CConstaterende datHarderwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

5193121_1617808458923_ROB_Goede_Reede_ong_Harderwijk_2021-04-07 (1).pdf

Raadsvergadering 17 februari 2022, gemeente HarderwijkBij agendapunt: Debat: Verklaring van geen bedenkingen Huisvesting arbeidsmigranten Goede Reede 4-6 te Harderwijk9.676 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

• o o • o o •

•

•

•

•

•

•

•

•

•

•

•

•

•

•

•

•

•

•

•

•

ArcheoPro Archeologisch rapport Nr 16028 Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk Gemeente Harderwijk Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O); Bureauonderzoek, verkennend en deels karterend booronderzoek

Richard Exaltus Joep Orbons

Juli 2016

ArcheoPro

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 2

ArcheoPro Archeologisch rapport Nr 16028 Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk Gemeente Harderwijk Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O); Bureauonderzoek, verkennend en deels karterend booronderzoek

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

Colofon Opdrachtgever:

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 3

Vink Milieutechniek Adviesbureau B.V., Postbus 99, 3770 RG Barneveld Definitief 6 juli 2016

Status: Projectcode : Bestandsnaam : Archis melding (OM nummer): Bevoegd gezag: Opslagplaats documentatie: ISSN:

16-061 ArcheoPro, Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk, 2016 07 06 4000024100 Gemeente Harderwijk Provincie Gelderland 1569-7363

Auteur: Projectleider: Projectmedewerkers: Onderaannemers : Autorisatie:

Richard Exaltus, Joep Orbons Richard Exaltus Richard Exaltus, Joep Orbons, Hon Rik n.v.t Drs. R.P. Exaltus; senior-archeoloog

Uitgegeven door ArcheoPro © Copyright 2016 ArcheoPro, Eijsden ArcheoPro Sint Jozefstraat 45 NL 6245 LL Eijsden

Tel : 0(0 31) 43 3672586 www.archeopro.nl

Kamer van Koophandel Limburg: 14117581 e-mail: info@archeopro.nl

Nederland

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 4

Inhoudsopgave Inhoudsopgave ......................................................................................................................................... ........................... 4 Samenvatting ....................................................................................................................................................................... 5 1. Inleiding ................................................................................................................... ......................................................... 6 1.1 Algemeen ....................................................................................................................................................................... 6 1.2 Locatiegegevens ......................................................................................................................................................... 6 1.3 Aard van de ingreep ................................................................................................................................................. 6 1.4 Onderzoek ................................................................................................................... ..................................................

6 2 Bureauonderzoek .......................................................................................................................................................... . 9 2.1 Methode en bronnen ................................................................................................................................................. 9 2.2 Geo(morfo)logie, aardkunde en bodem ........................................................................................................ 11 2.3 Archeologie ................................................................................................................................................................ 20 2.4 Historie ........................................................................................................................................................................ 24 2.5 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel .................................................................................. 26 2.6 Onderzoeksstrategie .............................................................................................................................................. 28 3 Veldonderzoek ............................................................................................................... ...........................................

29 3.1 Verrichte werkzaamheden .................................................................................................................................. 29 3.2 Resultaten molshoopkartering .......................................................................................................................... 29 3.3 Resultaten booronderzoek .................................................................................................................................. 30 4 Conclusies en aanbevelingen (beleidsadvies) ................................................................................................. 33 Verklarende woordenlijst ............................................................................................................................................ 34 Archeologische tijdschaal ............................................................................................................................................ 34 Bronnen ....................................................................................................................................................................... ....... 34 Literatuur ...........................................................................................................................................................................

35 Bijlage 1: Boorbeschrijving ......................................................................................................................................... 37 Betekenis van de afkortingen: ................................................................................................................................... 39

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 5

Samenvatting Op 23 april 2016 is door ArcheoPro een Inventariserend Veldonderzoek Overig (IVO-O) uitgevoerd op een terrein aan de Fokko Kortanglaan 225-227 te Harderwijk. Het archeologisch onderzoek betrof een Inventariserend Veldonderzoek Overig (IVO-O) met bureaustudie. Bureauonderzoek heeft tot doel om op basis van beschikbare informatie te komen tot een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel. Het Inventariserend Veldonderzoek heeft vervolgens tot doel om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen door middel van veldwaarnemingen. Hiermee kan de vraagstelling beantwoord worden of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of deze vervolgonderzoek en/of planaanpassing vereisen. Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied een lage tot middelhoge verwachting voor resten uit de steentijd en een middelhoge verwachting voor resten daterend uit de middeleeuwen en de nieuwe tijd Deze laatste verwachting geldt met name voor het oostelijke deel van het plangebied dat van oudsher nabij de bebouwing van de buurtschap Tonsel ligt en dat van nature beter ontwaterd is. Om het archeologisch verwachtingsmodel te toetsen zijn binnen het plangebied 25 boringen gezet met behulp van een zandguts en een megaboor.

Uit het met de zandguts verrichte onderzoek blijkt dat de bodem binnen het plangebied tot ongeveer tachtig centimeter beneden het maaiveld is verstoord. Op het oostelijke deel van het plangebied hangt de aangetroffen bodemverstoring vrijwel zeker samen met de aanleg en de ruiming van de weg die hier in de tweede helft van de twintigste eeuw gelegen heeft. Op het westelijke deel hangt de bodemverstoring waarschijnlijk samen met ontginningsactiviteiten en de winning van veen. Van dit veen is op nog één boorpunt een ruim twintig centimeter dik restant aangetroffen. In verband met de relatief geringe bodemverstoring alhier van ongeveer veertig centimeter, is op het zuidwestelijke deel van het plan geboord nageboord met een megaboor waarbij het opgeboorde zand is gezeefd. Dit heeft echter geen relevante archeologische indicatoren opgeleverd. Dergelijke indicatoren zijn evenmin aangetroffen tijdens de inspectie van de talrijke molshopen die tijdens het veldonderzoek binnen het plangebied aanwezig waren. Gezien de overwegend diepe bodemverstoring en het volledig ontbreken van archeologische indicatoren, geven de resultaten van het onderzoek geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren.

Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden.

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 6

1. Inleiding

1.1 Algemeen Opdrachtgever: Datum uitvoeringveldwerk: Archis onderzoeksmelding: Bevoegd gezag: Bewaarplaats vondsten: Bewaarplaats documentatie:

1.2 Locatiegegevens Provincie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Globale ligging: Hoekcoördinaten plangebied:

Oppervlakte plangebied: Grondgebruik: Hoogteligging: Bepaling locaties:

Vink Milieutechniek Adviesbureau B.V., Postbus 99, 3770 RG Barneveld 23 april 2016 4000024100 Gemeente Harderwijk Provincie Gelderland Provincie Gelderland

Gelderland Harderwijk Harderwijk Fokko Kortlanglaan 225-227 Aan de noordrand van Harderwijk 170691 / 481938 170691 / 482124 170867 / 482124 170867 / 481938 1,28 ha Grasland ± 5,50 m +NAP GPS Garmin, meetlinten

1.3 Aard van de ingreep

Aard ingreep:

Bouwplannen op het aangegeven terrein.

