CConstaterende datHarderwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Buitengebied Parallelweg 9-10

Raadsvergadering 15 februari 2024, gemeente HarderwijkBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Buitengebied Parallelweg 9-1033.091 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan Buitengebied - Parallelweg 9-10

Bestemmingsplan Buitengebied - Parallelweg 9-10 Identificatienummer: NLIMR0.0243.BP00303-0002

>

lycens.nl

Oldenzaal

Zwolle

y y

info@lycens.nl

Deventerstraat 10

Schrevenwegô

Euvelgunnerweg 25A

0541-570 730

7575 EM Oldenzaal

8024 HA Zwolle

9723 CV Groningen

Groningen

Onderdelen van dit bestemmingsplan 1

Toelichting en bijlagen

2

Regels en bijlagen

3

Verbeelding

Plandeel: T oelichting

Inhoudsopgave

Toelichting

3

Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Inleiding Aanleiding Ligging plangebied Geldend bestemmingsplan Opzet bestemmingsplan Leeswijzer

3 3 3 3 5 5

Hoofdstuk 2 2.1 2.2

Beschrijving van het plan Huidige situatie Beoogde situatie

6 6 6

Hoofdstuk 3

Beleid Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

9 9 10 11

Milieu- en omgevingsaspecten Bedrijven en milieuzonering Geur Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai Bodem Luchtkwaliteit

Besluit milieueffectrapportage

16 16 18 19 20 21 22 24 26 28 31 32 33

Juridische plantoelichting Juridische aspecten Handhaving

35 35 37

Hoofdstuk 6

Financiële uitvoerbaarheid

38

Hoofdstuk 7 7.1 7.2 7.3 7.4

Procedure Vooroverleg Inspraak Zienswijze procedure

39 39 39 39 39

3.1 3.2 3.3 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 Hoofdstuk 5 5.1 5.2

2

Externe veiligheid Water Flora en fauna Erfgoed Verkeer en parkeren Kabels en leidingen

Beroep

bestemmingsplan Buitengebied - Parallelweg 9-10

Toelichtin Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Initiatiefnemer is voornemens om de agrarisch gronden aan de Parallelweg 9 en 10 van een voormalige eendenhouderij in het 'Eendengebied' te herontwikkelen naar groene, landschappelijk ingepaste percelen met daarop twee reguliere woningen. De voormalige agrarische opstallen zijn reeds gesaneerd in het kader van de pilot sloopregeling Eendengebied. Om de bedrijfsmogelijkheden definitief uit te sluiten en de toekomstige woon- en landschapsfuncties te borgen worden de percelen herbestemd. Om het plan vervolgens juridisch-planologisch mogelijk te maken en te borgen is het noodzakelijk het geldende bestemmingsplan te herzien. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen ten oosten van de kern Harderwijk en circa 150 meter ten noorden van de A28. De locatie was in gebruik als agrarisch bedrijf. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Harderwijk, sectie B, perceelnummers 6059, 6060, 6061,6062, 6063 en 6064.

Afbeelding 1.1: Ligging en globale begrenzing van het plangebied

1.3

Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied gelden de bestemmingsplannen van de gemeente Harderwijk: 1. 'Buitengebied 2014' 2.

3

'Veegplan Buitengebied'

bestemmingsplan Buitengebied - Parallelweg 9-10

3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

'Partiële herziening Parkeemegeling' 'Buitengebied - Hoge Varenweg 4' 'Hierden Dorp - Ooster Mheenweg naast 9' 'Buitengebied - Zuiderzeestraatweg 46' 'Buitengebied - Omgeving Duinweg 8' 'Buitengebied - Duinweg 14' 'Buitengebied - Beekhuizerweg naast 25'

Bestemmingsplan

'Buitengebied 2014'

Onderstaand zijn de relevante bestemmingen met de bijbehorende regels opgesomd. Ter plaatse van het plangebied gelden de volgende (dubbel)bestemmingen en aanduidingen (zie figuur 1.2):

'Buitengebied 2014' Gronden met de bestemming 'Agrarisch' en de aanduidingen 'intensieve veehouderij' en 'bouwvlak' zijn bestemd voor de uitoefening van een intensieve veehouderij inclusief bijbehorende gebouwen. Gedeeltelijk beschikt het bedrijf nog over bouwvlakken waarop agrarische bedrijfsgebouwen gerealiseerd mogen worden. Met voorliggend bestemmingsplan is het de bedoeling om deze activiteiten onmogelijk te maken en de toekomstige functies ('Wonen' en Agrarisch met waarden Natuur- en Landschapswaarden) definitief te borgen. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' regelt de bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden die in paragraaf 4.9.1 Archeologie nader zijn gemotiveerd. Veegplan Buitengebied Op 9 januari 2020 is het ontwerp 'Veegplan Buitengebied' in procedure gebracht. De wijzigingen die in het ontwerp veeg bestemmingsplan worden doorgevoerd hebben geen betrekking op de herinrichting van het plangebied. Om deze reden wordt hier verder niet ingegaan op het toekomstige bestemmingsplan 'Veegplan Buitengebied'. Partiële herziening parkeemegeling bestemmingsplannen Op 8 februari 2018 is voor het gehele grondgebied van de gemeente Harderwijk een partiële herziening met de naam 'Partiële herziening parkeerregeling bestemmingsplannen' vastgesteld.

In dit bestemmingsplan is bepaald dat bij nieuwbouw of uitbreiding waarbij het bruto vloeroppervlak toeneemt de inrichting van

4

bestemmingsplan Buitengebied - Parallelweg 9-10

de gronden zodanig dient plaats te vinden, dat wordt voldaan aan de geldende gemeentelijke parkeernormen. Postzegelplannen » 'Buitengebied - Hoge Varenweg 4' * 'Hierden Dorp - Ooster Mheenweg naast 9' * 'Buitengebied - Zuiderzeestraatweg 46' * 'Buitengebied - Omgeving Duinweg 8' » 'Buitengebied - Duinweg 14' * 'Buitengebied - Beekhuizerweg naast 25' In stappen zijn de afgelopen jaren agrarische opstallen gesloopt ten einde elders woningen mogelijk te maken. Om de sloop van deze agrarische opstallen juridisch-planologische te verankeren zijn bovenstaande bestemmingsplannetjes opgesteld voor delen van het plangebied. Het enige doel van deze bestemmingsplannen was het juridisch borgen van de sloop van de stallen (en beëindiging van de agrarische activiteiten). Conclusie Het is noodzakelijk de bestemming ter plaatse van het plangebied te herzien om de herinrichting juridisch-planologisch mogelijk te maken en de agrarische bouwmogelijkheden te verwijderen.

