Zienswijzenverslag bestemmingsplan 'Bergentheim, woongebied Möllincksvaart fase 3'
Tekst van het document
Notitie over de zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan ‘Bergentheim, woongebied Möllincksvaart fase 3’ Inzage ontwerpbestemmingsplan Het ontwerp van het bestemmingsplan ‘Bergentheim, woongebied Möllincksvaart fase 3’ lag vanaf donderdag 23 juni 2022 zes weken ter inzage. Dat is gepubliceerd in het huis-aan-huis-blad De Toren en in de Staatscourant. Wij hebben twee zienswijzen ontvangen. Hieronder hebben wij de zienswijzen samengevat en van commentaar voorzien. Samenvatting zienswijze 1 De zienwijze is ingediend door een aantal omwonenden van het plangebied. Ze verwijzen naar afspraken uit het verleden (rond 2000) waarbij zou zijn toegezegd dat de gronden direct tegenover hun woning niet bebouwd zouden worden en een groene invulling zouden krijgen. Reactie gemeente In de periode rond 2000 is gewerkt aan een bestemmingsplan voor het plangebied dat nu ook aan de orde is. In conceptplannen die toen voorlagen was het een optie om de gronden direct tegenover de woningen van de indieners van de zienswijze een groene zone te maken. Er is uiteindelijk geen bestemmingsplan vastgesteld en het plangebied heeft toen geen andere bestemming gekregen. Inmiddels zijn er een behoorlijk aantal jaren verstreken en is er een nieuw plan gemaakt voor het plangebied. De zone direct tegen de woningen van de indieners van de zienswijze heeft in dit plan een woonbestemming gekregen.
Vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt is het aanvaardbaar om op die locatie woningen te bouwen. Woningen op die locatie sluit goed aan bij de bebouwingsstructuur van het gebied (woningen aan weerszijden van de straat). De afstand tussen de te bouwen woningen en de bestaande woningen is vrij ruim. Dit komt mede doordat de nieuwe woningen op ruime afstand van de straat gebouwd worden, omdat er een groenzone met bomen aanwezig is die gehandhaafd blijf en versterkt wordt en omdat er een trottoir met een extra straat aangelegd wordt. Dit is te zien in het stedenbouwkundige plan dat bij het bestemmingsplan hoort. Van eventuele overlast (bijv. door inkijk of schaduwwerking) zal niet of nauwelijks sprake zijn. Conclusie Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Samenvatting zienswijze 2 Deze zienswijze is afkomstig van ProRail. In de zienswijze worden een aantal onderwerpen genoemd: 1. Verkeer en parkeren: In de paragraaf over dit onderwerp zou de nabijheid van het station Mariënberg genoemd moeten worden. Daarnaast vraagt ProRail zich af of de toename van verkeer ook zorgt voor meer verkeer over de overweg Flierdijk.
Ook zal er een Risicoanalyse Overwegen uitgevoerd moeten worden om na te gaan in hoeverre de overwegveiligheid achteruit gaat als gevoeg van de toename van het verkeer op de overwegen Schapendijk en Flierdijk en om te bezien of maatregelen nodig zijn om de afname van onveiligheid te compenseren. 2. Externe veiligheid: ProRail verzoekt om de toename van het groepsrisico als gevolg van de ligging nabij de spoorlijn (transportroute voor gevaarlijke stoffen) te berekenen en te verantwoorden. 3. Trillingen: Verzocht wordt om een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan op te nemen zodat maatregelen om trillingen in de woningen te voorkomen worden geborgd.
1
Reactie gemeente 1. Naar aanleiding van deze zienswijze is nader onderzoek uitgevoerd. Het rapport ‘Notitie verkeerseffecten’ is als bijlage aan het bestemmingsplan toegevoegd. De conclusie van het onderzoek luidt als volgt. Het aantal passages op de overweg neemt in de toekomst toe. Extra passages zorgen voor een verhoogd risico op een slachtoffer dat blijft steken of onbekwaam is. Echter is de toename in absolute zin beperkt met slechts 30 extra passages per uur in de drukste periodes. Deze toename zorgt niet voor een andere (verkeersonveilige) situatie op de overweg aangezien de ontmoetingskans laag is met dergelijk lage aantallen. Geconcludeerd kan worden dat de spoorwegovergang niet onveiliger wordt, afgezien van het lage risico dat extra passages met zich meebrengen. 2. Naar aanleiding van deze zienswijze is onderzoek verricht naar de toename van het groepsrisico. Hier blijkt dat, hoewel het plangebied binnen de 200 m zone ter verantwoording van het groepsrisico ligt, het buiten het invloedsgebied van het vervoer van gevaarlijke stoffen ligt. De spoorlijn vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Het onderzoeksrapport is als bijlage aan het bestemmingsplan toegevoegd en de tekst in de toelichting van het bestemmingsplan is op dit punt aangevuld. 3. De regels en de verbeelding van het bestemmingsplan zijn op dit punt aangepast.
Er is voor het gedeelte van het plangebied waarvoor een verhoogd risico op trillingen geldt een specifieke aanduiding op de verbeelding opgenomen. In de regels is specifiek hiervoor het volgende opgenomen: Het bouwen van de woningen is uitsluitend toegestaan wanneer op basis van het ontwerp van de woningen is aangetoond dat er ten aanzien van trillingshinder sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat, conform de streefwaarden voor 'Wonen nieuwe situatie', zoals bedoeld in Richtlijn deel B van Stichting Bouwresearch (hinder voor personen in gebouwen). Dit betekent dat toekomstige bouwers moeten aantonen dat wordt voldaan aan de genoemde streefwaarden. Bij de toetsing van de aanvraag is dit meetbaar. Het opnemen van deze regel wordt beter geacht dan het opnemen van adviezen omtrent het gewenste materiaalgebruik. Conclusie Deze zienswijze leidt tot een aanpassing van het bestemmingsplan.
2