Algemene plaatselijke verordening toelichting 2023.docx
Tekst van het document
De palen kunnen achter de gevellijn worden gerealiseerd. ABRS 04-02-2004, 200302804/1, LJN AO2900. In sommige provincies wordt niet gesproken over de provinciale wegenverordening maar over het provinciaal wegenreglement. Om verwarring daarover te voorkomen zijn in 2014 een aantal artikelen aangepast, waaronder vierde lid 4 van artikel 2:11. Daar staat nu: “de provinciale wegenverordening (in sommige provincies: ‘het provinciaal wegenreglement’). Artikel 2:12(Omgevings) vergunning voor het maken en veranderen van een uitweg Uit de jurisprudentie van artikel 14 Wegenwet blijkt dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt daaruit dat regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg. Een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘uitweg’ kan alleen worden geweigerd als de weigeringsgronden zijn opgenomen in de verordening. De procedure van de Wabo is van toepassing, dat brengt bijvoorbeeld met zich mee dat de lex silencio positivo van afdeling 4.1.3.3. van de Awb van toepassing is. Om de bruikbaarheid van de weg te waarborgen is het toegestaan een vergunning te eisen en via voorschriften de wijze waarop wordt ‘uitgewegd’ te regelen. Daarmee komt de bepaling niet in strijd met de Wegenwet.
Als de gemeente eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een publiekrechtelijk toelaatbare uitweg mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft. Afdeling 6 Veiligheid op de weg of op een andere openbare plaats Artikel 2:14 Winkelwagentjes Niet opgenomen in de APV. Dit artikel is geschrapt in het kader van deregulering.
Artikel 2:15 Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp Indien door bomen of planten of andere voorwerpen het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 van de Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien. Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert. ‘Wegverkeer’ kan daarbij breed worden gelezen. Het is bijvoorbeeld ook mogelijk dat een gevaarlijke situatie ontstaat doordat overstekende voetgangers het zicht wordt belemmerd. Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d. Niet opgenomen in de APV. Artikel 2:17 Kelderingangen e.d. Niet opgenomen in de Apv. Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen Het verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen te gaan. Het is verboden om te roken in bossen en natuurgebieden, en 30 meter daarbuiten, als ‘fase 2’ geldt. Voorheen heette dat ‘code rood’. De kans op een natuurbrand is dan erg groot en roken verhoogt dit risico. Ook kan de gemeente perioden aanwijzen waarbinnen het rookverbod geldt.
Het verbod gaat niet zover dat het roken in de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied liggen, niet meer mogelijk is. Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp Niet opgenomen in APV. Artikel 2:20 Vallende voorwerpen Niet opgenomen in de APV. Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting Tekst is opgenomen in de artikel 5:38 en 5:39 APV. Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn Voor de aanleg van hoogspanningslijnen wordt in bestemmingsplannen een strook grond daarvoor bestemd en worden gebruiksvoorschriften opgesteld om aantasting van deze bestemming te voorkomen. Ontbreekt een bestemmingsplan dan geeft artikel 2:22 een publiekrechtelijke basis om overtreding van deze bepaling, waardoor een zeer gevaarlijke situatie ontstaat, zo nodig met bestuursdwang recht te zetten. De Bouwverordening verbiedt het bouwen onder hoogspanningslijnen. Dit artikel vult dit verbod aan voor andere objecten, zoals bijvoorbeeld houtgewas, door te bepalen dat deze niet hoger mogen zijn dan twee meter. Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 2.23a Verbod ijszeilen Niet opgenomen in de APV. Dit artikel is geschrapt in het kader van deregulering. Afdeling 7 evenementen Artikel 2:24 Begripsbepaling Art.
2:24 benadert de definitie van “evenement” negatief: van het algemeen geldend criterium (“namelijk elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak”) wordt een aantal evenementen uitgezonderd: a. Bioscoopvoorstellingen. b. Waren- en snuffelmarkten. Op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, Gemeentewet is een warenmarkt ingesteld. Daarvoor geldt de marktverordening. Snuffelmarkten zijn geregeld in artikel 5:22 van de APV. c. De Wet op de kansspelen heeft een eigen toezichtregime. d. Dansen in een inrichting als bedoeld in de Alcoholwet; dit wordt in het algemeen niet als een evenement gezien. Andere, meer incidenteel plaatsvindende activiteiten dan het gelegenheid geven tot dansen (bijv. het optreden van een band, een houseparty, of een kooigevecht) kan wel als evenement worden aangemerkt. e. Betogingen, samenkomsten en vergaderingen zijn al geregeld in de WOM. Zie voor een toelichting op de WOM artikel 2:3. f. Artikel 2:39 (Speelgelegenheden) is uitgezonderd om dubbele regelgeving te voorkomen.
Tweede lid Herdenkingsplechtigheid Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is, maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt ze als evenement genoemd. Braderie Omdat een braderie van korte duur is en niet met een bepaalde regelmaat terugkeert, kan deze activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt worden aangemerkt in de zin van artikel 160 van de Gemeentewet (Vz. ARRS 27-051992, JG 93.0002). Tevens valt deze activiteit niet aan te merken als een snuffelmarkt in de zin van artikel 5:22, van de model-APV. Omdat een braderie een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak is, is het een evenement. Optochten Het houden van optochten, zoals carnavals- en Sinterklaasoptochten, bloemencorso’s enz., die niet opgevat kunnen worden als een middel tot het uiten van een mening of gedachten of gevoelens, valt niet onder de bescherming van de Grondwet, het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of andere internationale verdragen die de vrijheid van meningsuiting waarborgen. Evenmin is hierop de Wet openbare manifestaties (Wom) van toepassing. Feest, muziek Wanneer een feest voor publiek toegankelijk is, is er sprake van een vergunningplichtige activiteit omdat het valt onder de reikwijdte van de begripsomschrijving van artikel 2:24, eerste lid.
Het feest kan als een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak worden aangemerkt. Besloten feesten daarentegen vallen niet onder de reikwijdte van de evenementenbepaling omdat deze activiteit niet een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak is. Bijvoorbeeld bij het houden van een bedrijfsfeest waar aan de hand van uitnodigingslijsten publiek aanwezig is, is er geen sprake van een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak. Maar wanneer een feest een “besloten” karakter heeft en er publiekelijk kaarten worden verkocht en/of reclame wordt gemaakt, is er sprake van een evenement. De gemeente kan bij feesten waarvoor geen vergunning nodig is, optreden wanneer deze bijvoorbeeld worden georganiseerd in ruimten strijdig met het bestemmingsplan. Zie de uitspraak met betrekking tot het verplicht handhavend optreden bij schuurfeesten. ABRS 02-04-1999, Gst. 1999, 7103, m.nt. P.J.H.) Ook in het kader van de Wegenverkeerswet 1994 kan worden opgetreden in geval van parkeer- en verkeersoverlast. Feesten die gehouden worden in horecagelegenheden en niet behoren tot de normale bedrijfsvoering (bijvoorbeeld een optreden van een bekende diskjockey of een optreden van een bekende band) zijn op grond van artikel 2.2.2 (oud) vergunningplichtig. ABRS 11-01-2006, LJN AU9388 (Ghostship/Ghosthouse).
