CConstaterende datHarderwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Beleidsnotitie aanwijzen gemeentelijke monumenten.pdf

Raadsvergadering 26 januari 2023, gemeente HarderwijkBij agendapunt: Beleidsnotitie aanwijzen gemeentelijke monumenten6.213 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Beleidsnotitie Aanwijzen gemeentelijke monumenten

Inhoud 1. Inleiding ............................................................................................................................................... 2 1.1 Aanleiding .......................................................................................................................................... 2 1.2 Opzet notitie .................................................................................................................................. 2 1.3 Samenvatting................................................................................................................................. 2 2. Huidige situatie.................................................................................................................................... 3 2.1 Begripsbepaling beschermd gemeentelijk monument. ............................................................... 3 2.2 gemeentelijke monumentenlijst ................................................................................................... 3 2.3 Beleid aanwijzen gemeentelijke monumenten ............................................................................. 4 2.4 Overig beleid.................................................................................................................................

4 2.4.1 Beeldbepalende panden binnenstad .................................................................................... 4 2.4.2 Beschermd stadsgezicht ......................................................................................................... 4 2.4.3 Cultuurhistorische waardenkaart. .......................................................................................... 4 2.5 Omgevingswet ............................................................................................................................... 5 3. Mogelijkheden binnen het huidige beleid .......................................................................................... 6 3.1 Erfgoed van voor 1940 .................................................................................................................. 6 3.2 Erfgoed uit de wederopbouwperiode(1940-1965) ....................................................................... 7 4 .Beleid in voorbereiding ....................................................................................................................... 8 4.1 Visie religieuze gebouwen (kerkenvisie) ....................................................................................... 8 4.2 Historische Boerenerven. ..............................................................................................................

8 5 Voorstellen voor nieuw beleid. ........................................................................................................... 8 5.1 Post ‘65 Erfgoed ............................................................................................................................ 8 5.2 Nieuwe beschermingsinstrumenten ............................................................................................ 9 5.2.1 Meerdere klassen van gemeentelijke monumenten ............................................................. 9 5.2.2 Beeldbepalende en beeldondersteunende panden............................................................. 10 5.3 Boerderijen ................................................................................................................................. 11 6. Participatie ........................................................................................................................................ 12 7. Planning en kosten ............................................................................................................................ 12 Bronnen: ................................................................................................................................................

13 Bijlage 1 beleid ..................................................................................................................................... 14 Bijlage 2 Toetsingscriteria gemeentelijke monumenten ...................................................................... 16

1

Beleidsnotitie aanwijzen gemeentelijke monumenten 1. Inleiding 1.1 Aanleiding De historische vereniging Herderewich heeft het college in een brief gevraagd om eigenaren van waardevolle panden actief te benaderen voor plaatsing van hun pand op de monumentenlijst, waarbij ook gekeken zou moeten worden naar naoorlogse objecten. De commissie Ruimte heeft op 25 maart 2021 aan het college gevraagd, of er meer panden en objecten op de monumentenlijst kunnen komen, zoals industrieel erfgoed of boerderijen aan de Weisteeg. Het college heeft aangeven dat het huidige beleid hiervoor geen ruimte biedt en toegezegd om met een beleidsvoorstel te komen.

1.2 Opzet notitie In deze notitie wordt ingegaan op de vragen wat de mogelijkheden zijn binnen het huidige beleid, waar nieuw beleid voor geformuleerd zou moeten worden en welke mogelijkheden daarvoor zijn. Voor de uitvoering van de acties en beleidsvoorstellen is een kostenraming, urenraming en globale planning opgenomen.

1.3 Samenvatting Huidig beleid Binnen het huidige beleid de volgende acties uitvoeren: a. Industrieel erfgoed/bedrijfspanden tot 1940 nader inventariseren en onderzoeken en deze zo nodig aan te wijzen als gemeentelijk monument; b. Eerdere - in zienswijzen en bezwaarprocedures- afgevallen potentiële monumenten- opnieuw onderzoeken; c. Erfgoed uit de wederopbouwperiode 1940-1965 uit de categorie A van de QuickScan wederopbouw van oktober 2010 opnieuw bekijken en zo nodig aan te wijzen als gemeentelijk monument. Beleid in voorbereiding: Visie religieus gebouwen (kerkenvisie) Historische Boerenerven Hierden Beleidsvoorstellen 1. Onderzoek uitvoeren naar Post ’65 erfgoed (1965-1990); 2. Meerdere klassen van gemeentelijke monumenten ontwikkelen; 3. Ontwikkelen van beleid om beeldbepalende panden planologisch te beschermen: 4. Herinventarisatie en herwaardering uitvoeren naar boerderijen in de gemeente Harderwijk.

2

2. Huidige situatie 2.1 Begripsbepaling beschermd gemeentelijk monument. Een beschermd monument is een onroerende zaak die van bijzonder belang is vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde en is beschermd op grond van de erfgoedverordening Harderwijk 2017. Het gaat in de meeste gevallen om gebouwen/bouwwerken, maar ook archeologische vindplaatsen, begraafplaatsen en parken (groen erfgoed), kunnen beschermd worden als gemeentelijk monument. De gemeentelijke beschermde monumenten bestaan voor het overgrote deel uit objecten en locaties, die de geschiedenis van Harderwijk en Hierden vertellen en bepalend zijn voor de identiteit van de gemeente. Denk aan de kerken, kazernes, arbeiderswoningen, officierswoningen, boerderijen, joodse begraafplaats en de restanten van de Stellung Hase. Het doel van een beschermd gemeentelijk monument is het behoud van deze elementen voor de toekomst.

2.2 gemeentelijke monumentenlijst De huidige gemeentelijke monumentenlijst bestaat uit 320 monumenten. Het aantal geeft niet het aantal beschermde objecten weer, want soms bestaat één monument uit een complex van meerdere afzonderlijke gebouwen. Bijvoorbeeld de erfbebouwing bij een boerderij, verschillende kazernegebouwen of meerdere woningen in één woonblok.