1.4

Opzet bestemmingsplan

Het bestemmingsplan "Buitengebied - Parallelweg 9-10" bestaat uit de volgende stukken: * toelichting; » verbeelding; * regels. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en moeten in samenhang 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels gekoppeld teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de omschrijving, motivering en verantwoording van het bestemmingsplan.

1.5

Leeswijzer

De toelichting van dit bestemmingsplan is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. De opbouw van de hoofdstukken is zodanig dat er sprake is van een logische volgorde in vraagstelling (wat, waarom, waar, hoe). Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 een beschrijving van de bestaande situatie van het plangebied. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het relevante beleid op Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 4 wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. Vanuit de verschillende van invloed zijnde milieu- en omgevingsaspecten zoals geluid, externe veiligheid, luchtkwaliteit, ecologie en water wordt in dit hoofdstuk beschreven dat de ontwikkeling die voorliggend bestemmingplan mogelijk maakt, uitgevoerd kan worden. Hoofdstuk 5 geeft inzicht in de plansystematiek en de opzet van de regels. Hoofdstuk 6 geeft inzicht in de economische uitvoerbaarheid van het plan. In het laatste hoofdstuk van dit plan wordt ingegaan op het (voor)overleg, de inspraak en de procedure.

5

bestemmingsplan Buitengebied - Parallelweg 9-10

Hoofdstuk 2 2.1

Beschrijving van het plan

Huidige situatie

Parallelweg 9-10 Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit het braakliggend terrein waar voorheen een voormalige eendenhouderij met verschillende opstallen aanwezig was met twee bedrijfswoningen. Binnen het plangebied waren 12 verouderde opstallen gelegen, de sloop en sanering van deze agrarische opstallen is reeds uitgevoerd. Ook de bedrijfswoningen zijn nog aanwezig. Vanwege de oorspronkelijke vestiging van de eendenhouderijen wordt het gebied ook wel het eendengebied genoemd. Met name rond de Parallelweg kenmerkt het eendengebied zich door een clustering van grotere intensieve veehouderijbedrijven. De stallen rond de parallelweg zijn gebouwd in de jaren 40. Door o.a. in de loop der tijd strenger wordende milieueisen is het eendengebied in gemeentelijke structuurvisies aangewezen als studiegebied voor visievorming waarmee een duurzame invulling voor het gebied wordt beoogd. Hiermee bestaat de wens het oorspronkelijk agrarische gebied een andere functie te geven, bijvoorbeeld natuur of recreatie. De locatie ligt in de zuidelijke randzone van de Hierdense enk in de directe nabijheid van het bosgebied van de Veluwe. Door de ligging in de randzone van de Enk en de nabijheid van een Natura 2000-gebied is de locatie geen duurzame locatie voor een intensieve veehouderij.

Figuur 2.1: locatie Paraiieiweg 9-10 te Hierden

2.2

Beoogde situatie

Doel van voorliggend plan is de definitieve beëindiging van het agrarische bedrijf en het bieden van een passend juridisch-planologisch kader voor de overgebleven woningen en de landschappelijke inrichting van het gebied. Dit betekent dat de bestemming 'Agrarisch' ter plaatse van de overgebleven twee woningen wordt gewijzigd naar 'Wonen' en het overige deel van het plangebied wordt gewijzigd naar de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden' ten einde de landschappelijke inrichting van het plan juridisch te borgen. De nog overgebleven schuur met een oppervlak van ca. 300 mIXI wordt gesloopt. Daarvoor in de plaats mag een schuur met een maximum oppervlak van 150 mHterug worden gebouwd. Landschappelijke inrichting

6

bestemmingsplan Buitengebied - Parallelweg 9-10

De stallen zijn gesloopt, de gronden zijn gesaneerd en het gebied wordt volledig landschappelijk ingepast. Ten behoeve van de nieuwe inrichting is door Bureau Ruiter een landschappelijke inpassing opgesteld. Onderstaand wordt het plan globaal toegelicht. De gehele landschappelijke inpassing is opgenomen als Bijlage 2 Inrichtingsplan bij de regels van dit bestemmingsplan. De inrichting van het plangebied is grofweg te verdelen in de woonpercelen aan de zuidzijde, bloemrijk grasland (incl. lage houtopstanden) in het middengebied en hogere houtopstanden aan de noordzijde met in het midden een poel. De aan te brengen bosschages vormen de verbinding met de bosjes aan de zuidzijde en de noordwestzijde. Aan de noordzijde worden hoog opgaande houtopstanden aangebracht in de vorm bomen met in het midden een openplek met een poel. De poel zal geschikt zijn als leefgebied voor soorten waaronder vissen en reptielen, maar ook als 'kwetterplaats' voor de huismus waarin gedronken en gewassen kan worden. Gezien de grondwaterstand, dient de poel op het diepste punt drie meter diep te zijn ten opzichte van NAP, zodat er jaarrond water beschikbaar is. In het middengebied worden lage (en gedeeltelijk wintergroene) houtopstanden aangebracht rondom natuurlijk bloemrijk grasland. Met gronden die zijn vrijgekomen uit de ontgraven poel worden hoogteverschillen aangebracht in het maaiveld.

7

bestemmingsplan Buitengebied - Parallelweg 9-10

Figuur22'. Inrichtingsplan Juridische borging van het landschappelijk inrichtingsplan De realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing wordt juridisch geborgd door het als voorwaardelijke verplichting op te nemen in de regels. Het gebruik van de woonpercelen wordt strijdig indien de landschappelijke inpassing niet wordt gerealiseerd.

8

bestemmingsplan Buitengebied - Parallelweg 9-10

Hoofdstuk 3

Beleid

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten: * Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; * Duurzaam economisch groeipotentieel; » Sterke en gezonde steden en regio's; * Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-winsituaties te creëren.