Wanneer een feest al dan niet besloten “op of aan de weg” plaats vindt, is dit een vergunningplichtige activiteit omdat het plaats vindt op doorgaans voor publiek toegankelijk gebied. Het feit dat het feest besloten is, dus niet voor publiek toegankelijk, doet daar niets aan af. Optreden van muziekkorpsen, muziekbandjes, etc. die voor iedereen toegankelijk zijn (zowel in een inrichting als in de buitenlucht) vallen onder de vergunningplicht van artikel 2:25. Voorschriften met betrekking tot geluid in een inrichting zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. De artikelen 4:2 en 4:3 van de APV geven het college de bevoegdheid om ontheffing te verlenen voor geluidshinder in een inrichting. Voorschriften met betrekking tot geluid buiten een inrichting kunnen op grond van artikel 4:6 van de APV in de vergunning worden opgenomen. Wedstrijd op of aan de weg Voor wedstrijden op of aan de weg is een vergunning van de burgemeester vereist, krachtens het bepaalde in het eerste lid, van artikel 2:25 en artikel 2:24, tweede lid, onder d. Wedstrijden met voertuigen op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) zijn op grond van artikel 10, eerste lid, van de WVW 1994 verboden. Het eerste lid van artikel 148 van de WVW 1994 bepaalt echter dat van dat verbod ontheffing kan worden verleend.
Het verlenen van die ontheffing geschiedt: a. voor wegen onder beheer van het Rijk, door de minister van Verkeer en Waterstaat; b. voor andere wegen, door gedeputeerde staten; in afwijking hiervan wordt de ontheffing verleend door het college, indien de wegen waarvoor de ontheffing wordt gevraagd, alle gelegen zijn binnen een gemeente. Aan de ontheffing kan de burgemeester voorschriften verbinden om binnen redelijke grenzen een veilig verloop van de wedstrijd te waarborgen. Op basis van de WVW 1994 mogen ook milieumotieven een rol spelen bij het reguleren van het verkeer. In artikel 2, tweede en derde lid, van de WVW 1994 worden onder meer de volgende motieven worden genoemd: het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade;
-
het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden; het bevorderen van een doelmatig of zuinig energiegebruik.
Indien een wedstrijd wordt gehouden met voertuigen op wegen als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994 dan is – naast artikel 10 juncto artikel 148 van de WVW Wegenverkeerswet 1994 – artikel 2:25 van deze APV van toepassing. De evenementenbepaling is namelijk van een geheel andere orde dan de wedstrijdbepalingen uit de Wegenverkeerswetgeving. De burgemeester kan op grond van andere motieven, zoals openbare orde, veiligheid en gezondheid, weigeren medewerking te verlenen aan het evenement, in casu de wedstrijd op de openbare weg. In die zin is de evenementenbepaling aanvullend op de wedstrijdbepalingen uit de Wegenverkeerswetgeving. Vindt echter een wedstrijd met een motorvoertuig of bromfiets plaats op een terrein dat niet behoort tot een weg als hier bedoeld, dan moet daarvoor een vergunning verkregen zijn van de burgemeester op grond van artikel 2:25 van deze verordening. Op grond van de artikel 2:25 van deze verordening geldt voor andere wedstrijden op of aan de weg eveneens een vergunningplicht. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld “vossenjachten”, droppings e.d. Klein evenement Voor het organiseren van kleine evenementen zoals een barbecue en/of straatfeest is in het kader van de vermindering van administratieve lasten voor de burger gekozen voor een meldingsplicht.
Een klein evenement valt onder het begrip evenement, maar onder voorwaarden is er geen vergunning vereist. In het derde lid is een klein evenement daarom gedefinieerd. Het moet gaan om kleinschalige activiteiten die niet langer duren dan één dag en die zich in de openbare ruimte afspelen met als doel vermaak en ontspanning te bieden. Full contact-vechtsportevenementen Er is voorzien in een bevoegdheid van de burgemeester om categorieën full-contact vechtsportwedstrijden of gala’s aan te wijzen die als evenement worden aangemerkt. De populariteit van full-contact vechtsporten – ringcontactsporten zoals muay thai (Thaiboksen), kickboksen en MMA– is enorm toegenomen. Het is sport die als zodanig deel uitmaakt van de reguliere sportinfrastructuur. Enerzijds worden de genoemde ringcontactsporten gezien als waardevolle sport met maatschappelijke functie (zoals agressieregulering). Anderzijds is er kritiek op de organisatie van deze vechtsporten en de beoefening zelf. Wedstrijden of demonstraties (‘demo's’) van full-contact vechtsporters vinden plaats in openbaar toegankelijke accommodaties en worden 'gala's' of 'evenementen' genoemd. De praktijk wijst uit dat er bij vechtsportevenementen of -gala’s bij deze categorieën full-contact vechtsporten een verhoogde kans bestaat op ongewenste situaties rond en tijdens het evenement.
Het is daarbij niet relevant of een dergelijk evenement wordt georganiseerd in een gebouw dat voor sportwedstrijden is bestemd of niet. Om de kwaliteit van vechtsportevenementen en -gala's te vergroten en te waarborgen heeft de Nederlandse Vechtsportautoriteit in overleg met NOC*NSF, vechtsportbonden, VNG, VSG, promotors en gemeenten najaar 2017 een richtlijn voor vechtsportevenementen gepubliceerd (Regulering vechtsportgala's: handreiking voor gemeentelijk beleid). Doel is duidelijke afspraken tussen gemeenten en vechtsportsector, met veiligheid, gezondheid, goed pedagogisch klimaat en kwaliteit als kernbegrippen. De Vechtsportautoriteit is een toezichthoudend orgaan dat door middel van regelmatige controles de evenementen toetst aan de criteria die in de richtlijn staan. Gemeenten wordt aangeraden de richtlijn met bijbehorende informatie op te nemen in het lokale beleid en een regeling in de APV op te nemen (vergunnings- dan wel meldingsplicht). Vooral vanwege potentiele medische impact (bijvoorbeeld hersenschade als gevolg van stoten en trappen tegen het hoofd), kwetsbare organisatie en begeleiding, geweldsincidenten en vermeende banden met criminele organisaties. Zo zijn er ook aanwijzingen voor verwevenheid tussen de full-contact vechtsportsector en de georganiseerde criminaliteit.
De sector is door zijn versnipperde en broze organisatiestructuur extra kwetsbaar voor deze verwevenheid. Regulering via een vergunnings- of meldingsplicht is gewenst. Een aantal gemeenten heeft de volgende categorieën full-contact vechtsportwedstrijden in een aanwijzingsbesluit aangewezen als risicovol: kickboksen, muay thai (Thaiboksen) en Mixed Martial Arts (gemengde vechtkunst), waaronder in ieder geval worden begrepen free fight (het vrije gevecht), vale tudo (Braziliaans MMA) en cage fight (kooigevecht). In het aanwijzingsbesluit kan daaraan worden toegevoegd dat het moet gaan om full-contact vechtsportwedstrijden die worden georganiseerd in te noemen locaties en voor een bezoekersaantal van meer dan [... (bijvoorbeeld meer dan 500)] personen. Artikel 2:25 evenement Algemeen Bij grote en middelgrote evenementen is vooraf een vergunning noodzakelijk, controle achteraf kan niet volstaan wegens mogelijk gevaar voor de openbare orde, overlastsituaties, verkeersveiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid e.d. Ook de organisator is bij een vergunningstelsel gebaat, omdat hij met de gemeente kan onderhandelen om goede afspraken te maken. Zo krijgt hij op het evenement toegesneden voorwaarden. In het geval van een klein evenement kan volstaan worden met een melding. Het is dan niet per se noodzakelijk en proportioneel om een vergunning te eisen.
