CConstaterende datHarderwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bespreeknotitie Beleidskader cameratoezicht.docx

Raadsvergadering 28 januari 2021, gemeente HarderwijkBij agendapunt: Beleidskader cameratoezicht4.776 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Naar een “Beleidskader Cameratoezicht” Bespreeknotitie voor de raad Inleiding In de Gemeentewet is bepaald dat het doel bij de toepassing van gemeentelijk cameratoezicht het handhaven van de openbare orde is. Hieronder valt ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeente. Cameratoezicht heeft als eerste een signalerende functie. De camera ziet meer en met die informatie kan de politie aangestuurd worden bij het handhaven van de openbare orde. Vanuit de wettelijke taak om de openbare orde te handhaven kent onze gemeente een aantal aangewezen gebieden waar cameratoezicht is ingezet (zie hoofdstuk 5). Raadsmotie: Beleidskader Cameratoezicht In haar vergadering van november 2019 heeft de raad het college bij motie verzocht om duidelijke beleidskaders voor de inzet van cameratoezicht. In deze notitie wordt beschreven hoe vanaf 2004 tot heden – achtereenvolgende burgemeesters het instrument cameratoezicht hebben ingezet. Zodoende wordt duidelijk welke kaders tot hiertoe door het bestuursorgaan burgemeester zijn gehanteerd (zie opsomming hoofdstuk 3). Op basis van het al bestaande kader kan het college en de gemeenteraad eventueel gewenste aanvullingen en/of wijzigingen aan de burgemeester meegeven. Daarna zal het Beleidskader Cameratoezicht door de burgemeester opgesteld en vastgesteld worden.

Motie ‘Beleid cameratoezicht’ Constaterend dat: -

Op verschillende plaatsen in de stad gebruik wordt gemaakt van cameratoezicht in de openbare ruimte; Dit zowel structureel als flexibel gebeurt; Er geen duidelijke kaders bestaan voor het inzetten van camera’s in de openbare ruimte.

Overwegende dat: -

Camera’s in de openbare ruimte kunnen bijdrage aan de openbare orde en veiligheid; De effectiviteit van cameratoezicht niet in alle gevallen onomstotelijk is vastgesteld; Cameratoezicht ook inbreuk maakt op de privacy van inwoners en bezoekers van H’wijk en Hierden; Duidelijke kaders omtrent Inzet, resultaat en monitoring van cameratoezicht in de openbare ruimte wenselijk is.

Verzoekt het college: -

In 2020 te komen met duidelijke beleidskaders voor de inzet van cameratoezicht; Dit beleid - indien nodig - te laten vaststellen door de gemeenteraad.

Opbouw notitie Gelet op de motie zullen de volgende onderdelen worden belicht: -

Wettelijk kader openbaar cameratoezicht Privacy-wetgeving en cameratoezicht Afwegingskader cameratoezicht periode 2004-2019 Duur en evaluatie Huidige cameratoezichtgebieden Bespreken uitgangspunten met de raad.

(Hoofdstuk 1) (Hoofdstuk 2) (Hoofdstuk 3) (Hoofdstuk 4) (Hoofdstuk 5). (Hoofdstuk 6)

Hoofdstuk 1 Wettelijk kader cameratoezicht Wij lezen in de motie dat de raad een beleidskader wil voor publiek cameratoezicht. Publiek cameratoezicht is toezicht met behulp van camera's door de overheid (gemeente of politie). Het voornaamste doel is het waarborgen van de veiligheid in de openbare ruimte. Deze vorm van toezicht is wettelijk geregeld in artikel 151 c van de Gemeentewet en/of art 3 van de Politiewet

1.1

De Gemeentewet als grondslag

Tekst Gemeentewet, art 151 c. : 1. De raad kan bij verordening de burgemeester de bevoegdheid verlenen om, indien dat in het belang van de handhaving van de openbare orde noodzakelijk is, te besluiten om voor een bepaalde duur camera’s in te zetten ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties en andere bij verordening aan te wijzen plaatsen die voor een ieder toegankelijk zijn. 2. De burgemeester besluit met inachtneming van het in de verordening van de raad bepaalde: a. binnen welk gebied, bestaande uit openbare plaatsen of andere voor een ieder toegankelijke plaatsen als bedoeld in het eerste lid, camera’s worden ingezet; b. voor welke duur de gebiedsaanwijzing plaatsvindt. 3. De burgemeester stelt, na overleg met de officier van justitie in het overleg, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Politiewet 2012, de periode vast waarin in het belang van de handhaving van de openbare orde daadwerkelijk gebruik van de camera’s plaatsvindt en de met de camera’s gemaakte beelden in elk geval rechtstreeks worden bekeken. 4. De burgemeester bedient zich bij de uitvoering van het in het eerste lid bedoelde besluit van de onder zijn gezag staande politie. 5.

