CConstaterende datHarderwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-12-09 GR ODNV - Toelichting 2022.pdf

Raadsvergadering 21 april 2022, gemeente HarderwijkBij agendapunt: Wijziging Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Noord-Veluwe3.898 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

ToelichtingGemeenschappelijkeregelingOmgevingsdienstNoord-Veluwe Versienovember 2021

Algemene toelichting Aanleiding

Het Rijk, het IPO en de VNG hebben in 2009 afsprakengemaakt om de kwaliteit van milieuvergunningverleningen -handhaving te verbeteren. Onderdeel van deze afsprakenis het oprichten van regionale omgevingsdiensten, waarin de uitvoeringvan een bepaald minimum takenpakket(het basistakenpakketvoormilieutaken)wordt ondergebracht. Het onderbrengen van andere taken in het kader van het omgevingsrecht is daarbij als optieopengehouden. Afgesproken is dat de uitvoeringsdienstende vorm zullenhebben van een openbaarlichaam in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). Een van de belangrijkste redenen om overte gaan tot het oprichten van omgevingsdiensten is om de kwaliteit van vergunningverleningen handhaving te verbeteren. Om kwaliteit te objectiverenzijn er door KPMG kwaliteitscriteria ontwikkeld opbasis waarvan beoordeeld wordt of een omgevingsdienst voldoende capaciteit en kennisheeft om de taken uit te voerenen of er een voldoende aantal bedrijven aanwezig is. Dit wordt aangeduid met de term robuust. Geldersemaat

De provincieen de Gelderse gemeenten hebben in verband met de vorming van omgevingsdiensten in 2009gekozen voorde Gelderse maat. Onderdeel daarvan is de vorming van zeven omgevingsdiensten, waardoor de uitvoeringvan taken zo dicht mogelijk bij het lokaal bestuurwordt gelegd. Binnenen tussende zeven regio’s is intensiefoverleg gevoerd over de inbreng van de taken, het al dan niet kunnenvoldoen aan de kwaliteitscriteria, de gewenste bedrijfsvoering, de benodigde en beschikbare middelen en de wijze waaropgewerkt gaat worden in de omgevingsdiensten. De resultatenzijn vastgelegd in bedrijfsplannen,voorelke omgevingsdienst één.De bedrijfsplannen hebben gediend als onderlegger voorde gemeenschappelijke regelingen en zijn het vertrekpunt geweest voorde nadere uitwerking van de omgevingsdiensten in inrichtingsplannen. Geldersestelsel

De zeven regio’s hebben onderling een taakverdeling afgesprokenom enkele specialistische taken goed uit te kunnenvoeren. Dit wordt het Gelderse stelsel genoemd. Het gaat om complexetaken en bovenregionaletaken. In de kwaliteitscriteria is vastgelegd bij welke bedrijven vergunningverleningen handhaving complexis. Geen enkele Gelderse omgevingsdienst is robuustvoorvergunningverleningbij complexebedrijven. Omgevingsdienst Regio Nijmegen gaat de complexevergunningverleninguitvoerenvooralle omgevingsdiensten in Gelderland. De omgevingsdiensten in de regio’s Vallei, Noord-Veluwe en Veluwe-IJssel zijn niet robuustvoorhandhaving bij complexebedrijven. De complexehandhaving voor regio’s die hiervoor niet robuustzijn, inclusiefde werkzaamheden van bureaumilieumetingen,taken met betrekking tot vuurwerken het toezicht opde bodemsaneringen, wordt uitgevoerd door Omgevingsdienst Regio Arnhem. Over de breedte van de uitvoering van deze taken worden nadere inhoudelijke en financiëleafsprakentussende regio’s gemaakt. De beschrijving van de wijze waarop de bovenregionalehandhaving en vergunningverleningvan de complexebedrijven wordt uitgevoerd, zal worden geïnitieerd door Omgevingsdienst Regio Arnhem en Omgevingsdienst Regio Nijmegen.