3

2.3 Beleid aanwijzen gemeentelijke monumenten De gemeente Harderwijk heeft al meer dan dertig jaar een actief monumentenbeleid, waarin objecten en terreinen in verschillende aanwijsrondes zijn geïnventariseerd, gewaardeerd, geselecteerd en aangewezen als gemeentelijk monument. Zie bijlage 1 voor een overzicht. Voor zover bekend, waren de diverse aanwijsrondes geen uitvoering van een vastgestelde (brede) beleidsnota of visie, met uitzondering van de objecten uit de Wederopbouwperiode 1940-1965 (nota cultuurhistorie). In de nota cultuurhistorie, die eind 2008 door de raad in vastgesteld, is geconcludeerd dat er voor de periode tot 1940 geen nieuwe inventarisaties en/of herwaardering plaats hoeft te vinden. De periode van na 1965 was in 2008 nog geen issue. Er is daarom geen beleid voor het aanwijzen van gemeentelijke monumenten uit de periode na 1965, het zogenoemde Post ’65-erfgoed. Gezien de conclusie uit de nota cultuurhistorie uit 2008 en het feit dat aanwijsronde van monumenten uit de Wederopbouwperiode is afgerond, vindt op dit moment geen actieve inventarisatie, onderzoek en aanwijzing naar nieuwe potentiële monumenten plaats. Er worden alleen nog incidenteel gemeentelijke monumenten aangewezen op verzoek van belanghebbenden, of in geval van toevalsvondsten (bijvoorbeeld het bastion aan de Strandboulevard en de restanten van de Stellung Hase in het Crescentpark).

2.4 Overig beleid 2.4.1 Beeldbepalende panden binnenstad Rond 1994/96 heeft er een herwaardering van de gemeentelijke monumentenlijst in de binnenstad plaatsgevonden. Een groot aantal panden zijn toen van de monumentenlijst gehaald en er zijn panden toegevoegd aan de lijst. Van de panden die zijn afgevoerd van de gemeentelijke monumentenlijst zijn 85 panden aangemerkt als ‘beeldbepalend’. Deze kwalificatie heeft echter geen juridische status en geeft geen extra bescherming ten opzichte van alle andere panden in het rijksbeschermde stadsgezicht.

2.4.2 Beschermd stadsgezicht De binnenstad van Harderwijk is in 1970 door het Rijk op grond van de Monumentenwet aangewezen als beschermd stadgezicht. Deze bescherming is op stedenbouwkundig niveau. De gemeente is verplicht om een bestemmingsplan vast te stellen, die de stedenbouwkundige waarden borgt. Denk hierbij aan het dakenlandschap, kapvormen rooilijnen, stratenpatroon, groene ruimtes, goothoogtes. Ook is het vergunningsvrij bouwen beperkt, waardoor de gemeente meer welstandseisen kan stellen. Er geldt een sloopvergunningsstelsel in een rijksbeschermd stadsgezicht, maar dit houdt geen bescherming in van de panden die geen rijks- of gemeentelijk monument zijn. De sloopvergunning moet namelijk verleend worden, als er een nieuwbouwplan is, dat voldoet aan de stedenbouwkundige waarden.

2.4.3 Cultuurhistorische waardenkaart. Sinds 2012 moet volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bij nieuwe bestemmingsplannen, naast de ondergrondse (archeologische), ook de bovengrondse cultuurhistorische waarden worden meegewogen. In de toelichting bij de tot de totstandkoming van deze wetswijziging wordt expliciet aangeven, dat hiermee niet alleen de beschermde gemeentelijke- en rijksmonumenten worden bedoeld, maar ook alle andere cultuurhistorische waardevolle elementen. In 2015 is in opdracht van de gemeente Harderwijk daarom een algehele inventarisatie uitgevoerd naar alle bovengrondse cultuurhistorische waardevolle objecten en structuren. Dit betreft al het onroerende erfgoed, zoals gebouwen, bouwwerken, stedenbouwkundige structuren, landschap, infrastructuur, water en groen. De kaart wordt sindsdien als input gebruikt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en bestemmingplannen.

4

2.5 Omgevingswet Naar verwachting treed op 1 januari 2023 de Omgevingswet in werking. Cultureel erfgoed, waaronder gemeentelijke monumenten, vallen ook onder de werking van de Omgevingswet. Dit betekent dat de huidige erfgoedverordening en de gemeentelijke monumenten onderdeel worden van het tijdelijke omgevingsplan. Dit geldt ook voor de welstandsnota en het bestemmingsplan. De gemeente moet uiterlijk aan het einde van 2029 het tijdelijke omgevingsplan omzetten naar een integraal omgevingsplan voor het gehele grondgebied van Harderwijk. De gemeentelijke monumenten zijn in dit omgevingsplan opgenomen en beschermd. Dit heeft gevolgen voor het aanwijzen van gemeentelijke monumenten. Tot nog toe worden gemeentelijke monumenten, het bestemmingsplan en welstand gezien als sectorale beleidsvelden. In het integrale omgevingsplan Harderwijk moeten deze en andere beleidsvelden integraal op elkaar en per locatie zijn afgestemd. Wanneer een object of perceel als gemeentelijk monument wordt aangewezen, dient het omgevingsplan daarop aangepast te worden volgens de daarvoor geldende procedure. Nu geldt er vanuit de erfgoedverordening een generieke vergunningplicht voor het wijzigen van gemeentelijke monumenten. Wanneer gemeentelijke monumenten in het omgevingsplan zijn opgenomen, is het in theorie mogelijk om voor elk monument een specifieke bescherming en vergunningplicht te regelen.

Omgeving van een monument Op grond het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL) is de gemeente verplicht om rekening te houden met de omgeving van een rijks- en gemeentelijk monument. Deze omgeving strekt zich verder uit dan alleen het kadastrale perceel van het betreffende monument. Dit rekening houden kan bijvoorbeeld voorwaarden inhouden met betrekking tot het beeld, zoals welstandseisen, bouwhoogtes, vergunningsvrij bouwen en zichtlijnen nabij een monument. Ze kunnen ook technisch van aard zijn. Denk aan voorwaarden bij het slopen en heien nabij een monument. Ook een molenbiotoop valt onder dit artikel.