De burgemeester trekt het besluit, bedoeld in het eerste lid, in zodra de inzet van camera’s niet langer noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de openbare orde. 6. De aanwezigheid van camera’s als bedoeld in het eerste lid is op duidelijke wijze kenbaar voor een ieder die het gebied, bedoeld in het tweede lid, onder a, betreedt. 7. Met de camera’s worden uitsluitend beelden gemaakt van een openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties en andere bij verordening aan te wijzen plaatsen die voor een ieder toegankelijk zijn. 8. Ten behoeve van de handhaving van de openbare orde worden in het kader van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, gegevens verwerkt. 9. De verwerking van de gegevens, bedoeld in het achtste lid, is een verwerking als bedoeld in de Wet politiegegevens, met dien verstande dat, in afwijking van het bepaalde in artikel 8 van die wet, de vastgelegde beelden na ten hoogste vier weken worden vernietigd en de gegevens, bedoeld in het achtste lid, indien er concrete aanleiding bestaat te vermoeden dat die gegevens noodzakelijk zijn voor de opsporing van een strafbaar feit, ten behoeve van de opsporing van dat strafbare feit kunnen

worden verwerkt. 10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op de goede uitvoering van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, regels worden gesteld omtrent: a. de camera’s en andere technische hulpmiddelen benodigd voor het toezicht, bedoeld in het eerste lid, en de wijze waarop deze hulpmiddelen worden aangebracht; b. de personen belast met of anderszins direct betrokken bij de uitvoering van het toezicht; en c. de ruimten waarin de waarneming of verwerking van door het toezicht vastgelegde beelden plaatsvindt. “ Bovenstaand artikel 151 c is op 23 maart 2016 gewijzigd. Vóór de wetswijziging was de inzet beperkt tot vaste camera’s. Camera’s mochten alleen nagelvast op een specifieke plek in de publieke ruimte worden aangebracht. Vanaf 2016 is mobiel cameratoezicht mogelijk. Overlast, criminaliteit kan daardoor effectiever worden bestreden, binnen het aangewezen gebied (Aanwijzingsbesluit met plattegrond). Tweede belangrijke wijziging is dat er niet steeds daadwerkelijk sprake hoeft te zijn van een verstoring van de openbare orde of van een concrete dreiging daarvan. De Memorie van Toelichting stelt “dat de burgemeester op basis van de wetswijziging mobiele camera’s in kan zetten. Hij kan dit alleen doen ter handhaving van de openbare orde.

Daarbij hoeft niet steeds daadwerkelijk sprake te zijn van een verstoring van de openbare orde of van een concrete dreiging daarvan. Onder handhaving van de openbare orde door de burgemeester valt immers ook de algemene, bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving”. Het is aan gemeenten zelf om te bepalen welke vorm van cameratoezicht – vast of mobiel dan wel een combinatie daarvan – gebruikt wordt in een specifieke situatie. Samenvattend beschrijft Artikel 151c op welke wijze en onder welke voorwaarden een gemeente cameratoezicht mag inzetten.

Hierna de belangrijkste voorwaarden:  Het moet gaan om toezicht op een openbare plaats en andere bij verordening aan te wijzen plaatsen die voor een ieder toegankelijk zijn;  Het doel moet zijn de handhaving van de openbare orde (*) dus niet bewaking of beveiliging; Hieronder valt ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeente (MvT, 2016)  Gemeentelijke camera’s mogen alleen voor een bepaalde duur (*) worden ingezet, tot het niet langer noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de openbare orde;  De burgemeester moet in elk aanwijzingsbesluit bekend maken waar de gemeentelijke camera’s komen en voor hoe lang;  Als gemeentelijke camera’s niet meer noodzakelijk zijn voor de handhaving van de openbare orde moet de burgemeester het aanwijzingsbesluit intrekken;  De burgemeester stelt na overleg met de Officier van Justitie de periode vast waarin gebruik van de camera’s plaatsvindt en de met de camera’s gemaakte beelden rechtstreeks worden bekeken. Camerabeelden worden maximaal 28 dagen worden bewaard.

