CConstaterende datHarderwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

2.2 Ruimtelijke onderbouwing Goede Reede ong. Harderwijk_2021-04-07.pdf

Commissie Ruimte 20 mei 2021, gemeente HarderwijkBij agendapunt: Goede Reede huisvesting arbeidsmigranten14.952 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Herbestemming à hergebruik

Ruimtelijke onderbouwing Goede Reede ong. te Harderwijk

Ruimtelijke onderbouwing Goede Reede ong. te Harderwijk T.b.v. omgevingsvergunning planologisch strijdig gebruik art. 2.12, lid 1, onder a, onder3 Wabo

Projectnummer:

2019.0442

Datum:

7 april 2021

Versie:

Definitief

Opdrachtgever:

WeLiving BV

Dirk IJzereef

Jeroen Miellet

Adviseur Ruimtelijke ordening üi Milieu

Afdelingshoofd Ruimtelijke ordening en Milieu

D.IJzereef@lycens.nl

J.Miellet@lycens.nl

M 06 588 596 66

M 06 588 419 58

Lycens B.V. y Zwartewaterallee 14 > 8031 DX Zwolle y 0541-570730 y

info@lycens.nl

lycens

Inhoudsopgave Inleiding Aanleiding Ligging van de projectlocatie

2. Beschrijving van het plan Huidigjuridisch-planologisch regiem Huidige situatie van het plangebied â omgeving Beoogde situatie

3.

Beleid 8* regelgeving Rijksbeleid â regelgeving Provinciaal beleid â regelgeving Gemeentelijk beleid

4. Verantwoording van milieu en omgevingswaarden Archeologie, cultuurhistorie en monumenten Natuur Waterparagraaf (watertoets) Milieuaspecten

Kabels en leidingen Verkeer en parkeren Duurzaam bouwen Vormvrije MER-beoordeling

5. Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

lycens

Bijlage 1 Archeologisch onderzoek 2016 Bijlage 2 Flora en fauna onderzoek Bijlage 3 Resultaat watertoets Bijlage 4 Bodemonderzoek 2016 Bijlage 5 Stikstofonderzoek Bijlage 6 Onderzoek externe veiligheid Bijlage 7 Akoestisch onderzoek Bijlage 8 Addendum akoestisch onderzoek Bijlage9 Motiveringen berekeninginfiltratiesysteem Bijlage 10 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 11 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

1. Inleiding 1.1.

Aanleiding

WeLiving BV is voornemens een voorziening voor tijdelijke (shortstay) huisvesting van arbeidsmigranten te ontwikkelen aan de Goede Reede te Harderwijk. In de huidige situatie bestaat het projectgebied uit weiland c.q. braakliggend terrein, maar is het in het wijzigingsplan ‘Drielanden - Werklandschap-Oosť reeds bestemd als ‘Bedrijf. Binnen deze bestemming is een logiesfunctie in de vorm van een hotel direct bij recht toegestaan. In onderhavig plan wordt echter tijdelijke huisvesting voor arbeidsmigranten (shortstay) gerealiseerd. Omdat deze vorm van logiesfunctie niet één-op-één overeenkomt met een hotelfunctie is ervoor gekozen om een afwijkingsprocedure te volgen. Ook is een afwijking nodig omdat een klein deel van de bebouwing buiten het bouwvlak is gesitueerd. In het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning is de voorliggende ruimtelijke onderbouwing opgesteld waarin wordt aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

1.2.

Ligging van de projectiocatie

Het plangebied ligt in de zuidelijke ‘oksel’ van de kruising Groene Zoomweg en de N303 (Putterweg I Harderwijkerweg) en wordt ontsloten via de Goede Reede. Het gaat om de percelen kadastraal bekend als gemeente Harderwijk, sectie K, nummers 1018 en 1021. De ligging en begrenzing zijn in navolgende figuur weergegeven.

m

wíŕ\ wr

-\\

J r!

r Figuur 1.1: ligging projectiocatie

(bron: ruimtelijkeplannen.nl)

2. Beschrijving van het plan 2.1.

Huidig ju ridisch-pla nologisch regiem

Ter plaatse van het plangebied geldt in de huidige situatie het wijzigingsplan ‘Drieianden - Werklandschap-Oosť dat door het college van B&W is vastgesteld op 27 september 2016. Dit wijzigingsplan betreft een (partiële) wijziging van het daarvoor vigerende bestemmingsplan ‘Drieianden Groene Zoom’ (moederplan) dat op 24 april 2014 door de gemeenteraad van Harderwijk is vastgesteld en met ingang van 28 januari 2018 onherroepelijk is geworden. Op basis van het vigerende bestemmingsplan geldt ter plaatse van het beoogde ‘tijdelijke huisvesting voor arbeidsmigranten’ de bestemming ‘Bedrijf’ met daarin twee bouwvlakken (zie figuur 2.1). De voor‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor: »

Bedrijven, uitsluitend zoals opgenomen in Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten - Functiemenging.

Figuur 2.1: uitsnede vigerend bestemmingsplan (wijzigingsplan) met plangebied

2.2.

Huidige situatie van het plangebied â omgeving

Algemene functionele kenmerken van het plangebied en directe omgeving Deze voorziening voor tijdelijke (shortstay)huisvesting van arbeidsmigranten wordt binnen de bebouwde kom van Harderwijk gerealiseerd in het goed bereikbare, gemengde gebied (werklandschap) de Groene Zoom. In dit ‘werklandschap’ zijn momenteel een dierenartspraktijk, een groothandel in fysiotherapiebenodigdheden/ fysiotherapiepraktijk en een grafisch dienstverleningsbedrijf gevestigd. Het gebied wordt begrensd door hoofdinfrastructuur, te weten de Provinciale weg N303, de Groene Zoomweg en het Meeboerserf. Langs de N303 zijn afwisselend enkele woningen, bedrijfswoningen en bedrijven gesitueerd. Achter dit bebouwingslint, op gepaste afstand, bevinden zich enkele recreatieparken. Ten noordwesten van het plangebied ligt bedrijventerrein Tonsel. Ten zuiden van het plangebied ligt de Fokko Kortlanglaan waaraan eveneens enkele woningen, bedrijfswoningen en bedrijven zijn gesitueerd. Direct ten zuiden van de Fokko Kortlanglaan ligt het bedrijventerrein Veldzicht. Het plangebied en omgeving kenmerkt zich derhalve als een gemengd gebied met woonfuncties, bedrijvigheid en levendigheid midden in het stedelijke gebied van Harderwijk op een - voor o.a. autoverkeer - zeer goed bereikbare locatie in de stad.

Het plangebied

Het plangebied an sich bestaat in de huidige situatie uit braakliggend terrein.

2.3.

Beoogde situatie

Conform het beleid ‘Afwegingskader Huisvesting arbeidsmigranten 2020’ wordt in de gemeente Harderwijk gezocht naar meerdere locaties voor de huisvesting van arbeidsmigranten ten einde te voorzien in humane huisvesting voor de hoogstnoodzakelijk arbeiders voor de locatie economie. Momenteel lopen meerdere initiatieven. Onderhavig plan betreft de eerste in (dit deel van) de stad Harderwijk. Onderhavig plan voorziet in de realisatie van een ‘tijdelijke huisvestingvoorarbeidsmigranten’. Deze voorzieningwordt gerealiseerd ten behoeve van short-stay verblijf (maximaal 1 jaar) voor arbeiders die elders hun hoofdverblijf hebben. Onderhavige huisvesting betreft derhalve een logiesfunctie en geen (permanente) huisvesting of daaraan gelijkwaardige woonfuncties. In onderhavig plan is rekening gehouden met het ‘Afwegingskader Huisvesting arbeidsmigranten 2020’ van de gemeente Harderwijk en de ‘Norm voor huisvesting van arbeidsmigranten van de Stichting Normering Flexwonen’ (Keurmerk SN F). Onderhavig plan voldoet ruimschoots aan de voorwaarden van dit beleid. De ‘tijdelijke huisvesting voor arbeidsmigranten’ wordt voorzien van beheer voor 24-uurs toezicht en service.