De gemeenten en de provinciehebben ervoorgekozen om aanvullend ophet voorgaande nog een aantal bovenregionaletaken in samenhang uit te voeren.Met deze onderlinge stelselafsprakenwordt zowel tegemoetgekomen aan het principevan nabijheid en efficiency, als ookaan samenhang en kwaliteit van de omgevingsdiensten. Om het Gelders stelsel van zeven omgevingsdiensten blijvend, opeen kwalitatief goed niveaute laten functioneren is het van groot belang om duurzaam met elkaar in gesprek te zijn. De omgevingsdienst in de Vallei zal daarover de regie voerenen de agenda ten behoeve van dat gesprek coördineren.Omgevingsdienst Veluwe-IJssel is verantwoordelijkvoorde opzetvan een kennis-en portaalfunctie.De opzetzal in eerste aanleg bescheiden van karakter zijn. Voldoende dient geborgd te zijn dat externe kennis-en ketenpartnershun weg kunnenvinden in het Gelders stelsel. Afgesproken is dat Omgevingsdienst Veluwe-IJssel initiatief neemt om, in overleg met de regio’s, tot een beschrijving van de portaal-en kennisfunctiete komen.Daarbij dient helderheid te komenover de invullingvan de functie,verschillende verwachtingen, rollenen afbakening met betrekking tot andere taken.

1

Omgevingsdienst Rivierenland richt een programmateam voorhet ketentoezicht voorde handhaving in. Dit programmateam is verantwoordelijkvoorde analyses, de keuze van de ketens en de uitvoeringsplanning.De ketenprogramma’s worden uitgevoerd in samenwerking met de overige omgevingsdiensten. Omgevingsdienst Rivierenland beziet in hoeverre binnende uitwerking van dit thema een deel van de bestaande toezichtinspanningenkan worden vervangen door deze vorm van toezicht. In het Gelders stelsel heeft ketentoezicht prioriteit. BRZO-taken Vanuithet Rijk is er extra aandacht voorde kwaliteit van Wabo-brede vergunningverlening,toezicht en handhaving van majeure risicobedrijven. In Gelderland werken de gemeenten en de provincieal vanaf 2007samen bij de uitvoeringvan de handhaving van BRZO-taken. In 2009 is de samenwerking uitgebreid met Flevoland, Overijssel en Utrecht. De BRZO-taken bij majeure risicobedrijven worden uitgevoerd door de BRZO-inspectiepool Gelderland. Vanaf2013zijn voorzowel vergunningverlening als toezicht en handhaving landelijk 6 omgevingsdiensten aangewezen voordeze risicovolle bedrijven. Vanafdat momentwordt zowel de vergunningverleningals de handhaving uitgevoerd door éénverantwoordelijke omgevingsdienst in de regio Oost. De verantwoordelijkheid vooruitvoerende taken wordt belegd bij Omgevingsdienst Regio Nijmegen.

Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Vertaling naarrobuustheid

Binnenhet Gelders stelsel wordt opde hier beschreven wijze bepaald of een omgevingsdienst voldoet aan de kwaliteitscriteria en als ‘robuust ’ voorde taakuitvoeringwordt aangemerkt. Indien een OD voor een bepaalde categorie complexebedrijven niet robuustis, wordt die taak conformde stelselafsprakendoor de specialistische OD uitgevoerd. De complexebedrijven worden in drie sectoreningedeeld (opbasis van categorie-indeling Richtlijn Industriële Emissies): Proces (categorie 1 t/m 4), Afval (categorie 5), Overig (categorie 6 en overige bedrijven niet eerder genoemd). Voorde vraag, of een omgevingsdienst robuustis voorde betreffende taak, is van belang hoeveel workload (urenvan bepaalde werkzaamheden) binnende omgevingsdienst uitgevoerd worden. Voorvergunningverleningis er sprake van robuusteuitvoering indien: ^ Voorde sector Proces: minimaal 900 uur/jaarworkload ^ Voorde sector Afval: minimaal 900 uur/jaarworkload ^ Voorde sector Overig: minimaal 1800 uur/jaarworkload. Voordeze berekening mogen uren voorde sectorenProces en Afval worden meegeteld, mits de OD voordat onderdeel robuust is.