1.4 Onderzoek

Op 23 april 2016 is door ArcheoPro een Inventariserend Veldonderzoek Overig (IVO-O) uitgevoerd op een terrein aan de Fokko Kortanglaan 225-227 te Harderwijk. Het archeologisch onderzoek betrof een Inventariserend Veldonderzoek Overig (IVO-O) met bureaustudie. Bureauonderzoek heeft tot doel om op basis van beschikbare informatie te komen tot een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel. Het Inventariserend Veldonderzoek heeft vervolgens tot doel om het gespecificeerd archeologisch

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 7

verwachtingsmodel te toetsen door middel van veldwaarnemingen. Hiermee kan de vraagstelling beantwoord worden of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of deze vervolgonderzoek en/of planaanpassing vereisen. Het plangebied ligt in een gebied waar een gemeentelijk archeologisch beleid is vastgesteld. Om in deze zone een omgevingsvergunning te kunnen verkrijgen, dient de initiatiefnemer een rapport te overleggen waarin naar oordeel van de bevoegde overheid de archeologische waarde van het plangebied voldoende is vastgesteld. In het kader van dit proces heeft het in dit rapport beschreven onderzoek plaatsgevonden. ArcheoPro voert haar onderzoeken uit conform de hiervoor vastgelegde normen en richtlijnen (KNA 3.3) en is door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) vergunning verleend tot het verrichten van bepaalde archeologische werkzaamheden in het kader van het doen van opgravingen, bestaande uit prospectie door middel van booronderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd door drs. R.P. Exaltus (senior-archeoloog), ing. P.J. Orbons (senior vakspecialist) en H. Rik (veldtechnicus).

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 8

Figuur 1: De ligging van het plangebied (rood omlijnd) met daaromheen de cirkel die de buitengrens van het onderzoeksgebied aangeeft.

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 9

2 Bureauonderzoek

2.1 Methode en bronnen

Onderzoeksgebied bureauonderzoek: Cirkel met een straal van één kilometer rond het centrum van het plangebied Tijdens het bureauonderzoek wordt door de bestudering van beschikbare bronnen, kennis vergaard omtrent de bodem en geologie van het onderzoeksgebied en de hierin bekende en te verwachten archeologische waarden. Aan de hand van de resultaten van het bureauonderzoek kan de beste aanpak voor het veldonderzoek worden bepaald. Hierbij zijn de volgende bronnen geraadpleegd (voor bronvermelding; zie ook literatuurlijst, dit geldt ook voor de kaarten die in de tekst opgenomen zijn): • • • • • • • • • • • • •

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Archeologische MonumentenKaart (AMK) ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) Atlas van topografische kaarten Nederland 1955-1965, 1:50.000 Bodemkaart 1:50.000 Gemeente Harderwijk, Archeologische beleidskaart Geomorfologische kaart 1:50.000 Geologische kaart 1:50.000 Grote historische atlas van Nederland 1:50.000 1838-1857 (Deel Oost) Grote historische topografische atlas van Nederland, provincie Gelderland 1:25.000 1894-1926 Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) Kadastrale minuutplan met aanwijzende tafels, 1830 Provincie Gelderland; Wateratlas

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 10

Figuur 2: Luchtfoto met daarop rood omlijnd het plangebied.

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 11

2.2 Geo(morfo)logie, aardkunde en bodem

Het plangebied ligt aan de noordrand van de stuwwallen van de Veluwe. Deze stuwwallen zijn ongeveer 150.000 jaar geleden ontstaan tijdens de voorlaatste ijstijd; het Saale-glaciaal. Tijdens dit glaciaal zijn pleistocene fluviatiele afzettingen door Scandinavisch landijs opgestuwd tot stuwwallen. Tijdens het Pleniglaciaal (circa 75.000 - 15.700 jaar geleden) was de ondergrond permanent bevroren waardoor het regen- en sneeuwsmeltwater over het oppervlak afstroomde. Hierdoor zijn fluvioperiglaciale afzettingen gevormd en zijn reeds bestaande dalen verder uitgesleten. Deze dieper in de ondergrond gelegen afzettingen bestaan uit fijn en grof zand, soms met grind, leemlagen en plantenresten en worden tot de Formatie van Boxtel gerekend. Aan het einde van het Weichseliën, met name in het Laat Pleniglaciaal (circa 29.000 - 15.700 BP) en het Jonge Dryas (circa 12.745 - 11.755 BP) heerste er een poolklimaat in Nederland. Door het ontbreken van vegetatie trad op grote schaal verstuiving op. Vanuit het Noordzeebekken werd zand meegevoerd dat als dekzand over de fluvioperiglaciale afzettingen (Formatie van Boxtel) is afgezet in de vorm van vlaktes, welvingen en ruggen. Dit zand is kalkloos, fijnkorrelig en goed afgerond. Deze afzettingen behoren tot het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel (Berendsen, 2004).

Dit dekzand is vaak afgezet in de vorm van lengteduinen die nu dekzandruggen in het landschap vormen. Het plangebied ligt op een vlakte van verpoelde dekzanden (legenda-eenheid 2M9 op figuur 4), die ten noorden ligt van een gordeldekzand glooiing die al dan niet bedekt is met een oud bouwlanddek (legenda-eenheid 4H9 op figuur 4). Op de uitsnede uit het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN; figuur 5) is goed te zien dat het onderzoeksgebied in een zone ligt die in noordwestelijke richting sterk afloopt. Het plangebied ligt hierdoor in een zogenaamde gradiëntzone. Hierbinnen ligt het plangebied echter relatief laag ten opzichte van de terreindelen die hier in het noordoosten, zuidoosten en zuidwesten, aan grenzen. Binnen lage delen van het dekzandlandschap zijn ten gevolge van de na de ijstijden vrijwel permanent stijgende zeespiegel in combinatie met slechte afwaterings-omstandigheden, dermate hoge grondwaterspiegels ontstaan dat veengroei kon gaan plaatsvinden. Op de drogere delen van het dekzandlandschap zijn veelal podzolgronden ontstaan. Deze worden gekenmerkt door een uitspoelingslaag (E-horizont) en een inspoelingslaag (B-horizont). De B-horizont gaat veelal via een overgangslaag (de BC-horizont) over in het niet door bodemvorming beïnvloede zand (de C-horizont).

Binnen het plangebied geeft de bodemkaart de aanwezigheid aan van gooreerdgronden die zijn gevormd in leemarm en zwak lemig fijn zand (legenda-eenheid pZn21 op figuur 7). Gooreerdgronden komen vooral voor op slechte ontwaterde zandgronden en worden gekenmerkt door de aanwezigheid van een relatief dik humeus bovendek dat direct op grijs, ongeoxideerd zand ligt. Het westelijke deel van het plangebied heeft een grondwatertrap IV terwijl de overige delen grondwatertrap VI hebben. Dit betekent dat het westelijke deel van nature aanmerkelijk slechter ontwaterd is dan de overige delen van het plangebied.

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 12

Figuur 3: Uitsnede uit de paleogeografische kaart met daarin rood omlijnd het plangebied met daaromheen de cirkel die de buitengrens van het onderzoeksgebied aangeeft.

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 13

Figuur 4: Uitsnede uit de geomorfologische kaart met daarin rood omlijnd het plangebied met daaromheen de cirkel die de buitengrens van het onderzoeksgebied aangeeft.

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 14

Figuur 5: Uitsnede uit het Actueel Hoogtebestand Nederland met daarin rood omlijnd het plangebied met daaromheen de cirkel die de buitengrens van het onderzoeksgebied aangeeft.