Daarnaast worden ruime mogelijkheden ten behoeve van ontspanning, waaronder internetmogelijkheden, een tv-1 ontspanningszaal, sport/fitnessruimte en een biljart geboden aan de arbeidsmigranten die hier tijdelijk hun verblijf hebben.

Situering en locatiekeuze

De ‘tijdelijke huisvesting voor arbeidsmigranten’ wordt gerealiseerd in de ‘oksel’ van de Groene Zoomweg en de Putterweg/ Harderwijkerwegen wordtvia de wegen Goede Reede, Fokko Kortlanglaan en Meeboerserf ontsloten naar de gebiedsontsluitingsweg Groene Zoomweg vanwaar in alle richtingen gereden kan worden. De voorziening is derhalve op een goed bereikbare locatie gelegen. Het gebouw is georiënteerd op de gebiedsontsluitingswegen

lycens

waardoor het nadrukkelijk aanwezig en herkenbaar is vanaf de Groene Zoomweg en de Putterweg. Het verblijfsgebied is georiënteerd op het binnenterrein dat wordt gevormd door het eigen perceel met bebouwing dat landschappelijk wordt ingepast en wordt begrensd door bebouwing van omliggende bedrijven. In de figuren 2.2 en 2.3 is de situatietekening opgenomen en het naar binnen georiënteerde verblijfsgebied.

Figuur 2.2: situatietekening beoogde situatie

Entree

.Bankj' rafeltennisļ

Įbasketbal veldļ Ruimte1 ļbuitenfitnessy yoga

kookruimte]

Uitgang parkeergarage

/alcontainers het zicht foegang parkeergarage!

Figuur 2.3: naar het binnenterrein georiënteerd verblijfsgebied en entree

8

De situering in het gemengde gebied Groene Zoom is zorgvuldig gekozen. Omdat de functie huisvesting voor arbeidsmigranten niet direct is te vergelijken met een woon- of hotelfunctie is plaatsing midden in een woonwijk niet wenselijk. Daarnaast is het tevens nietwenselijkom een dergelijke functie op een industrieterrein te plaatsen of in (slecht bereikbaar) buitengebied ver van alle voorzieningen omdat de gemeente Harderwijk (mede in het beleidsdocument ‘Afwegingskader Huisvesting arbeidsmigranten 2020’ heeft besloten om humane huisvesting voor arbeidsmigranten te creëren. De Groene Zoom voldoet aan exact deze kenmerken: »

»

Goed bereikbare locatie voor: o

Autoverkeer via het omliggende wegennetwerk;

o

Met de fiets naar omliggende voorzieningen van de kern Harderwijk;

Geschikte locatie voor een huisvestingsvoorziening in gemengd gebied midden in het stedelijke gebied van Harderwijk omdat: o

Situering van een huisvestingsvoorziening midden in een rustige woonwijk vanwege de aard niet wenselijk is;

o

Situering van een huisvestingsvoorziening op een industrieterrein of‘in the middle of nowhere’ vanwege noodzaak om arbeidsmigranten humaan te huisvesten niet wenselijk is;

»

De kenmerken van het goedbereikbare gemengde gebied Groene Zoom waar geen sprake is van een sec industrieterrein of sec een woongebied.

De Groene Zoom maakt daarnaast direct onderdeel uit van de kern Harderwijk en is als zodanig niet te beschouwen als een afgekaderd stukje stad of klein gehucht in het buitengebied. De omvang van de voorziening moet dan ook in de context van de plaats Harderwijk worden gezien. Het toevoegen van een voorziening met 150 bedden in een goed bereikbaar deel van Harderwijk, waarbij tevens kan worden voorzien in een relatief afgeschermd verblijfsperceel in een groene setting, vormt in omvang dan ook een in verhouding passende ontwikkeling in Harderwijk. Op de locatie is het mogelijk om een relatief afgeschermd terrein (in een groene setting) te creëren waardoor overlast naar de omgeving wordt beperkt. Conform het beleid ‘Afwegingskader Huisvesting arbeidsmigranten 2020’ is sprake van (24-uurs) toezicht en gelden huisregels. Omdat sprake is van toezicht wordt gestuurd op naleving van de regels. Op het terrein wordt bovendien meer dan voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd waardoor parkeren in de omgeving niet nodig is en bovendien niet aantrekkelijk omdat verder naar de huisvestingsvoorziening gelopen moet worden. Overlast naar de omgeving is in het plangebied door de omgevingskenmerken en door toezicht maximaal in te perken en te reguleren.

Bebouwing

De bebouwing bestaat uit twee bouwmassa’s met grotendeels twee bouwlagen met daaronder een (semi)verdiepte parkeerkelder. De twee bouwmassa’s worden door een verbindingsstuk van 1 bouwlaag met elkaar verbonden. De entree bevindt zich in de binnen hoek van het gebouw, onder het hoogteaccent. Op het gebouw wordt ter plaatse van de zichtlocatie (de rotonde Groene Zoomweg - Harderwijkerweg) een beperkt hoogteaccent gerealiseerd, bestaande uit vier bouwlagen boven op de semi-verdiepte parkeerkelder. Door dit hoogteaccent krijgt de bebouwing een nog nadrukkelijkere uitstraling richting de doorgaande wegen. De bebouwing wordt voorzien van een plat dak, met daarop zonnepanelen. Deze zijn zodanig op het dak gepositioneerd dat deze vanaf straatniveau niet waarneembaar zijn en ook geen schittering of lichthinder voor het verkeer opleveren. De bebouwing wordt opgetrokken uit rode baksteen, meteen eigentijdse en strakke, open en lichte uitstraling.

9

jMHCt min M

IIWIIIII

i ü r ï éi ja

r n nņ n k İ I *i lil

«I ä l éi ī

~

Figuur2.4: gevel- en 3D-ìmpressies

Ruimten in het gebouw

Uitgangspunt bij de inrichting van het gebouw wordt gevormd door de ‘Norm voor huisvesting van arbeidsmigranten van de Stichting Normering Flexwonen’ (Keurmerk SNF) en de voorwaarden op basis van het ‘Afwegingskader FHuisvesting arbeidsmigranten 2020’ van de gemeente Harderwijk. Onderhavig plan voldoet ruimschoots aan deze normen. De SNF normering is in het leven geroepen om minimale kwaliteit waaraan huisvesting voor arbeidsmigranten moet voldoen te waarborgen. Deze norm is continu in ontwikkeling. De norm geeft kaders voor de huisvestingskwaliteit, voorzieningen en beheer. We beschrijven enkele elementen van de voorwaarden (voor alle voorwaarden wordt verwezen naar de betreffende documenten): bewoners hebben minimaal 10 m2 gebruiksoppervlak wonen (GBO) per persoon. Bewoners van een reguliere woningen wooneenheden hebben minimaal 12 m2 gebruiksoppervlak wonen (GBO). Dit geldt ook voor woon units wanneer er sprake is van een bestemming "wonen".

Dit is inclusief 3,5 m2 slaapvertrek per persoon; de ruimten voorontspanning en wassen van kieding tellen niet mee bij de berekening van het aantal m2 GBO zoals gehanteerd in de SNF certificering; alle voorzieningen (sanitair, keuken, slaapvertrek en woonkamer of ontspanningsruimte) dienen ondereen dak en inpandig bereikbaarte zijn; er is minimaal 1 toilet per8 personen; er is minimaal 1 douche per8 personen; koelkast(en), 30 liter koel/vriesruimte per persoon.