Bijvoorbeeld: In eenomgevingsdienst bestaat deworkload uit: 300 uurProces, 950 uurAfval en950 uurOverig.In dit voorbeeld is deOD nietrobuust voordesectorProces, wel voordesectorAfval en, omdatdesectorAfvalmagwordenmeegenomen in deberekening voordesectorOverig, ookvoordesectorOverig.DezeOD kanweldetaakuitvoeren voordecomplexeafvalenoverige bedrijven, maarnietvoordecomplexe procesbedrijven. Als erin dit voorbeeld bij desectorAfval eenworkload zouzijn van700 uurmagdesectorAfval nietwordenmeegenomen in de berekening voordesectorOverigenis deOD daarmee ooknietmeerrobuust voordesectorOverig.In diesituatiekandeOD detaakin zijn geheel nietuitvoeren.

Voortoezicht en handhaving is er sprake van robuusteuitvoering indien: ^ Voorde sector Proces: minimaal 10 bedrijven en 900 uur/jaarworkload ^ Voorde sector Afval: minimaal 10 bedrijven en 900 uur/jaarworkload ^ Voorde sector Overig: minimaal 40 bedrijven of 1800 uur/jaarworkload. Voordeze berekening mogen urenvoorde sectorenProces en Afval worden meegeteld, mits de OD voordat onderdeel robuustis. Bijvoorbeeld: In eenomgevingsdienst bestaat deworkload uit: 5 bedrijven en300 uurProces, 12bedrijven en800 uurAfval en 30 bedrijven en1500uurOverig.DezeOD kanbijgeenvandecomplexebedrijven detaakuitvoeren. Als erin dit voorbeeld bij desectorafvalbedrijven eenworkload zouzijn van1000uur(ipv 800 uur)danzoudezeOD voorde complexeafval-enoverige bedrijven detaakkunnen uitvoeren, maarnietvoordecomplexe procesbedrijven.

Het minimaal aantal bedrijven van bepaalde categorie en de minimale uurbesteding, zoals opgenomenin deze rekenmethodiek, zijn gerelateerd aan kwaliteitscriteria 2.2.Als in een toekomstige versie van de vastgestelde kwaliteitscriteria een wijziging wordt doorgevoerd in het minimale

2

percentage te besteden tijd aan specialistische taken, dan moetende waarden in deze rekenmethodiek naar rato worden toegepast. Eens in de vijf jaar wordt beoordeeld of een OD haar taken robuustkan uitvoeren.De beoordeling kan eerder plaatsvinden als hier reden toe is. Artikel 2

Ter uitvoeringvan artikel 10, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen wordt hier het belang vermeld ter behartiging waarvan de regeling is getroffen. Het begrip omgevingsrecht is in deze omschrijving ruim bedoeld en omvat opgrond daarvan niet alleen het milieurecht, maar ook bouwrecht, ruimtelijke ordeningsrecht, natuurbeschermingsrecht en dergelijke. Vanwege het belang van alle deelnemers bij een goed werkend Gelders stelsel, in verband waarmee er relaties ontstaan tussende omgevingsdienst en andere omgevingsdiensten, bijvoorbeeld ophet puntvan complexeof bovenregionaletaken, wordt onder de belangen van de deelnemers tevens begrepen het belang van een goede samenwerking tussende omgevingsdiensten in Gelderland. Artikel 3

In het eerste lid is met het oog opartikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen bepaald dat een openbaarlichaam wordt ingesteld. Op grond van de wet is een openbaarlichaam een rechtspersoon.In het tweede lid is ter uitvoeringvan artikel 10, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen de vestigingsplaats vastgelegd. Het betreft hier de statutaire vestigingsplaats. Die moet worden onderscheiden van de feitelijke plaats waar het openbaarlichaam zijn taken uitvoert.Die plaats kan verschillen van de statutaire vestigingsplaats. De regeling verzet zich er bovendien niet tegen dat de taken opmeerdere plaatsenworden uitgeoefend. Vooralle duidelijkheid wordt in het derde lid aangegeven dat het bestuurvan het openbaarlichaam bestaat uit het algemeen bestuur, het dagelijks bestuuren de voorzitter. Artikel 4

