het plan op de omgeving beperkt zijn. De effecten hebben met name te maken met verkeer en de emissie die daardoor veroorzaakt wordt. Gezien de schaal en aard van de ontwikkeling en het voorgaande gebruik van de locatie kan gesteld worden dat ook de effecten van het verkeer en de emissies verwaarloosbaar zijn. Er treden daarmee geen effecten op kwetsbare gebieden op. Van cumulatie met andere projecten is geen sprake. Het gaat om op een opzichzelfstaande ontwikkeling. In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten in beeld gebracht in dit hoofdstuk. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit milieueffectrapportage. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.
De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit over voorliggend plan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een
36
milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
4.12 Conclusie Op basis van uitgevoerde onderzoeken en een analyse van de beoogde situatie blijkt dat ruimtelijke en milieukundige aspecten geen belemmering vormen voor het voorziene bouwplan.
37
5 Uitvoerbaarheid van het plan In overeenstemming met artikel 3.1.6 van het Bro dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een plan kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid. Bij maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het erom hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. Bij het tweede gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Ook is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een ruimtelijk plan voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is.
5.1.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De bewoners rondom het plangebied zijn door UWOON aan het begin van de planvorming actief betrokken. Er is een inloopmiddag geweest op 22 september 2022. Hier zijn omwonenden geïnformeerd en hebben zij hun input kunnen geven. Een gedeelte van deze input is verwerkt en deze plannen zijn toen weer teruggekoppeld aan omwonenden. Ook zijn er nieuwsbrieven verzonden en kent het plan een eigen projectensite op de website van Uwoon.
5.1.2 Economische uitvoerbaarheid Onderliggend initiatief wordt uitgevoerd op risico van UWOON. Alle kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van het initiatief zijn voor rekening van deze initiatiefnemer. De kosten zijn verzekerd via de AOK.
38
6 Bijlagen Bijlage 1 Impressie nieuwe situatie Bijlage 2 Stikstofberekening Bijlage 2a AERIUS-berekening ontwikkelfase Bijlage 2 AERIUS berekening gebruiksfase Bijlage 3 Bodemonderzoek Bijlage 4 Akoestisch onderzoek Bijlage 5 Watertoets Bijlage 6 Ontheffing Bijlage 7 berekening waterinfiltratie Bijlage 8 mitigatieopgave
39