Slaapkamers â slaap- woonkamers

Het gebouw bestaat voor het grootste gedeelte uit grotere woon-1 slaapkamers met een oppervlak van 27 á 38 m2. Dit zijn voornamelijk zelfstandige wooneenheden voor 1 of 2 personen. Daarnaast zijn eenpersoons slaapkamers aanwezig met een oppervlak van 12 m2. De woon- /slaapkamers beschikken over eigen sanitair. De slaapkamers kunnen gebruik maken van de ca. 7 gezamenlijke sanitaire ruimten.

Gezamenlijke ruimten

Het gebouw bevat in totaal 15 woonkamers waar de inwoners buiten de eigen (woon-) slaapkamer kunnen verblijven. Hetoppervlakvan deze woonkamers bedraagt circa 30 m2 perwoonkamer. Naast de woonkamers zijn verspreid over de verdiepingen grotere gezamenlijke ruimten aanwezig zoals een fitnessruimte (ca. 55 m2), een gezamenlijke eetzaal (ca. 93 m2) en een grote gezamenlijke verblijfsruimte I lobby. Op de eerste verdieping is een grotere verblijfsruimte met een oppervlak van ca. 145 m2 (gecombineerd met gangruimte). Per verdieping is een wasruimte aanwezig. De exacte indeling is weergegeven op de plattegronden van de verdiepingen die als bijlage van de aanvraag om omgevingsvergunning in de OLO-module zijn ingediend.

Terreininrichting

Tussen de bebouwing en de doorgaande wegen wordt gebruik gemaakt van de reeds bestaande groene omzomingvan het terrein. Deze wordt verder ingevuld met diverse losse groenelementen. Deze zorgen enerzijds vooreen groene uitstraling, maar schermen het gebouw niet af, zodat contact met de omgeving blijft bestaan. In figuur 2.2 is de situatietekening met de inrichting van het terrein weergegeven. Aan de zijde van de Goede Reede, op het binnenterrein, wordt verblijfsgebied en parkeerruimte in een groene setting gerealiseerd. Op het binnenterrein is ruimte voor ontspanning in de vorm van voetbal/basketbal, buitenfitness/yoga en tafeltennis. Tevens is een rookruimte aanwezig. De groene inpassing bestaat uit lage, groenblijvende hagen die ervoor zorgen dat geparkeerde voertuigen en het binnenterrein grotendeels aan het uitzicht worden onttrokken. Op deze manier blijft ook bij volledige parkeerbezetting de uitstraling groen van karakter.

Ontsluiting

Het plangebied wordt in zuidelijke richting ontsloten via Goede Reede richting de gebiedsontsluitingsweg Groene Zoomweg vanwaar alle overige richtingen bereikt kan worden. Het omliggende provinciale wegennet en de Rijksweg A28 is vanaf de Goede Reede binnen een enkele minuut te bereiken.

Parkeren

Het parkeren vindt plaats aan de zuidzijde van de bebouwing, Er worden in totaal 79 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan 51 parkeerplaatsen in een verdiepte parkeerkelder onder de bebouwing en 28 parkeerplaatsen op maaiveld op het naar binnen georiënteerde terrein. In de paragraaf ‘verkeer en parkeren’ is de parkeerberekening opgenomen. Een groot deel van de parkeerplaatsen zijn geschikt voor het parkeren van (bestel)busjes. De parkeervoorzieningen sluiten direct aan op de Goede Reede.

11

3. Beleid à regelgeving Het (inter)nationale en provinciale beleid op het gebied van de ruimtelijke ordening is verwoord in uiteenlopende beleidsnota’s en structuurvisies. Dit beleid werkt door in het regionale en lokale (gemeentelijke) beleid en bestemmingsplannen.

3.1.

Rijksbeleid

regelgeving

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is van kracht sinds 13 maart 2012. Deze structuurvisie vormt het integrale kader voor het rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de Structuurvisie wordt onder meer gesteld dat een actualisatie van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid nodig was, omdat de verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit waren gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen die onder andere ontstaan omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. De SVIR beschrijft het integrale kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vormt het kader voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Nederland heeft ruimte nodig om te leven en te bewegen, om economisch te kunnen blijven groeien en voor burgers en bedrijven om initiatief te nemen.

Het Rijk kan en wil niet alles zelf doen, en geeft daarom meer ruimte aan provincies en gemeenten om in te spelen op de eigen situatie, zelf beslissingen te nemen en geven ruimte aan burgers en bedrijven voor initiatief en ontwikkeling Om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden zijn in de SVIR drie hoofddoelen voor de voorde middellange termijn (2028) benoemd: het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuurvan Nederland; het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat; het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden blijven. Conclusie De drie Rijksdoelen zijn in het SVIR uitgewerkt tot dertien (thematische) 'onderwerpen van nationaal belang'. Geen van deze 13 belangen werken (direct) door in dit bestemmingsplan. Tevens worden In het SIVR geen beleidsuitspraken gedaan die specifiek van toepassing zijn op de omgeving van Harderwijk.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de Ínhoud van een bestemmingsplan voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere pkb’s met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voorde lagere overheden. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet door de Rijksoverheid. Het gaat ondermeer om de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nederlands Natuurnetwerk, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied. In hetSVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanigzijn geformuleerd datdeze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan ruimtelijke besluitvorming op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin deze kaderstellende uitspraken. Conclusie Dit plan maakt geen ontwikkeling mogelijk waarmee bovengenoemde belangen gemoeid zijn.

Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit plan.

Ladder voor duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen en per 1 juli 2017 gewijzigd (artikel 3.1.6 lid 2-4 Bro). Is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, dan moet de behoefte worden aangetoond. Is die nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien buiten bestaand stedelijk gebied, dan moet ook gemotiveerd worden waarom de ontwikkeling niet binnen het bestaand gebied kan worden gerealiseerd. Het begint aldus bij het beantwoorden van de vraag of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Is dat het geval dan gelden de hiervoor genoemde extra motiveringsvereisten. Het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ is gedefinieerd in artikel 1.1.1 onder i Bro: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen;” In de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is invulling gegeven aan de vraag wanneer een stedelijke ontwikkeling als ‘nieuw’ wordt beschouwd. Een heldere leidraad is gegeven in de overzichtsuitspraak van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724), rov.

7: “Nieuwe stedelijke ontwikkeling” Bij de beantwoording van de vraag of een stedelijke ontwikkeling die een bestemmingsplan mogelijk maakt een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro behelst, moet in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het nieuwe plan mogelijk maakt in

13

lycens

vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan (uitspraken van 6 april 2016, ECU:NL:RVS:2016:915 (Oldenzaal), en van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1064 (Waalre)) Voorgaand planologisch regime: bij recht I nieuwe regime: bij recht Een bestemmingsplan dat bij recht een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, maar ten opzichte van het voorgaande planologische regime niet voorziet in een groter planologisch beslag op de ruimte en niet voorziet in een functiewijziging, voorziet niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro (uitspraak van 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2294 (Weert)) Een bestemmingsplan dat bij recht een

maakt, maar ten o

ontwikkeli

van het

voorgaande planologische regime geen nieuw planologisch ruimtebeslag mogelijk maakt, maar alleen een planologische functiewijziging, voorziet in beginsel niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken indien die planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (uitspraak van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1075 (Amersfoort)). Hierbij komt betekenis toe aan de ruimtelijke uitstraling van de in het nieuwe plan voorziene functie en die van hetgeen onder het vorige plan mogelijk was (uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1503 (Zundert)) Doorwerking in onderhavig plan en conclusie Het vi

an laat reeds een

toe, waaronder

invulling ten behoeve van ‘tijdelijke huisvesting voor arbeidsmigranten’ (shortstay) voorziet niet in een groter planologisch ruimtebeslag. Geconcludeerd kan worden dat van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6 lid 2 Bro geen sprake is. Aan de laddervoorduurzame verstedelijking hoeft geen toepassingte worden gegeven

3.2.