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 15

Figuur 6: Detail-uitsnede uit het Actueel Hoogtebestand Nederland met daarin rood omlijnd het plangebied met daaromheen de cirkel die de buitengrens van het onderzoeksgebied aangeeft.

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 16

Figuur 7: Uitsnede uit de bodemkaart met daarin rood omlijnd het plangebied met daaromheen de cirkel die de buitengrens van het onderzoeksgebied aangeeft. Voor uitleg van de codes, zie hoofdstuk 2.2

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 17

Figuur 8: Uitsnede uit de grondwatertrappenkaart met daarin rood omlijnd het plangebied met daaromheen de cirkel die de buitengrens van het onderzoeksgebied aangeeft.

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 18

Figuur 9: Uitsnede uit de erosiekaart met daarin rood omlijnd het plangebied met daaromheen de cirkel die de buitengrens van het onderzoeksgebied aangeeft. Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 19

Figuur 10: Uitsnede uit de grondverschuivingskaart met daarin rood omlijnd het plangebied met daaromheen de cirkel die de buitengrens van het onderzoeksgebied aangeeft. Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 20

2.3 Archeologie

Voor dekzandgebieden in hun algemeenheid geldt dat hierbinnen bewoningssporen kunnen worden aangetroffen die dateren vanaf het laat-paleolithicum. Vuursteenvindplaatsen van jager-verzamelaars uit het laat-paleolithicum en het mesolithicum liggen veelal op relatief hoog gelegen delen van het dekzandlandschap in de nabijheid van water. Later, in het neolithicum wanneer een sedentair bestaan in de plaats komt van een nomadisch levenswijze, verkiest men vooral de hoogste delen van het dekzandlandschap. Deze nederzettingskeuze blijft tot in de vroege middeleeuwen bestaan. In de late middeleeuwen en de nieuwe tijd zijn de nederzettingen met name gesticht langs doorgangswegen, op kruispunten van wegen en aan de overgangen van rivieren. Met name in het kader van de ontwikkeling van de Groene Zoom en de aanleg van de Groene Zoomweg zijn in de directe nabijheid van het plangebied diverse archeologische onderzoeken gedaan (onderzoeksmeldingen 10552, 20827, 27882 en 50253). Hierbij zijn in de omgeving van het plangebied volstrekt geen archeologische waarden aangetroffen. Volgens het Archeologisch informatie-systeem Archis, ligt binnen het onderzoeksgebied slechts één bekende archeologische vindplaats. Het betreft de waarneming 426134 die zeshonderd meter ten zuidoosten van het plangebied ligt aan de Harderwijkerweg 182 (Tonselse Veld) te Ermelo.

Hier zijn tijdens proefsleuvenonderzoek sporen aangetroffen samen lijken te hangen met de bebouwing die staat aangegeven op historisch kaartmateriaal uit het tweede kwart van de twintigste eeuw. Het aangetroffen aardewerk is te dateren tussen 1250 en 1950 n.Chr. Alleen in werkput 1 is de stratigrafie dermate intact dat hier een tweedeling in de vondsten gemaakt kan worden. In de bouwvoor is hier vondstmateriaal aanwezig uit de 19e en 20e eeuw. In het restant van het plaggendek is materiaal aangetroffen uit de 13e tot 17e eeuw. In proefsleuf 2 is de bodem volledig verstoord waarbij vondstmateriaal uit de 14e tot 19e eeuw gemengd voorkomt.

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 21

Figuur 11: Kaart met Archis-gegevens met daarop een cirkel met een straal van één kilometer rond het plangebied die de buitengrens van het onderzoeksgebied aangeeft.

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 22

Figuur 12: Uitsnede uit de gemeentelijke beleidskaart

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 23

Figuur 13: Uitsnede uit de kaart cultuurhistorische monumenten

2.4 Historie

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 24

De kadasterkaart uit 1832 toont dat het oostelijke deel van het plangebied destijds een apart kavel vormde ten opzichte van de overige delen van het plangebied. De beide delen van het plangebied lijken van elkaar gescheiden te zijn geweest door een houtwal.

Figuur 14: Uitsnede uit de kadastrale kaart uit 1832 Figuur 15 toont achtereenvolgens topografische kaarten van het onderzoeksgebied uit 1845, 1885, 1960 en 2014. Op deze kaarten is te zien dat het meest westelijke deel van het plangebied in de negentiende eeuw inderdaad, zoals de kadasterkaart uit omstreeks 1832 suggereert, door een houtwal gescheiden was van de overige delen. Deze houtwal heeft tot omstreeks 1960 bestaan. Het plangebied ligt van oudsher aan de Koesteeg (de latere Fokko Kortlanglaan), die pal ten oosten van het plangebied uitkwam op de weg van Ermelo naar Harderwijk. Met name langs deze laatste weg lag de bebouwing van de buurtschap Tonsel waartoe het plangebied behoorde. Tonsel begon oorspronkelijk pal buiten de stadsmuren van Harderwijk en vormde als het ware het tuinbouwgebied van de stad. De bebouwing van Tonsel lijkt zich net tot aan de noordoostrand van het plangebied te hebben uitgestrekt. Wat de kaarten uit 1960 en 2014 niet tonen, is dat in de tussenliggende periode de weg van Ermelo naar Harderwijk, het oostelijke deel van het plangebied doorsneedt. Deze situatie is goed te zien op de luchtfoto uit 2005 (zie figuur 16).

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 25

Figuur 15: Uitsneden uit de topografische kaarten uit achtereenvolgens: 1845, 1885, 1960 en 2014.

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 26

Figuur 16: Het plangebied op een luchtfoto uit 2005. Hierop is te zien dat de weg van Ermelo naar Harderwijk destijds het oostelijke deel van het plangebied doorsneed.

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 27

2.5 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

Specifieke ligging (locatie) Het plangebied ligt in een gradiëntzone van hoog naar laag. In de nabijheid van het plangebied lijkt echter geen open water aanwezig geweest te zijn. Het plangebied heeft overwegend uit grasland bestaan met ten zuiden hiervan een veldweg en ten oosten hiervan de weg van Ermelo naar Harderwijk. Hierlangs lag de historische bebouwing. Verwachte perioden (datering) Op basis van de bekende gegevens omtrent archeologische waarden in het gebied moet worden geconcludeerd dat binnen het plangebied archeologische resten aanwezig kunnen zijn die dateren vanaf het laat-paleolithicum. Gezien de relatief slechte ontwatering van het westelijke deel van het plangebied geldt eigenlijk alleen voor de oostelijke delen van het een reële verwachting voor bewoningsresten. Voor bewoningsresten uit de prehistorie is deze verwachting door de afwezigheid van open water in de nabijheid en door de aanwezigheid van aanmerkelijk hoger gelegen gronden in de directe nabijheid van het plangebied, echter eerder laag dan middelhoog. Voor bewoningsresten uit de middeleeuwen en de nieuwe tijd is de verwachting in verband met de nabijheid van historische wegen en de oude bebouwing van de buurtschap Tonsel, echter wel middelhoog.