In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: * Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte. » Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. * Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie In dit geval is geen sprake van een lokale ontwikkeling waarmee Rijksbelangen zijn gemoeid. Er is dan ook geen sprake van strijd met het Rijksbeleid zoals verwoord in de NOVI.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere planologische kernbeslissingen (pkb's) met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Het Barro bevat geen regels die van toepassing zijn voor het onderhavige plan. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit bestemmingsplan.

9

bestemmingsplan Buitengebied - Parallelweg 9-10

3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), artikel 3.1.6., tweede lid, zijn eisen opgenomen waaraan een bestemmingsplan moet voldoen als dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zoals een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor de omgeving. Daarom is het noodzakelijk dat in een bestemmingsplan, maar ook in een inpassingsplan van rijk of provincie of bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan, nadrukkelijk wordt stilgestaan bij de vraag of er behoefte is aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Nieuwe stedelijke ontwikkeling De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. In het onderhavige plan wordt een agrarische onderneming definitief beëindigd. Er zijn geen nieuwe (stedelijke) ontwikkelingen beoogd.

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Bij voorliggend plan worden geen nieuwe (stedelijke) ontwikkelingen gerealiseerd. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing op het voorliggende plan.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Het provinciale beleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. De visie is vastgesteld door Provinciale Staten op 19 december 2018. Het treedt in werking op 1 maart 2019. In de omgevingsvisie wordt beschreven we wat de provincie wil en moet veranderen en ontwikkelen om het Gelderland van nu door te kunnen geven aan de volgende generaties. De provincie zet daarom een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Met ‘Gezond en veilig' wordt een gezonde leefomgeving met schone en frisse lucht, een schoon milieu, voldoende schoon en veilig (drink)water en de bescherming van flora en fauna bedoeld. Daarnaast wordt ermee bedoeld dat de provincie is voorbereid op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. ‘Schoon en welvarend' betekend dat de provincie een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat kent, dat goed bereikbaar is en een goed functionerende arbeidsmarkt heeft met daarbij behorende goede kennis- en onderwijsinstellingen. Het betekent ook het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen en het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Aan deze ambitie worden met behulp van de volgende zeven onderwerpen nader richting gegeven: * * » * * * »

Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. Klimaatadaptatie: omgaan met veranderend weer. Circulaire economie; sluiten van kringlopen. Biodiversiteit: werken met de natuur. Bereikbaarheid: duurzaam verbonden. Economisch vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio. Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam.

Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik Het accent van stedelijke ontwikkelingen verschuift van nieuwbouw naar het vitaliseren van bestaande gebieden en gebouwen. Voor een goede afweging van keuzes voor locaties van nieuwe gebouwen staat de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik centraal. Met deze ladder wordt een transparante besluitvorming en een zorgvuldige ruimtelijke afweging nagestreefd. Het gaat om het tijdig afwegen van kansen en mogelijkheden om bestaande gebouwen te benutten bij overwegingen van nieuwe bebouwing. Als juridische basis gebruikt de provincie de ladder voor duurzame verstedelijking die het Rijk heeft vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In elk bestemmingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling dienen gemeenten volgens de rijksladder aan de hand van drie stappen die locatiekeuze te motiveren. Deze rijksladder is van provinciaal belang. Aangezien de juridische borging van de ladder al geregeld is in het Bro, heeft de provincie de ladder niet nogmaals opgenomen in de provinciale omgevingsverordening. In paragraaf 3.1.3 is de Ladder voor duurzame verstedelijking toegelicht.

10

bestemmingsplan Buitengebied - Parallelweg 9-10

3.2.2

Omgevingsverordening Gelderland

De Omgevingsverordening is een van de instrumenten om de ambities uit Omgevingsvisie te realiseren. Om samen een Gaaf Gelderland te bereiken, wordt de focus bij het uitvoeren van de taken op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland gelegd. In de verordening zijn alleen regels opgenomen als dit nodig is om de provinciale ambities waar te maken of wettelijke plichten na te komen. Net als de Omgevingsvisie richt de Omgevingsverordening zich op de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving. Daarom zijn bijna alle regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, verkeer en bodem in deze verordening opgenomen. Op het onderhavige plan zijn volgende artikelen van de verordening van toepassing: Artikel 2.56 (ontwikkeling in Nationaal landschap) 1. Een bestemmingsplan voor gronden binnen een Nationaal landschap maar buiten de Groene ontwikkelingszone, het Gelders natuurnetwerk en de Nieuwe Hollandse Waterlinie, maakt ten opzichte van het op 17 oktober 2014 geldende bestemmingsplan alleen bestemmingen mogelijk die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap, bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Nationale Landschappen, niet aantasten. 2. In afwijking van het eerste lid zijn activiteiten die deze kernkwaliteiten aantasten alleen mogelijk als: a. er geen reële alternatieven zijn; b. er sprake is van redenen van groot openbaar belang; c.

compenserende maatregelen plaatsvinden ter waarborging van de kernkwaliteiten van de Nationale Landschappen zoals vastgelegd in bijlage Kernkwaliteiten Nationale Landschappen. Het plangebied is gelegen binnen het Nationaal Landschap De Veluwe en het deelgebied Harderwijk-Elburg. Kernkwaliteit in dit gebied is "Het groene woonlint" met de volgende kenmerken: 1. Deel van gradiënt van stuwwal naar Randmeer: bos - essen - strokenverkaveling - blokverkaveling op strandwallen; van besloten boslandschap via kleinschaligheid naar grootschalig open; de overgang is eerst steil, daarna geleidelijk; 2. Zuid-noord stromende sloten, dekzandruggen oost-west, microreliëf; 3. Drie landgoederen in de strokenverkaveling vormen mooie ensembles; 4. Kleine kernen en lintbebouwing langs de N308 (Zuiderzeestraatweg), stedelijke gebieden van Harderwijk - Nunspeet Elburg; 5. Vroegmiddeleeuws ontginningslandschap bij Aperloo; 6. Relicten van bos en mozaïekverkaveling in het cultuurland. Toetsing: Door de herontwikkeling van het plangebied wordt bijgedragen aan de sanering landschapsontsierende agrarische bouwmogelijkheden waardoor het landschap wordt versterkt en emissie van stikstof wordt opgeheven. Conclusie Voorliggend bestemmingsplan doet geen afbreuk aan de kernkwaliteiten van het nationaal landschap. Het plan voldoet daarmee aan het provinciaal beleid.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie Harderwijk 2031