 De gemeente werkt bij gemeentelijk cameratoezicht nauw samen met de politie: de politie moet het cameratoezicht uitvoeren (‘de burgemeester bedient zich bij de uitvoering van het besluit van de onder zijn gezag staande politie’);  De opnames mogen worden gebruikt voor opsporing van strafbare feiten als er een concrete aanleiding is te vermoeden dat ze noodzakelijk zijn voor een opsporingsonderzoek. Door deze extra eis wordt opsporing vaak ‘bijvangst’ genoemd om het te onderscheiden van het primaire doel: het handhaven van de openbare orde. * .. handhaving openbare orde … De Gemeentewet biedt een grondslag voor cameratoezicht, maar alleen voor cameratoezicht met als doel de handhaving van de openbare orde. Er bestaat geen eenduidige definitie van openbare orde;

de jurisprudentie laat zien dat de burgemeester een grote beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen wanneer bevoegdheden voor openbare orde moeten worden toegepast. Het gaat bij openbare orde niet zozeer om de strafbare feiten zelf, maar om het effect van die feiten op het openbare leven; Er moet (dreiging van) een fysiek effect van hinder of gevaar zijn voor het normale openbare leven wil je kunnen spreken van een openbare orde verstoring. Ook blijkt dat het bij openbare orde altijd moet gaan om het algemeen belang dat is/wordt geschaad. Als alleen enkel individuele belangen zijn geschaad, en geen herhaling, is dat nog geen verstoring van de openbare orde. * .. alleen voor bepaalde duur.. De Gemeentewet biedt een grondslag voor cameratoezicht van bepaalde duur. Logischerwijs betekent dit dat een gemeentelijke camera in principe niet permanent mag blijven hangen. Alle bevoegdheden in de Gemeentewet ter handhaving van de openbare orde zijn er om de burgemeester te helpen het hoofd te bieden aan problemen die plotseling, concreet en actueel blijken. De burgemeester zet die bevoegdheden spaarzaam in. In de praktijk zien we dat er in zeer veel gemeenten – ook onze gemeente - camera’s zijn die jaren op exact dezelfde plek hangen. Dat is volgens de letter van de wet toelaatbaar, want ook x jaar is ‘een bepaalde duur’.

Gemeentelijke camera’s zijn er om feitelijke verstoringen van de openbare orde te beëindigen of mogelijke verstoringen te voorkomen. Er zit dus altijd een stevige preventieve component in. Ook hier is het aan de burgemeester – mede luisterend naar raad en driehoek – te bepalen hoe lang de camera’s kunnen blijven hangen. Hierbij is een periodieke evaluatie van het cameratoezicht het juiste middel om elke keer weer de afweging te maken (zie hoofdstuk 6). Vaststellen noodzaak, afwegen proportionaliteit en subsidiariteit Aangetoond moet worden dat camera's noodzakelijk zijn voor de handhaving van de openbare orde. Er moet sprake zijn van een locatie, een gebied waar zich onveilige situaties of met enige regelmaat de orde wordt verstoord. Het analyseren van de veiligheidssituatie voor een goed beeld van de problematiek is een voorwaarde. Dit dient te blijken uit politieregistratie en een zogeheten bestuurlijke rapportage aan de burgemeester. Het is namelijk aan de burgemeester om te beoordelen of het noodzakelijk is om cameratoezicht in te zetten. Deze bevoegdheid komt ligt bij de burgemeester als overheidsorgaan (rechters zijn zeer terughoudend in het ter discussie stellen van de beoordeling door de burgemeester). Cameratoezicht is proportioneel als het in verhouding staat tot de problematiek.

Waar het bovendien om gaat is dat andere veiligheidsmaatregelen eerst zijn uitgeprobeerd en niet genoeg blijken op te leveren. Cameratoezicht is subsidiair als andere instrumenten die de privacy minder inperken niets of onvoldoende opleverden.

1.2 Politiewet Ook de Politie mag camera’s inzetten en wel op grond van artikel 3 Politiewet. Daarin staat dat de politie – simpel gezegd – datgene mag doen wat nodig is voor het handhaven van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die dat behoeven. Het woord ‘camera’ komt niet in dat wetsartikel voor en dat betekent dus dat er geen expliciete wettelijke grondslag voor die camera’s is gecreëerd, zoals voor gemeenten, maar dat er hooguit een impliciete grondslag aan de Politiewet kan worden ontleend. De jurisprudentie leert ons dat het plaatsen van camera’s door de politie op deze grondslag alleen is toegestaan als de inperking van het grondrecht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer ‘van geringe betekenis’ is. Dat betekent dus in de praktijk dat dit soort politiecamera’s alleen voor kortere duur mogen worden ingezet, bijvoorbeeld bij een evenement of een demonstratie. Daarna worden ze weer weggehaald.