Complextypen Eventuele nederzettingsresten uit het paleolithicum en het mesolithicum kunnen zowel bestaan uit basisnederzettingen met een oppervlakte tussen 200 en 1.000 m² als uit kleine tijdelijke kampementjes met zeer geringe afmetingen die nauwelijks meer zijn dan de neerslag van een enkele (jacht)activiteit of een kortstondig kamp. De omvang hiervan kan beperkt zijn tot enkele (tientallen) vierkante meters. Resten uit latere perioden kunnen (delen van) grotere nederzettingen en grafvelden betreffen die gekenmerkt worden door grondsporen van uiteenlopende afmetingen en strooingen van artefacten zoals aardewerkscherven. Dergelijke nederzettingen zijn doorgaans minimaal meerdere honderden vierkante meters groot. Uiterlijke kenmerken Vuursteenvindplaatsen uit alle perioden zullen binnen het plangebied uit vondststrooiingen bestaan met eventuele sporen in de ondergrond die afgedekt worden door de bouwvoor. Eventueel kan door verploeging ook vondstmateriaal uit de onderliggende bodem onderin de bouwvoor zijn terechtgekomen. Mogelijke verstoringen Door ontginningsactiviteiten en door twintigste eeuwse bouwactiviteiten kan (plaatselijk aanzienlijke) bodemverstoring zijn opgetreden.

Op het oostelijke deel van het plangebied zal naar verwachting aanzienlijke bodemverstoring zijn opgetreden bij de aanleg en het weer verwijderen van de weg die hier in de tweede helft van de twintigste eeuw heeft gelegen.

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 28

2.6 Onderzoeksstrategie

Tijdens het veldwerk moet allereerst worden vastgesteld hoe de bodem is opgebouwd, in hoeverre deze intact is en of hierin archeologische indicatoren aanwezig (kunnen) zijn. Om de bodemopbouw zo exact mogelijk te kunnen bestuderen kan het beste gebruik gemaakt worden van een guts. Indien blijkt dat de huidige grondbewerking tot in de natuurlijke bodem reikt en een goede vondstzichtbaarheid heerst, is een oppervlaktekartering het meest geschikt voor het opsporen van archeologische indicatoren. Indien een oppervlaktekartering niet mogelijk is of in onvoldoende mate effectief zal zijn, wordt nageboord met een edelmanboor met een diameter van 15 cm. Het hiermee opgeboorde materiaal wordt gezeefd op een zeef met een maaswijdte van vier millimeter. Binnen het plangebied zijn 25 boorpunten verdeeld over een zo gelijkmatig mogelijk netwerk. Hierdoor wordt binnen het 1,28 hectare grote plangebied een boordichtheid bereikt van twintig boringen per hectare. Een dergelijke boordichtheid voldoet volgens de Leidraad inventariserend veldonderzoek; Deel: karterend booronderzoek (SIKB, 2006), als brede zoekoptie om vindplaatsen uit alle perioden, in zand op te sporen. Zelfs met de door ArcheoPro gehanteerde hoge boordichtheid is op basis van booronderzoek nooit te garanderen dat alle typen archeologische resten kunnen worden opgespoord.

De kans op het aantreffen van grondsporen is bijvoorbeeld aanmerkelijk groter indien een proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd. Een dergelijke aanpak zou echter in dit stadium van het onderzoek een te zwaar middel vormen Van alle boorpunten wordt de NAP-hoogte bepaald door middel van het AHN.

Figuur 17: Het oostelijke deel van het plangebied gezien in noordelijke richting Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 29

3 Veldonderzoek

3.1 Verrichte werkzaamheden

Positie boringen: Gebruikt boormateriaal: Totaal aantal boringen: Boorgrid: Boordichtheid: Geboorde diepte: Inmeten boorlocaties: Boorbeschrijving:

regelmatige verdeling over het plangebied (figuur 21). Zandguts met een diameter van 2 cm / edelmanboor met diameter van 15 cm. 25 20x25 m Twintig boringen per hectare 1 - 2 m –Mv GPS, meetlint en waterpas Archeologische Standaard Boorbeschrijving (ASB 5.2)

Inspectie bodemontsluitingen en/of oppervlaktekartering: In verband met de begroeiing van het plangebied was geen oppervlaktekartering mogelijk. Wel bleken binnen het plangebied molshopen aanwezig te zijn die zijn doorzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren.

3.2 Resultaten molshoopkartering

Ondanks de aanwezigheid van een ruime hoeveelheid molshopen verspreid over het plangebied, heeft de inspectie hiervan geen relevante archeologische indicatoren opgeleverd. In de molshopen zijn naast enkele grinddeeltjes slechts zeer moderne aardwerk- en puinresten aangetroffen.

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 30

Figuur 18: Één van de clusters van molshopen binnen het plangebied.

3.3 Resultaten booronderzoek

Binnen het plangebied zijn 25 boringen gezet in zes noordoost-zuidwest gerichte boorraaien. De ligging van de boorpunten is weergegeven op de boorpuntenkaart. De resultaten van het booronderzoek zijn opgesomd in Bijlage 1. Tijdens het veldonderzoek is de meest eenvormige bodemopbouw aangetroffen op de boorpunten 8, 14 en 15. Hier is vanaf het maaiveld een ongeveer tachtig centimeter dik pakket aangetroffen dat overwegend bestaat uit geel zand met daarin brokken zand met uiteenlopende humusgehalten. Tot onderin dit vergraven pakket komen moderne puinresten voor. De positie van deze boorpunten maakt het waarschijnlijk dat de hier aangetroffen bodemverstoring het gevolg is van de aanleg en het verwijderen van de weg die hier in de tweede helft van de twintigste eeuw gelegen heeft. In de eveneens op het oostelijke deel van het plangebied gezette boringen 1 tot en met 5, 9, 16, 17, 21, 22, 24 en 25, is een vergelijkbare, diepe bodemverstoring aangetroffen. Wel is bovenin deze boringen een toplaag aanwezig die overwegend bestaat uit humusrijk zand. Over het geheel genomen lijkt de diepte van de bodemverstoring af te nemen in zuidwestelijke richting. Dit wordt het duidelijkst gedemonstreerd door boorraai 14 tot en met 20. Hierin is de bodemverstoring van ongeveer tachtig centimeter in de boringen 14 tot en met 17, ongeveer tweemaal zo diep als die in de boringen 18 tot en met 20.

Ook in de eveneens op het zuidwestelijke deel van het plangebied gezette boringen 11 en 23, bedraagt de bodemverstoring minder dan een halve meter. Dit is elders binnen het plangebied slechts het geval in boring 10. In de noordoosthoek van het plangebied is een verstoringsdiepte aangetroffen die net als op het oostelijke deel, ongeveer tachtig centimeter bedraagt. Hieronder is in boring 6 een ruim twintig centimeter dik (restant van een) veenpakket aangetroffen (zie figuur 19). In de overige boringen ontbreekt dergelijk veen.

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 31

Figuur 19: Foto van de (onderkant van de) veenlaag die in boring 6 is aangetroffen. Nergens binnen het plangebied zijn resten van podzolvorming aangetroffen. De C-horizont bestaat overal uit bleekgeel zand dat nauwelijks geoxideerd is. Binnen het plangebied lijken derhalve van oorsprong inderdaad gooreerdgronden te zijn gevormd zoals de bodemkaart aangeeft. De voormalige slechte ontwatering op met name het oostelijke deel, wordt geïllustreerd door het veenpakket dat in boring 6 is aangetroffen. In verband met de relatief geringe verstoringsdiepte, is op de boorpunten 10, 11, 18, 19, 20 en 23, nageboord met een edelmanboor met een diameter van vijftien centimeter. Het zeven van het hiermee opgeboorde zand heeft echter volstrekt geen relevante archeologische indicatoren opgeleverd.

