CConstaterende datHarderwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

2.2 Buitengebied - Van Goorswegje_Regels

Commissie Stad & Omgeving 19 september 2024, gemeente HarderwijkBij agendapunt: 20.30 uur Vaststellen bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje13.965 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Buitengebied - Van Goorswegje

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

2

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

Regels

3

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

4

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen 1.1 plan het bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje met identificatienummer NL.IMRO.0243.BP00311--0002 van de gemeente Harderwijk; 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 aan huis verbonden beroep een (para)medisch, juridisch, administratief, therapeutisch, ontwerp-technisch, adviesgevend, of daarmee gelijk te stellen dienstverlenend beroep, alsmede gastouderopvang, dat in een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.6 aan- of uitbouw een onderdeel van een hoofdgebouw dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan de hoofdvorm; 1.7 achtererf het deel van het bestemmingsvlak dat is gelegen achter het hoofdgebouw, of het verlengde daarvan; 1.8 achtererfgebied erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het

erf achter het hoofdgebouw te komen; 1.9 ander bouwwerk een bouwwerk, geen gebouw zijnde; 1.10 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.11 bebouwingspercentage het in de regels aangegeven percentage dat de grootte aangeeft van het deel van het bouwperceel dat ten hoogste mag worden bebouwd; 1.12 bed & breakfast een kleinschalige overnachtingsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt, waarbij de bed & breakfast ondergeschikt is aan de hoofdfunctie wonen;

5

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002 1.13 bestaand a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald; b. bij gebruik: het gebruik dat op het moment van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaat en in overeenstemming is met het voorheen geldend planologische regime; 1.14 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.15 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.16 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.17 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.18 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 1.19 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.20 bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel; 1.21 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde

gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.22 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; 1.23 erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw; 1.24 erfgrens de grens van een erf; 1.25 gastenverblijf een kleinschalige overnachtingsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een kortdurend verblijf, aan personen die elders hun hoofdverblijf hebben;

6

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002 1.26 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.27 gebruiksoppervlak gebruiksoppervlakte van een gebouw zoals bedoeld en bepaald in de NEN 2580; 1.28 gezamenlijk gebruiksoppervlak het totale gebruiksoppervlak die wordt gebruikt voor een aan huis verbonden beroep c.q. een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.29 hoofdgebouw een gebouw, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.30 houtopstanden waardevolle beplantingselementen in de vorm van houtwallen, houtsingels, hagen, (gerief)bosjes, boomgroepen, solitaire monumentale en waardevolle bomen, weg- en erfbeplanting; 1.31 maatvoeringsvlak een als zodanig aangegeven vlak ten behoeve van het indelen van een bouwvlak of bouwperceel met het oog op een verschil in maatvoering; 1.32 oorspronkelijk hoofdgebouw het hoofdgebouw zoals dat ten tijde van de afronding van de bouwwerkzaamheden, overeenkomstig de voor het hoofdgebouw verleende vergunning, is opgeleverd; 1.33 openbaar toegankelijk gebied weg als

bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen voor langzaam verkeer, met inbegrip van klompenpaden; 1.34 overkapping: Een bijbehorend bouwwerk zonder wanden of met 1 of meer al dan niet tot de constructie behorende wanden en voorzien van een dak; 1.35 paardenbak een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk terrein met een andere ondergrond dan gras, kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen en berijden van paarden en pony's en/of het anderszins beoefenen van de paardensport, met of zonder de daarbij behorende voorzieningen; 1.36 peil 1. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; 2. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; 3. bij het ontbreken van een hoofdgebouw: vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven;

7

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002 1.37 permanente bewoning bewoning van een ruimte als hoofdverblijf; 1.38 seksinrichting de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Hieronder wordt in elk geval verstaan een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, een seksbioscoop, sekstheater of parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.39 voorerf erf dat geen onderdeel is van het achtererf of zijerf; 1.40 voorerfgebied erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied; 1.41 voorgevelbouwgrens het naar de weg gekeerde deel van de bouwgrens; 1.42 voorgevelrooilijn de denkbeeldig doorgetrokken lijn van het naar de weg gekeerde deel van het bouwvlak ter plaatse van de voorgevel van het hoofdgebouw, dan wel de ligging van de bouwvlakken op de verbeelding indien geen hoofdgebouw aanwezig is; 1.43 woning een voor wonen bestemd gebouw, bestaand uit een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

8

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

Artikel 2 Wijze van m eten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, liftkokers en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.2 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.3 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.4 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van de daken en dakkapellen; 2.5 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens: vanaf de bouwperceelgrens tot enig punt van een gebouw; 2.6 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.7 wijze van meten: tenzij anders bepaald, worden de afstanden loodrecht gemeten; 2.8 ondergeschikte bouwdelen: Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen bouwvlakken of bestemmingsvlakken worden ondergeschikte bouwdelen als plinten,

pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken, trapportalen en hellingbanen buiten beschouwing gelaten, mits de bouw- c.q. bestemmingsgrens, dan wel de rooilijn met niet meer dan 0,75 m wordt overschreden, met dien verstande dat ten aanzien van trapportalen en hellingbanen de overschrijding niet meer mag bedragen dan 2,5 m.

9

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

10

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch m et waarden - Natuur- en Landschapswaarden 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het hobbymatig weiden van dieren en/of verbouwen van gewassen; b. de instandhouding, bescherming en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden, inclusief houtopstanden; c. voorzieningen voor de waterhuishouding; d. kleinschalige, onverharde ontsluitingspaden. 3.2

Bouwregels

Op en in deze gronden zijn uitsluitend de volgende bouwwerken toegestaan die ten dienste staan van de bestemming Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden: a. erf-of perceelsafscheidingen met een hoogte van maximaal 1,30 meter, mits open van constructie, en met dien verstande dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarde van het aansluitende gebied.

3.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. Het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem; 2. Het diepploegen, diepwoelen of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem, waaronder ook begrepen de aanleg van leidingen, allen dieper dan 0,60 m onder maaiveld, waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd, alsmede de aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage; 3. Het graven, dempen, danwel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, watergangen, greppels, kolken en overige natuurlijke oppervlaktewateren, alsmede het anderszins verlagen van de waterstand; 4. Het verwijderen van landschapselementen. 5. Het aanbrengen van onder- en bovengrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur. b. Geen omgevingsvergunning als bedoeld onder a is vereist voor: 1. activiteiten, behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer; 2.

activiteiten die op het moment van inwerkingtreding van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning. c. Voorzover voor meerdere werken en/of werkzaamheden vergunningen worden gevraagd en deze in één (inrichtings)plan zijn ondergebracht, wordt dit plan in zijn geheel in de beoordeling betrokken en kan voor dit totaal van werken en/of werkzaamheden één vergunning worden verleend. d. De onder a bedoelde omgevingsvergunning mag alleen worden verleend indien door de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvende onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden en/of de functies welke het plan beoogt te beschermen dan wel hieraan door het stellen

11

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002 van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen.