Artikel 3 Politiewet Artikel 3 van de Politiewet is de basis voor het optreden van de politie; ook in combinatie met artikel 151c van de Gemeentewet. 151c gaat namelijk uit van cameratoezicht ter handhaving van de openbare orde. De politie(taak) is verbonden met artikel 151c en het principe van cameratoezicht. Ook de operationele regie van de politie op het uitkijken van camerabeelden, is gebaseerd op dit artikel waarbij de grondslag voor het bewaren van de camerabeelden is belegd in de Wet politiegegevens (artikel 8 en 9). Bij cameratoezicht is artikel 3 de grondslag voor het toepassen van flexibel cameratoezicht (onder andere onvoorziene ordeverstoringen of de vrees voor) ordeverstoringen van tijdelijke aard.

1.3 APV In de APV (art 2:77) heeft de raad de bevoegdheid aan de burgemeester gegeven om camera’s te gebruiken. Artikel 2:77 Apv Cameratoezicht op openbare plaatsen 1. De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats 2. De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van de volgende andere plaatsen: a. Parkeerterrein; b. Bedrijfsterrein; c. Winkelcentrum.

Hoofdstuk 2 Privacy-wetgeving en camera toezicht Definitie privacy ‘Het recht om met rust te worden gelaten’ is een populaire definitie van het begrip privacy. Het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer is een grondrecht voor alle burgers, verankerd in de Nederlandse Grondwet en in diverse internationale verdragen. Door publiek cameratoezicht raak je aan iemands persoonlijke levenssfeer en daarom kan cameratoezicht op gespannen voet staan met het recht op privacy. Dit aandachtspunt is als overweging door de raad in haar motie benoemd. Wat zegt de wetgeving? De Algemene Verordening Gegevensbescherming is sinds mei 2018 de kaderwet voor de privacybescherming van burgers in de hele Europese Unie. Deze Europese wet regelt in het belangrijke artikel 6 lid 1 onder e, dat de overheid slechts persoonsgegevens (onder dit begrip vallen ook herkenbare camerabeelden van personen ) mag verwerken indien die overheid dat kan baseren op “lidstatelijk recht”. Hiermee bedoelt de AVG, dat de overheid door middel van in ieder geval een wet in materiële zin moet regelen dat er door haar persoonsgegevens van burgers worden verwerkt. Het maken van opnamen van burgers in de openbare ruimte en het bewaren, doorgeven en ook weer verwijderen van deze opnamen, valt onder het AVG begrip “verwerken van persoonsgegevens”.

Het lidstatelijk recht dat in Nederland aan de gemeenten en de politie de bevoegdheid geeft om de opnamen met camera’s te maken betreft de Gemeentewet, Politiewet, Wet Politiegegevens en dus ook de gemeentelijke verordening (APV) waarin de burgemeester de bevoegdheid van de gemeenteraad ex art. 151c Gemeentewet krijgt om camera’s in te zetten. De genoemde wetten bevatten specifieke bepalingen rond het cameratoezicht. Deze betreffen de inzetbaarheid, de duur van de inzet, de bewaartermijnen voor de beelden, de bevoegdheden t.a.v. het uitlezen en het ter beschikking stellen aan geautoriseerden.

Voordat gemeente en politie besluiten tot camera toezicht in het kader van art. 151c, dient er eerst een Data Protection Impact Assessment (DPIA , “gegevens-beschermings-effectbeoordeling) te worden uitgevoerd. Deze verplichting vloeit wel weer rechtstreeks voort uit de AVG (art. 35) en de Autoriteit Persoonsgegevens vermeldt ook de nodige voorwaarden waaraan de gemeente moet voldoen als zij overgaat tot cameratoezicht (waarschuwingsbordjes voor de burgers plaatsen e.d.)De DPIA is/wordt uitgevoerd. De AVG geldt niet voor persoonsgegevens die betrekking hebben op strafbare feiten. Die vallen onder de Europese richtlijn voor opsporing. Periodieke evaluatie Zoals hiervoor al gezegd bestaat er een zekere spanning tussen enerzijds het grondrecht op privacy en anderzijds de inperking van dat recht door cameratoezicht. Mede daarom is het periodiek evalueren van het effect van cameratoezicht van belang. Deze evaluatie is ook wettelijk verplicht gesteld in artikel 152c lid 5 van de Gemeentewet (zie verder hierover hoofdstuk 5).