De bestuurlijkeeis van het Rijk is dat de uitvoeringvan ten minste de taken zoals opgenomenin het basistakenpakketworden belegd bij een omgevingsdienst. Artikel 4 komt aan die eis tegemoet door te bepalendat ter behartiging van het belang genoemd in artikel 2 de uitvoeringvan de basistaken ondergebracht zijn bij het openbaarlichaam. Het tweede lid bepaalt dat tot de basistaken kunnen behoren coördinerende, adviserende en ondersteunendetaken in verband met de basistaken. Daarbij kan worden gedacht aan interneadvisering, documentondersteuninget cetera. De omschrijving is zo gekozen dat een ruime categorie van werkzaamheden daaronder kunnenworden verstaan, waaronder bijvoorbeeld ookhet heffen van leges. Doorde formuleringwordt bovendien duidelijk dat er geen verplichting bestaat om dergelijke ondersteunendetaken onder te brengen. Er kunnentussende omgevingsdienst en een of meer deelnemers opbasis van het derde lid overeenkomsten (dienstverleningsovereenkomsten) worden gesloten. Die bevatten nadere afsprakenover de uitoefeningvan de taken die krachtens de regeling bij de omgevingsdienst zijn ondergebracht. Afsprakenkunnenonder meer worden gemaakt over de omvang en de kwaliteit van de taakuitoefening. Artikel 5

Naast de basistaken als bedoeld in artikel 4 kunnende deelnemers bij het treffen van de regeling de uitoefeningvan overige taken in het omgevingsrecht aan de omgevingsdienst overlaten.Het besluit van een deelnemer tot het treffen van de regeling bevat opgrond van het derde lid een opgave van die taken. Zowel het toevoegenvan taken als het terugnemenvan taken kunneneen wijziging van de regeling vergen ten aanzienvan bijvoorbeeld de bijdrage van de deelnemers en de stemverhoudingen. Net als bij de basistaken als bedoeld in artikel 4 kunnenten aanzienvan de in artikel 5 bedoelde taken dienstverleningsovereenkomsten worden gesloten tussende omgevingsdienst en een of meer deelnemers. Artikel 6

Naast het uitvoerenvan de basistaken en overige taken als bedoeld in de artikelen 4 en 5 is het voorstelbaardat de omgevingsdienst andere taken uitvoertopverzoek van een deelnemer. Het gaat daarbij om niet-structureletaken. Voorhet beleggen van structureletaken bij de omgevingsdienst vormt artikel 5 de grondslag. Ook over de taken als bedoeld in artikel 6 kunnendienstverlenings­ overeenkomstenworden gesloten. Artikel 7

3

Dit artikel geeft een regeling voorde complexetaken die niet robuustkunnenworden uitgevoerd, alsmede de bovenregionaletaken. Die begrippenzijn omschreven in artikel 1. Ten aanzienvan deze taken is bestuurlijkde volgende verdeling tussende diverse omgevingsdiensten afgesproken: 1. Ten aanzienvan complexevergunningverleningstakendie in geen enkele regio robuust kunnenworden uitgevoerd, met inbegrip van de taken ter uitvoeringvan het Besluit Risico’s Zware Ongevallen, is de omgevingsdienst regio Nijmegen de uitvoerder. 2. Het toezicht in het kader van het Besluit Risico’s Zware Ongevallen wordt uitgevoerd door de omgevingsdienst regio Nijmegen. 3. De complexebestuursrechtelijke handhavingstaken worden uitgevoerd door de uitvoeringsdienst regio Arnhem, tenzij die taken in een regio robuustbelegd kunnenworden. In dat geval worden die taken door de betreffende omgevingsdienst uitgevoerd. 4. De bestuursrechtelijke handhavingstaken in het kader van de Wet bodembescherming wordt uitgevoerd door de uitvoeringsdienst regio Arnhem. 5. De provincialemeetploeg wordt ondergebracht bij de uitvoeringsdienst regio Arnhem. 6. De coördinatie opde kwaliteit van de taakuitoefeningen de coördinatie opde samenwerking tussende omgevingsdiensten binnenhet Gelderse stelsel worden uitgevoerd door de uitvoeringsdienst regio De Vallei. 7.