Figuur 1 Linkerpand houdt qua maat, schaal en afstand geen rekening met het naastgelegen monument

5

3. Mogelijkheden binnen het huidige beleid 3.1 Erfgoed van voor 1940 Zowel het Rijk als de gemeente Harderwijk heeft de afgelopen decennia het erfgoed uit de deze periode geïnventariseerd, gewaardeerd en geselecteerd en aangewezen als rijks- of gemeentelijk monument (Zie ook bijlage 1 voor een kort overzicht hiervan). Dit proces heeft zorgvuldig plaatsgevonden, maar dit betekent niet dat een object van voor 1940, die niet op de gemeentelijke monumentenlijst staat, onvoldoende of geen enkele cultuurhistorische waarde zou kunnen hebben. Hiervoor zijn verschillende verklaringen mogelijk. A inventarisatie De inventarisatie vindt meestal plaats door ingehuurde deskundigen. De specialisten doen hun inventarisatie eerst aan de hand van visuele bevindingen vanaf de openbare weg, vervolgens nader onderzoek ter plaatse en daarna dossieronderzoek. Ook wordt er bij de monumentencommissie en de historische vereniging Herderewich om informatie gevraagd. Hieruit ontstaat een eerste groslijst. Het kan gebeuren dat objecten letterlijk over het hoofd worden gezien. Bij de visuele inventarisatie vanaf de openbare weg vindt ook een eerste waardering plaats. Hierbij kunnen inschattingsfouten worden gemaakt.

Een pand lijkt op het eerste gezicht niet heel bijzonder en wordt niet nader onderzocht, maar heeft misschien wel een heel gaaf/bijzonder interieur, bouwconstructie of is ontworpen door een beroemde architect. B Kwantitatieve selectie Naast inhoudelijke selectiecriteria, zijn er ook kwantitatieve selectiecriteria geweest. Een monumentenlijst is een vorm van collectiebeheer. Niet alles kan bewaard blijven en een zekere exclusiviteit/zeldzaamheid is van belang. Zo zijn er in de gemeente Harderwijk nog veel woningen uit de jaren ’30 van de vorige eeuw aanwezig en zijn er relatief veel boerderijen. Daarom heeft men bij de aanwijsrondes ervoor gekozen om bij de jaren ’30 woningen en de boerderijen, alleen de representatieve voorbeelden op beeldbepalende locaties (kruispunten, doorgaande hoofdwegen) aan te wijzen. C

Inspraak/zienswijzen en belangenafweging Wanneer het college voornemens is om een object aan te wijzen, vindt er overleg plaats met de direct belanghebbenden, de eigenaren van het object. Deze kunnen zienswijzen en bezwaren indienen. Het college moet de belangen van de eigenaren meewegen en kan soms besluiten dat deze belangen zwaarder wegen dan het cultuurhistorische/algemene belang en besluiten om een pand uiteindelijk niet aan te wijzen als gemeentelijk monument.

Ad. A Bij de inventarisatie van het buitengebied zijn niet de gebieden Tonsel/Weisteeg en Drielanden/Groene Zoom betrokken. Voorgesteld wordt om deze gebieden mee te nemen bij een herinventarisatie van boerderijen in de gemeente Harderwijk (zie beleidsvoorstel 4). Bij de inventarisaties van objecten van voor 1940, zijn niet specifiek de industrieterreinen en alle bedrijfsgebouwen(industrieel erfgoed) betrokken. Gezien het beperkt aantal industriële gebouwen van voor 1940 kan dit alsnog gedaan worden binnen het huidige beleid en budget. Ook is een aantal karakteristieke kerkgebouwen van voor 1940 niet aangewezen als gemeentelijk monument. Uit de dossiers is niet op maken waarom niet. Ze kunnen niet over het hoofd zijn gezien. Deze kerkgebouwen worden meegenomen in de visie voor religieuze gebouwen( kerkenvisie).

6

Actie : a.

Industrieel erfgoed/bedrijfspanden tot 1940 nader inventariseren en onderzoeken en deze zo nodig aan te wijzen als gemeentelijk monument.

Ad B Het kwantitatieve selectiecriterium die voor woonhuizen buiten de binnenstad is gehanteerd, is nog steeds zinvol. Het overgrote deel op de gemeentelijke monumentenlijst bestaat nu uit grondgebonden woonhuizen uit de periode van begin twintigste eeuw. Een nog verdere uitbreiding daarvan voegt weinig toe aan het huidige monumentenbestand. Wel zouden sommige woonblokken/woonhuizen wellicht aangemerkt kunnen worden als beeldbepalend of beeldondersteunend (zie beleidsvoorstel 3). Voor boerderijen ligt dit wat genuanceerder. Het kwantitatieve selectiecriterium daarvoor, had mede te maken met bezwaren vanuit de inwoners. Zij wilden bijvoorbeeld geen medewerking verlenen aan onderzoek van hun pand. De waardering van boerderijen in zijn algemeenheid was toen ook minder. De situatie is nu anders, gezien de belangstelling voor de historische boerenerven. Gezien de grote hoeveelheid aan historische boerderijen en erven (ruim 100) kan een hernieuwde onderzoek en aanwijsronde daarnaar, niet binnen het bestaande beleid en budget. Daarnaast zullen lang niet alle boerderijen/erven voldoende waarde als gemeentelijk monument hebben, maar wellicht wel in een andere monumentklasse kunnen worden aangewezen of als beeldbepalend. Hiervoor moet eerst nieuw beleid worden ontwikkeld (zie beleidsvoorstel 4). Ad c Een aantal panden is in een bezwaarprocedure afgevallen.

Omdat de meeste van deze procedures soms al 30 jaar geleden zijn, er nu vaak andere eigenaren zijn en de omstandigheden zijn gewijzigd, is het zinvol om deze specifieke dossiers nog eens te onderzoeken. Actie b: eerdere - in zienswijzen en bezwaarprocedures- afgevallen potentiële monumenten- opnieuw onderzoeken.