Provinciaal beleid h regelgeving

Omgevingsvisie Gelderland

De Omgevingsvisie Gelderland bestaat uit een visie en een verdiepingsdeel en bevat de hoofdlijnen van het provinciale beleid over onderwerpen als ruimte, water, mobiliteit, economie, natuur en landbouw. In de Omgevingsvisie heeft de provincie twee doelen gedefinieerd die de rol en kerntaken van de provincie als middenbestuur benadrukken. De doelen zijn een duurzame economische structuurversterking; het borgen van de kwaliteit en de veiligheid van onze leefomgeving. Deze doelen versterken elkaar en kunnen niet los van elkaar gezien worden. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Dat is meer dan een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Het betekent ook een aan

woon- en

met de unieke kwaliteiten

van natuur, water en landschap in Gelderland. In deze Omgevingsvisie staat het 'fysieke' in de leefomgeving centraal. Tegelijk zit er een sterke 'sociale' component aan de opgaven voor sterke steden en een vitaal landelijk gebied. De Omgevingsvisie is in 2014 vastgesteld. Vervolgens hebben diverse actualisaties plaatsgevonden. De laatste actualisatie heeft van 14 juni t/m 9 augustus 2018 ter inzage gelegen welke op 19 december 2018 is vastgesteld

lycens

Doorwerking en conclusie De ‘tijdelijke huisvesting voor arbeidsmigranten’ draagt indirect bij aan een duurzame economische structuurversterking. Een bloeiende werkgelegenheid vraagt om voldoende werknemers. In het huidige līsche tij is het noodzakelijkdat i

bijdragen, voor

i goede bijdrage;

de economie is passende tijdelijke huisvesting van groot belang. Dit plan voorziet hierin. Daarnaast wordt de voorziening zo natuurlijk mogelijk ingepast in de bestaande landschappelijke en stedenbouwkundige context. Elet onderhavige plan ligt derhalve in lijn met het beleid uit de omgevingsvisie.

Omgevingsverordening Gelderland

In de omgevingsverodening worden regels gesteld voor onderwerpen waar de provincie sturing aan wil geven. Elet plangebied is gelegen binnen enkele zones waaraan de provincie nadere regels stelt. Onderstaand wordt het plan getoetst aan de relevante regels van de Omgevingsverordening Gelderland intrekgebied De omgevingsverordening bevat slechts één zone - intrekgebied

waari n het plangebied is gelegen. In een

intrekgebieden isdewinningvan fossiele energie niet toegestaan. In het onderhavige plan is hierookgeen sprake

Direct geldende (instructie)regels De verordening biedt naast specifieke regelgeving voor nader aangegeven gebieden direct geldende (instructie) regels voor de sectoren zoals water, natuur, veehouderij, woningbouw, kantoren, detailhandel, energie en recreatiewoningen. Onderhavig plan betreft geen ontwikkeling die tot één van deze sectoren behoort. Conclusie Gezien het bovenstaande vormt de omgevingsverordening geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan

3.3.

Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Harderwijk 2031

DeStructuurvisie Harderwijk 2031 is op 20 december 2012 door de gemeenteraad vastgesteld. In de Structuurvisie is aangegeven wat in de periode tot 2031 voor de gemeente Harderwijk de belangrijkste thema's zijn waar al aan

worden

even, maa

nisaties en inwoners. In

de visie is het economisch, sociaal en ruimtelijk beleid met elkaar in verband gebracht. Er zijn kaders gesteld met doelstellingen teneinde de in de Stadsvisie verwoorde ambitie te verwezenlijken. Deze doelstellingen zijn ondergebracht in 4 ontwikkelsporen: Zorgzame stad, Ondernemende stad, Aantrekkelijke stad en Verbindende stad. De Structuurvisie fungeert als beoordeling- en sturingsinstrument op alle gemeentelijke beleidsterreinen Het is daarmee een beleidsdocument dat de gemeente bindt. De gemeente kan daar alleen van afwijken, indien daareen goede motiveringvooris. Daarnaast wordt richting gegeven aan te verrichten inspanningen en te nemen maatregelen die moeten leiden tot de realisatie en totstandkoming van de in het beleid nagestreefde doelen. De Structuurvisie vervangt hiermee het Structuurplan Harderwijk 2020 en is daarmee:

lycens

een visie op de sociale, economische en ruimtelijke ontwikkelingen in Harderwijk voor de middellange en lange termijn een integrale visie met de hoofdlijnen van voorgenomen ontwikkelingen betreffende het leven, werken en verblijven in Harderwijk: de wijze waarop de gemeente de doelstellingen denkt te realiseren

Huisvesting van arbeidsmigranten is een relatief nieuw

Pas de

aren wordt actief beleid

gevoerd om ongewenste erbarmelijke woontoestanden te voorkomen en ten tijde van het opstellen van de Structuurvisie - inmiddels alweer uit 2012 - was huisvesting voor arbeidsmigranten nog geen beleidsonderwerp. Voor dit

relevante

beleid wordt verwezen

naar het

beleidsdocument ‘Afwegingskader Huisvesting

arbeidsmigranten 2020’. Wel bevat de structuurvisie algemene beleidsuitgangspunten die ook voor onderhavig plan van toepassing zijn het realiseren en in stand houden van een aantrekkelijke stad om in te wonen, werken, leven en verblijven; het versterken en behouden van de economische kracht van Harderwijk. Die economische kracht wordt onderandere bepaald doordeomvangen samenstelling van de beroepsbevolking. Deze aantrekkelijke stad om in de wonen, leven, werken en verblijven geldt ook voor arbeidsmigranten. Door woonvoorziem

kwalitatief

voor in dit

short stay’, te realiseren wordt invullin

gegeven aan deze doelstelling en wordt bovendien voorkomen dat huisvesting van deze hoogst noodzakelijke arbeidskrachten tussen wal en schip raken, genoodzaakt zijn bij malafide ‘woon’-aanbieders terecht komen en wordt bovendien voorkomen dat overlast wordt veroorzaakt op ongeschikte locaties en door ongeschikte verblijfs- ! woonvoorzieningen. Daarnaast levert het verzorgen van goede verbiijfs- I woonvoorzieningen een belangrijke bijdrage aan de beschikbaarheid van geschikte arbeidskrachten waardoor de ‘samenstelling van de beroepsbevolking’ wordt aangevuld met krachten waar behoefte aan is. Conclusie De structuurvisie bevat

vanwege de leeftijd van het document

weliswaar geen beleid voor het

beleidsonderwerp huisvesting van arbeidsmigranten, het onderhavig plan draagt wel sterk bij aan twee voorgaand

benoemde algemene beleidsdoelstellingen.

Hiermee draagt onderhavig plan

bij aan de

beleidsdoelstellingen van deze structuurvisie.

Ie wijziging Structuurvisie Harderwijk 2031

De Ie wijziging Structuurvisie Harderwijk 2031 is op 24 april 2014 door de gemeenteraad vastgesteld. Deze wijziging van de structuurvisie is niet van toepassing op het grondgebied ter plaatse van het onderhavige plan.