Figuur 20: Boorprofielen

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 32

Figuur 21: Boorpunten met verstoringsdiepten.

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 33

4 Conclusies en aanbevelingen (beleidsadvies) Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied een lage tot middelhoge verwachting voor resten uit de steentijd en een middelhoge verwachting voor resten daterend uit de middeleeuwen en de nieuwe tijd Deze laatste verwachting geldt met name voor het oostelijke deel van het plangebied dat van oudsher nabij de bebouwing van de buurtschap Tonsel ligt en dat van nature beter ontwaterd is. Om het archeologisch verwachtingsmodel te toetsen zijn binnen het plangebied 25 boringen gezet met behulp van een zandguts en een megaboor. Uit het met de zandguts verrichte onderzoek blijkt dat de bodem binnen het plangebied tot ongeveer tachtig centimeter beneden het maaiveld is verstoord. Op het oostelijke deel van het plangebied hangt de aangetroffen bodemverstoring vrijwel zeker samen met de aanleg en de ruiming van de weg die hier in de tweede helft van de twintigste eeuw gelegen heeft. Op het westelijke deel hangt de bodemverstoring waarschijnlijk samen met ontginningsactiviteiten en de winning van veen. Van dit veen is op nog één boorpunt een ruim twintig centimeter dik restant aangetroffen. In verband met de relatief geringe bodemverstoring alhier van ongeveer veertig centimeter, is op het zuidwestelijke deel van het plan geboord nageboord met een megaboor waarbij het opgeboorde zand is gezeefd.

Dit heeft echter geen relevante archeologische indicatoren opgeleverd. Dergelijke indicatoren zijn evenmin aangetroffen tijdens de inspectie van de talrijke molshopen die tijdens het veldonderzoek binnen het plangebied aanwezig waren. Gezien de overwegend diepe bodemverstoring en het volledig ontbreken van archeologische indicatoren, geven de resultaten van het onderzoek geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden. In verband met het volledig ontbreken van archeologische indicatoren binnen het plangebied, is het KNA-onderdeel Waardestelling, in dit rapport niet nader uitgewerkt. In alle gevallen geldt dat indien archeologische materialen en/of sporen aangetroffen worden, deze gemeld dienen te worden bij de gemeente Harderwijk, conform Monumentenwet 1988, laatste wijziging van 1 september 2007, paragraaf 7, artikel 53 en verder.

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 34

Verklarende woordenlijst

AHN Actueel Hoogtebestand Nederland. AMK Archeologische Monumentenkaart. ASB Archeologische Standaard Boorbeschrijving. Archis Archeologisch Informatie Systeem. BP: Before Present (present = 1950) GIS Geografische InformatieSystemen. GPS Global Positioning System. IKAW Indicatieve kaart van archeologische waarden IVO Inventariserend VeldOnderzoek. KNA Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. -mv Onder maaiveld. NAP Normaal Amsterdams Peil PVA Plan van Aanpak. PVE Programma van Eisen. RCE Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. SBB Standaard Boor Beschrijvingsmethode. SIKB: Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer ZAA Zeeuws Archeologisch Archief. ZAD Zeeuws Archeologisch Depot.

Archeologische tijdschaal

Periode Midden- en Laat Paleolithicum (oude steentijd) Mesolithicum (midden steentijd) Neolithicum (nieuwe steentijd) Bronstijd IJzertijd Romeinse tijd Vroege middeleeuwen Volle middeleeuwen Late middeleeuwen Nieuwe tijd

Datering 250.000

- 9000

9000 4500 2000 800 12 v chr. 500 1000 1250 1500

- 4500 - 2000 - 800 - 12 v. chr. - 500 n. chr. - 1000 - 1250 - 1500 - heden

Bronnen

Grote historische Provincie Atlas van Nederland; deel 3 Oost-Nederland 1838-1857 1:50.000. Topografische dienst Wolters Noordhoff Groningen 1990

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 35

Grote historische topografische Provincie Atlas Gelderland; 1905 1:25.000. Nieuwland Tilburg 2006 Grote topografische atlas van Nederland 1:50.000 Deel 3 Oost-Nederland. Topografische dienst. Wolters Noordhoff Groningen 1997 Kadastrale minuut 1830 met aanwijzende tafels, (www.watwaswaar.nl) Kadaster Topografische Dienst, Top25Raster, Top10Vector, GBKN kaarten, Emmen 2008 Luchtfoto, http://maps.google.nl Provincie Gelderland Wateratlas http//geodata2.prov.gelderland.nl//apps/wateratlas/ Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, IKAW 2 (Indicatieve kaart Archeologische Waarden), Amersfoort. Rijksdienst voor het Cultureel monumentenkaart), Amersfoort.

Erfgoed,

AMK

(Archeologische

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, ARCHIS II (Archeologisch Informatie Systeem), http://archis2.archis.nl/ Rijkswaterstaat, Servicedesk Data, AHN (Actueel Hoogtebestand Nederland), Delft. Stichting voor Bodemkartering, Bodemkaart van Nederland 1:50.000. Wageningen, 1968. Stichting voor Bodemkartering: Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000, Staring Centrum, Wageningen, 1989 Stichting voor Bodemkartering, Geologische kaart van Nederland 1:50.000. Wageningen, 1968. Twaalf provinciën 2007. Atlas van topografische kaarten. Nederland 1955-1965. Uitgeverij twaalf provinciën. Landsmeer.

Literatuur

Cate, J. A. M. ten. A. F. van Holst, H. Kleijer en J. Stolp, 1995. Handleiding bodemgeografisch onderzoek; richtlijnen en voorschriften. Deel A: Bodem. Wageningen, DLO-Staring Centrum. Technisch Document 19A. Cohen, K.M. & E. Stouthamer, 2012. Beknopte toelichting bij het digitaal basisbestand paleogeografie van de Rijn-Maas Delta, Utrecht, 2012. Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 36

Es. Van W.A., Sarfatij, H. & P.J. Woltering (red.) 1988. Archeologie in Nederland; De rijkdom van het bodemarchief. Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek. Amersfoort. Kuiper, M. 2006/2007. Atlas van topografische kaarten Nederland, 1955-1965. Uitgeverij 12 Provinciën, Landsmeer. Leidraad inventariserend veldonderzoek; Deel: karterend booronderzoek (SIKB, 2006)

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 37

Bijlage 1: Boorbeschrijving

Posities van de boringen (boorlocaties)

Algemene kopgegevens Soort boring Projectnummer Projectnaam Deelgebied Organisatie OM-nummer coördinaatsysteem Coördinaatsysteemdatum Locatiebepaling Referentievlak Bepaling maaiveldhoogte Boormethode Boordiameter Opdrachtgever

Boornummer 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25

BAR 16-061 Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk Nvt ArcheoPro X4000024100 RD2000 ETRS89 GPS en meetlint NAP AHN – Waterpas Guts en edelman 3 cm en 15 cm Vink Milieutechniek Adviesbureau B.V.