De Structuurvisie Harderwijk 2031 is op 20 december 2012 door de gemeenteraad vastgesteld. Deze integrale structuurvisie is een uitwerking van de in juni 2010 door de gemeenteraad vastgestelde stadsvisie. In de structuurvisie wordt aangegeven wat in de periode tot 2031 voor de gemeente Harderwijk de belangrijkste thema's zijn waaraan integraal gewerkt gaat worden door de gemeente, het bedrijfsleven, de maatschappelijke organisaties en door inwoners zelf. De visie is een document waar het economische, sociale en ruimtelijke beleid met elkaar in verband is gebracht. Het betreft een visie waarin kaders zijn gesteld met doelstellingen om de in de Stadsvisie verwoorde ambitie te verwezenlijken. Deze doelstellingen zijn ondergebracht in vier ontwikkelsporen: Zorgzame stad, Ondernemende stad, Aantrekkelijke stad en Verbindende stad. De structuurvisie zal fungeren als beoordeling- en sturingsinstrument op alle gemeentelijke beleidsterreinen. Het is daarmee een beleidsdocument dat de gemeente bindt. De gemeente kan daar alleen van afwijken indien daar een goede motivering voor is. Daarnaast wordt richting gegeven aan te verrichten inspanningen en te nemen maatregelen die moeten leiden tot de realisatie en totstandkoming van de in het beleid nagestreefde doelen.

De structuurvisie vormt: * een visie op de sociale, economische en ruimtelijke ontwikkelingen in Harderwijk voor de middellange en lange termijn; * een integrale visie met de hoofdlijnen van voorgenomen ontwikkelingen betreffende het leven, werken en verblijven in Harderwijk; » de wijze waarop de gemeente de doelstellingen denkt te realiseren. De algemene doelstelling is het realiseren en in stand houden van een aantrekkelijke stad om in te wonen, werken, leven en

bestemmingsplan Buitengebied - Parallelweg 9-10

verblijven. Integrale versterking van de aantrekkelijkheid van de stad worden door de gemeente bewerkstelligd door zich te richten op onderstaande subdoelstellingen: » Meer regionale centrumvoorzieningen. * Hogere kwaliteit van de woonomgeving. * Een duurzamere samenleving. * Betere banenbereikbaarheid. » Meer ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden. Ieder ruimtelijk initiatief draagt bij aan de kwaliteit van de woonomgeving. De wijze waarop dat wordt bewerkstelligd, is o.a. door: * Initiatieven bij te laten dragen aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Ter bevordering van de aantrekkelijkheid van de stad is bij iedere ruimtelijke ontwikkeling ruimtelijke kwaliteitsverbetering voorwaarde. * Waarborgen behoud van monumenten en cultuurhistorische waarden. De gemeente streeft naar het behoud, herstel en (her)gebruik van monumenten en cultuurhistorische waarden. Daartoe worden mogelijkheden gezocht om nieuwe functies toe te kennen aan monumenten. Cultuurhistorische waarden worden in ruimtelijke plannen zoveel mogelijk beschermd. * Stimuleren van aansprekende architectuur. Het ontwerp van gebouwen en plekken dient bij te dragen aan de aantrekkelijkheid van de stad.

De waarde van architectuur is: herkenbare beeldentaal uit het verleden als het ware door te vertellen, de bijdrage aan de inrichting van de openbare ruimte, gevelopeningen als ‘ogen' van de openbare ruimte, begane grond als ondersteunende functie aan de openbare ruimte, herkenbaarheid/leesbaarheid van de stad en goede architectuur is duurzaam. Bijdragen ruimtelijke ontwikkeling Artikel 6.24 Wro maakt het mogelijk in een overeenkomst over een planologische wijziging voor rode functies te bepalen dat door de ontwikkelaar ook andere ruimtelijke en maatschappelijk belangrijke functies zoals natuur, recreatie, waterberging, infrastructuur en culturele voorzieningen worden gedekt/gefinancierd. Voorwaarde voor afspraken over een bijdrage aan een ruimtelijke ontwikkeling is dat er een structuurvisie als basis moet zijn. De gemeente Harderwijk gaat in een aantal gevallen een bijdrage ruimtelijke ontwikkeling vragen. Er kan een mêlee aan overwegingen gelden bij de oordeelsvorming in welke mate in een specifiek geval de bijdrage in redelijkheid en billijkheid kan worden verlangd. Mogelijke overwegingen kunnen zijn: de marktconformiteit en de economische uitvoerbaarheid. De gemeente zal in een individueel geval de bijdrage toetsen aan het principe van marktconformiteit.

In bepaalde gevallen zal een bijdrage ruimtelijke ontwikkeling worden vereist, omdat anders de economische uitvoerbaarheid van het plan vanuit de gemeente bezien in het geding komt. Bijdrage landschappelijke versterking Elke toevoeging van een nieuwe rode ontwikkeling buiten het bestaand bebouwd gebied van de stad Harderwijk - voor het bestaand bebouwd gebied wordt verwezen naar de Beleidskaart Aantrekkelijke stad - dient gepaard te gaan met landschappelijke versterking. Deze landschappelijke versterking dient, mede gebaseerd op provinciaal beleid en de provinciale ruimtelijke verordening, plaats te vinden vanuit de gedachte dat door toevoeging van rode ontwikkelingen het landelijk gebied afneemt en daarmee de omgevingskwaliteit (verdichting van het landschap), terwijl de druk op het resterende gebied toeneemt. Hiervoor moeten compenserende maatregelen worden getroffen, omdat toevoeging van rode ontwikkelingen anders niet ruimtelijk aanvaardbaar is. Beoordeling Het Eendengebied is in de Structuurvisie Harderwijk 2031 benoemd als studiegebied. Voor studie naar nieuwe mogelijkheden in dit gebied is enerzijds gekozen vanwege het te verwachten verdwijnen van functies in het gebied en anderzijds door de behoefte aan ontwikkelingsvisie voor deze gebieden vanwege de prominente ligging. Voor het studiegebied is een pilot regeling van kracht is gegaan, zie paragraaf 3.3.3.

Voorliggend plan betreft de herbestemming van het perceel Parallelweg 9/10 te Hierden. Deze ontwikkeling geeft een kwaliteitsverbetering aan de leefomgeving. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het voorliggende plan past binnen de Structuurvisie Harderwijk 2031.