Een aanvraag voor een APV-vergunning voor een evenement kan niet geweigerd worden enkel omdat het in strijd is met een bestemmingsplan. Een aanvraag voor een evenementenvergunning moet namelijk worden beoordeeld aan de hand van de belangen die zijn opgenomen in de weigeringsgronden. Andersoortige belangen kunnen bij het beoordelen van de aanvraag geen zelfstandige weigeringsgrond opleveren (ABRvS 29-03-2003, ECLI:NL:RVS:AF8028). Het bestemmingsplan is vanuit het oogpunt van ruimtelijke ordening uiteraard wel relevant. Het bestemmingsplan moet het gebruik ten behoeve van het gewenste evenement namelijk toestaan. Daarbij moet worden beoordeeld of het evenement naar omvang, duur en uitstraling een planologische relevantie heeft. Evenementen die geen of slechts geringe planologische relevantie hebben, kunnen gewoon plaatsvinden. Daarvoor is geen omgevingsvergunning nodig. Voor deze evenementen is wel een evenementenvergunning vereist op grond van de APV en eventuele andere toestemmingen of ontheffingen voor muziek/geluidhinder, meldingen brandveiligheid enz. Voor het gebruik van een terrein in strijd met het bestemmingsplan voor een evenement met planologische relevantie kan (naast de APV evenementenvergunning) een omgevingsvergunning (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo) worden aangevraagd.
Het college kan de omgevingsvergunning verlenen met behulp van de in artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo genoemde afwijkingsmogelijkheden. Vaak zal daarbij gebruik kunnen worden gemaakt van de ‘buitenplanse afwijkingsmogelijkheid’. Het Bor biedt het college namelijk de bevoegdheid om van de bepalingen in het bestemmingsplan af te wijken als het gaat om het gebruiken van gronden of bouwwerken ten behoeve van evenementen met een maximum van drie per jaar en een duur van ten hoogste vijftien dagen per evenement, het opbouwen en afbreken van voorzieningen ten behoeve van het evenement hieronder begrepen (artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo juncto artikel 4, achtste lid, van de Bijlage II Bor). Wanneer het bestemmingsplan het gebruik als evenemententerrein niet toestaat, er wel sprake is van planologische relevantie en het verlenen van een omgevingsvergunning niet mogelijk is, zal handhavend moet worden opgetreden ((ABRvS 13-04-2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT3708 (Schuttersfeest Diepenheim, hof van Twente) en Rb. Leeuwarden 27-07-2005, ECLI:NL:RBLEE:2005:AU0442 (Veenhoopfestival Smallingerland)). Het is daarom van belang dat gemeenten naast de vergunningverlening erop toezien dat de bestemmingsplannen voorzien in de te houden evenementen.
In het bestemmingsplan dient dan niet alleen het betreffende gebied als evenementterrein te worden bestemd, ook moet daarbij het aantal, soort en duur van de evenementen en het maximaal toegestane aantal bezoekers per evenement worden geregeld. Dit zijn allemaal aspecten met ruimtelijke relevantie die in het kader van de rechtszekerheid in het bestemmingsplan moeten worden vastgelegd (ABRvS 05-01-2011, ECLI:NL:RVS:2011:BO9802 en ABRvS 16-02-2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP4728).
Eerste lid Bij het beoordelen van een aanvraag wordt gekeken of de vergunning al dan niet geweigerd wordt aan de hand van de in artikel 1:8 genoemde criteria. Derde lid Lid 3 biedt de burgemeester de mogelijkheid om ook andere soortgelijke kleinschalige evenementen met een zeer laag risico aan te wijzen als klein evenement waarvoor een meldingsplicht geldt. Dit om invulling te geven aan de wens verder te dereguleren en de administratieve lasten voor organisatoren (meestal vrijwilligers) te verlichten. Dit is in lijn met de voorstellen in het kader van de Taskforce Lastenverlichting vrijwilligersorganisaties RNV. Artikel 2:25A Indienen aanvraag In dit artikel staan de indieningsvereisten beschreven voor een aanvraag evenementenvergunning. Lid 3 De situatie kan zich voordoen dat bij een evenement ook een gebruiksmelding moet worden gedaan op grond van artikel 2.1 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. In lid 3 is bepaald dat de gemeente dan om aanvullende gegevens kan vragen. Dit biedt de aanvrager het voordeel dat als deze gegevens in het kader van de evenementenvergunning ingediend worden, dan geen afzonderlijke gebruiksmelding meer gedaan hoeft te worden volgens het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. Artikel 2:26 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. Afdeling 8.
Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:27 Begripsbepalingen
In plaats van voorheen de term "horecabedrijf" wordt nu de term "openbare inrichting" gebruikt. Dit voor de duidelijkheid. In de Alcoholwet wordt namelijk met "horecabedrijf" alleen gedoeld op bedrijven waar bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt voor gebruik ter plaatse, de zogenaamde "natte horeca". De bepalingen in de APV betreffen juist ook de bedrijven waar geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt, de zogenaamde "droge horeca": tearooms, lunchrooms en dergelijke. Lid 2 richt zich mede op terrassen. Op verzoek van gemeenten heeft de VNG in de Ledenbrief van 2019 ‘zomeraanpassing 2019 van de model-Apv’ een wijziging in de model Apv opgenomen en het waterpijpcafé aan de definitie toegevoegd. Hierdoor is de zogenaamde ‘shisha lounge’ expliciet als openbare inrichting in de zin van deze afdeling opgenomen. Het roken van een waterpijp, ook bekend onder de namen shisha, hookah, nargileh, ghaliyan of hubble bubble, wordt steeds populairder in Nederland, met name in de grote- en middelgrote steden. Het roken van waterpijpen is niet zonder brandgevaar en het levert ook de nodige (stank)overlast voor de omgeving op. Bij het omvallen van een waterpijp kunnen brandende kooltjes een ontstekingsbron vormen voor het interieur van de inrichting met rookontwikkeling of brand tot gevolg.
‘Shisha lounges’ en soortgelijke inrichtingen die het roken van waterpijp aanbieden, stralen daarnaast een bepaalde aantrekkingskracht uit op jongeren. In dit soort inrichtingen wordt naast de waterpijpactiviteiten ook vaak gedeald of illegaal gegokt en is vaak sprake van vernielingen, geluids- en parkeeroverlast, bedreiging en mishandeling. Tot slot kunnen er ook banden zijn met criminele organisaties of netwerken. Gelet op de genoemde gevaren en risico’s voor de omgeving van een dergelijke inrichting, die direct ingrijpen in de openbare orde en veiligheid, vallen dit soort inrichtingen altijd onder het vergunningstelsel. Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting Eerste lid In het eerste lid is de vergunningplicht opgenomen. De vergunningplicht is in het leven geroepen in het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat en maakt een preventieve toetsing ter bescherming van deze belangen mogelijk. Op grond van artikel 174 van de Gemeentewet is de burgemeester belast met het toezicht op openbare inrichtingen (o.a. horeca-inrichtingen) en daarbij behorende erven (bv. terrassen) en met de uitvoering van verordeningen die betrekking hebben op dat toezicht. De exploitatievergunning wordt daarom door de burgemeester verleend.