Openbare veiligheid versus bescherming persoonlijke levenssfeer; Hoe “weegt” de Harderwijker dit? In de door de burgemeester, na afweging, genomen lokale Aanwijzingsbesluiten cameratoezicht, wordt verwoord dat de belangen van openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en van strafbare feiten in het onderhavige geval zwaarder wegen dan het individuele belang van de burgers (bescherming van de persoonlijke levenssfeer); ·Het zou niettemin zo kunnen zijn dat belanghebbenden dit anders zien en al bij het voornemen hun bezwaar kenbaar maken. Dit is tot hiertoe bij geen enkel beoogd cameragebied gebeurd. Sinds 2003 zijn er vijf cameratoezichtgebieden aangewezen (worden beschreven in hoofdstuk 4). Het voornemen van de burgemeester wordt via de gebruikelijke gemeentelijke voorlichtingskanalen kenbaar gemaakt in combinatie met ter inzage legging. In maar één situatie heeft een inwoner zich een keer laten informeren over voorgenomen cameratoezicht. Tot slot, een kenner* van de wetgeving rond privacy en cameratoezicht stelde ‘dat iedereen een ander antwoord kan geven op de vraag of de “privacy schending” die het gevolg is van cameratoezicht wel of minder gerechtvaardigd is. Dat hangt af van vele factoren en iedereen kan die factoren anders wegen. De Grondwet en de AVG zijn echter niet absoluut te duiden’

*S. Flight, onderzoeker en adviseur gemeenten op het terrein van cameratoezicht

Hoofdstuk 3. Afwegingskader cameratoezicht periode 2004-2019 Bij besluiten om cameratoezicht in te zetten, heeft de burgemeester tot nu toe de navolgende afwegingscriteria gehanteerd. Dit bestrijkt de periode 2004 t/m 2019.  Noodzakelijkheid Voor cameratoezicht moet een noodzaak zijn. Er moet sprake zijn van een openbaar gebied waarin zich regelmatig onveilige situaties voordoen en waar meerdere maatregelen niet het gewenste effect hebben gehad, terwijl de verstoring van de openbare voortduurt.  Doel Waarvoor wil je cameratoezicht inzetten in een bepaald gebied? Cameratoezicht mag niet voor elk doel worden ingezet. 151 c Gemeentewet: doel is handhaven van de openbare orde.  Veiligheidsanalyse Het analyseren van de veiligheidssituatie voor een goed beeld van de problematiek is een voorwaarde. Dit dient te blijken uit politieregistratie en -informatie. Als de veiligheidsanalyse (waaronder bestuurlijke rapportage) onderbouwd door geregistreerde politiefeiten (meldingen/incidenten) dan is daarmee een situatie vastgelegd die als uitgangssituatie kan dienen om te beoordelen welk effect (monitoring / resultaat) het cameratoezicht heeft. Dit kan dan weer worden gebruikt bij de periodieke evaluatie van het cameratoezicht.  Proportionaliteit Het cameratoezicht moet in verhouding staan tot de geconstateerde criminaliteit en overlast.

Dit kun je bepalen aan de hand van de veiligheidsanalyse en de doelomschrijving.  Subsidiariteit Om een handhavingsdoel te bereiken, moet het lichtste middel worden ingezet waarmee dat doel bereikt kan worden. Cameratoezicht is een zwaar middel dat alleen mag worden ingezet als andere lichtere maatregelen niet het beoogde doel hebben bereikt of zullen bereiken. De burgemeester beziet welke maatregelen er al zijn getroffen, beoordeelt of deze het beoogde doel hebben bereikt, zo niet dan kan de burgemeester besluiten cameratoezicht in te zetten. Bij het duiden van de urgentie (noodzakelijkheid e.d) en het starten van de veiligheidsanalyse zijn ook signalen vanuit de raad en college een initiërende factor. De totale afweging c.q. het voornemen om cameratoezicht op een bepaalde locatie in te zetten is in de afgelopen jaren steeds ter bespreking ingebracht in de Driehoek. In hoofdstuk 5 wordt per bestaand cameragebied kort beschreven welke afwegingscriteria bepalend zijn geweest om een Aanwijzingsbesluit Cameratoezicht te nemen.