3.2 Erfgoed uit de wederopbouwperiode(1940-1965) Als uitvoering van de nota cultuurhistorie is er in 2009-2010 een inventarisatie /QuickScan naar objecten uit deze periode uitgevoerd. Deze QuickScan is in oktober 2010 opgeleverd en bevat een categorie A lijst(potentiele monumenten) en categorie B lijst (beeldbepalend object of complex). De uitkomsten van dit onderzoek zijn in samenwerking met Herderewich gepresenteerd aan belangstellenden. In navolging van het Rijk heeft het college in 2013 besloten om ook voor de gemeentelijke monumentenlijst, maar een beperkt aantal objecten uit de wederopbouwperiode aan te wijzen. Van elke type object (woonhuizen, kerken, bedrijfsgebouwen, winkels, scholen, nutsvoorzieningen/overig ) twee of maximaal drie. In totaal zijn er toentertijd 14 objecten aangewezen als gemeentelijke monument. Gezien het beperkte resterende aantal potentiële monumenten op de A lijst en het feit dat er de laatste jaren meer aandacht en waardering is voor het naoorlogs erfgoed, wordt voorgesteld om de resterende objecten van de A lijst nader te bekijken en eventueel aan te wijzen als gemeentelijke monument. Actie c. erfgoed uit de wederopbouwperiode 1940-1965 uit de categorie A van de QuickScan wederopbouw nader bekijken en eventueel aan te wijzen als gemeentelijk monument.

7

4 .Beleid in voorbereiding 4.1 Visie religieuze gebouwen (kerkenvisie) Op 2 februari 2021 heeft het college besloten om een visie voor religieuze gebouwen (kerkenvisie) op te stellen. Het doel van de visie is het behoud van cultuurhistorisch waardevolle religieuze gebouwen. Om dat doel te bereiken worden alle religieuze gebouwen: oud en nieuw, van alle geloven (dus kerken, moskeeën, synagogen, Koninkrijkszalen), monumentaal en niet-monumentaal, bij de visie betrokken. Er wordt uitgegaan van gebouwen die oorspronkelijk gebouwd zijn als gebedshuis. Ook als deze gebouwen inmiddels een andere bestemming hebben. In kader van deze visie vindt er ook inventarisatie en eerste globale waardering van alle religieuze gebouwen plaats. Deze waardering geldt voor alle tijdsperiodes tot en met de Post ‘65 periode (tot 1990). De verdere waardering en eventuele bescherming van deze gebouwen wordt uitgevoerd, wanneer de visie en uitvoeringsagenda is vastgesteld door de raad.

4.2 Historische Boerenerven. Op 24 mei 2018 heeft de raad een motie aangenomen, waarbij het college gevraagd is om meer ruimte te zoeken voor ontwikkelingsmogelijkheden van historische boerderijen, erven en landschappelijke waarden. Een projectgroep bestaande uit (oud) inwoners van Hierden heeft hiervoor een inspiratiegids ontwikkeld in samenwerking met het Gelders Genootschap. In deze gids staat aangegeven hoe men waardevolle cultuurhistorische kenmerken kan behouden en/of versterken wanneer een historisch boerenerf wordt ontwikkeld. Het Gelders Genootschap heeft ook een aantal aanbevelingen gedaan om het bestaande beleid te wijzigen/aan te vullen om meer ruimte te geven voor ontwikkelmogelijkheden van historische boerenerven om zo de cultuurhistorische waarden beter te borgen/beschermen. Op 20 januari 2022 heeft de raad de inspiratiegids ‘Historische boerenerven in Hierden’ vastgesteld. Op basis van de aanbevelingen van het Gelders Genootschap was het nog niet mogelijk om concrete beleidswijzigingen te doen. De raad heeft daarom op 20 januari 2022 besloten te starten met drie (nu vijf) proeferven Door de proeferven kan praktische ervaring worden opgedaan aan de hand van werkelijke casussen. Aan de hand van de conclusies uit deze proeftuinen kunnen concrete beleidswijzigingen overwogen worden.

5 Voorstellen voor nieuw beleid. 5.1 Post ‘65 Erfgoed Een flink deel van onze leefomgeving is gebouwd na 1965: woningen, kantoren, winkelcentra, kerken, recreatiegebieden, scholen, kunst in de openbare ruimte, et cetera. De gebouwen en complexen uit de periode na 1965 vragen nu echter vaak om renovatie, aanpassing of verliezen hun functie door nieuwe technische eisen en maatschappelijke ontwikkelingen. Denk aan leegstand van winkels, de energietransitie, ontkerkelijking, het sluiten van banken en (post)kantoren door de digitalisering en het thuiswerken. Vroeger werd pas na 50 jaar onderzoek gedaan of een bouwwerk monumentwaardig kon zijn. Door de snelheid van de genoemde ontwikkelingen kunnen veel bouwwerken echter eerder zijn verdwenen. Om deze reden heeft het Rijk de eis, dat een rijksmonument minimaal 50 jaar oud moet zijn, in 2012 losgelaten. Inmiddels heeft het Rijk een eerste verkenning naar de periode 1965 tot en met 1990 afgerond. (de post ’65 periode). Men heeft nog geen concreet aanwijsprogramma voor deze periode vastgesteld. Ook zijn er in een aantal gemeentes verkenningen en onderzoeken gestart en er zijn door diverse gemeenten al een aantal- vaak iconische gebouwen van bekende architecten- aangewezen als gemeentelijke monument. Bijvoorbeeld de

8

kubuswoningen in Helmond (1977) en Rotterdam (1982/84) van architect Piet Blom en de bolwoningen in Den Bosch (1980).

Figuur 2 Kubuswoningen Rotterdam

Gemeente Harderwijk Ook in de gemeente Harderwijk stamt een groot deel van de bebouwde omgeving uit de periode van na 1965 en bepaalt deze nu een groot deel het aanzicht van Harderwijk. Het is verweven met de geschiedenis van de ontwikkeling van Harderwijk en Hierden en daarom mede bepalend voor de identiteit van de gemeente. Ook binnen de gemeente Harderwijk verdwijnen, mede door de genoemde ontwikkelingen, gebouwen uit de deze periode uit het straatbeeld. Er is op dit moment geen overzicht van deze periode in de gemeente Harderwijk en wat de waarde daarvan is. De verkenning van het Rijk geeft geen inzicht in de specifieke situatie van Harderwijk. Ook zijn er geen landelijk bekende bouwwerken uit deze periode in de gemeente Harderwijk aanwezig. Om een goed inzicht en oordeel te kunnen geven over bouwwerken uit deze periode, moet er een inventarisatie en onderzoek naar de periode 1965 tot en met 1990 plaatsvinden. Dit onderzoek is exclusief de gebedshuizen, aangezien deze categorie al onderzocht wordt in kader van de Visie voor religieuze gebouwen.