12

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

Artikel 4 Wonen 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woningen met bijbehorende bouwwerken; b. bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals tuinen en erven, groen en water, verhardingen, parkeervoorzieningen en nutsvoorzieningen. Onder wonen is mede begrepen: c. het uitoefenen van het aan huis verbonden beroep; d. bed & breakfast en gastenverblijf.

4.2 Bouwregels Op en in deze gronden zijn uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken toegestaan die ten dienste staan van de bestemming Wonen.

4.2.1

Woningen

Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels: 1. Het maximum aantal wooneenheden bedraagt niet meer dan op de verbeelding staat aangegeven; 2. Een woning mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; 3. Ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' mag uitsluitend een twee-onder-een-kap woning worden gebouwd; 4. Ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' mag uitsluitend een vrijstaande woning worden gebouwd; 5. De oppervlakte van een vrijstaande woning bedraagt niet meer dan 150m²; 6. De oppervlakte van een twee-onder-een-kap woning bedraagt niet meer dan 90m² ; 7. De goot- en bouwhoogte van een woning bedraagt niet meer dan zoals op de verbeelding staat aangegeven. 4.2.2

Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken - inclusief overkappingen - gelden de volgende regels: 1. Bijbehorende bouwwerken mogen alleen binnen het bestemmingsvlak worden gebouwd; 2. De oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij een vrijstaande woning bedraagt niet meer dan 100m² ; 3. De oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij een twee-onder-een-kap woning bedraagt niet meer dan 60m² ; 4. De goothoogte van een bijbehorend bouwwerk bedraagt niet meer dan 3 meter; 5. De bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk bedraagt niet meer dan 4,5 meter; 6. De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens welke grenst aan openbaar toegankelijk terrein bedraagt niet minder dan 3 meter; 4.2.3

Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken - exclusief overkappingen - gelden de volgende regels: 1. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevel van de woning en het verlengde daarvan, bedraagt niet meer dan 1 meter; 2. de bouwhoogte van erfafscheidingen achter de voorgevel van de woning en het verlengde daarvan, bedraagt niet meer dan 2 meter; 3. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken bedraagt niet meer dan 3 meter.

13

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002 4.2.4

Ondergrondse bouwwerken

1. ondergrondse bouwwerken die geheel onder het maaiveld zijn gelegen zijn uitsluitend daar toegelaten waar bovengronds gebouwen en bijbehorende bouwwerken zijn toegelaten; 2. de diepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt niet meer dan 3,5 meter onder peil; 3. ondergrondse bouwwerken mogen geen nadelige invloed hebben op de bodem- en waterhuishouding en eventuele aanwezige archeologische waarden.

4.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1, onder d van de Wet ruimtelijke ordening, nadere eisen stellen met betrekking tot de plaats en afmetingen van bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken, voor zover nodig ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of bouwwerken.

4.4

Specifieke gebruiksregels

4.4.1

Aan huis verbonden beroep

Onder wonen is het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep mede begrepen, met dien verstande dat niet meer dan 40% van het gezamenlijke gebruiksoppervlak van de tot een bouwperceel behorende gebouwen, niet zijnde vrijstaande bijbehorende bouwwerken, tot een maximum van 75 m² voor het aan huis verbonden beroep mag worden gebruikt.

4.4.2

Bed & breakfast en/of gastenverblijf

Onder wonen is een bed & breakfast en/of gastenverblijf mede begrepen, met dien verstande dat: a. de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; b. het een kleinschalige verblijfsaccommodatie betreft met niet meer dan 7 slaapkamers, die deel uitmaakt van een woning; c. het een ondergeschikte nevenactiviteit ten opzichte van de functie wonen betreft, waarbij het gebruik beperkt is tot 40% van het gebruiksoppervlak van de woning met een maximum van 100 m²; d. de activiteiten geen afbreuk mogen doen aan de woonfunctie; e. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein, uitgaande van de parkeernormen zoals opgenomen in de laatst vastgestelde Parkeernormennota Harderwijk. 4.4.3

Cumulatie

Het gezamenlijk oppervlak dat wordt gebruikt voor een aan huis verbonden beroep, bed & breakfast en/of gastenverblijf, zoals bedoeld in artikel 4.4.1 en 4.4.2, mag niet meer bedragen dan 40% van het gezamenlijke gebruiksoppervlak van de woning en bijbehorende bouwwerken.

4.4.4

Voorwaardelijke verplichting landschappelijke (erf)inrichting

Het gebruik volgens artikel 4.1 van de met dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte woningen is uitsluitend toegestaan indien: a. de landschappelijke erfinrichtingsplannen zoals opgenomen in Bijlage 1 Landschappelijk(erf)inrichtingsplan 13-15 en Bijlage 2 Landschappelijk(erf)inrichtingsplan 17-19 bij deze regels is uitgevoerd binnen 1 jaar na oplevering van de woning en nadien in stand wordt gehouden.

14

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002 4.4.5

Strijdig gebruik

Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt in ieder geval gerekend: 4. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als woning;

15

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

Artikel 5 Waarde - Archeologie 3 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. 5.2 Bouwregels In het belang van de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en onder de voorwaarde dat de oppervlakte waarop de aanvraag betrekking heeft groter is dan 1000 m² en de activiteit op een grotere diepte dan 0,3 m wordt uitgevoerd: a. dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b. kunnen aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de volgende voorschriften worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen of; 3.

de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

5.3 Afwijken van de bouwregels Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 5.2 onder a. voor de overlegging van het aldaar genoemd archeologische rapport, indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie voldoende is vastgesteld.