Deregulering In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is in 2009 door de VNG bekeken of het horeca-exploitatievergunningstelsel in de model-APV gehandhaafd of geschrapt moet worden. De VNG heeft gekozen voor het handhaven van het model horeca-exploitatievergunning. Veel gemeenten zijn van mening dat deze vergunning noodzakelijk is voor het handhaven van de openbare orde. De raad van de gemeente Harderwijk is deze mening ook toegedaan en heeft besloten tot het invoeren van het horecaexploitatievergunningstelsel. Een vergunningstelsel dient zo lastenarm mogelijk te worden uitgevoerd. Dit vloeit voort uit de Europese Dienstenrichtlijn. Europese dienstenrichtlijn De Europese Dienstenrichtlijn is van toepassing op horeca. Het drijven van een horecaonderneming is immers het verrichten van een dienst aan de klant. De Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel niet discriminatoir, noodzakelijk (dwingende reden van algemeen belang) en proportioneel (evenredig) is. In bijna alle gevallen gaat het bij horeca om vestiging van een horecabedrijf waarvoor artikel 9 van de richtlijn bovenstaande criteria geeft. Onder noodzakelijkheid wordt in artikel 9 verstaan een dwingende reden van algemeen belang.
Dit begrip omvat onder meer de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, als bedoeld in de artikelen 46 en 55 van het Verdrag; handhaving van de maatschappelijke orde; bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, met inbegrip van de stedelijke en rurale ruimtelijke ordening; Zie verder overweging 40 van de richtlijn. Het gaat hier om de zogenaamde ‘rule of reason’. Mocht het in een enkel geval niet gaan om een vestiging, maar om een horecaondernemer die de grens overschrijdt om zijn diensten te verrichten, dan is niet artikel 9, maar artikel 16 van toepassing dat uitsluitend de criteria openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu als grondslag voor een vergunningstelsel kent. Tweede lid Om een aanvraag om vergunning te kunnen beoordelen is het van belang dat de aanvrager de nodige gegevens en bescheiden verschaft. Zie hiertoe ook de artikelen 4:2 tot en met 4:5 van de Awb. Met het oog hierop is in dit artikel bepaald dat de aanvrager gebruik dient te maken van een aanvraagformulier. Indien niet of niet volledig wordt voldaan aan het bepaalde in dit artikel kan de burgemeester, nadat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de omissie te verhelpen, besluiten de aanvraag buiten behandeling te laten op grond van artikel 4:5 van de Awb.
Derde lid De burgemeester kan nadere regels stellen voor de bij de aanvraag van een vergunning te overleggen documenten. Daarnaast kan de burgemeester op grond van de artikelen 4:2 en 4:5 van de Awb indien hij dat voor de beoordeling van de aanvraag nodig acht de overlegging van aanvullende gegevens en bescheiden verzoeken. Vierde lid Een aantal categorieën van openbare inrichtingen waar geen alcohol wordt geschonken en waar de openbare orde evident niet in het geding is, zijn in de APV uitgezonderd van de vergunningplicht. De vergunningplicht geldt niet voor een openbare inrichting in winkels in de zin van de Winkeltijdenwet, die als nevenactiviteit een horecagedeelte hebben. Voorts noemt artikel 2:28, vierde lid dat de exploitatievergunning niet geldt voor een zorginstelling, een museum, en een bedrijfskantine of restaurant. Uit de definitie van openbare inrichting in artikel 2:27, volgt dat een terras ook tot de openbare inrichting behoort. De inrichtingen genoemd in artikel 2:28, vierde lid zijn dus inclusief terras vergunningsvrij. Wordt bij openbare inrichtingen die zijn vrijgesteld van de vergunningplicht een terras geëxploiteerd en het terras is gelegen op een openbare plaats dan is voor de ingebruikneming van die openbare plaats een vergunning van het college van burgemeester en wethouders vereist op grond van artikel 2:10 van de APV.
Vijfde lid Openbare inrichting waar enkel drinkwaren en spijzen afgehaald kunnen worden (en waar dus geen bezorging plaatsvindt) welke niet langer dan tot 22.00 uur geopend zijn kunnen vergeleken worden met winkels in de zin van de Winkeltijdenwet. Nu winkels in de zin van de Winkeltijdenwet uitgesloten zijn van de exploitatie vergunningplicht is besloten ook deze categorie openbare inrichtingen uit te sluiten van de exploitatievergunningenplicht. Lex Silencio Positivo Dit artikel valt onder de reikwijdte van de Europese Dienstenrichtlijn en de Dienstenwet. Ingevolge artikel 28, eerste lid, van die Dienstenwet is de lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen, LSP) van toepassing op vergunningen (daar zijn ontheffingen ook onder begrepen), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Hier is er vanwege dwingende redenen van algemeen belang voor gekozen om de lex silencio niet van toepassing te verklaren. Dit is bepaald in het ‘verzamel’ artikel 1:2 lid 5 van deze verordening. Het gaat hier om een vergunning voor horeca-inrichtingen. Het zou met name vanwege aspecten van openbare orde en milieu onwenselijk zijn als deze zonder een op de inrichting afgestemde vergunning kunnen openen.
Artikel 2:28a Weigeringsgronden Eerste lid, sub a Als het bestemmingsplan, de beheersverordening, het exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit de vestiging van een horecabedrijf ter plaatse niet toelaat, ligt het niet voor de hand om wel een exploitatievergunning te verlenen. Er kan immers toch geen gebruik van worden gemaakt wegens strijd met het bestemmingsplan e.d. Strijd met een planologische regeling is daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Volgens de jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat. Weliswaar brengt het eerste lid mee dat de burgemeester treedt in een beoordeling van het geldende bestemmingsplan, maar dit laat de bevoegdheid van het college bij de toepassing van het geldende bestemmingsplan onverlet. Van een doorkruising van de Woningwet of de Wet op de Ruimtelijke Ordening is geen sprake. Eerste lid, sub b De vergunning kan worden geweigerd indien een aanvrager binnen drie jaar voor de aanvraag een openbare inrichting heeft geëxploiteerd, die op grond van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde, gesloten is geweest. Eerste lid, sub c Deze weigeringsgrond (eerste lid onder sub c) is gelijk aan de weigeringsgrond voor Alcoholwet in artikel 27, eerste lid, sub b, van de Alcoholwet.