Beleidsvoorstel 1: Onderzoek uitvoeren naar Post ’65 erfgoed (1965-1990)

5.2 Nieuwe beschermingsinstrumenten 5.2.1 Meerdere klassen van gemeentelijke monumenten De status van gemeentelijk monument is naast een erkenning van de waarde van het object, een (juridisch) instrument om een onroerende zaak te beschermen. De bescherming houdt in, dat er op grond van de erfgoedverordening een vergunning is vereist voor sloop, verbouwing en wijziging. Moedwillige beschadiging van het object is verboden en er geldt een instandhoudingsplicht, waarmee passieve teloorgang door bijvoorbeeld ernstig achterstallig onderhoud, tegengegaan kan worden. In principe is een monument integraal beschermd, dus zowel binnen- als buitenzijde. Hierdoor ligt de lat hoog om een object aan te wijzen als gemeentelijk monument en voelt de eigenaar zich soms beperkt, omdat men voor elke wijziging (zowel binnen als buiten) een vergunning moet aanvragen. Wat overigens niet wil zeggen

9

dat er geen wijzigingen mogelijk zijn. Daartegenover staan alle andere gebouwen en objecten (ruim 98%) in de gemeente Harderwijk die niet beschermd zijn als monument en vaak zonder vergunning kunnen worden gesloopt of ingrijpend worden gewijzigd. Er kan echter niet worden gesteld dat alle overige gebouwen die niet beschermd zijn als gemeentelijk of rijksmonument, geen enkele cultuurhistorische en/of architectonische waarden zouden hebben. (zie hiervoor paragraaf 3.1 en de cultuurhistorische waardenkaart). Diverse gemeenten hebben verschillende klassen van beschermde gemeentelijke monumenten. Hierbij is bijvoorbeeld klasse 1 vergelijkbaar met de huidige integrale bescherming. Bij klasse 2 is alleen het exterieur beschermd en bij klasse 3 alleen een bepaald onderdeel, bijvoorbeeld de voorgevel of de bouwconstructie/interieur. Juridisch is nog steeds het hele object een gemeentelijk monument. Het vergunningstelsel (de bescherming) richt zich echter alleen op die onderdelen die van belang zijn. In sommige gemeenten worden klassen ook wel ordes of ‘monument light’ genoemd. Door verschillende klassen van bescherming toe te passen, kunnen meer gebouwen in aanmerking komen als gemeentelijk monument. Tevens zorgt deze methode ervoor dat de regeldruk voor de eigenaar en de werklast voor de gemeente (aanvragen monumentenvergunningen) niet onnodig hoog is.

Ook de druk op het subsidiebudget kan hierdoor in de hand worden gehouden, omdat alleen de beschermde onderdelen van een monument in aanmerking komen voor subsidie. De gemeente Harderwijk kent dergelijke verschillende beschermingsregimes niet. Hiervoor moet nieuw beleid worden ontwikkeld. De Omgevingswet biedt ook meer mogelijkheden om maatwerkregels per monument toe te passen, waarvoor dit beleid als uitgangspunt genomen kan worden. In dit beleid moeten de verschillende klassen worden gedefinieerd, de selectiecriteria voor elke klasse worden bepaald net als het bijbehorende vergunningstelsel en subsidiemogelijkheden. Daarnaast moet dit beleid ingaan op de implementatie van het nieuwe systeem, de uitvoeringskosten (incidenteel en structureel) en welke gevolgen dit nieuwe systeem heeft voor het huidige monumentenbestand.

Beleidsvoorstel 2: Meerdere klassen van gemeentelijke monumenten ontwikkelen

5.2.2 Beeldbepalende en beeldondersteunende panden Bij monumenten is de authenticiteit van het object een belangrijk onderdeel. Een object moet authentiek zijn. Reconstructies komen in de regel niet in aanmerking voor een monumentenstatus. Het uitgangspunt bij onderhoud en restauratie is ‘behoud gaat voor vernieuwing’. En als een onderdeel technisch gezien vervangen moet worden, dan moet dit met de historisch juiste materialen, technieken en detaillering worden uitgevoerd. Er zijn gevallen waarvan het behoud van de auntencitiet minder van belang is en waar de waarde van een object vooral zit in de beeldwaarde die het heeft voor de omgeving. Dit is vaak het geval bij panden met karakteristieke architectuur die niet heel zeldzaam zijn. Denk hierbij aan gevels/gevelwanden in een beschermd stadsgezicht, karakteristieke woonblokken, historische lintbebouwing of erfbebouwing bij een historische boerderij. Al deze objecten aanwijzen als gemeentelijk monument, ook met een lichtere bescherming, is ondoenlijk. Het is mogelijk om de beeldwaarde planologisch te beschermen, door het opnemen van regels in het omgevingsplan die toegespitst zijn op het belang van het behouden en versterken van deze beeldwaarde.

De regels voor bouwen zullen passend zijn bij de karakteristieken van dat pand, zoals goothoogtes, kapvorm en situering en de welstandeisen (welke als beleidsregels deel uitmaken van het omgevingsplan) zijn specifiek toegesneden op de karakteristieken van het betreffende pand. De vergunningsvrije omgevingsplanactiviteiten volgens artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) blijven in stand. Dit kan eventueel nog uitgebreid worden met bijbehorende bouwwerken, wanneer dit niet ten koste gaat van de beeldwaarde

10

(bijvoorbeeld aan de achterzijde). Hier geldt dus alleen het beleid van behoud van de beeldwaarde en niet het behoud van authenticiteit. Beeldbepalende onderdelen of gevels kunnen dus met vergunning geheel vervangen worden, door vergelijkbare onderdelen en gevels, De huidige beeldbepalende panden in de binnenstad, op de cultuurhistorische waardenkaart, uit de Wederopbouwperiode, beeldbepalende erfbebouwing bij boerderijen en gereconstrueerde gevels/panden zouden in aanmerking kunnen komen voor een dergelijke status.