5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. het ophogen van de bodem; 2. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; 3. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; 4. het verlagen of het verhogen van het waterpeil; 5. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatieleidingen of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies; 6. het bebossen van gronden die op het tijdstip inwerkingtreding van dit plan niet als bosgrond kunnen worden aangemerkt; 7. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen. b. Geen omgevingsvergunning als bedoeld onder a is vereist voor: 1. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden als de oppervlakte waarop de activiteiten betrekking hebben kleiner is dan 1000 m2 en de activiteit op minder dan 0,3 m diepte wordt uitgevoerd; 2. activiteiten, behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer; 3.

activiteiten die op het moment van inwerkingtreding van het plan in uitvoering waren of konden

16

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002 worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning. c. Voorzover voor meerdere werken en/of werkzaamheden vergunningen worden gevraagd en deze in één (inrichtings)plan zijn ondergebracht, wordt dit plan in zijn geheel in de beoordeling betrokken en kan voor dit totaal van werken en/of werkzaamheden één vergunning worden verleend. d. De onder a bedoelde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het belang van de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden op grond waarvan de volgende bepalingen van toepassing zijn: 1. de aanvrager dient een rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie voldoende is vastgesteld; 2.

aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorschriften worden verbonden: de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen of; de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

17

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

18

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

Hoofdstuk 3

Algemene regels

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

19

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

Artikel 7 Algem ene gebruiksregels 7.1 Strijdig gebruik Onder een gebruik strijdig met het plan wordt in ieder geval verstaan: a. het (laten) gebruiken van gronden en/of bouwwerken op een wijze of tot een doel, strijdig met de gegeven bestemming(en); b. het gebruik van gebouwen, niet zijnde (bedrijfs)woningen, voor (zelfstandige) bewoning, uitgezonderd voor zover toegestaan in de regels; c. het splitsen van (bedrijfs)woningen, uitgezonderd voor zover toegestaan in de regels; d. onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt in ieder geval verstaan het (laten) gebruik(en) van de gronden en/of bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald; e. het winnen van fossiele energie zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas. 7.2 Parkeerkgelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen a. Bij nieuwbouw of uitbreiding waarbij het gebruiksoppervlak toeneemt dient de inrichting van de gronden zodanig plaats te vinden, dat wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen zoals weergegeven in de op het tijdstip van de aanvraag van het gebruik, dan wel, in het geval van een omgevingsvergunningplichtige activiteit, het tijdstip van de aanvraag van de omgevingsvergunning geldende parkeernormennota ; b.

Voor de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen is de laatst vastgestelde Parkeernormennota Harderwijk van toepassing. Daarbij dient overeenkomstig de aanbevelingen van het CROW tevens rekening te worden gehouden met parkeerplaatsen voor mindervaliden; c. De onder a. bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's moet afmetingen hebben zoals die zijn voorgeschreven in de ASVV (Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom). Voor de onder a. bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's komen in ieder geval niet in aanmerking gronden die bedoeld en/of ingericht zijn als openbare groenvoorziening(en); d. Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort; e. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde onder a. en c.: 1. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of 2. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

20

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

Artikel 8 Algem ene afwijkingsregels 8.1 Algemene afwegingscriteria Voor toepassing van de in het bestemmingsplan genoemde afwijkingen bij een omgevingsvergunning gelden de volgende regels: a. in de afweging worden in ieder geval de agrarische, landschappelijke, natuurlijke, verkeerstechnische, milieuhygiënische en waterhuishoudkundige belangen betrokken; b. de omgevingsvergunning wordt niet verleend indien onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige natuur- en landschapswaarden en hieraan door het nemen van maatregelen, dan wel door het stellen voor voorwaarden aan de omgevingsvergunning, niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen; c. de financieel-economische haalbaarheid is verzekerd. 8.2 Algemene afwijking van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de voorgeschreven maatvoering voor bouwwerken met ten hoogste 10%, met dien verstande dat deze afwijkingsbevoegdheid niet van toepassing is op het bepaalde in Artikel 4 Wonen. 8.3 Aan huis verbonden beroep Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de regels voor het toestaan van een aan huis verbonden beroep in vrijstaande bijgebouwen, mits is voldaan aan de beleidsuitgangspunten en randvoorwaarden uit de Beleidsregel voor beroepen en bedrijven aan huis opgenomen als Bijlage 3 bij de regels.

21

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

Artikel 9 Algem ene afwijkingsregels Het bevoegd gezag kan afwijken van de regels in deze planregels voor de volgende onderwerpen: a. de bouw van niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een oppervlakte van niet meer dan 25 m², een inhoud van niet meer dan 70 m³ en een hoogte van niet meer dan 5 m, ten dienste van openbaar nut, zoals schakelhuisjes, transformatorhuisjes, wachthuisjes, straatmeubilair en kabelverdeelkasten; b. de bouw van balkons, luifels, bordessen, pergola's en dergelijke bouwwerken, met dien verstande dat de diepte van balkons niet meer mag bedragen dan 1,50 m;

22

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

Artikel 10 Overgangsrecht 10.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a. met maximaal 10 %. a. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 10.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b.

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

23

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

Artikel 11 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje.

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van ....

24

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

Bijlagen

25

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

26

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

Bijlage 1 Landschappelijk(erf)inrichtingsplan 13-15

27

B4

r he tuu isc uc or str n st hi oen elle gr rst he

pe

om

kl

d

a np

B1

G2

B4

S1 B3 G2

l3 ² ee rc 5m pe . 64 ca

H2

G1

klo m

00

ad

40 00

H1

87

np

pe

G1

l2 ² ee rc 0m pe . 59 ca

0

00

15 00

g

in

on pw

0

00

12

40

-

ee tw

r-

de

on

n-

ka

ee

air

B2 lit

so

G3

p

0 55

00

p 50

00

65

p

t

or

rp

00

p

15 25

lijk pe ² ap m ch 650 s n . ee a m lc ge fdee er p

p

ca

i

d wa

0

00

00

99

54

59

0

10

hoogspanningsmast

00

40

H2

00

90

bg 0

00

10

00

0 13

00

40

g

in

on dw

of

H1 13

Hoofdwoning: footprint: max. 150m² en 100m² aan bijgebouwen Kleine woningen (twee onder een kap): footprint: max. 90m² per woning en 60m² bijgebouwen

ho

l1 ² ee rc 0m pe . 80 ca

G1

H2

le ima

z

eut

rt P

po 00 rap 750 rm o f on dc

tan

afs

min

project:

Van Goorswegje 13-15 Hierden

opdrachtgever: Fam. Vrijhof projectstatus:

voorlopig

onderdeel:

situatie inrichtingsplan v2d

datum:

26-06-2023

projectnummer:

bladnummer:

1929

VO-012b

Plantsoenlijst landschappelijke inpassing Van Goorswegje 13-15 op basis van inrichtingsplan v2d 18 augustus 2023 Nederlandse naam

Basislaag

G1 G2 G3

Gazon Bloemrijk graslandmengsel type G2 Wadimengsel type G3

S1

Biodiversiteitsbosje (vogelbosje) Cornus mas Corylus avellana Cytisus scoparius Euonymus europaeus Frangula alnus Ilex aquifolium Lonicera periclymenum Prunus padus Viburnum opulus

Latijnse naam

maat

Opmerking

1622m2 n.v.t. diverse soorten diverse soorten

n.v.t. n.v.t. n.v.t.