Deze bepaling wordt in de praktijk onder meer gebruikt bij gevallen waarin schijnconstructies worden gebruikt om een vergunning te krijgen bijvoorbeeld door de inzet van stromannen. In geval van een stromanconstructie bij een alcoholverstrekkend bedrijf kan zowel de Alcoholwet als de exploitatievergunning op dezelfde grond worden geweigerd. Tweede lid De hier genoemde weigeringsgronden vallen binnen het kader van de algemene weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 1:8 van de APV. Omdat de weigeringsgronden in artikel 1:8 voor de horeca ruim zijn geformuleerd (met name de volksgezondheid is hier niet aan de orde), is bepaald dat het hier gaat om het belang van het woon- en leefklimaat en de openbare orde. De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de mogelijkheid preventief te toetsen of de exploitatie van een horecabedrijf zich verdraagt met het woonen leefmilieu ter plaatse. Daarbij is van belang in welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zullen aantasten. Bij de vergunningverlening houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning, waaraan
het woonmilieu ter plaatse al blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie en de wijze van bedrijfsvoering van de leidinggevende van de openbare inrichting in deze of andere inrichtingen. Derde lid In dit derde lid zijn een aantal eisen opgenomen waaraan leidinggevenden dienen te voldoen om in aanmerking te komen voor een exploitatievergunning. Deze eisen zijn opgenomen omdat de persoon van de leidinggevende van belang is voor de wijze van exploitatie van de openbare inrichting. Een leidinggevende zal personeel en bezoekers moeten kunnen aanspreken op hun gedrag. Hierbij zal het eigen gedrag van de leidinggevende een grote rol spelen. Sub a Leidinggevenden mogen niet onder curatele staan. Door middel van het raadplegen van het curatele register nagegaan of leidinggevenden niet onder curatele staan. Sub b Voor het verkrijgen van een exploitatievergunning mogen leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. Volgens vaste jurisprudentie wordt bij het ontbreken van een nadere omschrijving van het begrip “niet in enig opzicht van slecht levensgedrag” in de APV aangesloten bij de terminologie van de Alcoholwet.
Aangezien bij of krachtens de Alcoholwet geen nadere omschrijving is gegeven van het begrip “slecht levensgedrag” wordt het begrip ruim uitgelegd en gelden er geen beperkingen ten aanzien van de feiten of omstandigheden die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken. Een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling is daarbij niet vereist. Voorts is niet vereist dat het levensgedrag gerelateerd is aan de exploitatie van een inrichting dan wel zich heeft afgespeeld in de inrichting. Sub c In artikel 8, eerste lid van de Alcoholwet is een leeftijdsgrens opgenomen van 21 jaar voor leidinggevenden van een horecabedrijf waar alcoholhoudende dranken worden verstrekt. Voor openbare inrichtingen waar geen alcoholhoudende dranken worden verstrekt is de gemeente zelf bevoegd om een leeftijdsgrens vast te stellen. Deze is vastgesteld op 21 jaar. Op de leeftijd van 21 jaar wordt men in staat geacht een openbare inrichting (alcoholvrij) te exploiteren. Artikel 2:28b Vrijstelling Eerste lid Toen in juni 2017 het exploitatievergunningenstelsel werd ingevoerd, is voorzien in overgangsbepalingen voor bestaande openbare inrichtingen.
Bestaande openbare inrichtingen, al dan niet met een vergunning Alcoholwet, en waarbij zich 6 maanden voorafgaand aan de invoering van het exploitatievergunningenstelsel geen incidenten hebben voorgedaan, konden in aanmerking komen voor een vrijstelling. Inmiddels zijn alle bestaande horeca inrichtingen benaderd en beschikken deze ofwel over een vrijstelling ofwel over een exploitatievergunning. Tegen zaken die geen vergunning kunnen krijgen zijn handhavingsprocedures opgestart. De bepalingen van artikel 2:28B en 6:5 lid 2 uit de voorgaande Apv verliezen hiermee feitelijke betekenis en kunnen daarom worden geschrapt. Om te voorkomen dat de juridische basis wegvalt voor verleende vrijstellingen, is het eerste lid aangepast en voorziet de aangepaste tekst erin dat deze verleende vrijstellingen nog steeds een juridische grondslag hebben in de Apv. Alleen voor nieuwe situaties kan nu geen vrijstelling meer verleend worden. De overgangsbepaling van artikel 6:5 Apv is niet toereikend voor bestaande verleende vrijstellingen, omdat deze overgangsbepaling alleen geldt voor bevoegdheden die ook in de (nieuwe) Apv terugkomen. Omdat de bevoegdheid tot het verlenen van en vrijstelling met deze (nieuwe) Apv nu geheel verdwijnt is in dit artikellid geregeld dat in het verleden verleende vrijstellingen hun geldigheid behouden.
Als er nog bezwaar en beroepsprocedures lopen tegen weigeringen van vrijstellingen die tijdens de overgangsperiode zijn verleend, dan voorziet de overgangsbepaling wel in een stukje rechtsbescherming. Mocht in bezwaar of beroep geoordeeld worden dat de vrijstelling toch ten onrechte is geweigerd, dan kan op basis van de overgangsbepaling van deze Apv voor die specifieke situatie toch nog een vrijstelling verleend worden. Dit betreft immers lopende zaken die al gestart waren toen de Apv nog de mogelijkheid bood een vrijstelling te verlenen. Tweede lid Het tweede lid is opgenomen om de mogelijkheid te bieden om bestaande vrijstellingen, die in het kader van de overgangssituatie zijn verleend, te kunnen intrekken als daartoe aanleiding bestaat. Hiervoor zijn specifieke intrekkingsgronden in dit tweede lid opgenomen. Artikel 2:28c Beëindiging exploitatie In dit artikel is geregeld dat de vergunning of vrijstelling komt te vervallen, zodra de feitelijke exploitatie van het horecabedrijf is geëindigd. Artikel 2:28d Intrekkingsgrond
In dit artikel is geregeld dat de exploitatievergunning of vrijstelling kan worden ingetrokken, indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag voor de vergunning dan wel de vrijstelling vermelde, in overeenstemming is. Met deze bepaling kan een exploitatievergunning worden ingetrokken als blijkt dat deze is verleend op basis van onjuiste gegevens van aanvrager. De feitelijke situatie stemt dan niet overeen met hetgeen aanvrager in de aanvraag heeft vermeld. Als na het verlenen van de vrijstelling of vergunning gegevens aan het licht komen, waaruit blijkt dat de vergunning of vrijstelling niet was verleend als deze gegevens bekend waren, kan intrekking plaatsvinden. Ook als zich na het verlenen van de vrijstelling of vergunning wijzigingen voordoen (schijnconstructies) dan kan op basis van dit artikel worden ingegrepen en de vergunning worden ingetrokken. Artikel 2:29 Sluitingstijd In lid 1 en 2 worden de sluitingstijden vastgelegd. Het tweede lid biedt de basis voor een glijdend sluitingsuur in het weekend. Op basis van het vijfde lid kan de burgemeester ontheffing verlenen van de sluitingstijd. Het Horecaconvenant Harderwijk is het beleidskader waaraan een aanvraag om ontheffing van het sluitingsuur wordt getoetst.