Structuurvisie Groene Zoom

Op 20 januari 2011 heeft de gemeenteraad van Harderwijk de Structuurvisie Groene Zoom vastgesteld. Dit betreft een structuurvisie die gezamenlijk met de gemeente Ermelo tot stand is gekomen. In deze structuurvisie wordt als centrale doel voor de Groene Zoom gesteld: "Het realiseren van een samenhangend en aantrekkelijk vormgegeven stedelijk uitloopgebied tussen Ermelo en Harderwijk, waarbij het groene karakter overheerst en waarin rode elementen op een verantwoorde manier worden ingepast binnen dit groene kader." In de structuurvisie Groene Zoom is bepaald dat het nu voorliggende plangebied getransformeerd kan worden naar een 'woon-werklandschap' (zie figuur 4.1). Met een woon-werklandschap wordt een integrale ontwikkeling van de woon- en werkfunctie in combinatie met andere functies bedoeld. Bij een werklandschap wordt de relatie gelegd tussen de werkfunctie en de directe omgeving en landschap. Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik, een goede landschappelijke inpassing alsmede aandacht voor de esthetische vormgeving (middels een beeldkwaliteitsplan en stedenbouwkundig ontwerp). Werklandschappen worden gekenmerkt door een menging van de functie werken met verschillende andere functies zoals wonen, recreatie en natuur.

Uit het "werkschrift werklandschappen, provincie Gelderland 2011" blijkt dat een uitgangspunt bij een werklandschap is dat gestreefd moet worden naar functiemenging. Hoewel er altijd nieuwe ontwikkelingen zullen zijn die niet voorzien kunnen worden, geeft de VNG in haar publicatie Bedrijven en milieuzonering' (2009) richtlijnen en mogelijkheden voor functie menging tussen milieugevoelige en milieubelastende functies. Deze bedrijvenlijst vormt het uitgangspunt voor het werklandschap in de Groene Zoom. Onderstaand is de visie kaart voor het werklandschap weergegeven Thema's

MMMfp

Kaders

řįţ

Wtogan

'

HooQHMinr naaíeŵnu m©i wncnog

i

Q6Sta**Kto *«ísv*ft»r«írg Cfir^to

Ontwikkelingen grwMi Mfucfesvn IĮMM mpm WĘ m

•« iM\\W

N «w* itoteaM laarboptantaiQ

I D I

B«i»UMr*ĵe fo'a&VKinl tmp«d(r«n

IĆ |

Oeufteí kfe"rv*cnaioe ŭodnrvec

J

Figuur 3.1: Visiekaart Werklandschap Groene Zoom

KM

Turctntrurr Wwncrulļ

Het plangebied van dit wijzigingsplan betreft het meest noordelijke deel van dit werklandschap (rood omcirkeld). Hiervoor is aangegeven dat het ingericht kan worden als woon- /werkgebied ten behoeve van circa zes woon/werkobjecten. Hierbij blijft het bestaande bosje gehandhaafd en wordt de bestaande detailhandel gerespecteerd. Conclusie Gezien het voorgaande is een specifieke vorm van logies qua aard van het gebruik (logies) passend binnen het in de structuurvisie Groene Zoom omschreven werklandschap.

Afwegingskader Huisvesting arbeidsmigranten 2020

De gemeente Harderwijk heeft beleid opgesteld om het huisvesten van arbedsmigranten te reguleren. Enerzijds om humane huisvestingte borgen en anderzijdsom een wildgroei aan ongereguleerde huisvestingslocatiestegen te gaan. Om de daadwerkelijke behoefte in beeld te brengen is voorafgaand aan het afwegingskader een behoefte onderzoek uitgevoerd door Companen1. Bedrijven hebben steeds meer behoefte aan buitenlandse werknemers Bedrijven in Harderwijk en omgeving maken steeds meer gebruik van internationale werknemers. Ze werken vooral in de uitzendbranche, groot- en detailhandel, zakelijke dienstverlening en industrie, omdat er onvoldoende geschikte werknemers te vinden zijn. In Nederland gaat het in totaal om ongeveer 500.000 internationale werknemers (schatting expertisecentrum Flexwonen). De verwachting is dat de komende járen de noodzaak tot het inzetten van arbeidsmigranten alleen maar groter wordt door het afnemen van de omvang van de Nederlandse beroepsbevolking. Sectoren als Horeca en de zorg zullen in toenemende mate buitenlandse werknemers in moeten zetten wegens een tekort aan Nederlandse werknemers. Er is onvoldoende geschikte huisvesting De woningmarkt biedt onvoldoende geschikte woonruimte voor arbeidsmigranten.

Dat leidt tot verdringing op de woningmarkt door bijvoorbeeld kamerverhuur aan arbeidsmigranten in woonbuurten, illegale bewoning op bijvoorbeeld vakantieparken, huisvesting van slechte kwaliteit en uitbuiting. Ook komt het voor dat ontwikkeling van bedrijven wordt belemmerd doordat er geen huisvesting beschikbaar is voor de gewenste arbeidsmigranten. Uitbreiding van het aanbod aan kwalitatief goede huisvesting is noodzakelijk Extra aanbod aan goede huisvesting voor arbeidsmigranten is noodzakelijk om de ontwikkeling van de Harderwijkse bedrijven te ondersteunen en te zorgen dat arbeidsmigranten terecht kunnen in fatsoenlijke huisvesting. Een goede woonsituatie is een belangrijkevoorwaardeom goed te kunnen functioneren. Huisvesting die goed is geregeld, is ook belangrijk voor het draagvlak onder Harderwijkers voor de inzet van buitenlandse werknemers.

1 Onderzoek huisvesting arbeidsmigranten Gemeente Harderwijk. 7 april 2020. Companen.

18

Verantwoordelijkheden Het realiseren van huisvesting voor arbeidsmigranten ligt bij de marktpartijen. De gemeente ondersteunt de ontwikkeling van kwalitatief goede huisvesting op geschikte locaties. De gemeente analyseert samen met stakeholders de ontwikkeling van de behoefte en stelt op basis daarvan ruimte voor nieuwe huisvesting vast. Wat is de woonbehoefte van arbeidsmigranten? Shortstay-Midstay-Longstay De woonbehoefte van arbeidsmigranten is afhankelijk van de periode die ze in Nederland verblijven en kan worden onderverdeeld in 3 categorieën: Shortstay: Werknemers die voor het eerst in Nederland komen kiezen in eerste instantie vooreen verblijf van enkele maanden tot een jaar. Integratie is (nog) niet aan de orde. Huisvesting met gedeelde keuken en sanitair zijn voldoende. Er is dan sprake van logies. Goed beheer en ondersteuning door de huisvesters en goede recreatieve voorzieningen zijn belangrijk. Hierbij passen huisvestingsvormen van voldoende schaalgrootte om de gewenste voorzieningen mogelijk te maken. Middelgrote (20-50 personen) of grote locaties (50 tot 150 personen) kunnen het beste voorzien in passende huisvesting met gelijkgestemden en goede voorzieningen en beheer. Shortstay in kamerverhuur in woningen heeft daardoor minder de voorkeur.

Midstay: Werknemers die langer in Nederland verblijven krijgen meer behoefte aan privacy en minder aan gedeelde voorzieningen. De woningbehoefte gaat op die van de Nederlanders lijken. Meer leefruimte en eigen sanitairen kookgelegenheid worden belangrijken Kleinezelfstandigewoonunitsvoorlof2 personen passen hierbij. Dat kan in de vorm van specifieke huisvesting, evt. in combinatie met shortstay, maar kan ook goed in kleine huisvestingsvormen in woonwijken (kamerverhuur of kleine appartementen). Longstay: De woonwensen van buitenlandse werknemers die langer dan 3 jaar in Nederland verblijven, is niet anders dan die van de Nederlanders. Ze kopen of huren een eigen woningen en integreren in onze samenleving. Voor deze groep is geen specifieke huisvesting meer nodig. Wel is het zaak te zorgen dat de woonbehoefte van arbeidsmigranten in voldoende mate meegenomen wordt in de bevolkings- en huishoudensprognoses. In Harderwijk blijft de helft van de Arbeidsmigranten korter dan 1 jaar. Circa 200Zo van de arbeidsmigranten blijft langer dan 3 jaar.

