Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Hardenberg 2023 (getekend)
Tekst van het document
VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING HARDENBERG 2023 De raad van de gemeente Hardenberg, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg; gelet op de artikelen 2.1.3, artikel 2.1.4 en artikel 2.1.4a eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid, 2.1.4b tweede lid, 2.1.6, 2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015); gelezen het advies van de Participatieraad Sociaal Domein Hardenberg van 4 juli 2022; overwegende dat: • Inwoners een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven. • Het noodzakelijk is om inwoners te ondersteunen als zij beperkingen ondervinden in hun maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid en zij niet in staat zijn om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen hiervoor een oplossing te vinden. • Het noodzakelijk is om inwoners met psychische of psychosociale problemen en inwoners die vanwege huiselijk geweld of om andere redenen de thuissituatie hebben verlaten, te ondersteunen bij het zich handhaven in de samenleving als zij hier niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen toe in staat zijn.
• Het noodzakelijk is om bij verordening regels te stellen met betrekking tot de invulling van de plicht tot ondersteuning. • Het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische, psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving. • Het noodzakelijk is om regels vast te stellen over de door het college te verlenen maatwerkvoorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling daarvan, de afwegingsfactoren bij een maatwerkvoorziening, over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een maatwerkvoorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen. • En de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget (hierna: pgb) wordt vastgesteld, voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wmo 1
en regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een maatwerkvoorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. besluit: vast te stellen de “Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hardenberg 2023”. Hoofdstuk 1: Begrippen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze verordening wordt verstaan onder: a. algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die: - niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; - daadwerkelijk beschikbaar is; - een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat is tot zelfredzaamheid of participatie, en; - financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. b. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet; c. budgetplan: door de inwoner ingediend inhoudelijk plan met begroting en doelen voor de invulling van het pgb. Uit het plan en het (bewuste keuze)gesprek dient te blijken dat de inwoner of zijn pgb-beheerder in staat is om het pgb te beheren en dat de zorg en ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht veilig, doeltreffend en inwonergericht wordt verstrekt; d.
cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. e. deskundige: professional werkzaam bij of voor de gemeente Hardenberg binnen het maatschappelijk domein; f. eigen bijdrage: financiële bijdrage van de inwoner als bedoeld in artikel 2.1.4 en artikel 2.1.4a van de wet; g. financiële tegemoetkoming: voor een specifiek doel te verstrekken bedrag zonder dat dit (geheel) kostendekkend hoeft te zijn; h. fraude: het opzettelijk en structureel onjuist handelen, en daarmee handelen in strijd met de geldende regelgeving, met het oog op eigen of andermans financieel gewin; i. gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; j. gesprek: het mondelinge contact bij het onderzoek naar de hulpvraag waarin een deskundige met een inwoner diens problematiek en de gevolgen daarvan alsmede de gewenste resultaten of doelen van de te kiezen oplossingen bespreekt. Dit kunnen meerdere gesprekken zijn; k.
ondersteuningsplan: het plan dat het Samen Doen team in samenspraak met de inwoner dan wel diens vertegenwoordiger, en waar mogelijk met de mantelzorger(s), 2
opstelt met betrekking tot de benodigde zorg en ondersteuning. Het beschrijft de ondersteuning die de inwoner nodig heeft en daarin concreet wat het te behalen resultaat of doel is met deze ondersteuning; l. hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en waar hij in de brp staat ingeschreven; m. hulpmiddel: het gaat hier om allerlei roerende zaken, die bedoeld zijn om beperkingen in zelfredzaamheid en participatie weg te nemen of te verminderen. Roerende zaken zijn alle zaken die niet onroerend zijn. Voorbeelden zijn een losse drempelhulp, een tillift, een rolstoel, een scootmobiel en een aangepaste fiets; n. hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet; o. informele ondersteuning/ondersteuner is: - ondersteuning die geboden wordt door het sociaal netwerk van inwoner en die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 1 onder u; - ondersteuning die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in lid 1 onder u, maar tot het sociaal netwerk van de inwoner horen. p. inwoner: Ingezetene van de gemeente Hardenberg door of namens wie de hulpvraag gemeld is of een inwoner die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening is verstrekt. q.
melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet; r. nadere regels: nadere regels Wmo Hardenberg 2023. s. persoonlijk plan: plan waarin de inwoner een voorstel doet over welke maatschappelijke ondersteuning naar eigen mening het beste past bij diens ondersteuningsbehoefte; t. persoonsgebonden budget (ook wel pgb genoemd): bedrag waarmee namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren en die een inwoner van derden wil ontvangen; u. pgb-aanbieder: Van een professionele ondersteuner/aanbieder is sprake als de ondersteuning verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van het sociale netwerk van de inwoner: - personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over een VOG en afgeronde en voor de ondersteuning relevante opleidingen/diploma’s, zoals genoemd in bijlage 1, die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; - personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel.
Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over een VOG en afgeronde en voor de ondersteuning relevante opleidingen/diploma’s, zoals genoemd in bijlage 1, die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
3
v. Samen Doen team: • consulenten die het voorliggend veld goed kennen. Zij leveren informatie en advies. Ze gaan met inwoners op zoek naar oplossingen vanuit het eigen netwerk of in de eigen omgeving. Ook leveren ze (indien nodig) kortdurende ondersteuning (maximaal 5 gesprekken) waarna de inwoner weer zelfstandig 'door' kan; • consulenten met kennis van wet- en regelgeving op gebied van Wmo. Zij ondersteunen inwoners bij het maken een ondersteuningsplan, bepalen of er inzet van maatwerk nodig is en zo ja met welke doelen en hoeveel tijd daarvoor nodig is. Zij begeleiden inwoners bij het proces om hun veerkracht te vinden. Indien nodig vervullen ze de rol van casusregisseur, organiseren van een multidisciplinair overleg en bewaken van afstemming en voortgang. w. toezichthouder: een door het college aangewezen persoon of partij die, krachtens de bevoegdheden uit hoofdstuk 6 van de wet toezicht uitoefent op naleving van de kwaliteits,-veiligheids,- en rechtmatigheidseisen van de dienstverlening die valt binnen de Wmo 2015. x. uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; y. wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; z. woonvoorziening: Een voorziening die inwoner in staat stelt om normaal gebruik te (blijven) maken van hun woning.
Voorbeelden zijn: woningaanpassingen, verhuiskostenvergoeding, losse woonvoorzieningen(zoals een tillift of douchestoel) en woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of niet-woontechnische aard; aa. vertegenwoordiger: iemand uit het sociale netwerk of professional zoals een bewindvoerder, mentor of curator die de inwoner bijstaat. bb. VOG: Verklaring Omtrent het Gedrag, mag bij aanvang werkzaamheden door gecontracteerde of pgb-aanbieder niet ouder zijn dan drie maanden; cc. voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee geheel of gedeeltelijk aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen en waardoor een maatwerkvoorziening achterwege kan blijven; dd. hulpverleningsplan: het plan dat door de aanbieder samen met de inwoner wordt opgesteld waarin duidelijke afspraken over de levering van de hulp of ondersteuning (inclusief methodieken en interventies) worden opgenomen ten behoeve van het realiseren van de doelen. 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.
Hoofdstuk 2: Melding en vooronderzoek Artikel 2.1. Melding 1. Een hulpvraag kan door of namens de inwoner vormvrij bij het college of het Samen Doen team worden gemeld. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.
4
3. Als de inwoner hulp nodig heeft bij het formuleren van zijn hulpvraag, kan hij gebruik maken van gratis cliëntondersteuning. Hierbij is het belang van de inwoner het uitgangspunt. 4. Het college informeert de inwoner over de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 3.1 van deze verordening. 5. Bij de ontvangst van de melding informeert het college de inwoner of zijn vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het gesprek, zijn rechten en plichten en de vervolgprocedure. Hoofdstuk 3: Onderzoek en verslaglegging Artikel 3.1. Onderzoek 1. Het Samen Doen team onderzoekt namens het college in een gesprek samen met de inwoner, en/of zijn vertegenwoordiger, die de melding heeft gedaan, zo spoedig mogelijk na ontvangst van de melding: a. wat de hulpvraag is van de inwoner; b. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de inwoner; c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d.
de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de inwoner; f. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; g. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; h. welke hulp nodig is in vorm, duur en frequentie; i. welke bijdragen in de kosten de inwoner met toepassing van artikel 2.1.4a van de wet verschuldigd zal zijn. 2.