Struiklaag

1115m2 350m2 157m2

vrije maaivorm n.t.b. G2 Cruydt Hoeck G3 Cruydt Hoeck

60m2 gemengd inheems sortiment Gele kornoelje Hazelaar Brem Kardinaalsmuts Sporkehout / Vuilboom Hulst Wilde kamperfoelie Inheemse vogelkers Gelderse Roos

Haagbeplanting

160m1

H1 H2

Beuk Liguster

Fagus sylvatica Ligustrum vulgare

60-100 60-100

B1 B2 B3 B4

Eik Walnoot Zoete kers Beuk

Quercus robur Juglans regia Prunus avium Fagus sylvatica Purpurea

16-18 18-20 18-20 16-18

Boomlaag

aantal

110m1 50m1

enkelrijig / 5st per m1 enkelrijig / 5st per m1

5 st 1st 1st 1st 2st

1e orde 1e orde 1e orde 1e orde

Bovengenoemde soorten kunnen afwijken. Gebiedseigenheid, ordegrote en aanplantmaat zijn leidend voor alternatief.

TOELICHTING LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN Wanneer het gaat om een landschappelijke inpassing zijn vooral de grote structuren op of rond het erf van belang. Deze hebben landschappelijk gezien de meeste impact en zijn bepalend voor het aanzien van het erf (op afstand). Deze structuren zijn in veel gevallen erf-overschrijdend en zorgen ervoor dat het erf onderdeel wordt van het landschap. Dergelijke structuren bestaan voornamelijk uit opgaande beplantingselementen die verschillend van aard kunnen zijn. HOOFDPRINCIPES LANDSCHAPPELIJKE INPASSING B1 Basislaag B2 Struiklaag B3 Boomlaag De drie toegepaste hoofdprincipes van dit landschapsplan zorgen voor een landschappelijke en ecologische meerwaarde. Door het toevoegen van natuurlijke beplanting vormt de bebouwing een eenheid met beplanting en landschap. De gelaagdheid in beplanting, bomen, haag en tuinbeplanting zorgen voor een goede inpassing in de omgeving.

Note bij H1: Deze haag wordt gerealiseerd zodra er zekerheid is dat het beoogde klompenpad operationeel gaat worden.

Plantsoenlijst landschappelijke inpassing Van Goorswegje 13-15 op basis van inrichtingsplan v2d 18 augustus 2023 Nederlandse naam

Basislaag

G1 G2 G3

Gazon Bloemrijk graslandmengsel type G2 Wadimengsel type G3

S1

Biodiversiteitsbosje (vogelbosje) Cornus mas Corylus avellana Cytisus scoparius Euonymus europaeus Frangula alnus Ilex aquifolium Lonicera periclymenum Prunus padus Viburnum opulus

Latijnse naam

maat

Opmerking

1622m2 n.v.t. diverse soorten diverse soorten

n.v.t. n.v.t. n.v.t.

Struiklaag

1115m2 350m2 157m2

vrije maaivorm n.t.b. G2 Cruydt Hoeck G3 Cruydt Hoeck

60m2 gemengd inheems sortiment Gele kornoelje Hazelaar Brem Kardinaalsmuts Sporkehout / Vuilboom Hulst Wilde kamperfoelie Inheemse vogelkers Gelderse Roos

Haagbeplanting

160m1

H1 H2

Beuk Liguster

Fagus sylvatica Ligustrum vulgare

60-100 60-100

B1 B2 B3 B4

Eik Walnoot Zoete kers Beuk

Quercus robur Juglans regia Prunus avium Fagus sylvatica Purpurea

16-18 18-20 18-20 16-18

Boomlaag

aantal

110m1 50m1

enkelrijig / 5st per m1 enkelrijig / 5st per m1

5 st 1st 1st 1st 2st

1e orde 1e orde 1e orde 1e orde

Bovengenoemde soorten kunnen afwijken. Gebiedseigenheid, ordegrote en aanplantmaat zijn leidend voor alternatief.

TOELICHTING LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN Wanneer het gaat om een landschappelijke inpassing zijn vooral de grote structuren op of rond het erf van belang. Deze hebben landschappelijk gezien de meeste impact en zijn bepalend voor het aanzien van het erf (op afstand). Deze structuren zijn in veel gevallen erf-overschrijdend en zorgen ervoor dat het erf onderdeel wordt van het landschap. Dergelijke structuren bestaan voornamelijk uit opgaande beplantingselementen die verschillend van aard kunnen zijn. HOOFDPRINCIPES LANDSCHAPPELIJKE INPASSING B1 Basislaag B2 Struiklaag B3 Boomlaag De drie toegepaste hoofdprincipes van dit landschapsplan zorgen voor een landschappelijke en ecologische meerwaarde. Door het toevoegen van natuurlijke beplanting vormt de bebouwing een eenheid met beplanting en landschap. De gelaagdheid in beplanting, bomen, haag en tuinbeplanting zorgen voor een goede inpassing in de omgeving.

Note bij H1: Deze haag wordt gerealiseerd zodra er zekerheid is dat het beoogde klompenpad operationeel gaat worden.

bestemmingsplan Buitengebied - Van Goorswegje (vastgesteld) NL.IMRO.0243.BP00311-0002

Bijlage 2 Landschappelijk(erf)inrichtingsplan 17-19

31

Bijlage 1: Inrichtingsplan voor akkoord de gemeente: datum.........................

.................................... voor akkoord................ datum...........................

19

......................................