Het portaalvoorexterne (kennis)partnerswordt in combinatiemet het kenniscentrumbelegd bij de omgevingsdienst Veluwe IJssel. 8. Het gezamenlijke programma Ketentoezicht wordt belegd bij de omgevingsdienst Rivierenland. Het uitgangspuntblijft dat de bevoegdheid deze taak uit te voerenbij de betreffende gemeente of bij de provincieblijft. Daarmee blijft de in het gebied werkzame uitvoeringsdienst het aanspreekpunt. Over de exacte uitvoeringvan de complexeen bovenregionaletaken zullennadere inhoudelijke en financiëleafsprakengemaakt moetenworden. De vergoeding voorde uitvoeringvan die taken wordt in overleg tussenalle Gelderse omgevingsdiensten vastgesteld. Er is enerzijds een verplichting van de betreffende uitvoeringsdienst om die taken uit te voeren,en anderzijds een verplichting van de ontvangende dienst om die taken te laten uitvoeren.Dat systeem geldt ten aanzienvan alle complexe en bovenregionaletaken, voorzover die bij de inwerkingtreding van de regeling niet robuustworden uitgevoerd. Het alsnog robuustworden van de omgevingsdienst opeerder niet robuustetaken leidt er derhalve toe dat de regelingen (van de vragende omgevingsdienst en van de leverende omgevingsdienst) mogelijk aangepast zal worden. Daarbij zullenookde gevolgen voorhet personeel en andere gevolgen worden betrokken.

Het vijfde lid is opgenomenom de samenwerking in het kader van het Besluit risico’s zware ongevallente kunnenvoortzettendie sinds enkele jaren bestaat tussen de bevoegde organen (van gemeenten en provincies)in Gelderland en Overijssel. De taken in het kader van het Besluit risico’s en zware ongevallen behoren tot de complexetaken. Binnende provincieGelderland vindt de aansturingvan de taakuitvoeringdan ookplaats op reguliere wijze, zoals die ookvoorandere complexetaken geldt. Op grond van het artikellid kan een samenwerkingsovereenkomstworden gesloten met bevoegde organen in Overijssel die het mogelijk maakt dat voorde taakuitvoeringin Overijssel gebruik wordt gemaakt van kennisen capaciteit binnen de Gelderse uitvoeringsdiensten.Deze samenwerking laat de bevoegdheid van de organen in Overijssel voorde milieubelastende activiteiten onverlet. Er bestaan groepenvergunningplichtige milieubelastende activiteiten onder categorie 4.2 of hoger, die alleen voorhet aspect geluid als complexworden aangemerkt, bijvoorbeeld scheepswerven. Het geluidsaspect is een specialisme waaropalle omgevingsdiensten in Gelderland robuustzijn. Doel van dit artikel is borging van kwaliteit. Als een bedrijf alleen ten aanzienvan het aspect geluid als complex is aangemerkt, kan ookde lokale omgevingsdienst die kwaliteit leveren.

Zo’n bedrijf wordt weliswaar als complexaangemerkt, maar de vergunningverleningkan door een lokale omgevingsdienst plaatsvinden, omdat ookde lokale omgevingsdienst de taak kan uitvoerenin overeenstemming met de kwaliteitscriteria. In het geval dat een bedrijf vanwege andere of meerdere specialismenals complexwordt aangemerkt, dan blijft de stelselafspraak van toepassingen levert de omgevingsdienst regio Nijmegen voorhet gehele milieudeel van een vergunningaanvraag bindend integraal advies (inclusiefgeluidsaspect). Artikel 8

Artikel 10, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen schrijft voordat een regeling waarbij een openbaarlichaam wordt ingesteld, aangeeft welke bevoegdheden aan het bestuurvan het openbaarlichaam worden overgedragen. Het is een uitgangspuntvan de deelnemers om aan de

4

omgevingsdienst geen bevoegdheden over te dragen. Dat is vastgelegd in het eerste lid. Dat neemt niet weg dat het functioneelen doelmatig kan zijn om aan (een functionarisvan) de omgevingsdienst vertegenwoordigingsbevoegdheid te verlenenmet betrekking tot de bevoegdheden van de deelnemers. Daarbij kan het gaan om mandaat (voorpubliekrechtelijke bevoegdheden), volmacht (voorprivaatrechtelijke bevoegdheden) en machtiging (voorfeitelijke handelingen). In het tweede lid is bepaald dat het aan de deelnemers is om daarover te beslissen. Het gaat daarbij voorde goede orde om vertegenwoordiging, niet om het overdragen van enige bevoegdheid. Een krachtens mandaat genomenbesluit, als voorbeeld, geldt immers als een besluit van de mandaatgever. Artikel 9