3.3.2

Structuurvisie Dorpsomgevingsplan Hierden

Specifiek voor Hierden en omgeving is in augustus 2011 de Structuurvisie Dorpsomgevingsplan Hierden opgesteld. In deze structuurvisie wordt aangegeven op welke wijze het landschap in en rondom Hierden versterkt kan worden en wordt een relatie gelegd tussen het toevoegen van nieuwe ‘rode' functies en de daarmee noodzakelijke landschappelijke versterking. Voor de Hoge Enk geldt dat de maat van de ruimte kleiner is dan die van Lage Enk en dat er veel meer sprake is van een divers gebruik. Het gebied oogt daarmee ook sterker verrommeld. De randen van het gebied zijn net als de Lage ook bepalend voor de ruimtelijke kwaliteit van de Hoge Enk.

12

bestemmingsplan Buitengebied - Parallelweg 9-10

De randen van de Hoge Enk hebben ook een rafelig karakter en worden gevormd door een grote diversiteit aan erven. De huidige kwaliteit van de erven verschilt, door gebruik te maken van de bouwsteen ‘Omvormen Boerenerf krijgen de erven een robuuste landschappelijke erfbeplanting. Omdat de rand van de enk al dicht bebouwd is, is op de Hoge Enk geen ruimte voor geheel nieuwe woonerven. Op de open enk zijn volkstuinen, paardenweides, steile taluds door vergravingen en er staan containers midden in het landschap. Met behulp van de bouwstenen ‘Paardenstal' en ‘Kleine Schuur' wordt de Hoge Enk omgevormd van een verrommeld landschap naar een landschapspark. Op de Hoge Enk wordt ingezet op het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit door onder voorwaarden ruimte te bieden aan nieuw “stadsrandfuncties". Het gebied wordt getransformeerd tot een aantrekkelijk afwisselend mozaïeklandschap met door brede hagen van elkaar gescheiden percelen die een divers gebruik kennen, zoals de volkstuinen, paardenweitjes, kleine hoogstamboomgaarden en pluktuinen. Bovendien wordt een fijn netwerk van informele paden gerealiseerd zodat een aantrekkelijk recreatief gebied ontstaat aan de rand van de stad. Het gebied zal daarmee een ander, meer dynamisch en afwisselender karakter krijgen dan de Lage Enk.

Structuurvlsiŕ DorpsomgevingspLan Hierden

Een boerenerf bestaat uit een monumentale oude boerderij of een nieuwere woning met daarachter één of meerdere stallen. Wanneer de stallen buiten gebruik raken kan ervoor gekozen worden ze af te breken en hiervoor in de plaats één of meerdere woningen te bouwen. Een transformatie als deze kan tot stand komen met behulp van de Rood voor Rood regeling. De hoeveelheid te bouwen woningen is dan afhankelijk van de oppervlakte aan gesloopte gebouwen. Uiteraard worden alleen de gebouwen gesloopt zonder monumentale waarde en waarvan geen mogelijkheid bestaat ze om te vormen tot woningen. Monumentale schuren die niet bruikbaar zijn als woning vormen een waardevolle toevoeging aan het informele boerenerf en worden gebruikt als berging en om auto's in te parkeren. Omdat deze manier van ontwikkelen geen negatieve invloed op het landschappelijk beeld zal hebben, kan het toegepast worden op boerenerven in het gehele plangebied. Wanneer nieuwe bebouwing gebouwd wordt dient deze altijd, net als een monumentaal erf, een ensemble te vormen samen met het bestaande woonhuis. Het bestaande woonhuis is daarbij de belangrijkste, de overige nieuwe woningen zijn qua maat en vormgeving ondergeschikt aan het bestaande woonhuis, ze worden sober vormgegeven geïnspireerd op de oude schuren in het gebied.

De nieuwe woningen staan altijd achter de bestaande woning en ze worden centraal ontsloten via één toegangsweg, het nieuwe erf is qua opzet vergelijkbaar met een oud boerenerf. Naast het slopen van landschapsontsierende bedrijfsbebouwing is een groene inrichting van het erf van groot belang. Aan de achterzijde van het erf wordt een groene, robuuste erfafscheiding gecreëerd, met behulp van een houtwal, hoogstamboomgaard en/of boomgroepen. De voorzijde van het erf vormt de entree. Deze is transparanter, bestaat uit lage hagen, siertuinen met solitaire bomen en eventueel ook een kleine hoogstamboomgaard. De toevoeging van nieuwe woningen (rode ontwikkelingen) moet gepaard gaan met landschappelijke versterking (zie H6 dorpsomgevingsplan). Het betreft hier een bijdrage aan de ruimtelijke ontwikkeling ex artikel 6.24 lid 1, sub a Wro ten behoeve van een landschapsversterkingsfonds. De hoogte van de landschapsbijdrage is gebaseerd op een inschatting van de daadwerkelijk te maken landschapsversterkingskosten in Hierden voor de komende 10 jaar.

13

bestemmingsplan Buitengebied - Parallelweg 9-10

De ontwikkeling is echter alleen maar te realiseren door de sloopmeters uit het Eendengebied. In de pilot sloopregeling Eendengebied is opgenomen dat de bijdrage door initiatiefnemer voor de landschappelijke versterking is beperkt tot de noodzakelijke maatregelen op het perceel waarop de nieuwe woning wordt gerealiseerd en eventueel de aangrenzende percelen. Conclusie Binnen het plangebied waren vervallen eendenschuren aanwezig met daarop asbesthoudende daken, deze zijn gesloopt. Ter plaatse van de gesloopte opstallen worden houtopstanden, lage vegetatie en bomen gepland met een verbetering van de landschappelijke kwaliteit tot gevolg. Het plan vindt daarom aansluiting bij de Structuurvisie Dorpsomgevingsplan Hierden.