Voor hoeveel arbeidsmigranten moet Harderwijk de komende járen huisvesting bieden? Conform het door Companen uitgevoerde behoefte onderzoek is er voor huidige verdeling voor shortstay, midstay en longstay in de periode 2020-2022 de behoefte aan: shortstay bedden: 150-200 midstay bedden: 90-120 longstay bedden: 60-80 Voorde periode 2022-2030 is er behoefte aan: >

shortstay bedden: 220-270 midstay bedden: 200-230

>

longstay bedden: 170-190

Geschikte locaties De navolgende tabel geeft de geschikte locaties weer van de verschillende soorten verblijven, verdeeld naar omvang.

Tabel 3.1: geschikte locaties

Kleinschalig

Middelgroot

Groot

^0 personen

20-50 personen

50-150 personen

Shortstay

» Randen woonwijken

» Randen bedrijventerrein.

» Randen bedrijventerrein.

Logies

» Randen bedrijventerrein.

» Gemengd gebied

» Gemengd gebied

Verblijf max. 1 jaar

» Gemengd gebied

» Buitengebied

» Buitengebied

» Buitengebied Midstay

» Woonwijken

» Woonwijken

» Randen woonwijken

Wonen

» Randen woonwijken

» Randen woonwijken

» Gemengd gebied

Verblijf tot 3 jaar

» Gemengd gebied

» Gemengd gebied

Onderhavig pian betreft een grote voorziening, het plangebied iigt aan de rand van een bedrijventerrein en het betreft een gemengd gebied met verschillende soorten functies. Amendementen Bij de vaststelling van het afwegingskader zijn enkele amendementen ingediend en aangenomen. Onderstaand is de ínhoud hiervan in het kort weergegeven: arbeidsmigranten moeten ingeschreven staan in de gemeente (net als iedere andere inwoner); in de gemeente moet er een meldpunt voor arbeidsmigranten zijn om uitbuiting van arbeidsmigranten tegen te gaan. In de huisvestingsvoorziening dient voorlichting over het meldpunt in diverse talen beschikbaar te zijn. Conclusie Onderhavig plan voorziet in ‘tijdelijke huisvesting voor arbeidsmigranten’. Gelet op het‘Afwegingskader’ bevat de logiesvoorziening 150 bedden. De logiesvoorziening betreft een hoogwaardige verblijfsfunctie voor shortstay en bevat zowel zelfstandige voorzieningen voor bewoners en gezamenlijke voorzieningen beheerd door eigen personeel. Het plangebied voldoet aan de voorwaarden voor geschikte locaties voor grote logiesvoorzieningen. Door deze voorziening te realiseren wordt de woningmarkt in Harderwijk ontzien en wordt uitbuiting van arbeidsmigranten tegen gegaan. Onderhavig pian betreft de tweede voorziening voor shortstay in Harderwijk conform het afwegingskader.

In het reeds vastgestelde bestemmingsplan Dennenhoekzijn maximaal 150 bedden mogelijk gemaakt voor shortstay en is huisvesting van arbeidsmigranten op de locatie "De Schaapskamp" mogelijk gemaakt. Op dit terrein mogen maximaal 76 arbeidsmigranten worden gehuisvest. Onderhavig bouwplan is na 2022 gereed waardoor de behoefte voor de periode vanaf 2022 wordt ingevuld. In totaal is er ruimte voor 420 bedden en zijn er plannen voor maximaal 376 bedden: 150 in Dennenhoek, 150 in onderhavig plan en 76 in Schaapskamp. Gezien het voorgaande is het onderhavige plan in lijn met het beleid ‘Afwegingskader Huisvesting arbeidsmigranten 2020’ en het daar aan ten grondslag liggende behoefteonderzoek van Companen.

4. Verantwoording van milieu en omgevingswaarden 4.1.

Archeologie, cultuurhistorie en monumenten

4.1.1

Archeologie

Op basis van de Monumentenwet 1988 en de Wet op de archeologische monumentenzorg 2007 moeten gemeenten bij vaststelling van bestemmingsplannen en het nemen van ruimtelijke besluiten rekening houden met in de grond aanwezige of te verwachten archeologische monumenten of waarden. Om die reden is in het kader van het vigerende wijzigingsplan ‘Drielanden - Werklandschap-Oost een archeologisch onderzoek uitgevoerd. In het kader van het vigerende bestemmingsplan is, gezien de overwegend diepe bodemverstoring en het volledig ontbreken van archeologische indicatoren geen aanleiding gevonden om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden. Deze conclusies gelden onverkort ook voor het nu voorliggende plan. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.

4.1.2 Cultuurhistorie, monumenten en historische geografie Het plangebied is een braakliggend terrein. In het plangebied zelf zijn geen cultuurhistorische waarden, patronen of elementen aanwezig. Nabij het plangebied is dit wel het geval. De Fokko Kortlanglaan maakt onderdeel uit van het historisch wegenpatroon van de Groene Zoom. De cultuurhistorisch waarden worden met dit plan echter niet aangetast. Er vinden geen fysieke wijziging aan het beloop en de ligging van deze weg plaats. Daarnaast is in de directe nabijheid van het plangebied geen bebouwing aanwezig van cultuurhistorische of stedenbouwkundige waarde. Tot slot zijn

nabij het plangebied oude verkavelingspatronen diverse houtopstanden met

cultuurhistorische I landschappelijke waarden aanwezig. Deze houtopstanden blijven allen behouden. De ontwikkeling tast deze niet aan. Conclusie De aspecten cultuurhistorie, monumenten en historische geografie vormen geen belemmering voor het plan.

4.2.

Natuur

4.2.1

Algemeen

De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en het Gelders Natuurnetwerk (GNN).

Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De bescherming van Natura 2000-gebiedesln is onder de Wnb vrijwel hetzelfde gebleven. Wel zijn de Beschermde Natuurmonumenten komen te vervallen. Voor Natura 2000-gebieden geldt dat als naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld moeten worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit Provinciaal beleid Het provinciaal beleid is vastgelegd in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO) en is ruimtelijk vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland. Het GNN bestaat enerzijds uit alle gebieden met een natuurbestemming binnen de voormalige Ecologisch Hoofdstructuur (EHS) en anderzijds uit gebieden voor nieuw aan te leggen natuur. Daarnaast maken de reeds gerealiseerde delen van verbindingszones deel uit van hetGNN. De gebieden uit de voormalige EHS meteen andere bestemming dan natuurzijn ondergebracht in de Groene Ontwikkelingszone (GO), welke is gericht op het versterken van de ecologische samenhang door de aanleg van ecologische verbindingszones.

De feítelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Soortenbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming, heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet onder de Wet Natuurbescherming vanaf 1 januari 2017 bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten uit 'bijlage A en B' van de Wet Natuurbescherming, de door de betreffende provincie gekozen soorten uit het besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, de soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en met alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn).