XCO 170789.6 170770.9 170812.5 170795.5 170778.4 170726.0 170708.2 170819.2 170802.1 170785.1 170768.7 170750.1 170732.5 170843.7 170825.4 170808.8 170792.4 170774.0 170758.2 170738.5 170848.9 170832.7 170762.2 170856.4 170836.4

YCO 482107.9 482089.0 482103.0 482083.6 482066.4 482014.5 481997.3 482079.1 482059.3 482043.5 482026.0 482008.8 481991.0 482072.6 482055.0 482037.0 482020.2 482003.0 481985.3 481967.5 482046.9 482030.3 481960.0 482025.6 482006.8

MA, M´s tov NAP 5.22 5.15 5.20 5.07 5.07 5.03 4.99 5.08 5.11 5.17 4.99 5.18 5.17 5.21 5.33 5.35 5.58 5.13 5.25 5.17 5.45 5.58 5.12 5.48 5.63

Boorbeschrijving volgens ASB 5.2 Boo r Nr

LDO

1

20

2

3

4

5

Lithologie GD

BK BS

Kleur BG

IK

VLK

HK

TK

Z

3

BR

GE

GE

ROG

77

Z

1

GE

BR

BR

VRG

100

Z

GE

WI

28

Z

3

BR

GE

GE

ROG

70

Z

1

GE

BR

BR

VRG

100

Z

GE

WI

30

Z

3

BR

GE

GE

ROG

72

Z

1

GE

BR

BR

VRG

100

Z

GE

WI

32

Z

3

BR

GE

GE

ROG

80

Z

1

GE

BR

BR

VRG

100

Z

GE

WI

18

Z

3

BR

GE

GE

ROG

69

Z

1

GE

BR

BR

VRG

LI

CO

PLH

VS

SST

AIS

BH

Versie: definitief 6 juli 2016

BZ

Overige kenmerken BHN

BI

BHC

LI

DEZ

BHC

LI

DEZ

BHC

LI

GI

DEZ

BHC

DEZ

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

6

7

8

9

10

11

12

13

14

15

16

17

18

19

20

100

Z

31

Z

104

Z

128

V

BR

150

Z

GE

WI

35

Z

3

BR

GE

GE

ROG

83

Z

1

GE

BR

BR

VRG

100

Z

GE

WI

78

Z

GE

BR

100

Z

GE

WI

35

Z

3

BR

GE

GE

ROG

87

Z

1

GE

BR

BR

VRG

115

Z

GE

WI

58

Z

BR

GE

80

Z

GE

WI

48

Z

BR

GE

90

Z

GE

WI

32

Z

3

BR

GE

GE

ROG

121

Z

1

GE

BR

BR

VRG

150

Z

GE

WI

28

Z

3

BR

GE

GE

ROG

80

Z

1

GE

BR

BR

VRG

100

Z

GE

WI

78

Z

BR

GE

100

Z

GE

WI

83

Z

GE

BR

125

Z

GE

WI

34

Z

3

BR

GE

GE

ROG

73

Z

1

GE

BR

BR

VRG

100

Z

GE

WI

32

Z

3

BR

GE

GE

ROG

69

Z

1

GE

BR

BR

VRG

100

Z

GE

WI

35

Z

BR

GE

90

Z

GE

WI

32

Z

3

BR

GE

GE

ROG

52

Z

1

GE

BR

BR

VRG

80

Z

GE

WI

28

Z

3

BR

GE

GE

ROG

45

Z

1

GE

BR

BR

VRG

80

Z

GE

WI

Versie: definitief 6 juli 2016

GE

WI

3

BR

GE

GE

ROG

1

GE

BR

BR

VRG

1

3

3

3

1

3

LI

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 38

BHC

DEZ

DO LI

BHC

LI

BHC BR

LI

DEZ VRG

BHC

LI

DEZ

BHC GE

LI

DEZ ROG

BHC GE

LI

DEZ ROG

BHC

LI

DEZ

BHC

LI

DEZ

BHC GE

LI

DEZ ROG

BHC BR

LI

DEZ VRG

BHC

LI

DEZ

BHC

LI

DEZ

BHC GE

LI

DEZ ROG

BHC

LI

LI

DEZ

DEZ

BHC

BHC

DEZ

DEZ

www.ArcheoPro.nl

Archeologische onderzoek Fokko Kortlanglaan 225-227, Harderwijk

21

22

23

24

25

ArcheoPro Rapport, 16028, Pagina 39

33

Z

3

BR

GE

GE

ROG

73

Z

1

GE

BR

BR

VRG

100

Z

GE

WI

35

Z

3

BR

GE

GE

ROG

81

Z

1

GE

BR

BR

VRG

100

Z

GE

WI

48

Z

BR

GE

90

Z

GE

WI

32

Z

3

BR

GE

GE

ROG

120

Z

1

GE

BR

BR

VRG

150

Z

GE

WI

27

Z

3

BR

GE

GE

ROG

72

Z

1

GE

BR

BR

VRG

100

Z

GE

WI

3

LI

BHC

LI

BHC GE

LI

DEZ ROG

BHC

LI

LI

DEZ

DEZ

BHC

BHC

DEZ

DEZ

Betekenis van de afkortingen:

LDO – Onderzijde boortraject Lithologie: GD – Onverharde sedimenten: G = grind, K = klei, L = leem, V = veen en Z = zand Bijmengsels: BK = bijmengsel klei, BS = bijmengsel silt, BZ =bijmengsel zand, BG= bijmengsel grind, BH = bijmengsel humus. Betekenis toegevoegde cijfers: 1 = zwak, 2 = matig, 3 = sterk en 4 = uiterst. Kleur: HK = hoofdkleur, BL = blauw, BR = bruin, GE = geel, GN = groen, GR = grijs, OL = olijf, OR =oranje, PA = paars, RO = rood, RZ = roze, WI = wit, ZW = zwart. TK = Tweede kleur (kleurafkortingen als boven). IK = Intensiteit kleur: LI = licht en DO = donker VLK = Vlekken (V): 2e en 3e letter is kleurafkorting als boven, 1 = weinig, 2 = matig , 3= veel Overige kenmerken: CO = Consistentie (C ): ZSL-zeer slap, SLA-slap, MSL-matig slap, MST-matig stevig, STV-stevig PLH = plantenresten (PL0 = geen, PL1 = spoor, PL2 = weinig, PL3 = veel) VS = veensoorten SST = Sedimentaire structuren BHN = Bodemhorizont; BHC = C-horizont BI = Bodemkundige interpretaties; BOV = bouwvoor , ROG = rommelig, VRG = vergraven GI = Geologische interpretaties; DEZ = dekzand AIS = Archeologische indicatoren

Versie: definitief 6 juli 2016

www.ArcheoPro.nl

Actualisatie natuurtoets Goede Reede 6, Harderwijk

Opdrachtgever

WeLiving Hoge Rijndijk 306A 2314 AM LEIDEN

Contactpersoon

Viktor Lieuw-A-Fa viktor@veluwsearchitecten.nl

Uitvoering

Groenewold Adviesbureau voor Milieu & Natuur Dossiernummer

2020-016

Versie

Mrt.20-v2

Behandeld door

Lex Groenewold

Datum

23 maart 2020

Dokter Holtropstraat 97 • 3851 JH • Ermelo• Tel.: 06-533 616 75 Website: www.groenewoldmilieu.nl • e-mail: info@groenewoldmilieu.nl KvK: 08178662 • BTW: NL001508693B90 • Bank: NL26 INGB 0673.0025.27

Inhoudsopgave 1 2

Aanleiding en doel ........................................................................................................ 3 Beschrijving situatie ...................................................................................................... 3 2.1 Omschrijving gebied .............................................................................................. 3 3 Relevante wetgeving .................................................................................................... 4 4 Aanpak onderzoek ........................................................................................................ 4 4.1 Gewenste ontwikkeling .......................................................................................... 4 4.2 Bronnenonderzoek ................................................................................................ 5 4.3 Locatiebezoek ....................................................................................................... 5 5 Effecten plan/activiteiten op Flora en Fauna ................................................................. 5 5.1 Vaatplanten ........................................................................................................... 5 5.2 Amfibieën, reptielen, vlinders en libellen ................................................................