3.3.3

Pilot sloopregeling Eendengebied

Op 30 maart 2017 is besloten een pilot te houden voor een sloopregeling in het Eendengebied. Het college heeft de pilot eenmalig verlengd, omdat bestaande kaders onvoldoende mogelijkheden bieden. Ook voor dit gebied is het stimuleren van de sloop van vrijgekomen eendenschuren en het gelijktijdig saneren van het aanwezige asbest een belangrijk doel. Hiermee wordt de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van ook dit gebied aanzienlijk verbeterd. Vastgestelde uitgangspunten van deze sloopregeling zijn: a. Aansluiten bij de principes van de bestaande rood-voor-rood regeling in het buitengebied, waarbij: 1. 2. 3.

b. c.

de sloop is gekoppeld aan de initiatiefnemer van een woningbouwontwikkeling; de initiatiefnemer contractpartner is voor de gemeente; de initiatiefnemer de afspraken maakt met de eigenaren van de slopen opstallen en de bodemsanering. Het streven is om zoveel mogelijk volledige bouwblokken te slopen en te saneren. De initiatiefnemer is aanspreekbaar op de daadwerkelijke sloop van voormalige bedrijfsgebouwen en stelt zich hiervoor garant. De afspraken omvatten ook afspraken over het moment van slopen en saneren; 4. de bestemming van de locaties waar gesloopt wordt, dient te worden gewijzigd en een eventuele milieuvergunning/melding dient te worden ingetrokken; 5. de afspraken worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Voor wat betreft de wenselijkheid van de woningbouwontwikkeling is de Visie op Hoofdlijnen Buitengebied Harderwijk leidend. Voor wat betreft het zoekgebied voor de te slopen opstallen deze uitbreiden met het Eendengebied, waarbij geldt dat: 1. voor het bouwen van een woning er tenminste 750 m2 aan voormalige bedrijfsgebouwen in het Eendengebied gesloopt worden; 2. de gronden waarop de opstallen hebben gestaan worden gesaneerd inclusief een zone van ten minste 5 meter rondom de opstallen (schone grond verklaring); 3. 4. 5.

alle voormalige bedrijfsgebouwen (mits legaal gebouwd) in het Eendengebied komen in aanmerking, met uitzondering van monumenten e.d.; de initiatiefnemer dient aan te tonen op welke wijze (de nieuwe) gebouwen zorgvuldig in het landschap worden ingepast, aansluitend op de gebiedskarakteristieken; de bijdrage door initiatiefnemer voor de landschappelijke versterking is beperkt tot de noodzakelijke maatregelen op het perceel waarop de nieuwe woning wordt gerealiseerd en eventueel de aangrenzende percelen. Er vindt in principe geen verevening plaats en geen verrekening van de sloopkosten.

Op basis van een evaluatie van deze regels is besloten (29 november 2019) dat de volgende aanvullende regels worden toegevoegd aan de regeling pilot Sloopregeling Eendengebied. Het gaat hierbij om: - Toevoeging differentiatie van woningen: a.

b.

Voor een recht voor het bouwen van een woning met een oppervlakte van ten hoogste 1 50mH (max goothoogte 3,50m, max bouwhoogte 9m), plus max 100 mH bijbehorende bouwwerken, moet tenminste 750mH schuren gesloopt en gesaneerd worden. Er wordt geen medewerking verleend aan een algemene afwijkingsregel met betrekking tot het veranderen van de voorgeschreven maatvoering met niet meer dan I0^į Voor een recht voor het bouwen van een woning met een oppervlakte van ten hoogste 90mH (max goothoogte 3,50m, max bouwhoogte 7m) plus maximaal 60mH bijbehorende bouwwerken, moet tenminste 450mH schuren gesloopt en gesaneerd worden. Er wordt geen medewerking verleend aan een algemene afwijkingsregel met betrekking tot het veranderen van de voorgeschreven maatvoering met niet meer dan I0%; Daarnaast wordt de mogelijkheid opgenomen om sociale huurwoningen (met een huur tot maximaal de liberalisatiegrens) te bouwen waarbij minimaal 250mH gesloopt en gesaneerd moet worden. Na 10 jaar mag de eigenaar de woningen verkopen, danwel in de vrije sector verhuren.

Doorwerking planvoornemen De eendenschuren zijn gesloopt op basis van de pilot 'Sloopregeling Eendengebied', de sloopmeters zijn ingezet voor een tal van verschillende projecten. In Bijlage I Sloopregistratieformulier is een overzicht van de sloopmeters weergegeven. Bij elk project is een klein deel van het plangebied herbestemd waardoor een lappendeken aan bestemmingsplannen is ontstaan. De

14

bestemmingsplan Buitengebied - Parallelweg 9-10

laatst overgebleven schuur met een oppervlak van ca. 300 mH wordt gesloopt en maakt plaats voor een nieuwe schuur met een oppervlak van maximaal 150 mĒü Om een algehele inpassing te krijgen is voor het gehele plangebied een nieuw plan opgesteld dat is te vinden in Bijlage 2 Inrichtingsplan bij de regels van dit bestemmingsplan.

15

bestemmingsplan Buitengebied - Parallelweg 9-10

Hoofdstuk 4

Milieu- en omgevingsaspecten

Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de in dit kader van belang zijnde milieu- en omgevingsaspecten.

4.1

Bedrijven en milieuzonering

4.1.1

Algemeen

Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wro, dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'. VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering" Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald.

Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Naast

de

gegeven

richtafstanden

hanteert

de

VNG-publicatie

twee

omgevingstypen,

namelijk:

een

rustige

woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.). Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk en buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn

4.1.2

Beoordeling

Type gebied: buitengebied Kijkend naar deze definitie omschrijving uit de VNG-brochure kan de omgeving van het plangebied getypeerd worden als een

16

bestemmingsplan Buitengebied - Parallelweg 9-10

'buitengebied'. Langs de Parallelweg, nabij het plangebied, bevinden zich veelal agrarische functies naast elkaar. Aan het plangebied grenzen agrarische percelen en woningen. De omgeving wordt derhalve beschouwd als 'buitengebied'. Milieubelastende activiteit of milieuhindergevoelige functie De her te bestemmen woningen betreffen geen milieubelastende activiteiten. Er hoeft derhalve niet te worden getoetst of omliggende milieugevoelige functies last ondervinden van de woningen als milieubelastende activiteit. Er dient wel te worden beoordeeld of ter plaatse van de deelgebieden sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat' en of omliggende milieubelastende functies in de bedrijfsvoering worden belemmerd. Tot slot wordt de agrarische bestemming met aanduiding intensieve veehouderij verwijderd waardoor de mogelijkheid om het plangebied te gebruiken voor een forse milieubelastende activiteit wordt opgeheven. Nabijgelegen milieubelastende activiteiten Om te kunnen beoordelen of in het plangebied sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat' en of omliggende milieubelastende functies in de bedrijfsvoering worden belemmerd zijn hieronder in tabel 4.2 alle nabijgelegen milieubelastende activiteiten weergegeven. Op basis van deze tabel kan geconcludeerd worden of de voorgenomen ontwikkeling belemmeringen ondervindt of oplevert van/voor omliggende milieubelastende activiteiten.