5. Solitaire boom

aan te planten fruitboom

2. Knip- of scheerheg

inrit

aan te planten boom bestaande boom

uw

8

moestuin

o eb

g

bij

3. Knip- of scheerheg

1. Knip- of scheerheg

bestaand groen

g nin wo

aan te leggen groen tuin

6. Boomgaardje

grasland

tuin

verharding nieuwe woning nieuwe schuur grasland

potentieel te bebouwen (vergunningsvrije zone)

Landschappelijke inpassing Goorswegje tussen 17 en 19

17

4. Bomenrij

Schaal

: 1:500

Project : Landschappelijke inpassing Deelnemernr : PA20TIMMER Naam : Adres : Van Goorswegje PC, Plaats : 3849 MD Hierden Opsteller Plan : E. Timmerman Datum : Sept 2024 Versie : V4

N

0

20

30

40

50 m

O

W zorg voor ons landschap

Z

HD

Landschappelijke versterking Van Goorswegje Inrichtingsplan Deelnemernr: Naam: Straat: Postcode, plaats:

PA20TIMMER Van Goorswegje tussen 17 en 19 3849 MD Hierden

E-mail: Telefoonnr: Afwijkend postadres:

nvt

Opsteller plan:

Eward Timmerman

Datum:

17-7-2023

Versie

V3

Stichting Landschapsbeheer Gelderland Rosendael 2a, 6891 DA Rozendaal 026 35 37 444 info@landschapsbeheergelderland.nl www.landschapsbeheergelderland.nl

Inrichtingsplan De initatiefnemer is bezig met een ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied van de gemeente Harderwijk. Men is voornemens om tussen het Goorswegje nr. 17 en 19 een woning te realiseren. Om te voldoen aan de planologische procedure vraagt de gemeente Harderwijk onder anderen voor een landschappelijke inpassing van deze ruimtelijke ontwikkeling en het versterken van het omringende landschap. Stichting Landschapsbeheer Gelderland is gevraagd hiervoor een passend advies voor uit te brengen. Dit plan is een samensmelting van een drietal ontwerpprincipes en uitgangspunten. Zo heeft de erfadviseur in dit plan de analyse van het landschap waarin de ontwikkeling plaats vind (het Kampenlandschap op de overgang met het Heidelandschap (bijlage 2)) en de bijbehorende cultuurhistorische principes gekoppeld aan uw eigen wensen en ideeën. Uiteraard is er gekozen voor de aanplant van inheemse, lokaal passende boom- en struiksoorten. Hieronder volgt een concrete, landschappelijke uitwerking van de door de eigenaar aangedragen locatie.

Leeswijzer In het plan wordt per aan te leggen landschapselement een korte toelichting gegeven op de cultuurhistorische waarde van dit element op uw terrein. Daarnaast is er een uitwerking gemaakt resulterend in een lijst van aan te leggen soorten en aantallen. Ten aanzien van de uitvoering, is via de website www.landschapsbeheergelderland.nl praktische informatie over aanleg en beheer van de diverse landschapselementen te vinden.

Beplanting De beplanting ten behoeve van de landschappelijke versterking bestaat uit de volgende landschapselementen; • Knip- en scheerheggen [nr. 1,2,3] • Vrij uitgroeiende struweelhaag [nr. ] • Vogelbosje en geriefbosje [nr.] • Solitaire boom, laanboom of bomengroep [nr. 4,5] • Houtwal en houtsingel [nvt] • Elzensingel en elzenhakhoutsingel [nvt.] • Hoogstamboomgaard [nr. 6 ] • Knotbomen [nvt] • Leibomen [nvt] • Poel [nvt]

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

2

1. Knip- en scheerheg ………………………………………………………………………………………………………………………

Op uw terrein Haagstructuur langs de zuidwest zijde van het erf. Natuurlijke scheiding met het naburige perceel (maximale hoogte 2 meter)

Aanleg nieuw element Locatie Lengte Plantwijze Aantal Soort

: : : : :

Maat Aanleg en beheer Overig

: : :

Zie ontwerpkaart 60 meter 4 stuks per meter 240 Gewone beuk (alternatief veldesdoorn, haagbeuk, Eenstijlige meidoorn) 60 - 80 cm lengte Zie informatievellen in de bijlage Minimaal 0,5 meter uit de eigendomsgrens planten

Cultuurhistorische waarde Knip- en scheerheggen zijn al eeuwen te vinden in het Nederlandse cultuurlandschap. Deze lijnvormige landschapselementen kennen een sterke samenhang met het omringde landschap. Nabij boerderijen en rondom boomgaard en moestuin waren veelal de heggen te vinden. Vaak diende de heggen als eigendoms- of perceelsscheiding. De doornige heg had daarnaast ook nog een belangrijke veekerende functie. Langs de rivieren dienden de heggen om de waterstroom bij overstromingen te remmen en te verdelen, zodat het vruchtbare slib kon bezinken. Knip- en scheerheg Inmiddels zien we dat veel heggen bedreigd worden. Veel heggen zijn uit het landschap verdwenen door de komst van prikkeldraad, de ruilverkavelingen en achterstallig onderhoud. Alle reden om de heg weer terug te brengen in het landschap. Heggen zijn namelijk nog altijd functioneel als windscherm en als veekering, ook bij hoge rivierwaterstanden zorgen ze voor een permanente afrastering. Daarnaast houden ze de grond vast en dragen ze bij aan een goede waterhuishouding. Ook veel dieren hebben profijt van de aanwezigheid van een heg. Vogels gebruiken het als broedplaats; veel kleine zoogdieren vinden er voedsel en een schuilplaats en voor vleermuizen is een haag erg belangrijk als oriëntatiepunt.

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

3

2. Knip- en scheerheg ………………………………………………………………………………………………………………………

Op uw terrein Haag structuur langs de noordelijke kavelgrens (deels omzomen van de moestuin maximale hoogte 2,50 i.v.m. luwte moestuin).

Aanleg nieuw element Locatie Lengte Plantwijze Aantal Soort Maat Aanleg en beheer Overig

: : : : : : : :

Zie ontwerpkaart 15 + 5= 20 meter 4 stuks per meter 60 Eenstijlige meidoorn (alternatief veldesdoorn, (haag)beuk) 60 - 80 cm lengte Zie informatievellen in de bijlage Minimaal 0,5 meter uit de eigendomsgrens planten

3. Knip- en scheerheg ………………………………………………………………………………………………………………………

Op uw terrein Haagstructuur ter hoogte van boomgaard en moestuin (maximaal hoogte 1.50 meter i.v.m. doorzicht naar het omringende landschap).