5 5.3 Zoogdieren ............................................................................................................ 6 5.3.1 Vleermuizen ................................................................................................... 6 5.4 Vogels ................................................................................................................... 6 5.4.1 Vogels algemeen ............................................................................................ 6 5.5 Overige soorten ..................................................................................................... 7 6 Gebiedsbescherming .................................................................................................... 7 6.1 Natura 2000 ........................................................................................................... 7 6.2 Gelders natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelzone (GO) ............................. 8 7 Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................... 9 7.1 Algemeen .............................................................................................................. 9 7.2 Beschermde soorten..............................................................................................

9 7.3 Gebiedsbescherming ............................................................................................. 9 7.4 Gelders natuurnetwerk / Groene Ontwikkelzone .................................................... 9 7.5 Voorbehoud en zorgplicht ...................................................................................... 9 7.6 Ecologische kansen / natuurinclusief bouwen ...................................................... 10 8 Advies ......................................................................................................................... 11 9 Literatuur .................................................................................................................... 12 Bijlagen .............................................................................................................................. 12

Bijlagen 1. Overzicht situatie 2. Foto’s plangebied 3. Samenvatting natuurwetgeving 4. Voorbeeldvoorzieningen

2

Versie: 23 maart 2020

1 Aanleiding en doel Initiatiefnemer heeft een aanvraag in voorbereiding voor realisatie van een logiesvoorziening voor tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten aan de Goede Reede te Harderwijk. Voor de uitvoering is een aanpassing van de in 2015 uitgevoerde natuurtoets noodzakelijk. Adviesbureau Groenewold Milieu & Natuur is gevraagd dit onderzoek uit te voeren.

2 Beschrijving situatie 2.1

Omschrijving gebied

Een overzicht van de situatie is weergegeven op de figuren in de bijlage en hieronder. Het betreft een perceel aan de zuidzijde van Harderwijk vlak bij de grens met de gemeente Ermelo. Aan de westzijde ligt de Groenezoomweg, aan de oostzijde de Harderwijkerweg. Uit de quickscan moet blijken of de nieuwbouw gevolgen kan hebben voor beschermde natuurwaarden.

3

Versie: 23 maart 2020

3 Relevante wetgeving De natuur in Nederland is beschermd. Er zijn beschermde gebieden en beschermde soorten. De bescherming is per 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De provincie is in de meeste gevallen bevoegd gezag voor ontheffingen en vergunningaanvragen. Voor wat betreft de Europees beschermde gebieden en daarin levende soorten sluit de Wet hierop aan (Habitat- en Vogelrichtlijn en Verdrag van Bern en Bonn). Dit omvat ook de bescherming van de Natura2000 gebieden. Ook de soortbescherming sluit aan bij de Europese regelgeving. Alle in het wild voorkomende vogels zijn beschermd (art. 3.1 Wnb, conform Vogelrichtlijn). Verder alle soorten uit de Habitatrichtlijn (strikt beschermde soorten, art. 3.5 Wnb). Tot slot is er nog een nationale lijst met ‘Andere soorten’. Deze nationaal beschermde soorten (art. 3.10 Wnb, 1e lid) zijn aangewezen in de Bijlage bij de Wnb. Onderdeel A betreft een verbod op het opzettelijk doden of vangen van de genoemde in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers. Onderdeel B verbiedt het opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van de genoemde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. In het voorliggende onderzoek worden de consequenties in beeld gebracht van de beoogde plannen en vindt toetsing plaats.

Als door het treffen van maatregelen tijdens de werkzaamheden en na de realisatie van het project, wordt voorkomen dat er verbodsbepalingen uit de Wnb worden overtreden én de functionaliteit van beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen komt niet in het geding, is er geen ontheffing nodig. In sommige gevallen is het noodzakelijk of raadzaam om vooraf een ontheffing aan te vragen bij de Provincie. Ook kan het zijn dat voor een aantal van de geplande activiteiten vrijstelling geldt. Dit kan per provincie enigszins verschillen. Een samenvatting van de natuurwetgeving is weergegeven in Bijlage 3.

4 Aanpak onderzoek De voorliggende quickscan is gebaseerd op een locatiebezoek, beschikbare gebiedskennis, verspreidingsgegevens en bekende ecologische principes. Hieruit moet blijken of en zo ja welke beschermde soorten in het plangebied voorkomen of kunnen voorkomen (hoofdstuk 5). Verder is gekeken of de voorgenomen activiteiten invloed hebben op beschermde gebieden (hoofdstuk 7). Als er effecten mogelijk zijn zal kort worden ingegaan op mogelijke mitigerende (verzachtende of inpassings-) en compenserende maatregelen. Ook op basis van de algemene zorgplicht kan het nodig zijn maatregelen te treffen.

4.1

Gewenste ontwikkeling

Het plan omvat het bouwrijp maken van het terrein, realisering van een logiesvoorziening en aanleg van parkeerplaatsen. Tevens vindt landschappelijke inpassing plaats. Deze activiteiten vallen onder de definitie van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling op basis van de Wet natuurbescherming. De effecten op beschermde soorten zijn beoordeeld op basis van de diverse uit te voeren activiteiten. Uitgangspunten hiervoor zijn:

4

Versie: 23 maart 2020

-

het verwijderen van vegetatie het bouwrijp maken van het terrein het realiseren van een logiesvoorziening het aanleggen van tuin, groen en verharding

4.2

Bronnenonderzoek

Het plangebied ligt in kilometerhok x:170/y:482. Een eerste indruk is te verkrijgen bij het Natuurloket en waarneming.nl. Met deze gegevens in combinatie met een locatiebezoek en ecologische kennis kan een goede inschatting worden verkregen van de locatie en het belang daarvan voor verschillende soorten. Om een zo compleet mogelijk beeld te krijgen is verder gebruik gemaakt van openbaar toegankelijke en betrouwbare bronnen, zoals verspreidingsatlassen, rapporten, recente artikelen en internetsites (zie literatuurlijst).

4.3

Locatiebezoek

Tijdens de locatiebezoeken op 14 oktober 2015 en 28 februari 2020 is het gebied en de directe omgeving opgenomen. Het bezoeken leveren informatie over de op dat moment aanwezige soorten. Een quickscan is geen volledige inventarisatie. Om toch een goed beeld te krijgen van te verwachten soorten is een locatiebezoek bij de quickscan wel van groot belang. Samen met beschikbare literatuurgegevens is dan een inschatting te maken van de geschiktheid van het plangebied voor mogelijk hier voorkomende beschermde soorten.

5 Effecten plan/activiteiten op Flora en Fauna Dit hoofdstuk gaat in op de vraag of er beschermde soorten voorkomen in of om het plangebied. Hierbij zijn de meest voorkomende soortgroepen apart benoemd.