Hoofdstuk 4 Duur, evaluatie en bewaren van camerabeelden De duur van het cameratoezicht en de omvang van de gebieden dienen proportioneel te zijn in relatie tot het beoogde legitieme doel, de handhaving van de openbare orde c.q. algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten, en wordt periodiek geëvalueerd. Het voorstel is de evaluatie van vast cameratoezicht te koppelen aan de evaluatie van het totale Integraal Veiligheidsbeleid. Dus eens in de vier jaar, wanneer het IVP wordt geëvalueerd en het proces voor een nieuw IVP wordt opgestart. Kort en middellang cameratoezicht wordt vooraf bepaald en tussentijds wordt bezien of het cameratoezicht nog steeds nodig is. Zie hoofdstuk 6. Camerabeelden mogen – en worden - maximaal 28 dagen bewaard. Beelden worden na die periode automatisch gewist.

Hoofdstuk 5 Cameratoezichtgebieden Harderwijk heeft een aantal gebieden waar cameratoezicht is ingezet. In een deel van het uitgaansgebied, het Hortuspark, een deel van de Graaf Otto-laan, bij winkelcentrum Tweelingstad en in Drielanden (flexibel tijdens de DDO-periode) Per gebied wordt de aanleiding en afweging om cameratoezicht in te zetten, geschetst. Het eerste cameragebied dat beschreven wordt is het uitgaansgebied Binnenstad. Dit is in 2004 operationeel geworden. Een jaar vóórdat via de Gemeentewet (2005) hiervoor een wettelijke grondslag werd gecreëerd. Het gebruik van camera’s voor toezicht en beveiliging werd in beginsel aanvaardbaar geacht, mits aan een aantal randvoorwaarden werd voldaan (algemeen geldende privacynormen, zoals kenbaarheid, doelbinding, proportionaliteit, subsidiariteit en zorgvuldigheid) Het inzetten van cameratoezicht is in die tijd een raadsbesluit geworden.

Cameratoezicht uitgaansgebied Binnenstad (realisatie 2003/2004) Noodzakelijkheid: Rond 2000/2001 deden zich grotere gewelddadige incidenten voor in het uitgaansgebied van de binnenstad. Koninginnedag 2001 enAaltjesdag 2001 kon pas na grootschalig politieoptreden (assistentie van buiten de regio) de rust terugkeren. Deze problemen en daarmee gepaard gaande onveiligheidsgevoelens werden veelal veroorzaakt door groepen rondhangende jongeren. Omdat dreiging van incidenten in de lucht bleef hangen en andere interventies onvoldoende effect sorteerden, zijn de gezamenlijke partijen ( gemeente, politie, OM, horecaondernemers, bewoners en straathoekwerk) na gaan denken over specifieke veiligheidsmaatregelen. Dit leidde unaniem tot het verzoek om cameratoezicht te onderzoeken. Veiligheidsanalyse: De toename van (gewelds)incidenten met voorgaande jaren was groot. Doel: Handhaving Openbare Orde. Effectiever op kunnen treden bij openbare ordeverstoringen. Creëren Veilig Uitgaansgebied voor bewoners en horecabezoekers, Proportionaliteit/subsidiariteit: Andere interventies (meer toezicht politie, persoonsgerichte aanpak, inzet straathoekwerk, betere samenwerking met portiers) hadden weinig effect. Duur: is niet bepaald. Markt (realisatie 2008) Het effect op de openbare orde en rust in het hiervoor beschreven uitgaansgebied bleek groot.

Grootschalige ordeverstoring is sindsdien niet meer voorgekomen. Wel incidenteel kleinere verstoringen/opstootjes. Een paar jaar later is op verzoek van horeca en politie ook de Markt cameragebied geworden. Dit verzoek ontstond nadat het gedurende een periode onrustig was in de uitgaansnachten. De aanleiding en het doel waren dus eveneens handhaving openbare orde, vergelijkbaar met die voor het kernuitgaansgebied Vijhe/Bruggestraat. Als belangrijk nevendoel gold dat de markt tijdens evenementendagen, preuverieën en dergelijke, veel publiek trekt (crowdcontrol veilig uitgaan). Live cameratoezicht voor orde handhaving en effectieve politie aansturing zijn onmisbaar gebleken.