Tabel 4.2: richtafstanden Adres

activiteiten in de omgeving Omschrijving cf. systematiek VNG-richtlijn

Tweede Parallelweg 9 Tweede Parallelweg 10 Tweede Parallelweg 13 Tweede Parallelweg 1a Industriegebied Overveld Parallelweg 11

Kapper Manege Eendenhouderij Manege Maximaal categorie 4.1 Eendenhouderij

Parallelweg 12

Pluimvee- en eendenhouderij

VNG-richtafstand (m)

10 50 200 50 200 200 (geur), 50 (stof 8í geluid) 200

Werk. Milieu afstand (m) bepalend aspect 210 Geluid 210 Geur 330 Geur 240 Geur 265 100 Geur 210

Geur

In de bovenstaande tabel zijn de in de omgeving gelegen bedrijven opgenomen met de bijbehorende richtafstanden conform de VNG-publicatie 'bedrijven en milieuzonering' en de feitelijke afstand tussen de betreffende functies en de woonbestemming binnen het onderhavig plan. Industriegebied Overveld 265 meter ten westen van het plangebied is het industriegebied Overveld gelegen. In het industriegebied zijn bedrijven van verschillende categorieën gelegen. Conform het bestemmingsplan zijn 'Ambachtelijke bedrijven' toegestaan waarin geen VNG-categorieën zijn benoemd. In het Regionaal Programma Werklocaties staat aangegeven dat maximaal categorie 4.1 toegestaan is in dit industriegebied. Voor categorie 4.1 geldt een richtafstand van 200 meter, hier wordt ruim aan voldaan. Daarnaast zijn op kortere afstand tot het industriegebied woningen gelegen waardoor de bedrijven reeds in de ontwikkelingsmogelijkheden worden belemmerd. Parallelweg 11 Grenzend aan het plangebied is aan de Parallelweg 11 één eendenhouderij gelegen. Het bouwvlak van dit bedrijf ligt circa 100 meter van de gevel van de dichtstbijzijnde woning. Conform opendata van de omgevingsdienst Gelderland is er ter plaatse van deze locatie nog een vergunning voor het houden van circa 28.000 vleeseenden van kracht. Het bedrijf is niet meer in gebruik ondanks dat de vergunning nog wel van kracht is.

In theorie bestaat de planologische mogelijkheid nog dat er een eendenhouderij van een dusdanige omvang wordt opgericht. Daarom is in deze toelichting uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheid. Voor het aspect geur geldt een richtafstand van 200 meter. Voor stof en geluid 50 meter. Voor geur is niet de VNG-publicatie leidend, maar de Wet geurhinder en veehouderij. Voor het aspect geur wordt dan ook doorverwezen naar paragraaf 4.2 Geur. De afstanden voor geluid en stof worden niet overschreden.

17

bestemmingsplan Buitengebied - Parallelweg 9-10

Figuur 4.1: luchtfoto van het plangebied en naastgelegen agrarische bedrijven Parallelweg 12 210 meter ten oosten van het plangebied is aan de Parallelweg 12 één pluimvee- en eendenhouderij gelegen. Conform de omgevingsdienst Gelderland is er ter plaatse van deze locatie nog een vergunning voor het houden van circa 10.000 vleeseenden en 13.000 legkippen van kracht. Het bouwvlak van het bedrijf is gelegen op circa 210 meter van de meest nabij gelegen woning in het plangebied, terwijl de richtafstand (maximaal) 200 meter bedraagt. Hierdoor voldoet het plan aan de gestelde richtafstand.

4.1.3

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. De afstand t.o.v. geur tot de eendenhouderij aan de Parallelweg 11 wordt verder toegelicht in paragraaf 4.2.2.

4.2

Geur

4.2.1

Algemeen

Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader s als volgt: »

voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object;

*

voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand voor veehouderijen ten opzichte van geurgevoelige objecten.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object (zoals een woning) in vier situaties, deze zijn weergegeven in de volgende tabel: binnen bebouwde kom buiten bebouwde kom 3,0 (in ou/m3) 14,0 (in ou/m3 concentratiegebieden

18

bestemmingsplan Buitengebied - Parallelweg 9-10

| niet concentratiegebieden

12,0 (in ou/m3)

18,0 (in ou/m3)

|

Voor veehouderijen met diercategorieën waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld geldt op grond van artikel 4 van de Wgv een minimumafstand ten opzichte van een geurgevoelig object. Binnen de bebouwde kom bedraagt deze minimumafstand 100 meter en daarbuiten 50 meter. Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken - of uit hebben gemaakt - van een andere veehouderij gelden conform artikel 14 niet de maximale geurbelastingen, maar gelden ook deze minimumafstanden. Verder moet op grond van artikel 5 van de Wgv een minimale afstand tussen de gevel van een geurgevoelig object en de gevel van het dierenverblijf worden aangehouden. Deze afstand bedraagt ten minste 50 m voor objecten binnen de bebouwde kom en ten minste 25 m voor objecten buiten de bebouwde kom.

4.2.2

Beoordeling

Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom in een concentratiegebied geldt dat de geurbelasting niet meer dan 14,0 odour per kubieke meter lucht mag bedragen. Echter geldt voor woningen die onderdeel uitmaken van andere veehouderijen of na 19 maart 2000 geen onderdeel meer uitmaakt van een andere veehouderij een richtafstand van 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen (artikel 14 Wgv). De afstand vanaf de woningen in onderhavig plangebied tot aan de grens van de meest in de nabijheid gelegen veehouderij (naastgelegen aan Parallelweg 11) bedraagt circa 100 meter. Andere omliggende veehouderijen liggen verder vanaf de woningen in het plangebied. De wettelijke vaste afstand wordt niet overschreden.