4.2.2

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt in de buurt van enkele Natura 2000-gebieden, te weten: De Veluwe, gelegen op 750 meter ten zuidoosten van het plangebied; Veluwerandmeren, gelegen op ruim 1,7 kilometer ten noordwesten van het plangebied; Arkemheen, gelegen op ruim 9 kilometer ten zuidwesten van het plangebied. Op basis van de liggingvan het plangebied ten opzichte van deze Natura 2000-gebieden en aard van de ruimtelijke ingrepen is de conclusie dat deze ingreep geen negatieve invloed heeftop de specifieke natuurwaarden, voor wat betreft de effecten vernietiging, verstoring, verdroging I vernatting en versnippering. Het enige denkbare effect op de Natura 2000 is het effect van stikstofdepositie op de Natura 2000. Hiervoor is nader onderzoek verricht welke navolgend is weergegeven.

Gebiedsbescherming vanuit Provinciaal beleid De planontwikkeling vindt plaats buiten de grenzen van het Gelders Natuurnetwerk. Op basis van de ligging van het plangebied ten opzichte van de begrenzing van het GNN mag worden aangenomen dat er geen effecten zijn te verwachten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN. Specifieke maatregelen of aanvullend onderzoek worden niet nodig geacht.

Stikstofdepositie in relatie tot Natura 2000 Omdat sprake is van de emissie van stikstof is een stikstofonderzoek uitgevoerd. In deze paragraaf zijn uitsluitend de resultaten en conclusies weergegeven. Het onderzoek is als bijlage toegevoegd. Rekenresultaat beoogde situatie, gebruiksfase Uit de rekenresultaten blijkt dat in de ‘beoogde situatie, gebruiksfase’ geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op omliggende Natura 2000-gebieden zijn berekend. Het permanente gebruik heeft derhalve geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende Natura 2000-gebieden. Het Aeriusrekenbestand is als bijlage meegeleverd. Rekenresultaat beoogde situatie, aanlegfase De

bouwwerkzaamheden

duren

ongeveer 1 jaar. Omdat nog niet exact bekend

is wanneer de

bouwwerkzaamheden aanvangen zijn alle werkzaamheden in 1 kalenderjaar vervat. Dit betreft derhalve een worstcase scenario. Uit de rekenresultaten blijkt dat in de ‘beoogde situatie, realisatiefase’ slechts sprake is van een marginale tijdelijke toename van 0,04 mol/ha/j. Het Aerius-rekenbestand is als bijlage meegeleverd. De rijksoverheid hanteert de beleidslijn dat bij een minimale en tijdelijke depositie significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden uitgesloten kunnen worden. Op de website van BIJ 12 wordt deze redeneerlijn nader toegelicht. In het onderstaande kader is deze toelichting weergegeven. Omdat in onderhavig plan sprake is van een minimale stikstofdepositie (0,04 mol/ha/j) leidt het onderhavige plan niet tot significant negatieve effecten. In de aanlegfase van een project wordt materieel ingezet dat slechts tijdelijk stikstofemissie veroorzaakt. In een voortoets kan onderbouwd worden dat kleine, tijdelijke deposities van tijdelijke bronnen binnen het project op zichzelf en in cumulatie, op voorhand niet kunnen leiden tot significant negatieve effecten.

Hierbij kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat een project met alléén kleine tijdelijke deposities in de aanlegfase kleiner dan ofgelijkaan 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar (of een equivalent hiervan) in beginsel niet vergunningplichtig is voor het aspect stikstofdepositie. In beginsel geldt deze lijn vooralle vormen van tijdelijke emissies in de aanlegfase, in de praktijk zal dit met name mobiele werktuigen en de aam/afvoer van materiaal en materieel betreffen. Indien de stikstofdepositie in de aanlegfase groter is dan 0,05 mol N/ha/jaargedurende maximaal 2 jaarof er is sprake van een depositiebijdrage in de gebruiksfase op een door stikstof overbelaste locatie in een Natura 2000-gebied, dan kan wel sprake zijn van een vergunningplicht op het gebied van stikstof.

23

Conclusie stikstofonderzoek Omdat in de permanente gebruiksfase geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie, in de tijdelijke aanlegfase de stikstofdepositie niet meer bedraagt dan 0,05 mol/ha/j en de bouwwerkzaamheden niet langer duren dan 2jaar heeft onderhavig plan geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden.

4.2.3

Soortenbescherming

In het kader van onderhavig plan is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. In deze paragraaf is uitsluitend de conclusie opgenomen. De gehele rapportage is als bijlage opgenomen. Conclusie flora en fauna onderzoek Er zijn geen beschermde soorten of verblijfplaatsen gevonden of te verwachten. Hoewel de kans niet groot wordt geacht kunnen in het broedseizoen nesten van vogels (grondbroeders) aanwezig zijn. Alle broedende vogels zijn beschermd en de nesten ook, totdat de jonge vogels zijn uitgevlogen. Hiervoor geldt de algemene zorgplicht. Er geldt een vrijstelling voorde algemeen beschermde soorten (Omgevingsverordening Gelderland). Overigens blijft de algemene zorgplicht altijd van kracht. Een ontheffing Wnb voor soorten is niet nodig.

4.3.

Waterparagraaf (watertoets)

4.4.1

Algemeen

Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen, een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin staat de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan op de waterhuishouding. In die paragraaf dient uiteengezette worden of en in welke mate het plan gevolgen heeft voor de waterhuishouding (waaronder grondwater en waterveiligheid). Het is de schríftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten'. In een regulier watertoetsoverleg tussen gemeente en waterschap wordt de planvorming voor de ruimtelijke ontwikkelingen besproken.

4.4.2

Huidige waterhuishoudkundige situatie

1.

Waterveiligheid: Het plangebied ligt op hoge zandgronden waarvoor geen overstromingsnormen gelden.

2.

Bodem en grondwater: Het maaiveld van het plangebied is relatief vlak met niveauverschillen die variëren tussen 5,0 m +NAP tot 5,9 m +NAP. Het plangebied is noord (5,8 m +NAP), oost (5,88 m +NAP, maximaal), zuid (5,62 ma- NAP) en west (6,00 ma- NAP) 'omranď door de hoger aangelegde wegen.

3.

De bodem in het plangebied bestaat uit kalkloze zandgronden. Op basis hiervan mag worden aangenomen dat de bodem goed doorlatend is. Er zijn geen bodemverontreinigingen bekend in het plangebied.

4.

Het plangebied ligt in een zogenaamde grondwaterfluctuatiezone. De provincie geeft voor dit gebied aan dat in de toekomst door trendmatige stijging van het grondwater grondwateroverlast kan optreden. Globaal is de ontwateringsdiepte in het centrale deel van het plangebied het kleinst. Volgens de bodemkaart kent het oostelijke en westelijke deel van het plangebied een gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) van 0,82 m onder maaiveld (Grondwatertrap Vil). In het centrale deel is de GHG 0,68 m onder maaiveld (grond-watertrap

lycens

IV). De meetdata van grondwater peilbuis B26H0592 in het plangebied, die sinds 2009 actief is, bevestigt dit beeld van relatief hoge grondwaterstanden Er zijn geen grootschalige grondwateronttrekkingen bekend in of nabij het plangebied 6.

Oppervlaktewater: Langs de Lokko Kortlanglaan liggen kleine bermsloten die ten zuidwesten van het plan­ gebied aftakken naar een droogvallende sloot richting het spoorviaduct. Direct ten zuidwesten van de be­ oogde locatie van onderhavig plan komt in beperkte mate natte natuur (geïsoleerde paddenpoel) voor. Het plangebied ligt niet in een beschermingsgebied voor grond- of oppervlaktewater of natte natuur. Tus-sen het plangebied en de Putterweg/Harderwijkerweg is een droogvallende waterberging aanwezig.

7.

Riolering: Het afvalwater in de bestaande situatie wordt apart ingezameld en afgevoerd via een beperkt aantal drukrioolgemalen die aangesloten zijn op hettransportriool in de Lokko Kortlanglaan.