Kop Boulevard / dam naar het Strandeiland (realisatie 2016)

Veiligheidsanalyse Toen in 2016 het Strandeiland gereed kwam ontstond er een loop vanuit het uitgaansgebied naar het Strandeiland. Een reeks van incidenten (geweld, vernielingen) leidde tot de noodzaak strikter te handhaven op het verbod zich na 01.00 uur daar op te houden. Alternatieve maatregelen: Slagboom, bebording hadden weinig effect. Bovendien, ook tussen het uitgaansgebied en de dam naar het Strandeiland waren weleens kleine ongeregeldheden. Noodzakelijkheid: Tegengaan orde verstoring; tegengaan verplaatsing horecapubliek buiten bestaand cameragebied Proportionaliteit/subsidiariteit: Permanent politietoezicht was niet mogelijk. Duur: is niet bepaald

Cameratoezicht Hortuspark (realisatie 2015)

Noodzakelijkheid: Verstoring openbare orde doordat met regelmaat bepaalde groepen jongeren zich daar hinderlijk ophouden, wat bleek uit diverse meldingen van burgers bij de politie en vanuit signaleringen door toezichthouders (politie en stadstoezicht). Ook na de herinrichting van het Hortuspark 2014 (o.a. betere zichtlijnen, verbetering van openbare verlichting, toezicht en handhaving) nam dit probleem nauwelijks af. Daarmee stond de recreatieve functie van het park onder druk. Veiligheidsanalyse: Vanuit de omgeving maar ook van passanten kwamen er diverse meldingen van overlast, intimidatie. Plek om te dealen/gebruiken. Alternatieve maatregelen: Geprioriteerde inzet van toezicht/handhaving (politie en BOA’s en straathoekwerk) had onvoldoende effect. Bepaalde jeugd was aanspreekbaar, maar jongeren/jongvolwassenen met verkeerde bedoelingen waren dat nauwelijks. Overleg met omwonenden over maatregelen leerde dat extra inzet politie en BOA's te weinig effectief was. Een klein deel van de bewoners vroeg om totale afsluiting na bepaald avondtijdstip. Anderen hadden daar praktische bezwaren tegen. Cameratoezicht werd algemeen beschouwd als belangrijk optie om verstoring in het park, en drugsgebruik tegen te gaan. Proportionaliteit/Subsidiariteit: Cameratoezicht werd door belanghebbenden als sluitstuk gezien.

Zo dat recht gedaan zou worden aan de functies die het stadspark behoort te hebben (rustgebied, plek voor groenbeleving, recreatie, spelen en locatie voor bepaalde activiteiten). Doel: aanwijzen van dit gebied als gebied met cameratoezicht zal bijdragen aan het verhogen van de veiligheid in het algemeen en de veiligheid in het aangewezen gebied in het bijzonder; Duur: is niet bepaald.

Cameratoezicht Graaf Ottolaan (realisatie 2016)

Noodzakelijkheid: Deel van de omwonenden waren bang dat de veiligheid en openbare orde verstoord zou worden. Verzoek om bepaalde veiligheidsmaatregelen (zoals groenrenovatie, openbare verlichting, verplaatsen ingang) én camera’s is door het college gehonoreerd. In de afweging is toen mede betrokken dat in 2015/2016 er landelijk veel verzet was tegen AZC’s met de nodige openbare orde verstoringen. In die periode werd hier ook lokaal via social media aan gerefereerd. De veiligheid van omwonenden en van de (aanstaande) AZC bewoners maakte onderdeel uit van de afweging. (Algemene, bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving (MvT bij wetswijziging 2016)). Proportionaliteit/subsidiariteit: Cameratoezicht is sluitstuk van andere maatregelen zoals hiervoor genoemd. Veiligheidsanalyse: Een analyse gebaseerd op ervaringsgegevens was niet mogelijk. Vrees voor openbare ordeverstoring bij omwonenden/belanghebbenden was belangrijkste motief. Duur: Is gekoppeld aan aanwezigheid AZC . Flexibel cameratoezicht Drielanden (DDO 2017, 2018, 2019)/ algemeen Doel: Terugdringen autocriminaliteit; Herwinnen veiligheidsgevoel; Handhaving openbare orde/ algemeen bestuurlijke voorkoming strafbare feiten.