4.2.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

4.3

Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai

4.3.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Wegverkeerslawaai Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van: » de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied; * het aantal rijstroken.

In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: * wegen met een of twee rijstroken: 200 meter; » wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter. In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: * wegen met een of twee rijstroken: 250 meter; * wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter; » wegen met vijf of meer rijstroken: 600 meter. De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone: * wegen gelegen in een als woonerf aangeduid gebied; * wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur. Spoorweglawaai Spoorwegen hebben een zone, waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond. In artikel 1.4 van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone aangegeven. De zonebreedte varieert van 100 tot 1.200 meter. Bij ontwikkelingen rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek

19

bestemmingsplan Buitengebied - Parallelweg 9-10

worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie. Industrielawaai Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, kan op grond van art. 41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld. In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen dergelijke zones of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. Daarnaast moet rekening worden gehouden wanneer geluidgevoelige bestemmingen binnen de geluidproducerende (solitaire) bedrijven worden geplaatst. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen. Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden. Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd.

4.3.2

Beoordeling

In onderhavig plan worden geen nieuwe geluidgevoelige objecten gerealiseerd. De bestaande (bedrijfs)woningen blijven behouden. Er hoeft niet opnieuw te worden getoetst of aan geluidnormen wordt voldaan omdat sprake is van een bestaande situatie met bestaande rechten.

4.3.3

Conclusie

Het aspect akoestiek vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

4.4

Bodem

4.4.1

Algemeen

Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf. Door Omgevingsdienst Noord Veluwe wordt opgemerkt dat ter plaatse van de bedrijfswoningen geen bodemonderzoek is verricht. In het kader van deze bestemmingsplanwijziging van agrarisch naar wonen is dit ook niet noodzakelijk, maar blijkt in de toekomst dat deze woningen moeten worden gesloopt en worden herbouwd dan moet in het kader van de Omgevingsvergunning bouwen alsnog een verkennend bodemonderzoek incl. asbest plaatsvinden.

4.4.2

Beoordeling

De voormalige opstallen zijn gebruikt ten behoeve van de pilot sloopregeling Eendengebied. Binnen die regeling is als voorwaarde het volgende opgenomen: De gronden waarop de opstallen hebben gestaan worden gesaneerd inclusief een zone van ten minste 5 meter rondom de opstallen (schone grond verklaring) Om te voldoen aan de pilot sloopregeling Eendengebied is sanering van de eventuele bodemverontreiniging. Om de bodemgesteldheid in beeld te brengen is op 15 februari 2018 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Grondvitaal BV. Hierna worden de resultaten van het onderzoek weergegeven. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 2. In het rapport is de volgende conclusie opgenomen: Formeel gezien is afperkend onderzoek noodzakelijk ter plaatse van de gaten A1, A2, A3, A4, E1, E2, K4, K5, K6, M1 en M2, echter door de afwezigheid van dakgoten kan worden geconcludeerd dat de aangetroffen concentratie asbest hierdoor wordt veroorzaakt. Een afperkend onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. De verontreinigde grond dient te worden ontgraven en afgevoerd naar een grondbank of reinigingsbedrijf. Voorafgaand aan de sanering dient een BUS-melding te worden ingediend bij het bevoegd gezag (provincie Gelderland). De sanering dient te worden begeleid door een BRL SIKB 6000 gecertificeerd bedrijf. De ontgraving en uitvoering van de sanering

20

bestemmingsplan Buitengebied - Parallelweg 9-10

dient plaats te vinden door een BRL SIKB 7000 gecertificeerd bedrijf. Het aangetroffen asbest op het maaiveld zal d.m.v. handpicking tijdens de asbestsanering worden verwijderd. Saneringswerkzaamheden In de periode van 8 t/m 15 juni 2022 heeft vervolgens een sanering plaatsgevonden. Voorafgaand aan deze saneringswerkzaamheden is een BUS-melding ingediend bij de provincie Gelderland. De resultaten van deze sanering zijn opgenomen in de BUS-evaluatie (Grondvitaal) die vervolgens is beoordeeld en goedgekeurd door ODRA (Besluit met kenmerk ODRA22MA3073, d.d. 11 oktober 2022). Op basis van het Besluit blijkt dat is gesaneerd tot plaatselijk maximaal 1,5 m-mv. en tot onder de terugsaneerwaarde van 100 mg/kg d.s. aan gewogen asbest. De met asbest verontreinigde grond is afgevoerd naar een erkende verwerker. Daarnaast is tijdens de sanering grond en puin met asbest plaatmateriaal in gehalten ^00 mg/kg d.s. aan gewogen asbest ontgraven en op locatie in depot geplaatst en gezeefd. De zeeffractie is afgevoerd naar een erkend verwerker. De uitgezeefde grond is op locatie gekeurd middels AP04 en vervolgens op basis van de resultaten (klasse: Altijd toepasbaar, gemiddeld 12 mg/kg d.s. aan gewogen asbest) hergebruikt op locatie.

4.4.3

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Algemeen

De 'Wet milieubeheer' is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: » *

negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken; mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.

De paragraaf luchtkwaliteit in de 'Wet milieubeheer' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: * er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; * een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt, wat wil zeggen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3% ten opzichte van de grenswaarde); » een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden, nadat de EU op 7 april 2009 derogatie heeft verleend. NIBM-grens woningbouwlocatie, 3% criterium: * < 1.500 woningen (netto) bij minimaal een ontsluitingsweg, met een gelijkmatige verkeersverdeling; » < 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

4.5.2

Beoordeling

Het voorliggende plan zorgt voor de beëindiging van een agrarische bedrijfsfunctie en de herbestemming van twee bedrijfswoningen naar reguliere woningen. Het wegbestemmen van de bedrijfsfunctie zorgt voor een verbetering van de luchtkwaliteit omdat de milieuvergunning voor het houden van pluimvee wordt ingetrokken. Emissies in de vorm van fijnstof en ammoniak afkomstig van de veehouderij worden hiermee opgeheven. De herbestemming van de bedrijfswoning naar een burgerwoning heeft geen gewijzigde emissie tot gevolg.

4.5.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

21

bestemmingsplan Buitengebied - Parallelweg 9-10

4.6

Externe veiligheid

4.6.1

Algemeen

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Harderwijk&id=9344d900-33b1-4093-9c6a-f6ff74b7521e