Het openbaarlichaam is krachtens de Wet gemeenschappelijke regelingen een rechtspersoonen uit dien hoofde bevoegd tot het aangaan van privaatrechtelijke rechtshandelingen. De Wet gemeenschappelijke regelingen bepaalt in artikel 55 dat bij de regeling beperkingen kunnenworden aangebracht in de bevoegdheden die het openbaarlichaam van rechtswege bezit om aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen.Artikel 9 bevat dergelijke beperkingen. Daarbij is ervoor gekozen om de deelnemers de mogelijkheid te geven toestemming te verlenenvoorprivaatrechtelijke rechtshandelingen die opgrond van de regeling anders niet zijn toegestaan. Onder f is bepaald dat het openbaarlichaam niet bevoegd is voorcommerciëledienstverlening aan private partijen.De achtergrond daarvan is om te voorkomendat de omgevingsdienst met inzet van publiekemiddelen marktverstorend werkt. De deelnemers zijn van opvattingdat de overheid, ookin geval van samenwerking in een gemeenschappelijke regeling, zich daarvan zou moetenonthouden. Artikel 10

De begroting wordt omgeslagen over de deelnemers in de verhouding waarin zij taken bij de omgevingsdienst hebben ondergebracht. Vanwege de relatie met de structureletaken van de omgevingsdienst, zoals die zijn bepaald met toepassingvan de artikelen 4 en 5, wordt in het eerste lid naar die artikelen teruggegrepen. Indien sprake is van aanvullende, niet-structureletaken als bedoeld in artikel 6, worden de kostendaarvan bij de deelnemer in rekening gebracht met toepassingvan het tweede lid. Het derde lid heeft als achtergrond dat de deelnemers aan een gemeenschappelijke regeling verplicht zijn een daarbij opgericht openbaarlichaam van middelen te voorzienwaardoor het de taken waartoe het is opgericht naar behoren kan vervullen. Daartoe behoren ookde financiële verplichtingen die het openbaarlichaam ter uitvoeringvan die taken is aangegaan. Daarnaast behoren tot de verplichte uitgaven van een openbaarlichaam de aflossing van schulden en rentenen andere opeisbareschulden. Dat is bevestigd in de Circulaire aansprakelijkheid voorschulden van openbarelichamen opgrond van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Circulaire van 8 juli 1999). Het derde lid geeft zodoende een algemeen geldende rechtsplicht weer voordeelnemers aan een gemeenschappelijke regeling die de positievan derden jegens de omgevingsdienst beschermt.

Het derde lid is bovendien noodzakelijkom in voorkomendgeval tegen aanvaardbare tarieven geldleningen aan te kunnengaan. Het lid heeft geen betekenis voorde verdeling van de kosten tussende deelnemers. Daarvoorgeldt de verhouding van het eerste lid. Artikel 11

Met toepassingvan artikel 13 van de Wet gemeenschappelijke regelingen worden de leden van het algemeen bestuurdoor en uit de deelnemende colleges (van burgemeester en wethouders en Gedeputeerde Staten) aangewezen. Verder schrijft artikel 13 van die wet voordat de regeling het aantal leden van het algemeen bestuurbepaalt dat door de deelnemers wordt aangewezen. Het eerste en het tweede lid voorziendaarin door het aantal leden van het algemeen bestuurte vermelden, alsmede te bepalendat elke deelnemer een lid in het algemeen bestuurbenoemt. De stemverhouding als bedoeld in het vierde lid weerspiegelt de bestuurlijkeafsprakendie ter zake zijn gemaakt. Artikel 12