Aanleg nieuw element Locatie Lengte Plantwijze Aantal Soort Maat Aanleg en beheer Overig

: : : : : : : :

Zie ontwerpkaart 12 meter 4 stuks per meter 50 Eenstijlige meidoorn (alternatief veldesdoorn, (haag)beuk) 60 - 80 cm lengte Zie informatievellen in de bijlage Minimaal 0,5 meter uit de eigendomsgrens planten

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

4

4. Bomenrij ………………………………………………………………………………………………………………………

Op uw terrein Langs de buitenzijden van het perceel een bomenrij aanleggen. De bomen sluiten aan bij de historische kavelstructuur van het landschap. Door te kiezen voor een ruimt plantverband blijft de beleefbaarheid van het achterliggende landschap behouden. (

Aanleg nieuw element Locatie Lengte Breedte Plantwijze Aantal Soort

: : : : : :

Maat Aanleg en beheer Overig

: : :

Zie ontwerpkaart 90 Nvt Plantafstand minimaal 10 – 12 meter 6 1 x winterlinde 2 x zwarte els 2 x haagbeuk 1 x zoete kers 10 -12 cm stamomtrek op 1.10 cm hoogte Zie informatievellen in de bijlage Minimaal 2 meter uit de eigendomsgrens planten

Cultuurhistorische waarde Een solitaire boom of bomengroep werd regelmatig in het weiland aangeplant als schaduw voor het vee of om het landschappelijke beeld compleet te maken. Ook werd een solitaire boom regelmatig op de hoek van het perceel aangeplant als afbakening (grensboom). Verder vindt men ook regelmatig solitaire bomen rondom het huis. Veel boomsoorten hadden een functie. Zo werd een walnoot vaak in de buurt van de keuken aangeplant omdat de walnoot muggen en vliegen weert en ook zorgde voor schaduw. Laanbomen kennen een historische functie op Solitaire boom bijvoorbeeld landgoederen en grotere boerderijen en buitenplaatsen als onder andere aankleding van wandellanen. Door deze aanplant ontstond er schaduw op het wandelpad. De welgestelde bewoners konden op deze manier geriefelijk wandelen zonder dat men werd gebruind door de zon. Iets wat in die dagen als teken van armoede werd gezien. De statigheid van een rij laanbomen werd door het gebruik van speciale soorten bomen versterkt.

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

5

5. Solitaire boom ………………………………………………………………………………………………………………………

Op uw terrein Compensatie voor de te kappen boom t.b.v. aanleg inrit.

Aanleg nieuw element Locatie Lengte Breedte Plantwijze Aantal Soort

: : : : : :

Maat Aanleg en beheer Overig

: : :

Zie ontwerpkaart nvt Nvt Plant minimaal 10 meter uit de bebouwing 1 1 x rode beuk (Alternatief Hollandse linde, Zomer eik of haagbeuk, paardenkastanje) 14 -16 cm stamomtrek op 1.10 cm hoogte Zie informatievellen in de bijlage Minimaal 2 meter uit de eigendomsgrens planten

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

6

6. Hoogstamboomgaard ………………………………………………………………………………………………………………………

Op uw terrein In het weitje achter de moestuin een boomgaardje aanleggen. De bomen staan voldoende uit elkaar om de doorzichten naar het landschap te behouden. Het is wenselijk om onder de boomgaard een kruidenrijke vegetatie te ontwikkelen, middels hooiland beheer.

Aanleg nieuw element Locatie Lengte Breedte Plantwijze Aantal Rassen Maat Aanleg en beheer Overig

: : : : : : : : :

Zie ontwerpkaart 25 meter 15 meter Plantafstand 8 - 10 meter 5 Zie rassentabel hoogstam Zie informatievellen in de bijlage

Cultuurhistorische waarde Al vele eeuwen wordt in Nederland fruit geteeld in hoogstamboomgaarden. Aanvankelijk waren het vooral kloosters, kastelen en landgoederen. Eind 19de eeuw begon een grote uitbreiding aan fruitboomgaarden. Onder invloed van de landbouwcrisis stapten veel agrariërs in het rivierengebied over van graanteelt naar hoogstamfruit. Een groot voordeel van het hoogstamfruit was dat er dieren onder konden grazen. Vanaf 1950 is het areaal aan hoogstamboomgaarden flink achteruit gegaan, vanwege de opkomst van de moderne fruitteelt (laagstam). Hoogstamboomgaarden hebben een grote ecologische waarde. Ze leveren nestgelegenheid aan allerlei vogels. De Hoogstamboomgaard steenuil is een soort die graag broedt in holle takken van fruitbomen. Een heg om de boomgaard als windsingel vergroot de natuurwaarde van de boomgaard. Rassentabel: Ras appel Schone van boskoop 2x peren Jodenpeer 2x pruimen Dubbele Boerenwitte*

moes/hand

smaak

bloeitijd

pluktijd

Houdbaar

ziektes

hand/moes/keuken /sap/verwerking

zuur

vroeg

eind sep

zeer goed

gevoelig

hand

sappig

midden

oktober

goed

ongevoelig

wit

vroeg

half aug

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

ongevoelig

7

7. Extra optie, kruidenrijke rand/ perceel ………………………………………………………………………………………………………………………

Op uw terrein Door een aangepast maaibeheer kan de weide en boomgaard op termijn ontwikkeld worden tot een kruidenrijke vegetatie. Door een rand later te maaien en de vegetatie na het maaien af te voeren, ontstaat er een vegetatie die interessant is voor vlinders en bestuivers. Dit resultaat kan ook behaald worden door de inzet van grazers (klein vee).

Aanleg nieuw element Locatie Lengte Breedte Oppervlakte Aanleg en beheer Overig

: : : : : :

(zie inrichtingsschets) 40 m 20 m 800m2 Geen onderdeel van dit project Nvt

Ecologische en/of cultuurhistorische waarde Vooral in de maanden juni en juli zijn er voor bijen en andere insecten weinig bloemen voor het verzamelen van stuifmeel en nectar. De meeste inheemse bomen en struiken zijn dan al uitgebloeid. In deze periode kunnen we bijen en insecten goed helpen door de ontbrekende schakels in de zogeheten bloeiboog aan te vullen. De bloeiboog is de – bij voorkeur aanééngesloten- periode van voedselaanbod voor bestuivers. Het betreft hier zowel stuifmeel als nectar. Door specifieke bomen en struiken aan te planten en door middel van ecologisch beheer kunnen we de bloeiboog completer maken. Het inzaaien van kleine randen of overhoeken op of om het erf, kan bijdragen aan een gesloten bloeiboog. Het is hierbij van belang dat een inheems, meerjarig zaadmengsel wordt gebruikt. Want deze plantensoorten zijn voor wilde bijen en vlinders een geschiktere voedselbron dan de zogenaamde ‘carnavalsmengsels’ met plantensoorten die van nature niet in ons land voorkomen.