Beleidsvoorstel 3. Ontwikkelen van beleid om beeldbepalende panden planologisch te beschermen

Figuur 3 Deels gereconstrueerde beeldbepalende panden kerkplein 4 en 5

5.3 Boerderijen In het verleden zijn boerderijen aangewezen als gemeentelijk of rijksmonument. Bij een aantal beschermde boerderijen valt ook (een deel van)de erfbebouwing, zoals hooibergen, bakhuisjes, schuren en stallen onder de bescherming. In totaal zijn 26 boerderijen aangewezen als gemeentelijk monument en 12 als rijksmonument Een aantal monumenten bevinden zich ook in de wijk Frankrijk. De Weisteeg en Drielanden/Groene Zoom zijn in het verleden niet meegenomen in de inventarisatie van gemeentelijke monumenten. Het is niet zo dat alle niet beschermde boerderijen geen cultuurhistorische en/of monumentwaarde hebben. Uit de inventarisatie voor de cultuurhistorische waardenkaart zijn in de gemeente Harderwijk 78 nietbeschermde boerderijen gewaardeerd met hoge of middelhoge cultuurhistorische waarde In de inventarisatie naar de historische boerenerven, hebben 52 historische niet-beschermde boerenerven in Hierden en buitengebied Hierden (excl. gebied Glindweg) een indicatie van beeldbepalend of beeldondersteunend. Deze globale waarderingen zijn nog onvoldoende om een boerderij en/of erfbebouwing als gemeentelijk monument aan te wijzen. Daarnaast zal er ook een categorie overblijven die onvoldoende waarde heeft voor de status van gemeentelijk monument, maar wel beeldbepalende waarden kunnen hebben.

Om dit onderscheid goed te kunnen maken moeten beleidsvoorstellen 2 en 3 zijn uitgewerkt. Daarbij vinden er op dit moment een aantal proeftuinen plaats voor historische boerenerven, waar mede wordt onderzocht, wat de specifieke waarden van elke object op een boerenerf zijn en hoe het behoud hiervan het beste geborgd kan worden.

11

Hierom wordt voorgesteld om de uitwerking van beleidsvoorstellen 2 en 3 en de resultaten van proeftuinen af te wachten en deze vervolgens toe te passen bij een herinventarisatie en herwaardering van de boerderijen in Hierden, het buitengebied, de wijken Frankrijk, Weisteeg en Drielanden/Groene Zoom.

Beleidsvoorstel 4: Herinventarisatie en herwaardering uitvoeren naar boerderijen in de gemeente Harderwijk

6. Participatie De acties 1,2 en 3 zijn uitvoering van bestaande beleid. Hier vinden de gebruikelijke overleggen en communicatie plaats met de eigenaren en gebruikers van de betrokken objecten. Nieuw beleid In het verleden was participatie bij het aanwijzen van monumenten vooral gericht op het informeren van de direct belanghebbenden. De inventarisatie, waardering en selectie werden gedaan door deskundigen en de monumentencommissie. De laatste jaren is de landelijke trend om inwoners meer te betrekken bij de inventarisatie, de waardering en de selectie. Hierdoor wordt er gebruik gemaakt van de lokale kennis en is er meer betrokkenheid en draagvlak. Voor de beschreven beleidsvoorstellen wordt de volgende wijze van participatie voorgesteld: Beleidsvoorstel 1 Bij het onderzoek naar het Post ’65 ligt het voor de hand dat er een oproep in lokale media wordt gedaan om gebouwen aan te dragen en zal Herderewich om input worden gevraagd. De resultaten van het onderzoek worden gepresenteerd in een open bijeenkomst. Beleidsvoorstel 2 en 3 Het formuleren van beleid voor meerdere klassen van monumenten en planologische bescherming voor beeldbepalende panden is grotendeels technisch en juridisch van aard en daardoor minder geschikt voor participatie. Herderewich wordt betrokken bij het definiëren en formuleren van de verschillende klassen en de selectiecriteria.

Het conceptbeleid wordt ter inzage gelegd, zodat een ieder zijn of haar zienswijzen kan indienen. Beleidsvoorstel 4 Hiervoor wordt gebruikt gemaakt van bestaande inventarisatie van de cultuurhistorische waardenkaart en de boerenerven. Bij deze inventarisaties heeft er al participatie plaatsgevonden. Bij de herinventarisatie zal (wederom) gebruik worden gemaakt van een lokale werkgroep en expertise.

7. Planning en kosten Acties 1, 2 en 3 Beleidsvoorstel 1 Beleidsvoorstel 2 en 3 Beleidsvoorstel 4

12

Incidentele kosten €15.000,€ 20.000,€ 2.500,n.t.b

Structureel Nihil n.t.b. n.t.b. n.t.b

Ambtelijke uren 300 50 150 n.t.b

Planning 2023 en 2024 2023 2023 2024

Toelichting Acties en 1, 2 en 3 De schatting is dat als gevolg van de acties 1, 2 en 3, circa 15 gemeentelijke monumenten worden aangewezen. De geraamde totale kosten zijn dan € 15.000,- aan externe adviezen voor het opstellen van redengevende omschrijvingen en circa 300 ambtelijke uren. De kosten en uren kunnen in 2023 en 2024 uit bestaande capaciteit en algemeen budget voor cultuurhistorie gedekt worden. Het beheer van een gemeentelijke monumentenlijst kent ook structurele kosten. Dit betreffen vooral de ambtelijke uren die nodig zijn om vergunningsaanvragen te behandelen, informatieverstrekking aan eigenaren en subsidies voor onderhoud en restauratie. Ook handhaving en toezicht valt hieronder. Het subsidiebudget biedt nog ruimte voor nieuwe monumenten en de inschatting is dat de beperkte uitbreiding van de monumentenlijst geen noemenswaardige gevolgen heeft voor de ambtelijke capaciteit. Gezien het beleid wat in voorbereiding is (boerenerven en kerkenvisie), het tijdbeslag van beleidsvoorstellen 1 t/m 3 in 2023, de structurele werkzaamheden, overige lopende en reeds geplande projecten en de beperkte budgetruimte moet het werk verdeeld worden over de jaren 2023 en 2024.