Veiligheidsanalyse: Veel auto-inbraken met name in wintermaanden; professionele externe daders (mobiel banditisme), herhaald slachtofferschap; Alternatieve maatregelen: veel bewustwording en samenwerking met bewoners; wijkvoorlichtingsavond; veel app-groepen en uitnodiging alert te zijn op verdachte situaties en snel politie in te schakelen; veel toezicht politie en BOA’s; ook onopvallende nachtelijke surveillance en lokauto; auto-DNA pakketten werden gratis verstrekt aan wijkbewoners (ook buiten de wijk). Noodzakelijkheid: onveiligheidsgevoelens namen steeds meer toe vanwege de kennelijke onmacht om daders op heterdaad te betrappen. Sommige bewoners hadden te maken met herhaald slachtofferschap. Vanuit de raad werd aangedrongen op cameratoezicht nadat alternatieve maatregelen niet bleken te helpen. Proportionaliteit/subsidiariteit: Andere interventies hadden geen effect. Cameratoezicht in een schil rond de wijk werd beschouwd als effectief middel om de voortdurende verstoring van de openbare orde. Duur: Bepaald. Alleen tijdens de DDO-maanden. De piek qua auto-inbraak lag voorgaande jaren altijd in de winter.

Hoofdstuk 6 Bespreken uitgangspunten met de raad De raad vraagt in haar motie specifiek naar kaders voor inzet, resultaat en monitoring Er zijn dus al kaders die worden gehanteerd, maar om het kader te formaliseren, wil de burgemeester indien nodig nadere uitgangspunten van de raad mee krijgen. Uitgangspunten bij (toekomstige) inzet cameratoezicht :      

Er is sprake van openbare orde problematiek; noodzaak inzet wordt onderbouwd a.d.h.v. veiligheidsanalyse, proportionaliteit etc. (zie afwegingscriteria hoofdstuk 3); de burgemeester bespreekt het voornemen in de lokale Driehoek en peilt het gevoelen van de raad; Het bestuursorgaan “burgemeester” besluit vervolgens tot wel/geen inzet cameratoezicht (Art. 151c); Indien cameratoezicht wordt ingezet, dan gebeurd dit via een aanwijzingsbesluit waartegen belanghebbenden binnen zes weken bezwaar kunnen indienen; de duur* van het cameratoezicht wordt in het aanwijzingsbesluit bepaald en als dit niet mogelijk is wordt duidelijk het moment van evalueren aangeduid, in een redelijke termijn (bijv. 3 of 5 jaar); de uitkomst van de evaluatie moet duidelijkheid bieden of het doel behaald is en of voortzetting van het toezicht nog proportioneel is. * In de periode 2004-2019, is de duur vooraf nooit bepaald. Evenmin is er een evaluatietermijn genoemd. In het op te stellen Beleidskader Cameratoezicht wordt dit criterium als vast onderdeel opgenomen. Evaluatie van de veiligheidssituatie in de bestaande cameragebieden willen we integraal koppelen aan de veiligheid in de hele gemeente. Deze evaluatie zal eens per vier jaar plaatsvinden tegelijk met de evaluatie van het Integraal Veiligheidsplan.

In toekomstige aanwijzingsbesluiten voor nieuwe cameragebieden zal de duur bepaald worden en/of dan de evaluatietermijn. De “duur” wordt zodoende verbonden met “resultaat” en “monitoring”

Resultaat: Wanneer kun je spreken van: ‘Als het beoogde doel van cameratoezicht wordt behaald’? Per cameragebied is het maatwerk om aan de hand van indicatoren en informatiebronnen een afweging te maken en te bezien of het doel wordt behaald. Dit kader wordt zoals hierboven uitgewerkt in het Beleid. Monitoring: Monitoren hoe de veiligheid zich ontwikkelt in een cameragebied. Evaluatie dient ondermeer om te bepalen of cameratoezicht in het betreffende gebied nog moet worden voortgezet. Betrekken raad: Of en op welke wijze wil de raad betrokken worden bij het inzetten van cameratoezicht? Voordat besloten wordt tot cameratoezicht of besluit van de burgemeester ter kennisname naar de raad? Wat als er snelheid geboden is? Kader: Welke eventuele extra kaders wil de raad meegeven? Financiën: meer flexibel cameratoezicht en het (standaard periodiek) evalueren heeft gevolgen voor de beheersorganisatie en heeft financiële consequenties. Overig: Heeft de raad nog andere punten die bij het beleid moeten worden betrokken?

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Harderwijk&id=a00c9e9c-f8b5-4dad-b8f8-84412f4efa91