Waterhuishoudkundige uitgangspunten In het kader van het Wijzigingsplan ‘Drielanden - Werklandschap-Oosť is in 2016 een watertoets doorlopen. Voor de ruimte lijke ontwikkelingen binnen ditwerklandschap zijn de volgende waterhuishoudkundige uitgangspunten bepaald trits 'vasthouden-bergen-afvoeren' zoveel mogelijk ter plaatse

Hemelwater wordt op basis van

len. Wanneer lozen in de bodem

is kan

worden o

r. Lozen van hemelwater op de vuilwater

(

9.

is niet m

Omdat het watersysteem in de bestaande situatie kwetsbaar is, wordt er-specifiek voor dit plangebied- van uit gegaan dat door de toevoeging van nieuw verhard oppervlak geen extra belasting (met afvloeiend hemelwater) mag plaats vinden op bestaande oppervlaktewater systeem tot een gebeurtenis met een herhalingstijd van lOOjaar;

10.

i

.

voor verlies van

„

„

.

„

„ ng) én extra

„

„

de vorm hemelwater dient te worden „ 1 „ „ verhard o infiltratievoorzieningen en/of het realiseren van extra droogvallende sloten binnen in het plangebied; 11. Afvalwater niet zijnde 'schoon' hemelwater aansluiten op het riool en middels mechanische drukriolering geloosd op vrij verval riolering; 12. Houdt bij het ontwerp rekening met de gemiddelde hoogste grondwaterstand en de hoogst optredende waterstanden bij overbelasting van het lokale watersysteem 13. De ontwikkeling dient in de gebruiksfase grondwaterneutraal te zijn. Structurele drainage of andere middelen om grondwater af te voeren zijn in principe niet toegestaan 14. Geen uitlogende materialen gebruiken op plaatsen die in contact kunnen komen met (grond)water; 15. Mogelijk is een watervergunning of melding nodig. Een watervergunning van het waterschap is bijvoorbeeld nodig voor het dempen en/of vergraven van watergangen, het lozen van water op oppervlaktewater en het onttrekken van grondwater.

4.4.3

Het plan in relatie tot de waterhuishouding

Waterberging Het principe van het zoveel mogelijk vasthouden en/of bergen van hemelwater in het plangebied betekent bij ontwikkelingen van enige omvang dat een ruimtelijke claim voor berging van hemelwater van circa lOTo van toekomstig verhard gebied moet bevatten. Indien beschikbaar oppervlak krap is, zijn er ook andere (ondergrondse) oplossingen mogelijk met een kleiner benodigd oppervlak. In onderhavig plan worden infiltratiekratten gerealiseerd. De leverancier van het systeem heeft hiervoor een systeem uitgewerkt en berekeningen uitgevoerd waarmee wordt aangetoond dat voldoende waterberging wordt gerealiseerd. Deze rapportage is als bijlage toegevoegd. Statische berekening op basis van het bergen van een regenbui gedurende 1 uur: 2 Totaal af te koppelen oppervlak 3.500 m Berging

36

mm

Totaal te bergen (3.500* 36)

126

m3

Netto ínhoud infiltratie-unit Q-Bic Plus

432

Itr

Benodigd aantal infiltratie-units (126/ 0,432) afgerond

292

stuks

In het te realiseren systeem is uitgegaan van een infiltratieblok lang 19 mtr, breed 9,6 mtr en 0,6 mtr hoog. Oppervlakte water De beoogde bebouwing wordt niet gerealiseerd ter plaatse van oppervlaktewater of de beschermingszone rondom oppervlaktewater. Dit vormt dus geen belemmering. Voorkomen wateroverlast Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) of representatieve hoogste grondwaterstand (RHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG/RHG. Het structureel onttrekken I draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de perceeleigenaar. Uitgaande van de huidige GHG (4,90 mm NAP) in het oostelijk deel van het plangebied en de gewenste ontwateringsdiepte van 0,9 m is een bouwpeil van minimaal 5,80 ma NAP noodzakelijk. Uitgaande van recente waarnemingen is bekend dat tijdens hevige neerslag een groot deel van het plangebied blank kan komen te staan met een maximale waterstand van 5,70 ma NAP.

De ontsluitende wegen dienen om die reden minimaal op 5,70 mm NAP aangelegd te worden. Om afvoer van vuilwater en hemelwater vanaf de percelen naar de openbare ruimte te kunnen garanderen wordt een bouwpeil dat minimaal 15 cm boven de kruin van de weg ligt geadviseerd. Om die reden dient het bouwpeil minimaal 5,85 urn NAP te zijn. Het vloerpeil van het gebouw voldoet hieraan. De parkeerkelder ligt onder dit niveau. Hiervoor worden voorzieningen getroffen.

26

4.4.

Milieuaspecten

4.5.1

Bodem

Algemeen Conform artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bovendien dient op basis van het Bouwbesluit altijd een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien een woning wordt gerealiseerd. Er dient bepaald te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Doorwerking in onderhavig pian In het kader van het vigerende wijzigingsplan ‘Drielanden - Werklandschap Oost’ is reeds een bodemonderzoek uitgevoerd ('Verkennend bodemonderzoek aan de Fokko Kortlanglaan 225-227 te Harderwijk", Vink Milieutechnisch Adviesbureau b.v., projectnr. P16M0064, 19 mei 2016). Het onderzoek is weliswaar 3 jaar oud, maar kan gezien het gelijkblijvend feítelijke gebruik nog steeds als actueel worden beschouwd. Dit onderzoek is als bijlage gevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing. In dit bodemonderzoek wordt het volgende aangegeven: Op basis van het vooronderzoek is aangenomen dat de bodem van de onderzoekslocatie niet of nauwelijks is aangetast en derhalve de hypothese ‘onverdacht’ geldt. In twee boringen zijn zwakke bijmengingen met puin waargenomen.

Zekerheidshalve isde bovengrond metzwakke puin bijmengingen niet met overige bodemlagen gemengd, maar separaat voor analyse aangeboden. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de vaste bodem geen van de geanalyseerde parameters de achtergrondwaarde overschrijden. In het grondwater overschrijden arseen plaatselijk de interventiewaarde en barium, kwik en nikkel de streefwaarde. Geen van de overige geanalyseerde parameters is aangetroffen in een gehalte boven de streefwaarde. De aangetoonde verhogingen zijn niet verontrustend en geven geen aanleiding tot nader onderzoek. Ten aanzien van de sterke verhoging met arseen in het grondwater wordt verwacht dat deze van nature in het grondwater aanwezig is en derhalve geen aanleiding geeft tot het uitvoeren van nader bodemonderzoek. Geconcludeerd wordt dat de hypothese ‘onverdacht’ standhoudt. De aangetoonde verontreinigingen zijn niet verontrustend en geven geen aanleiding tot nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische bodemkwaliteit is afdoende bekend. Conclusie De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van het terrein.

4.5.2

Geluid - wegverkeerslawaai

Algemeen Wanneer in een plan nieuwe geluidsgevoelige objecten, zoals woningen, worden gerealiseerd, stelt de Wet geluidhinder (Wgh) de verplichting de geluidsbelasting op geluidgevoelige objecten ten gevolge van omliggende wegen in beeld te brengen. Deze geluidsbelasting mag de voorkeursgrenswaarde niet overschrijden. In de Wgh zijn regelingen opgenomen ten behoeve van geluid in de omgeving afkomstig van drie geluidsbronnen wegen (met uitzondering van rijkswegen), spoorwegen (met uitzondering van hoofdspoorwegen) en industrielawaai.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Harderwijk&id=558ef65b-1985-4c4b-883b-2340089045e1