Beleidsvoorstel 1 Het onderzoek en participatie naar de Post ‘65 periode wordt uitbesteed aan een extern adviesbureau. De kosten hiervoor worden geraamd op € 20.000,- De ambtelijke uren voor de begeleiding van dit onderzoek worden geraamd op 50 uur. De structurele kosten zijn afhankelijk van de resultaten van het onderzoek en de beleidsmatige keus die door het college en raad moet worden gemaakt of zij objecten uit de Post 65, periode wil aanwijzen als beschermd monument. Beleidsvoorstel 2 en 3 Dit beleid wordt ambtelijk uitgevoerd. De uren worden geraamd op 150 uur. Voor het formuleren van selectiecriteria zal ook extern advies gevraagd worden. De kosten hiervoor worden geraamd op € 2.500,- .Eén van de resultaten van dit beleid is welke financiële gevolgen (incidenteel en structureel) dit beleid heeft. Beleidsvoorstel 4 Er kan nog geen kostenraming en urenraming worden gemaakt, omdat eerst de resultaten van het project boerenerven en beleidsvoorstellen 2 en 3 wordt afgewacht. Gezien de beschikbare ambtelijke capaciteit en het feit dat de resultaten van beleidsvoorstellen 2 en 3 en de boererven worden afgewacht, wordt dit project voorlopig gepland voor 2024.

Bronnen: -

13

Dossiers monumentenaanwijzingen Nota cultuurhistorie 2008 QuickScan Wederopbouwperiode, Gelders Genootschap 2010 Cultuurhistorische waardenkaart Harderwijk en Hierden , bureau lantschap, 2015 Gemeentelijke monumentenlijst Lijst beeldbepalende panden binnenstad Harderwijk Inventarisatie boerenerven Hierden en buitengebied, Gelders Genootschap Verkenning Post ’65, Rijksdienst Cultureel Erfgoed, oktober 2019 Omgevingswet 2016 Handreiking begrippenkader cultureel erfgoed onder de Omgevingswet, Rijksdienst cultureel erfgoed april 2020

Bijlage 1 beleid Beleid Rijk (rijksmonumenten) De eerste Monumentenwet (inmiddels de Erfgoedwet) in Nederland dateert uit 1966. Monumentenzorg werd centraal vanuit de rijksoverheid gestuurd en hield zich aanvankelijk vooral bezig met de grote, eeuwenoude monumenten zoals kastelen, kerken, raadhuizen, molens en statige boerenhoeven. In de loop van de jaren verschoof de aandacht naar nieuwe categorieën van gebouwen en ook de omgeving van het monument kwam in de belangstelling te staan (dit vertaalde zich in beleid voor bijgebouwen, tuinen en parken, maar ook stadsen dorpsgezichten). Dit resulteerde erin dat begin jaren 70 van de 20ste eeuw ruim 100 gebouwde rijksmonumenten in Harderwijk (ca 80) en Hierden (ca. 20) werden aangewezen. Ook werd in 1970 de binnenstad van Harderwijk als rijksbeschermd stadsgezicht aangewezen. Rond die tijd zijn in de gemeente Harderwijk ook twee archeologische rijksmonumenten aangewezen. Een nieuw elan in de monumentenwereld werd teweeggebracht door het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) en het daarop volgende Monumenten Selectie Project (MSP). Deze projecten werden landelijk in de jaren 80 en 90 van de 20ste eeuw uitgevoerd. Ze betekenden een grootscheepse inhaalslag voor de selectie en bescherming van de architectuur en stedenbouw uit de periode 1850-1940.

Dit resulteerde erin dat in de gemeente Harderwijk nog 4 rijksmonumenten uit deze periode zijn aangewezen. In het begin van de 21ste eeuw heeft het Rijk in vervolg op het MIP vervolgens onderzoek gedaan naar de periode van de Wederopbouw, 1940-1965. Men heeft hierbij gekozen om alleen de toppers uit deze periode aan te wijzen als rijksmonument. Uiteindelijk zijn er inmiddels landelijk 200 rijksmonumenten uit de wederopbouwperiode aangewezen als rijksmonument . In de gemeente Harderwijk is geen enkel rijksmonument uit deze periode aangewezen. In het kader van de modernisering monumentenzorg is in 2012 de vereiste minimale ouderdom van 50 jaar voor rijksmonumenten vervallen. De reden hiervoor was dat gebouwen uit met name de naoorlogse periode vaak al eerder dan 50 jaar werden afgebroken. Deze wijziging opende tevens de weg om ook erfgoed van na 1965 (Post ’65 erfgoed) aan te wijzen als rijksmonument. In 2016 heeft de Minister van OC&W een terughoudend aanwijsbeleid voor rijksmonumenten vastgesteld. De meeste rijksmonumenten wijst de minister vanaf dan aan op grond van een vastgesteld aanwijsprogramma. Hierin worden nieuwe erfgoedthema, s opgepakt of wordt aan de hand van een specifiek thema onderzocht of het bestaande bestand verbetering behoeft. Er zijn op dit moment (geen) nieuwe aanwijsprogramma, s vastgesteld . Wel voert het Rijk de volgende verkenningen uit: -

Militair erfgoed Herinneringen en herdenkingserfgoed Archeologie Post ’65 erfgoed periode 1965-1990 (afgerond)

Beleid provincie Voor de provincie bestaat ook de mogelijk om op grond van een provinciale verordening monumenten aan te wijzen. De provincie Gelderland heeft nooit gebruikt gemaakt van deze mogelijkheid. Men heeft ervoor gekozen om gemeenten te stimuleren om gemeentelijke monumenten aan te wijzen en gemeenten bij de uitvoering van het beleid te ondersteunen door middel van subsidies. Zo verhoogt de provincie jaarlijks de gemeentelijke subsidie van onderhoud en restauratie van gemeentelijke monumenten.