Denk bijvoorbeeld aan de bijzondere dagen zoals Aaltjesdag en Koningsdag, waarbij horecabedrijven langer geopend kunnen zijn. Het is zogenaamde ‘broodjeszaken’ (cafetaria’s, snackbars, shoarma zaken, grillrooms en dergelijke) toegestaan om in het weekend open te blijven tot 4:00 uur. Voor hen geldt geen glijdend sluitingsuur. Met het opgelegde sluitingsuur wil de gemeente voorkomen dat horecabezoekers nog lange tijd in de binnenstad blijven rondhangen en de openbare orde en rust verstoren. Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting Artikel 174 Gemeentewet is de grondslag voor de bevoegdheid om een of meer openbare inrichtingen tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen of tijdelijk te sluiten. Aanleiding daarvoor moet zijn gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, of in bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft een algemene bevoegdheid die zich niet alleen kan uitstrekken tot een maar ook tot meer of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige openbare inrichtingen. Bij de invoering van de Wet "Damocles" (artikel 13b Opiumwet) is ervan uit gegaan dat gemeentelijke regelingen (overlast- of verordeningen) hun geldigheid behouden omdat het onderwerp daarvan een andere is. Om dit helemaal buiten twijfel te stellen geldt lid 2.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen Onder a Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt. Onder b Ook het bepaalde onder b lid richt zich tot de (potentiële) bezoeker van de inrichting. Als die zich met goedvinden van de exploitant in de inrichting bevindt in de tijd dat de inrichting gesloten moet zijn, overtreedt hij artikel 2:31. Als hij geen toestemming van de exploitant heeft en niet weggaat als de exploitant dat vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk). Onder c Het gestelde onder c richt zich tot de exploitant. In 2014 is deze bepaling gewijzigd omdat de tekst ten onrechte de suggestie wekte dat men op een terras geen hoge tafels met staanplaatsen zou mogen hebben, terwijl de bedoeling van het artikel alleen is om te voorkomen dat een terras een soort tappunt voor voorbijgangers wordt. Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen Dit artikel betreft een verbod van heling. Het kan voorkomen dat handelaren naar bepaalde openbare inrichtingen gaan om daar gestolen goederen aan de man te brengen. Artikel 2:32 sluit aan op het in artikel 14 Alcoholwet neergelegde verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel. Dit laatste verbod ziet echter slechts op verkoophandelingen.
Omdat artikel 2:32 een verbod bevat voor de ondernemer/exploitant (en niet voor de handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel is gebaseerd op art 149 Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154 Gemeentewet. Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Het begrip ‘openbare inrichting” omschreven in art. 2:27 onder a, ziet ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar burgemeester en wethouders het bevoegde bestuursorgaan. Artikel 2:33a Toegang ambtenaren van politie Om de controletaak van politieambtenaren te vergemakkelijken, is de houder van de inrichting op grond van artikel 2:33a verplicht te zorgen dat deze onbelemmerd de inrichting kunnen betreden wanneer deze voor het publiek geopend is. De aanwijzing als toezichthouder is geregeld in artikel 6:2.
Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan Niet opgenomen in APV. Afdeling 8a regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet Artikel 2:34A Begripsbepaling In dit artikel staat aangegeven dat voor wat betreft de begripsbepalingen in deze afdeling wordt verwezen naar de definitiebepalingen zoals opgenomen in de Alcoholwet. Artikel 2:34B Schenktijden en bijeenkomsten in paracommerciële inrichtingen Artikel 4 van de Alcoholwet verplicht gemeenten ter voorkoming van oneerlijke mededinging regels te stellen waaraan paracommerciële rechtspersonen zich te houden hebben wanneer zij alcoholhoudende drank verstrekken. Op grond van artikel 4, eerste lid en derde lid, onder a, van de Alcoholwet moet geregeld worden gedurende welke tijden in de betrokken inrichting alcoholhoudende drank mag worden verstrekt. Met andere woorden, de schenktijden voor alcoholhoudende dranken moeten geregeld worden. Op grond van artikel 4, eerste lid en derde lid, onder b en c, van de Alcoholwet moeten regels gesteld worden met betrekking tot door paracommerciële rechtspersonen in de inrichting te houden bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.
Uiteraard alleen voor zover er tijdens deze bijeenkomsten alcoholhoudende drank wordt verstrekt door de paracommerciële rechtspersoon. Op grond van artikel 4, vierde lid, van de Alcoholwet heeft de burgemeester de bevoegdheid om voor ten hoogste twaalf aaneengesloten dagen ontheffing te verlenen van de hier door de raad gestelde regels voor schenktijden en voor de verschillende soorten bijeenkomsten. Het gaat om bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard. Uit deze bewoordingen van de wet blijkt dat hier zeer terughoudend mee moet worden omgegaan. Te denken valt aan kampioenschappen en dergelijke grotendeels onvoorziene gebeurtenissen, maar het kan ook gaan om feestelijkheden die wel te voorzien zijn, zoals carnaval en Koningsdag. Omdat de burgemeester deze bevoegdheid rechtstreeks aan de wet ontleent, kan de raad hier verder geen beperkingen aan stellen. De burgemeester kan hiervoor zelf uiteraard wel beleidsregels opstellen (artikel 4:81 van de Awb). Artikel 2:34C Verbod van ‘Happy Hours’ Dit artikel spreekt voor zich.
Artikel 2:34D Proeverijen in slijtlokaliteiten Het is voor slijters verboden in hun slijterij een proeverij te organiseren. Dat volgt uit de artikelen 3 en 14 van de Alcoholwet. Het is alleen toegestaan de klant te laten proeven indien hij daarom verzoekt en dat proeven moet bovendien gratis zijn (artikel 13, tweede lid, van de Alcoholwet). Artikel 25e van de Alcoholwet maakt het mogelijk om bij verordening vrijstelling te verlenen van de in artikel 3 en 14 neergelegde verboden, zodat betaalde proeverijen in slijtlokaliteiten zijn toegestaan. Deze vrijstelling geldt voor alle slijters in de gemeente. Andere winkels, zoals bijvoorbeeld supermarkten, die op basis van de Alcoholwet zwak-alcoholhoudende drank mogen verkopen, mogen geen proeverijen in hun winkel organiseren. Deze winkels zijn geen slijtlokaliteit in de zin van de Alcoholwet. De vrijstelling geldt alleen voor slijtersbedrijven. Sommige supermarkten hebben bij hun winkel een kleine slijterij (de zogenaamde borrelshop), waarvoor men over een alcoholwetvergunning beschikt. Als proeverijen zijn toegestaan dan kunnen deze ook in een borrelshop worden georganiseerd. Voorwaarden De voorwaarden waaraan een proeverij moet voldoen staan genoemd in artikel 6.1 van het Alcoholbesluit. Zo mogen maximaal 1 proeverij per dag en maximaal 3 proeverijen per week worden gegeven.