Tijdens het gesprek wordt aan de inwoner in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor zorg in natura, een financiële tegemoetkoming of pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn. 3. Kiest een inwoner voor een pgb, dan wordt tijdens het gesprek eveneens gekeken of er aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 7.1 e.v. van deze verordening wordt voldaan. 5
4. Het college informeert de inwoner over de mogelijkheid om een aanvraag als bedoeld in artikel 4.1 van deze verordening in te dienen. 5. Het college is bevoegd om in het belang van het onderzoek: a. De inwoner(s) op te roepen om in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem of hen te bevragen. b. Als dit nodig is voor het onderzoek, de inwoner, zijn mantelzorger of bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten op te roepen voor een gesprek of een onderzoek door een daartoe aangewezen deskundige. c. Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen. 6. Als de hulpvraag en de situatie van inwoner genoegzaam bekend is, kan het college, met toestemming van de inwoner, afzien van onderzoek. Artikel 3.2. Het ondersteuningsplan 1. De schriftelijke weergave van de uitkomst van het onderzoek wordt opgenomen in het ondersteuningsplan. 2. Na het laatste gesprek verstrekt het college of het Samen Doen team het ondersteuningsplan binnen vijf werkdagen aan de inwoner. 3. Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden aan het schriftelijk verslag toegevoegd en maken daar deel van uit. 4. Indien het ondersteuningsplan niet binnen zes weken geretourneerd wordt, kan het college beslissen de melding niet verder meer in behandeling te nemen.
Hoofdstuk 4: Aanvraag en afhandeling maatwerkvoorziening Artikel 4.1. Aanvraag 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt door of namens een inwoner schriftelijk ingediend bij het Samen Doen team of het college. 2. Als aanvraag maatwerkvoorziening wordt door het college aangemerkt: a. Een voor akkoord ondertekend ondersteuningsplan als bedoeld in hoofdstuk 3. b. Een ondersteuningsplan inclusief ondertekend aanvraagformulier door inwoner. 3. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden ingediend nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding. Artikel 4.2. Toegang en besluit 1. Het college legt het besluit op een aanvraag maatwerkvoorziening vast in een beschikking. 2. De inwoner moet zich, indien van toepassing, binnen drie maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij de aanbieder van de maatwerkvoorziening of het pgb binnen drie maanden gebruiken voor het doel of resultaat waarvoor het is verstrekt.
6
Artikel 4.3. Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening staat of deze voorziening in natura, als financiële tegemoetkoming of als pgb wordt verstrekt. 2. Het ondersteuningsplan maakt deel uit van de beschikking. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: a. welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat de omgang en het beoogde resultaat of doel daarvan is; b. of de maatwerkvoorziening in bruikleen of in eigendom wordt verstrekt; c. de ingangsdatum en de duur van de verstrekking; d. indien van toepassing de termijn van drie maanden waarbinnen de inwoner zich bij de aanbieder moet hebben gemeld als bedoeld in artikel 4.2 lid 2 van deze verordening; e. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening; 4. bij een maatwerkvoorziening in bruikleen, dient inwoner een bruikleenovereenkomst te tekenen. 5. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb of financiële tegemoetkoming vermeldt de beschikking in ieder geval: a. aan welk resultaat of doel dit moet worden besteed; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb of tegemoetkoming; c. wat de hoogte van het pgb of tegemoetkoming is en hoe deze is bepaald; d.
de ingangsdatum en de duur van de verstrekking; e. de termijn van drie maanden waarbinnen de inwoner het pgb of tegemoetkoming moet besteden als bedoeld in artikel 4.2 lid 2 van deze verordening; f. hoe de besteding van het pgb of tegemoetkoming verantwoord moet worden, en; g. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening. Hoofdstuk 5: Algemene voorzieningen Artikel 5.1. Toegangscriteria voor de algemene voorziening Huishoudelijke Hulp 1. Een inwoner komt in aanmerking voor de algemene voorziening Huishoudelijke Hulp als hij voldoet aan de volgende voorwaarden: a. is woonachtig in de gemeente Hardenberg; b. heeft geen Wlz-indicatie; c. heeft lichamelijke en/of psychische en/of psychosociale problemen waardoor hij langdurig, in ieder geval langer dan 6 weken, (een deel van) de huishoudelijke klussen niet meer kan doen; d. heeft geen huisgenoten om het huishouden te doen/ de inwoner heeft huisgenoten, maar zij zijn niet in staat om het (volledige) huishouden te doen; e. door of namens de inwoner kan aan anderen worden uitgelegd welke huishoudelijke taken moeten worden uitgevoerd (de inwoner of iemand in zijn directe omgeving kan de regie houden). Artikel 5.2.