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

8

Kruidenrijk grasland beheer ………………………………………………………………………………………………………………………

Ecologische en/of cultuurhistorische waarde De manier waarop hooiland wordt beheerd, is belangrijk voor plant en dier. Bij SLG streven we naar een extensief beheer waarbij zoveel mogelijk kruiden in het grasland tot bloei komen. Wij onderscheiden hierin twee beheertype, te weten maaien en afvoeren en sinusbeheer. Maaien en afvoeren Na het maaien van het grasland wordt het maaisel eerst Sinusbeheer gedroogd, gehooid en daarna verwijderd. Door 1 tot 2 keer per jaar te maaien en steeds af te voeren krijg je een soortenrijkere vegetatie. Door het maaisel te laten drogen voordat het afgevoerd wordt, kunnen zaden nog narijpen en op de bodem vallen. Door gefaseerd te maaien en 10 tot 25% van de vegetatie te laten staan houd je rekening met blijvende schuilgelegenheid voor de aanwezige fauna. Sinusbeheer Sinusbeheer is een alternatieve manier van gefaseerd maaien, waarbij vrijheid en flexibiliteit sleutelwoorden zijn. In het kort komt sinusbeheer erop neer dat je als beheerder zelf bepaalt waar, wanneer en hoe vaak je maait, met als richtlijn dat bij elke maaibeurt ca. 40% van de oppervlakte blijft staan. Advies is om het maaisel af te voeren; dit verhoogt in de meeste situaties sterk de soortenrijkdom van de vegetatie.

Sinusbeheer in een notendop • Laat bij iedere maaibeurt +/- 40% van de begroeiing staan; • Maai een slingerend maaipad van ca. 2 meter breed en voer het maaisel af; • Maai na enige tijd de binnenzijde van het pad en voer het maaisel af. Het pad zelf en de buitenzijde blijft ongemaaid. • Deze twee stappen kunnen, wanneer een terrein of het weer daarom vraagt, meerdere keren per jaar (meestal 2x) herhaald worden.

Eerst een sinuspad maaien (1), een paar weken later de binnenzijde van het pad maaien (2); dit proces herhaalt zich (3) Afbeeldingen: Jurgen Couckuyt

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

9

Voor de ontwikkeling van vegetatie is het tijdstip van maaien van belang. Maaiadvies is afhankelijk van de voedselrijkdom van de bodem en de reeds aanwezige vegetatie. Is de bodem niet extreem voedselrijk en is de begroeiing reeds soortenrijk, dan kunt u de eerste maaibeurt uitstellen tot na 15 juni. Daarmee houdt u de aanwezige soortenrijkdom in stand. Heeft u echter een hoogproductieve soortenarme grasbegroeiing, dan is verschralen wenselijk. Dat bereikt u door vaker te maaien (met afvoeren van maaisel) en door de eerste maaibeurt vroeg in het seizoen uit te voeren, bijvoorbeeld in de tweede helft van mei. Maar check wel of er weidevogels broeden die u zou kunnen verstoren. Voor meer informatie over sinusbeheer kunt u terecht op www.vlinderstichting.nl/sinusbeheer.

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

10

Beplantingslijst ……………………………………………………………………………………………………………………… Onderstaande plantsoenlijst omvat de beplanting die nodig is om het voorgestelde plan uit te voeren.

PA20TIMMER Nederlandse naam Bosplantsoen 2 jarig maat 60-80 Tweestijlige meidoorn Beuk (groen) Boompalen Boompalen Laanbomen Zwarte els Zoete kers Haagbeuk Winterlinde Beuk (rood) Fruitbomen Appel Peer Pruim

Maat

Aantal

Crataegus laevigata Fagus sylvatica

60-80 60-80

325 110

Onbehandeld

8x250

12

Alnus glutinosa Prunus avium Carpinus betulus Tilia cordata Fagus sylvatica 'Purpurea

10-12 10-12 10-12 10-12 10-12 mk

2 1 2 1 1

Schone van Boskoop Jodenpeer Dubbele Boerenwitte

hoogstam hoogstam hoogstam

2 2 1

*mk – met kluit

Soorten kunnen worden gewijzigd in overleg met de gemeente

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

11

Bijlage 1 Plankaart ………………………………………………………………………………………………………………………

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

12

Bijlage 2 Gebiedskenmerken Kampenlandschap/ Essenlandschap

Kenmerkende structuren zijn, de openheid op de akkercomplexen en het verdichten van het overige landschap door toevoeging van lanen, erf- en kavelbeplanting.

Algemeen Kenmerkend voor hogere zandgronden zijn de kernen en een groot complex van oude bouwlanden bij het dorp. Scherpe overgang naar de lagere gebieden. Kenmerken van oude bouwlanden zijn de bolle ligging, grote open percelen met randbeplantingen (houtwallen), laanbeplantingen en steilranden. Bebouwing Kenmerkend voor de hogere zandgronden zijn de bebouwingslinten (tegenwoordig vaak kernen). Grondgebruik Bouwland. Beplanting Houtwallen, laanbeplanting, bosjes. Langs dreven (brede landwegen) en wegen: bomen zoals eiken, beuken, lindes en kastanjes. Hagen langs onverharde wegen. Geen beplanting op de enken. en waar planten Wat waar planten? De meest voorkomende streekeigen boom- en struiksoorten voor de dekzandruggen en oude bouwlanden en de plek op het erf en in het landschap waar u ze het beste aan kunt planten.

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

13

Houtwal en houtsingel: Zomereik aangevuld met ruwe berk en lijsterbes, en struiken zoals meidoorn, hazelaar, veldesdoorn, hondsroos, vuilboom, Gelderse roos en inheemse hulst langs een perceel. n de omgeving van beken: Grauwe wilg, zwarte els, authentieke zwarte populier en inlandse vogelkers. Struweelhaag: Gecombineerde doornenhaag van meidoorn, sleedoorn, egelantier en hondsroos als perceelsrand. Of een gemengde haag met hazelaar, vogelkers, Gelderse roos, veldesdoorn, rode kornoelje, meidoorn, sleedoorn, kardinaalsmuts en hondsroos. Geriefhoutbosje: Schietwilg, gewone es, inheemse zwarte populier, zwarte els, hazelaar en berk. Knotbomen: Schietwilgen en zwarte elzen in natte gebieden, zomereiken en gewone essen in drogere gebieden. Hoogstamboomgaard: Hoogstamfruitbomen met appel (Goudrenet, Notarisappel, Zoete Bloemée), peer (Clapps favourite, Beurré Hardy), pruim (Reine Claude, D’Anthan, Reine Victoria) omhaagd door meidoorn. Haag rond of bij de voortuin: Meidoorn, veldesdoorn, haagbeuk, liguster. Haag rond of bij de fruitgaarde/moestuin: Meidoorn of veldesdoorn. Solitaire bomen op het erf: Fruitbomen, zomereik, linde, tamme kastanje, berk, walnoot of kers (meikers).