Vóór aanvang van de proeverij moeten de kosten van deelname door een leidinggevende van het slijtersbedrijf zijn vastgesteld. De deelnemers aan de proeverij moeten vóór aanvang bekend zijn bij de leidinggevende. De deur van de slijterij is tijdens de proeverij gesloten voor publiek. Alleen de deelnemers hebben toegang. Tijdens de proeverij mag alleen die (alcoholhoudende en alcoholvrije) drank worden verkocht die in het kader van de proeverij aan de deelnemers is verstrekt. Eerste lid
Door het verlenen van een vrijstelling aan slijtersbedrijven om tegen betaling een proeverij in hun slijtlokaliteit te organiseren wordt een uitzondering gemaakt op twee verboden in de Alcoholwet, te weten een uitzondering op het verbod om zonder horecavergunning het horecabedrijf uit te oefenen (artikel 3, eerste lid, van de Alcoholwet). Vrijstelling van dat verbod is nodig omdat het geven van een betaalde proeverij geldt als het uitoefenen van het horecabedrijf. Ten tweede wordt een uitzondering gemaakt op het verbod om een slijtlokaliteit in gebruik te hebben voor ook andere bedrijfsactiviteiten dan slijtersactiviteiten (artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet). De vrijstelling voor het organiseren van een proeverij in een slijtlokaliteit geldt voor alle slijtersbedrijven. Het is niet mogelijk om te differentiëren, dat staat de Alcoholwet niet toe. Het geven van een proeverij kan dus niet nader afhankelijk gesteld worden van een vergunning of een ontheffing. Proeverijen mogen uitsluitend tegen betaling worden georganiseerd. Tweede lid Tijdens de proeverij mogen alleen de deelnemers aan de proeverij aanwezig zijn in de slijtlokaliteit (artikel 6.1 van het Alcoholbesluit). Een proeverij mag alleen plaatsvinden op een tijdstip dat de slijterij normaal gesproken is gesloten maar bij of krachtens de Winkeltijdenwet wel geopend zou mogen zijn (artikel 25e van de Alcoholwet).
Dus als een slijterij gebruikelijk sluit om 18.00 uur, dan zou tussen 18.00 en 22.00 uur een proeverij kunnen worden gegeven. Als echter een slijterij gebruikelijk pas om 22.00 uur sluit, dan is een proeverij in de avonduren dus niet toegestaan. Het is niet mogelijk een slijtlokaliteit eerder dan normaal te sluiten om vervolgens een proeverij te organiseren. Het ligt voor de hand dat een proeverij in de avonduren plaatsvindt, maar een proeverij op zondag is ook denkbaar mits opening op zondag bij winkeltijdenverordening is toegestaan.] Derde lid Om zicht te houden op wanneer en waar er een proeverij wordt georganiseerd, is een meldingsplicht ingevoerd. Op de website meldjefeestje.nl dienen slijterijen de melding te maken.
AFDELING 8B TEGENGAAN ONVEILIG, NIET LEEFBAAR EN MALAFIDE ONDERNEMERSKLIMAAT Artikel 2:34 E Algemene toelichting Eén van de vier bovenlokale prioriteiten in het Integraal Veiligheidsplan (‘IVP’) 2020-2024 van de gemeente Harderwijk betreft maatschappelijke ondermijning. De precieze betekenis van ‘ondermijning’ is moeilijk in één zin samen te vatten. Cruciaal in elk geval is dat er sprake is van verweving van onderwereld en bovenwereld. Praktijkvoorbeelden zijn o.a.: iemand die wiet verbouwt in een (huur)pand en zich niet bekommert om de (brand)onveilige situatie met alle risico’s van dien voor met name omwonenden; mensenhandelaren die hun slachtoffers dwingen tot prostitutie en een vakantiewoning gebruiken voor hun praktijken en/of arbeidsuitbuiting; mensen met onverklaarbaar verkregen vermogen; adresfraude wat andere vormen van fraude mogelijk maakt (bijv. uitkeringsfraude, fraude met toeslagen); maar ook mensen die met crimineel geld vastgoed proberen te verwerven. Met andere woorden: ondermijnende criminaliteit raakt ons allemaal! Deze prioriteit vraagt om bestuurlijk en ambtelijk maar ook ‘burgerlijk’ bewustzijn. Voorwaarde om ondermijnende criminaliteit aan te kunnen pakken is dat het instrumentarium hiervoor op orde is. Denk aan een vastgesteld Damoclesbeleid, BIBOB beleid en (integraal) toezicht- en handhavingsbeleid.
Ook is één van de instrumenten in de APV de mogelijkheid opnemen voor de burgemeester om gebouwen of gebieden aan te wijzen waar het verboden is zonder vergunning bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen. Het betreft hier geen vergunning in het belang van economische ordening, maar primair in het belang van openbare orde en veiligheid. Om die reden is de bevoegdheid belegd bij de burgemeester. Nader onderzoek naar ondermijnende criminaliteit zal aanknopingspunten geven of en zo ja in hoeverre in de praktijk van deze bevoegdheid gebruik zal worden gemaakt. De mogelijkheid tot het instellen van een vergunningplicht voor ondernemers is een van de instrumenten voor de bestrijding van malafiditeit in het ondernemerschap. De gemeente kan controle uitoefenen op de naleving van de gestelde voorwaarden en handhaven bij overtreding. Van de mogelijkheid om een vergunningplicht te introduceren gaat bovendien een preventieve werking uit. Dit draagt bij aan het aantrekken van bonafide ondernemers en het weren van malafide ondernemers. Pandeigenaren worden zo gestimuleerd hun verantwoordelijkheid te nemen om bonafide ondernemers in hun panden te vestigen. Artikelsgewijze toelichting
Eerste lid Het eerste lid bevat de definitiebepalingen. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke persoon of op de rechtspersoon. Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf ook een rechtspersoon zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden gesteld aan de exploitant dient er uiteindelijk altijd één natuurlijke persoon te zijn die kan worden beschouwd als exploitant in de zin van de APV – al dan niet als vertegenwoordiger van die rechtspersoon. De dagelijkse leiding in het bedrijf kan in plaats van bij de exploitant zelf, bij een beheerder rusten. Voor het begrip bedrijf wordt aangesloten bij het algemeen spraakgebruik. Het betreft hier voor het publiek toegankelijke bedrijven, zoals winkels (al dan niet met een horecacomponent) of dienstverlenende bedrijven. Tweede lid De systematiek van dit artikel gaat uit van een pand-, gebieds- of branchegerichte aanpak. Hiermee kan maatwerk in de gemeente geleverd worden. De burgemeester kan met een aanwijzingsbesluit nieuwe en reeds gevestigde ondernemers onderwerpen aan een systeem van verplichte vergunningen. De noodzaak van een aanwijzing, alsmede de duur van de aanwijzing, wordt zorgvuldig gemotiveerd. De uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit gelden.
Indien sprake is van een (ernstige) structurele problematiek in een bepaalde branche of gebied kan op grond van dit APV artikel een vergunningplicht voor een branche of gebied worden ingevoerd. Ook kunnen (op voorhand) straten of gebieden aangewezen worden (preventieve aanwijzing). Bij een dergelijke aanwijzing gelden voor gevestigde en nieuwe ondernemers in die gebieden of straten een vergunningplicht. Dit kan gerechtvaardigd zijn nu de aanwijzing alleen plaatsvindt bij straten of gebieden waar de leefbaarheidsproblemen het grootst zijn en de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Het belang van de verbetering van de situatie in de gehele straat of het gebied kan zo’n aanwijzing rechtvaardigen. Het kan ook van belang zijn om te voorkomen dat het probleem zich onmiddellijk naar een naastgelegen pand verplaatst. Een dergelijke aanwijzing zal doorgaans deel uitmaken van een bredere aanpak. De burgemeester wijst een pand, gebied of een bedrijfsmatige activiteit uitsluitend aan als in dat gebied dan wel door de wijze van exploitatie van het pand of door de bedrijfsmatige activiteiten naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel nadelig kan worden beïnvloed. Dit criterium drukt uit dat het voor een aanwijzing niet noodzakelijk is dat zich concrete incidenten hebben voorgedaan.