14

Beleid gemeente Harderwijk (gemeentelijke monumenten) . De Gemeentewet bood al voor de Monumentenwet van 1966, gemeenten de mogelijkheid om eigen gemeentelijke monumentenverordening vast te stellen, waarmee de mogelijkheid bestond om op advies/voordracht van de monumentencommissie gemeentelijke monumenten aan te wijzen. De Wet op de Stads en Dorpsvernieuwing was in de jaren ‘80 voor de gemeente Harderwijk aanleiding tot het vaststellen van een monumentenverordening en het samenstellen van de eerste gemeentelijke monumentenlijst voor panden in de binnenstad (binnen de veste). Mede door de Monumentenwet uit 1988 en het MIP, was er aanleiding om deze monumentenlijst in de jaren ‘90 uit te breiden naar panden buiten de veste en het buitengebied, waarbij rond 1994 de gemeentelijke monumentenlijst van de binnenstad weer werd herzien. Daarbij werd dankbaar gebruik gemaakt van de inhoudelijke gegevens van het MIP en MSP. De huidige gemeentelijke monumentenlijst is grotendeels tot stand gekomen door middel van aanwijsrondes. Een aanwijsronde is het projectmatig aanwijzen van monumenten uit een bepaald gebied, periode en/of een bepaalde categorie.

Een dergelijk aanwijsronde bestaat uit de volgende fases: Een inventarisatie van objecten uit een bepaalde periode, categorie en/of gebied: eerste selectie met vooraf gestelde criteria; het verder onderzoeken en beschrijven van deze selecteerde objecten; definitieve selectie door monumentencommissie en voorstel/advies aan het college; overleg en zienswijzenmogelijkheid voor eigenaren en ander belanghebbenden; definitieve aanwijzing door college met mogelijkheid bezwaar/beroep door belanghebbenden. Er zijn in de gemeente Harderwijk de volgende aanwijsrondes geweest Binnenstad (binnen de veste), objecten tot circa 1940, uitgevoerd in de ‘jaren 80; Herziening binnenstad, objecten tot circa 1940, uitgevoerd rond 1994; Hierden, buitengebied (incl. Frankrijk) , objecten tot circa 1940, uitgevoerd in 1990-1992 buiten de binnenstad (buiten de veste), objecten tot circa 1940, uitgevoerd in 1998-2000 objecten uit periode 1940-1965 (wederopbouwperiode), uitgevoerd in 2009-2010 en 2012-2014 Tussendoor zijn er nog incidenteel monumenten aangewezen. Vaak naar aanleiding van een verzoek van een eigenaar/belanghebbende, de monumentencommissie, of bij een toevalsvondst.

15

Bijlage 2 Toetsingscriteria gemeentelijke monumenten Onder monumenten wordt verstaan: a. alle zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde; b. terreinen welke van algemeen belang zijn wegens daar aanwezige zaken als benoemd onder a. Om te bepalen of een object aangemerkt kan worden als monument wordt getoetst aan twee basisnormen en een reeks toetsingscriteria. Basisnormen: - het object heeft een zekere architectuurhistorische waarde; - casco (muurwerk en fundering) verkeert in redelijke goede staat: het object is te restaureren zonder volledige afbraak. De toetsingscriteria zijn te verdelen in de volgende hoofdgroepen: - architectuurhistorische criteria; - stedenbouwkundige criteria; - algemeen historische criteria. Het object dient in ieder geval te voldoen aan de basisnormen en één of meer van de toetsingscriteria. De relevante criteria dienen op redelijke gave tot gave wijze op het object van toepassing te zijn: de oorspronkelijke vorm of aanleg dient in de hoofdopzet nog aanwezig te zijn of er moet sprake zijn van een historische gegroeide situatie die juist waardevol is vanwege het zichtbaar houden van een historische ontwikkeling.. De stedenbouwkundige en cultuurhistorische criteria dienen in principe als ondersteuning van de architectuurhistorische criteria.

Zij geven dus een bepaalde meerwaarde aan het object. De primaire toetsingscriteria zijn de architectonische.

1. Architectuurhistorische criteria a. het object is een goed voorbeeld van een bepaalde stijl of bouwtrant en valt op door specifieke stijlkenmerken, al dan niet met plaatselijke variaties b. het object is, in opstand en plattegrond, van belang als voorbeeld van een gebouw met een bepaalde (oorspronkelijke) functie c. het object valt op door (bijzonder) gave verhoudingen en/of bijzondere of zeldzame detaillering van het exterieur, zoals bijvoorbeeld vormgeving, kleur en/of materiaalgebruik d. het object heeft een bijzonder of zeldzaam gedetailleerd interieur of bevat zeldzame onderdelen e. het object is een goed voorbeeld van het werk van een belangrijke architect of kunstenaar en neemt een belangrijke plaats in binnen de plaatselijke, regionale of landelijke architectuurgeschiedenis f. het object is van belang vanwege een historische of vernieuwende – pioniersfunctie – constructiewijze

2. Stedenbouwkundige criteria a. het object is een onderdeel van een belangrijk stedenbouwkundige/landschappelijk concept b. het object is een onderdeel van een historisch gegroeid stedenbouwkundig/landschappelijk gebied en is bepalend voor het zichtbaar houden van deze situatie: er is een duidelijk verband tussen gebouw en historische verkaveling c. het object is van belang vanwege het zichtbaar houden van het werk van een belangrijk stedenbouwkundige d. het object heeft een zeldzaamheidswaarde qua aanleg, structuur en relatie met de omgeving

1. Algemeen historische criteria

16

a. de bebouwing is van belang vanwege een plaatselijk geschiedkundig feit, een zichtbaar stuk geschiedenis van bijvoorbeeld bekende bewoners, beroepen, bijzondere activiteiten e.d. b. het object vertegenwoordigt een aspect van religieuze, militaire of waterstaatkundige geschiedenis c. het object is van belang vanwege zijn bestemming als uitdrukking van een cultuur-, sociaal-, of economisch-historische ontwikkeling d. het object is van belang vanwege zijn verschijningsvorm, welke verbonden is met een algemeenhistorische, economische, politieke of geestelijke ontwikkeling.

Bij beoordeling voor plaatsing op een gemeentelijke lijst zal de waardering moeten geschieden vanuit het perspectief van de plaatselijke context (kern, buurtschap, dorp, stad, wijk): wat op de ene plaats representatief of juist zeldzaam is, kan dat op een andere plaats minder zijn.

17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Harderwijk&id=575acc2e-353b-4633-973c-cd8b378eeb2a