5.1

Vaatplanten

Het plangebied bestaat uit grasland. Er zijn alleen algemene planten aangetroffen, zoals smalle (foto) en brede weegbree, paardenbloem, jacobskruiskruid, biggenkruid en duizendblad. Er zijn in de huidige situatie geen beschermde soorten aangetroffen of te verwachten. Er is bij verdere realisatie van de plannen geen sprake van overtreding van art. 3.5 of 3.10 Wnb. Het aanvragen van een ontheffing is voor de nog aanwezige flora niet nodig.

5.2

Amfibieën, reptielen, vlinders en libellen

Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën, reptielen, vlinders, of libellen aangetroffen. Gezien het tijdstip zijn deze soorten nu ook niet echt te verwachten. Wegens het ontbreken van geschikt voortplantingswater op het perceel is het niet geschikt voor amfibieën en libellen, behoudens een enkele doortrekker. Het plangebied is geen typisch leefgebied voor reptielen. Er zijn verder geen aanwijzingen dat beschermde soorten vlinders aanwezig zijn. Een ontheffing op basis van art. 3.5 of 3.10 van de Wnb is voor deze soortgroepen niet nodig.

5

Versie: 23 maart 2020

5.3

Zoogdieren

Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten aangetroffen. Egel en bunzing zijn wel bekend vanuit de omgeving. Op en rond het perceel zijn verder geen sporen of verblijfplaatsen van beschermde aangetroffen of te verwachten. Bij de planrealisatie kan een klein aantal verblijfplaatsen van de algemene en laag beschermde kleine zoogdieren verloren gaan. Het aanvragen van een ontheffing is voor deze soorten hier echter niet nodig, omdat hiervoor behoudens de algemene zorgplicht, vrijstelling geldt conform de Omgevingsverordening Gelderland (algemene soorten art. 3.68) en schadesoorten (art. 3.66). 5.3.1 Vleermuizen Volgens de literatuurgegevens komen in de omgeving van het plangebied diverse soorten vleermuizen voor, zoals de gewone dwergvleermuis, bosvleermuis en gewone grootoorvleermuis. Deze soorten zijn strikt beschermd onder de Wet natuurbescherming, op basis van Bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Zowel de zomer- als winterkolonies, als paarplaatsen en kraamkamers zijn beschermd tegen verstoring en vernietiging. Ook belangrijke foerageerroutes zijn beschermd. Op basis van de waarnemingen ter plaatse zijn geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Op basis van de bevindingen ter plaatse verdwijnen met zekerheid geen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen.

Er vindt door realisatie van de plannen geen aantasting plaats van vaste verblijfplaatsen, (potentieel) onmisbare vliegroutes en foerageergebied. Er is als gevolg van de beoogde ingrepen geen schade te verwachten op vleermuizen. Het aanvragen van een ontheffing op basis van de Wnb is voor zoogdieren niet nodig.

5.4

Vogels

Er is geen broedvogelinventarisatie uitgevoerd. Op basis van waarnemingen tijdens de veldbezoeken, de terreingesteldheid, waarnemingen uit de directe omgeving, bekende verspreidingsgegevens en ervaring is een inschatting gemaakt over mogelijk aanwezige soorten in het gebied. Tijdens het bezoek zijn houtduif en kauw rond het gebied gehoord en/of gezien. Er zijn verder geen aanwijzingen of mogelijkheden voor beschermde soorten of nesten. Het aanvragen van een ontheffing voor vogels is niet nodig. 5.4.1 Vogels algemeen In het algemeen geldt dat ingrepen in een plangebied tijdens het broedseizoen (15 maart – 15 juli) sterke negatieve effecten hebben op de meeste vogelsoorten door vernietiging van broedplaatsen en verstoring van de reproductie. Wettelijk gezien is dat verboden (art. 3.1 Wnb). Verstoring van broedvogels is in sommige gevallen wel toegestaan, mits er geen negatief effect is op de populatie (art. 3.1 lid 5). Het beschadigen of vernietigen van nesten is wel verboden en dient te allen tijde te worden voorkomen. Dit is mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten buiten het broedseizoen van de aanwezige vogels. Is dat niet mogelijk dan dient aantoonbaar te zijn onderzocht (deskundige) dat er geen vernietiging van nesten van broedvogels zal plaatsvinden.

6

Versie: 23 maart 2020

Als bijv. met de inrichting van het terrein wordt gewacht tot het broedseizoen bestaat een kans dat grondbroeders eieren gaan leggen. Dan moet met de realisatie worden gewacht tot de jonge vogels zijn uitgevlogen. De effecten op (broed)vogels in het plangebied en de directe omgeving zullen verder beperkt of nihil zijn. Na realisatie van het plan ontstaan door de aanleg van beplanting en tuinen overigens ook weer nieuwe broedmogelijkheden. Werkzaamheden die broedbiotopen van vogels verstoren of beschadigen moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit is mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten buiten het broedseizoen van de aanwezige vogels. Is dat niet mogelijk dan dient aantoonbaar te zijn onderzocht (deskundige) dat er geen vernietiging van nesten, eieren of jongen zal plaatsvinden.

5.5

Overige soorten

Van de overige beschermde soorten en soortgroepen is te stellen dat deze in het plangebied niet voorkomen of zijn te verwachten. Ook zullen de geplande activiteiten geen effect hebben op deze soorten.

6 Gebiedsbescherming Dit hoofdstuk beschrijft in algemene zin de te verwachten effecten van realisatie van het bestemmingsplan op beschermde gebieden en doelsoorten. Het plangebied ligt aan de zuidzijde van de bebouwde kom van Harderwijk, tegen de grens met Ermelo. Artikel 2.1 Wnb vormt de invulling van de gebiedsbescherming van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en heeft als doel het beschermen en instandhouding van bijzondere gebieden in Nederland. De Wnb sluit aan bij de Europese gebiedsbescherming zoals vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn. De Nederlandse wetgeving heeft dit vastgelegd in een groot aantal Natura 2000 gebieden.

6.1

Natura 2000

Natura 2000 omvat een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Alle Europese lidstaten dragen hieraan bij. Natura 2000 is gericht op het behoud van natuurgebieden en de ontwikkeling daarvan. De Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn vormen hiervoor de onderliggende basis. Alle Natura 2000-gebieden liggen binnen de Ecologische Hoofdstructuur. Het plan ligt op ruim 750m van Natura 2000 gebied Veluwe (zie figuur hiernaast PDOK maart 2020). Diverse habitats en soorten van de Veluwe zijn beschermd, zoals enkele bos- en heidetypen. Specifieke bescherming is er voor o.a. het Vliegend hert, Gevlekte witsnuitlibel en Kamsalamander. Relevante vogelsoorten zijn o.a. Wespendief, Zwarte specht, Boomleeuwerik, Nachtzwaluw en IJsvogel. Gezien de aard van het plan en de ligging t.o.v. de Natura 2000 gebieden zijn met zekerheid geen effecten van het plan te verwachten op de instandhoudingsdoelstellingen en habitattypen. Een berekening van de stikstofdepositie van gebruik en aanleg is weergegeven in een separate rapportage van bureau Lycens. De conclusies zijn in deze rapportage weergegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Harderwijk&id=beaef2ce-aa0c-47ed-b05a-59c146a17866