Een aanwijzing kan ook preventief worden gegeven voor een branche of gebied waar extra aandacht nodig is bijvoorbeeld om de leefbaarheid en openbare orde en veiligheid ten goede te keren. Een aanwijzing van een bepaalde branche kan op een bepaalde wijk of straat betrekking hebben, maar het gebied waarvoor een bepaalde branche wordt aangewezen, kan ook de gehele gemeente beslaan. Bij aanwijzing van een branche wordt gemotiveerd waarom de bedrijfsmatige activiteiten met het oog op de openbare orde en veiligheid gereguleerd moeten worden. Derde lid In het derde lid is het verbod opgenomen om in een aangewezen gebouw, straat of gebied zonder vergunning van de burgemeester bedrijfsmatige activiteiten te verrichten. In het aanwijzingsbesluit worden de bedrijfsmatige activiteiten genoemd waar de aanwijzing betrekking op heeft. Dat kunnen ook alle bedrijfsmatige activiteiten zijn, zoals detailhandel. De burgemeester kan ook gemeentebreed een branche aanwijzen. Dan geldt een vergunningplicht voor die activiteiten die behoren tot de branche. Vierde lid De algemene intrekkings- en weigeringsgronden staan vermeld in de artikelen 1:6 en 1:8. In deze leden staan de specifieke weigerings- en intrekkingsgronden vermeld. Vijfde en zesde lid Toezicht op en handhaving van de vergunningplicht is mogelijk door intrekking van een reeds verstrekte vergunning of door sluiting van het bedrijf.
Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden (artikel 1:4). Voor de systematiek en uitleg van de specifieke gronden is deels aangesloten bij het in deze APV opgenomen exploitatievergunningstelstel (artikel 2:28 e.v.). Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van de Alcoholwet. Zevende lid en achtste lid Het is een ieder verboden een bedrijf dat door de burgemeester is gesloten te betreden of daarin te verblijven. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hier aanleiding toe geven. Negende lid Om oog te kunnen houden op relevante veranderingen moet de vergunningverlener daarvan weet hebben. De vergunninghouder is verplicht wijzigingen te melden. Als er met inachtneming van de geldende regels geen bezwaar bestaat tegen een voortgezet bedrijf, wordt een gewijzigde vergunning verleend. Als blijkt dat de
wijzigingen niet zijn gemeld, kan dat leiden tot intrekking van de vergunning. Het is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente actieve exploitanten. Om die reden moet ook worden gemeld dat de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen. Ook wanneer slechts een van de exploitanten stopt. Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden is het van belang dat de beheerders bij de gemeente bekend zijn. Een wijziging in het beheer kan pas plaatsvinden indien de burgemeester de gevraagde wijziging in het beheer heeft bijgeschreven en de exploitant hiervan bericht heeft ontvangen. Tiende lid Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is. Elfde lid Op het moment dat het aanwijzingsbesluit wordt genomen, kunnen er al bedrijven aanwezig zijn in het betreffende gebied of branche. Voor deze bestaande bedrijvigheid gaat het verbod, om zonder vergunning een bedrijf in werking te hebben, drie maanden nadat het aanwijzingsbesluit in werking is getreden, in. Of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf De artikelen uit deze afdeling zijn aanvullend op artikel 438 Wetboek van Strafrecht.
De plicht tot het bijhouden van een nachtregister door de exploitant van de inrichting is neergelegd in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van artikel 2:45 moet ieder persoon zijn identiteit kenbaar maken; op grond van het WvS moet alleen het hoofd van een gezin dat. Deze afdeling geeft de burgemeester en de politie een zo volledig mogelijk overzicht van het nachtverblijf. Artikel 2:35 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. Het begrip ínrichting” als hier omschreven sluit aan bij artikel 438 van het WvSr, dat ziet op het als beroep verschaffen van nachtverblijf aan personen (eerste lid) en op het als beroep of gewoonte beschikbaar stellen van een terrein voor het houden van nachtverblijf of het plaatsen van kampeermiddelen en dergelijke (tweede lid) Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Artikel 2:36 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijf en kampeerinrichtingen. Artikel 2:37 Nachtregister Niet opgenomen in de APV. De plicht tot het bijhouden van een nachtregister door de exploitant van de inrichting is neergelegd in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Op grond van artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht is een ondernemer die een hotel of pension drijft verplicht om een nachtregister bij te houden. Dit artikel in de APV komt die ondernemer tegemoet door de gast te verplichten daaraan mee te werken en zijn of haar gegevens te verstrekken. Zo’n aanvulling van het Wetboek van Strafrecht bij plaatselijke verordening werd door de Hoge Raad toelaatbaar geacht: HR 10-04-1979, NJ 1979, 442. Daarbij wordt vaak opgemerkt dat een goed bijgehouden nachtregister ook in het belang van de gemeente is, bijvoorbeeld voor de brandweer, mocht er onverhoopt brand uitbreken in een hotel of pension. De Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) heeft als uitgangspunt dat er niet meer wordt uitgevraagd dan nodig. Er worden alleen de gegevens uitgevraagd die artikel 438 van het WvSr noemt. Afdeling 10 Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:39 Speelgelegenheden Het gaat om speelgelegenheden waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen. De houder van een café waarin bezoekers het kaartspel kunnen beoefenen, hoeft niet zonder meer over een vergunning te beschikken maar slechts indien de mogelijkheid daartoe bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is wordt aangeboden.
Bepaalde kaartspelen, zoals poker, worden beschouwd als kansspelen. Als die kaartspelen worden gespeeld met de bedoeling om prijzen te winnen zonder dat de organisator over een vergunning beschikt, is dat op grond van de Wet op de kansspelen verboden. Eerste lid Het begrip “speelgelegenheid” als omschreven in het eerste lid, betreft iedere openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. In de Wet op de Kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten aanzien
van de kansspelen als bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze restcategorie van speelgelegenheden voor behendigheidsspelen is dit artikel bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden, waar de Wet op de Kansspelen geen betrekking op heeft. Tweede en derde lid De vergunningsplicht geldt het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid. Artikel 2:39 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon en leefklimaat als doel. Artikel 2:40 Kansspelautomaten In dit artikel wordt voor een aantal definities verwezen naar de Wet op de kansspelen. Ter nadere toelichting wordt nog het volgende uitgelegd. Een hoogdrempelige inrichting is een inrichting waar het café of het restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden. In de inrichting zijn de activiteiten gericht op personen van 18 jaar en ouder. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan. Laagdrempelige inrichtingen zijn bijvoorbeeld een cafetaria, snackbar, shoarmazaak, grillroom, broodjeszaak, lunchroom, koffie- en theehuizen, discotheken, sportkantines, -hallen, -complexen, buurt- en clubhuizen. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.