Het algemeen bestuuris het hoogste orgaan van het openbaarlichaam. In het algemeen bestuurzijn alle deelnemers vertegenwoordigd. Het is de verantwoordelijkheid van de deelnemers om te zorgen voorhet aanwijzenvan de leden en vervangende leden van het algemeen bestuurvolgens het eerste en het tweede lid. Op grond van artikel 18 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, in verbinding met artikel 16, vijfde lid, van die wet is in het vierde lid van artikel 12 opgenomendat een deelnemer een lid dat hij in het algemeen bestuurheeft aangewezen, kan ontslaanindien dat lid het vertrouwen van de deelnemer niet langer bezit. In het zesde lid is bepaald dat een lid van het algemeen bestuur ontslag kan nemen. In dat geval is het aan de deelnemer om met toepassingvan het eerste lid te

5

voorzienin opvolging. Het zevende lid is overeenkomendmet artikel 13, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 13

Het wettelijk minimumvan het aantal vergaderingen van het algemeen bestuuris vastgesteld op2 maal perjaar. Het besluitvormingsproceskan onnodig worden gehinderd doordat er niet voldoende leden van het algemeen bestuuraanwezig zijn bij de vergaderingen. Dit probleemwordt ondervangen door een bepaling in de gemeenschappelijke regeling opte nemendat een nieuwevergadering wordt belegd, en onafhankelijkvan het aantal aanwezigen, dan alsnog over dat onderwerp kan worden beslist. Dan kunnende leden die niet aanwezig zijn alsnog hun zienswijzen naar voren brengen binneneen vastgestelde termijn. Artikel 14

Dit artikel regelt de bevoegdheden van het algemeen bestuur.De belangrijkste bevoegdheden zijn benoemd, zoals het vaststellen van de begroting en de jaarrekening. In het tweede lid is opgenomen dat het algemeen bestuurhet besluit kan nementot oprichting van ofdeelneming in een rechtspersoonmet in achtneming van artikel 55a van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Een dergelijk besluit mag alleen genomenworden ten behoeve van de belangen die de omgevingsdienst behartigt. De bevoegdheid ligt conformde wet bij het algemeen bestuur. In dat bestuurzijn in beginsel alle deelnemers vertegenwoordigd. Zij zijn dan ookallen betrokkenbij de besluitvorming. Het besluit mag niet eerder worden genomendan nadat de raden en staten in gelegenheid zijn gesteld om hun wensenen bedenkingen te uitenover het ontwerpbesluit. De bevoegdheden

van het dagelijks bestuurzijn in artikel 18 geregeld.

Artikel 15

Het aantal leden welke geplaatst wordt in het dagelijks bestuuris ‘vrij’ invulbaar,zolang er maar minimaal twee leden en een voorzitterin het dagelijks bestuurvertegenwoordigd zijn. De regeling schrijft niet dwingend vooruit hoeveel leden het dagelijks bestuurbestaat. Het is aan het algemeen bestuurom dit te bepalen. Artikel 16

De Wet gemeenschappelijke regelingen kent als hoofdregel dat het dagelijks bestuurnaast de voorzitterbestaat uit twee of meer andere leden die door en uit het algemeen bestuurworden aangewezen, met inachtneming van hetgeen in de regeling is bepaald. Het algemeen bestuurkan daarbij met inachtneming van artikel 14, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen leden van buitende kring van het algemeen bestuuraanwijzenals lid van het dagelijks bestuur. Artikel 17

Behoeft geen nadere toelichting. Artikel 18

Dit artikel regelt de bevoegdheden

van het dagelijks bestuur.

Artikel 19

Op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen is de voorzitterniet alleen voorzittervan het algemeen bestuur,maar ookvan het dagelijks bestuur.De plaatsvervangend voorzitterdie opgrond van het tweede lid wordt aangewezen, is plaatsvervangend ofwaarnemend ten aanzienvan alle bevoegdheden, dus ookten aanzienvan het voorzitterschap van het dagelijks bestuuren de bevoegdheid tot vertegenwoordiging van het openbaarlichaam in en buitenrechte. Artikel 20

Behoeft geen nadere toelichting. Artikel 21

Vervallen. Artikelen22,23 en24

6

Ter uitvoeringvan de artikelen 16tot en met 19 van de Wet gemeenschappelijke regelingen houdt de regeling bepalingen in over informatieen verantwoording van het bestuurvan het openbaarlichaam aan de deelnemers (met inbegrip van de gemeenteraden en ProvincialeStaten). Artikel 25