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

14

Bijlage 3 Algemene plant informatie Struiken en bosplantsoen Algemeen Dit zijn soorten die of in een rij of per oppervlakte beplant worden. De maat van het geleverde materiaal is doorgaans 60-100 cm hoog. Struiken planten we 1,25 x 1,25 meter uiteen. Bosplantsoen 1,50 x 1,50 meter. In de meeste gevallen krijgt u een gevarieerd sortiment. Er zitten dan wat boomvormers in en wat struikvormers. Met name de manier waarop de menging wordt uitgevoerd kan bepalend zijn voor een goed of minder goed resultaat. Boomvormers: Berk, Es, Els, Eik, Beuk, Esdoorn zijn boomvormers die ook in een beplanting met struiken kunnen voorkomen. De boomvormers dient men als ze gemengd worden geplant met struiken in het midden van een beplanting (niet aan de rand dus) aan te leggen. Struikvormers: Gelderse roos, Sleedoorn, Kardinaalsmuts, Hondsroos en Egelantier zijn soorten die aan de rand van een beplanting het beste resultaat leveren. De Krent, Vuilboom, Hulst, Lijsterbes, Kornoelje en Hazelaar zijn de soorten die beter schaduw verdragen kunnen. Het is dan wel raadzaam om deze soorten in groepjes (wanneer mogelijk, 3-5 stuks) aan te planten. Aanleg De beplanting kan in verschillende verbanden aangeplant worden, in rijen, in driehoeksverband, in een wildverband enz. Voor alle verbanden geldt dat er in zwarte grond geplant dient te worden. Van tevoren ploegen, spitten of frezen is van groot belang.

Daarnaast dient de grond onkruid vrij te zijn en na aanplant ook de eerste jaren onkruidvrij te blijven (gebruik geen gif aangezien de jonge aanplant hier sterk van te lijden heeft). Het planten zelf kan vrij vlug uitgevoerd worden. Let op dat u niet te diep plant. De diepte is o.a. afhankelijk van de omvang van het wortelstelsel. Steek een gat, (houdt de grond op de schop), plaats het plantje zo dat alleen de wortels in het gat zitten. Gooi de grond weer in het gat, terwijl u het plantje vasthoudt. De grond iets aanduwen.

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

15

Onderhoud De beplanting begint klein, na 2 tot 3 jaar echter zal de beplanting gesloten raakt (d.w.z. de takken van de beplanting elkaar raken) er moet worden gesnoeid. Een beplanting van alleen struikvormers kunt u onderhouden om jaarlijks takken die problemen geven af te knippen. Ook is het mogelijk om dunningen uit te voeren, door struiken af te zetten. Zo kunnen de struiken zich ontwikkelen tot een mooie dichte, met kleurige bessen en bloemen, groene beplantingsvorm. Doet u daarna niks meer dan schieten bepaalde soorten door en wordt de beplanting hol van onderen. Er moet een verjonging plaatsvinden. Verjonging, als de struiken mooi in sluiting zijn, kan plaatsvinden door bijvoorbeeld jaarlijks 1/4 deel af te zetten (niet te laag 15-20 cm). Na 4 jaar is de gehele beplanting dan verjongd. Dit afzetten kan het beste, evenals de dunningen in het najaar plaatsvinden. Voor een beplanting met alleen boomvormers, wat op termijn dus bos dient te worden geldt dat de plantafstand groter is namelijk 1.50 x 1.50 meter en dat het daardoor de eerste jaren niet nodig is om te snoeien e.d. Wanneer de beplanting in sluiting komt, d.w.z. dat de kruinen van de bomen elkaar raken dan is het zaak om de zogeheten "blijvers" te kiezen. Met andere woorden welke bomen mogen groot en oud worden.

Deze bomen moeten de ruimte krijgen om zich in goed te kunnen ontwikkelen, de bomen die rechtstreeks de blijvers hinderen kunnen verwijderd worden. Deze dunning moet verstandig uitgevoerd worden, haal niet teveel weg. Dit proces kan op de langere termijn nog eens uitgevoerd worden zodat de bomen die uiteindelijk moeten overblijven wederom meer ruimte krijgen. Wilt u een beplanting krijgen van bomen met daaronder een struikenetage dan dient u de struiken/boompjes die u wilt behouden vrij te stellen door, wanneer de beplanting gesloten raakt, de omliggende beplanting af te zetten op 15-20 cm boven de grond. Laat de beplanting weer in sluiting komen en herhaal dan deze ingreep. Op deze manier krijgt u een mooie dichte beplanting met opgaande soorten. Dit snoeien kan het beste in het najaar plaats vinden. Voor alle drie de beplantingsvormen geldt dat water geven en onkruidbestrijding in de eerste jaren van groot belang is. Ook is het belangrijk dat het vee of het wild niet bij de jonge beplanting kan komen. Tevens is het raadzaam om voor het juiste onderhoud de cursus landschappelijke beplantingen van Stichting Landschapsbeheer Gelderland te volgen.

Dorpen in het Groen | Inrichtingsplan

16

Heggen en Hagen Algemeen Door het regelmatig knippen van bepaalde boom- en struiksoorten kan er een haag ontstaan. Dit knippen zorgt ervoor dat er geen verticale groei plaatsvindt, en dat daardoor de beplanting dichter wordt. Soorten die gebruikt worden als haag zijn o.a. beuk, veldesdoorn, haagbeuk, taxus, hulst, mei- en sleedoorn en liguster. De hoogte van het plantmateriaal is doorgaans 60-100 cm. De haag dient minimaal een op halve meter van de erfgrens geplant te worden. De plantafstand is doorgaans om de 25 cm, 4 per meter dus. Taxus en hulst kunnen om de 40 cm geplant worden (5 per 2 meter). Aanleg Graaf een geul langs een gespannen lijn van ongeveer 50 cm diep. Vul deze aan met compost of goede potgrond voor een betere groei. Verdeel eerst de planten langs de geul en plant ze vervolgens. Voor een mooie strakke haag kan het raadzaam zijn om de eerste jaren de haag tussen twee draden te laten opgroeien. Knip direct na het planten 15-20 cm uit de kop van het plantje, dit stimuleert om sneller en breder te groeien. Liguster daarentegen kan men het beste direct na het planten tot 15 cm boven de grond afknippen (eenmalig), zo ontstaat een betere vertakte en dichtere haag. Onderhoud Een haag wordt bij voorkeur twee maal per jaar geknipt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Harderwijk&id=3d3e7701-1d09-494f-9432-62063f1f4f38