Behoeft geen nadere toelichting. Artikel 26

Vervallen. Artikel 26a

De voormalige artikelen 21 en 26waren opgenomenmet hetzelfde doel om de samenwerking tussen de Gelderse omgevingsdiensten te bevorderen opbestuurlijkrespectievelijk ambtelijk niveau. Vanwege de samenloopzijn deze artikelen samengebracht in een nieuwartikel in een eigen hoofdstuk, te weten: samenwerking Gelders Stelsel (art. 26a). Artikelen27 en28

Behoeven geen nadere toelichting. Artikel 29

Het is het openbaarlichaam niet toegestaan reserves opte bouwenen aan te houden, tenzij de deelnemers besloten hebben tot een resultaatsbestemming. Het algemeen bestuurkan dan besluiten tot vorming van een bestemmingsreserve. Bij de vorming van een bestemmingsreserve bepaalt het algemeen bestuurde looptijd en de maximale hoogte van de bestemmingsreserve. Artikel 30

Op grond van artikel 40 van de Archiefwet houdt een regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen een voorzieningin omtrentde zorg voorde archiefbescheiden van bij die regeling ingestelde openbarelichamen. Hieraan wordt invullinggegeven door opnemingin de regeling van artikel 30. Artikelen31, 32 en33

Op grond van artikel 9 van de Wet gemeenschappelijke regelingen houdt een regeling die voor onbepaaldetijd wordt getroffen bepalingen in over wijziging, opheffing, toetreding en uittreding. De regeling voorzietdaarin in hoofdstuk 10. Uittreden gebeurt door middel van een vaststellingsovereenkomst.Het algemeen bestuuris bevoegd te besluitentot een dergelijke overeenkomst,dat het besluit neemt met tweederde van de uitgebrachte stemmen. In de verdeling van taken tussenhet algemeen bestuuren het dagelijks bestuuris het aan het dagelijks bestuurom de uittreding af te wikkelen. Het wijzigen van de regeling kan opverzoek van een deelnemer worden geïnitieerd, dan wel door een besluit van het algemeen bestuur.Gaat het om opheffing van de regeling, dan zijn het vooralde personeleen financiëlegevolgen die geregeld moetenworden. Dat geschiedt opgrond van het derde lid in een liquidatieplan.Afhankelijk van de specifieke situatie kan dat plan bepalingen ínhouden over het overnemenvan personeeldoor deelnemers. Artikel 34

De behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht kent twee fasen: de internefase en de externe fase. Artikel 34 houdt de verplichting in om voorde interne fase een regeling vast te stellen, waartoe het algemeen bestuurbevoegd is. Voorde tweede fase geldt dat de Nationaleombudsman bevoegd is. Artikel 35

Om redenen van rechtszekerheid opgenomen.

zijn de KPMG-kwaliteitscriteria, versie 2.2 als bijlage bij de regeling

Artikel 36

De regeling wordt opgrond van artikel 26,tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Voorgedeputeerde staten is dat door plaatsing in het ProvinciaalBlad opgrond van artikel 136,tweede lid, van de Provinciewet.Voorde colleges van

7

burgemeester en wethouders is dat door plaatsing in het gemeenteblad, dan wel bij gebreke daaraan door opnemingin een andere door de gemeente algemene verkrijgbaar gestelde uitgave opgrond van artikel 139, tweede lid, van de Gemeentewet. Bovendien bepaalt de Wet gemeenschappelijke regelingen in artikel 52, eerste lid, aanhef en onder j, in samenhang met artikel 27dat gedeputeerde staten de regeling opnemenin het register van gemeenschappelijke regelingen. Met toepassingvan artikel 139 van de Provincieweten artikel 142 van de Gemeentewet is in de regeling bepaald dat zij in werking treedt met ingang van de achtste dag na de bekendmaking. Artikel 37

Behoeft geen nadere toelichting. Artikel 38

Vervallen. Artikel 39

Behoeft geen nadere toelichting.

8

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Harderwijk&id=ef99bdf4-f8c4-44f7-8490-43c16ca06f64