Resultaten van de algemene voorziening Huishoudelijke Hulp Onder de algemene voorziening Huishoudelijke Hulp vallen de volgende resultaten: 7
1. Schoon en leefbaar huis; 2. Wasvoorziening (beddengoed wassen en beschikken over schone kleding). Hoofdstuk 6: Maatwerkvoorzieningen Artikel 6.1. Algemene criteria 1. Het college neemt het ondersteuningsplan als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. 2. Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in zijn zelfredzaamheid of participatie, als de inwoner de beperkingen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van: - eigen kracht en/of; - gebruikelijke hulp en/of; - mantelzorg en/of; - hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of; - algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of; - algemene voorzieningen en/of; - andere voorzieningen. 3. Een inwoner met psychische of psychosociale problemen en een inwoner die vanwege huiselijk geweld of om een andere reden de thuissituatie heeft verlaten, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, als de inwoner de problemen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van: - eigen kracht en/of; - gebruikelijke hulp en/of; - mantelzorg en/of; - hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of; - algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of; - algemene voorzieningen en/of; - andere voorzieningen. 4.
Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen over de maatwerkvoorzieningen die op grond van lid 2 en lid 3 beschikbaar zijn. Artikel 6.2. Algemene voorwaarden en weigeringsgronden 1. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst compenserende voorziening. 2. De maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt indien deze gezien de beperkingen van de inwoner, veilig voor zichzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt. 3. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: a. als de inwoner geen ingezetene is van de gemeente Hardenberg; b. als voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; c. als de gevraagde voorziening al eerder aan de inwoner is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is. Tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die 8
niet aan de inwoner zijn toe te rekenen of de inwoner de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt; d. als deze niet hoofdzakelijk op het individu is gericht; e. als deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding; f. de te treffen voorziening niet proportioneel en doeltreffend is. De met de voorziening gepaard gaande kosten dienen in verhouding te staan tot de ondervonden beperkingen en het te bereiken doel of resultaat. g. als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de inwoner rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan. h. als het college van oordeel is dat een inwoner zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, kan het college besluiten dat de inwoner niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie. i. als de inwoner een indicatie heeft voor zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg of er redenen zijn om aan te nemen dat de inwoner daarvoor in aanmerking komt, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover, tenzij artikel 8.6a van de wet van toepassing is; j.
als de inwoner de gevraagde voorziening voor de melding van de hulpvraag of vóór de beslissing op de aanvraag heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er naar het oordeel van het college sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de inwoner dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen. k. als de inwoner de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. 4. De inwoner is zelf verantwoordelijk voor een afdoende verzekering tegen verlies, diefstal en schade als hij een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of vervoersvoorziening in eigendom of pgb verstrekt heeft gekregen. Voor een hulpmiddel of vervoersvoorziening verstrekt in bruikleen geldt dat inwoner zelf verantwoordelijk is voor een afdoende verzekering tegen verlies, diefstal en schade in het buitenland. 5. De inwoner mag gedurende de looptijd van zijn maatwerkvoorziening wisselen tussen de gecontracteerde aanbieders van diensten(begeleiding en huishoudelijk hulp). Inwoner moet daarvoor een opzegtermijn van één kalendermaand in acht nemen en gemotiveerd aangeven aan het college waarom hij wil wisselen van aanbieder.
De opzegtermijn gaat in op de eerste dag van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin de opzegging is gedaan. De inwoner neemt hiervoor contact op met de nieuwe aanbieder en de scheidende aanbieder. 6. Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen over maatwerkvoorzieningen. Artikel 6.3. Aanvullende criteria voor begeleiding individueel 1. In aanvulling op de criteria uit de artikelen 6.1 en 6.2 kan een inwoner na onderzoek begeleiding individueel ontwikkelingsgericht krijgen als hij eveneens voldoet aan de volgende criteria: - de inwoner ondervindt beperkingen in zijn zelfredzaamheid en/of participatie en door het krijgen van deze begeleiding verbetert zijn zelfredzaamheid en participatie; 9
- er is gebleken dat progressie of vooruitgang mogelijk is; - de inwoner moet zonder deze begeleiding verblijven in een instelling of verwaarloost thuis, en; - de inwoner geen recht heeft op een indicatie vanuit andere voorliggende wetgeving (bijvoorbeeld de Wet langdurige zorg (Wlz) of Zorgverzekeringswet (Zvw). 2. In aanvulling op de criteria uit artikelen 6.1 en 6.2 kan een inwoner na onderzoek begeleiding individueel stabilisatie krijgen als hij eveneens voldoet aan de volgende criteria: - de inwoner ondervindt beperkingen in zijn zelfredzaamheid en/of participatie en door het krijgen van deze begeleiding worden de vaardigheden van de inwoner behouden en wordt achteruitgang voorkomen; - de inwoner heeft een licht tot matig complexe hulpvraag, die niet door de lokale basiszorg of andere voorliggende voorzieningen opgepakt kan worden; - een matig tot goede voorspelbaarheid van de hulpvraag. Onverwachte hulpvragen zijn planbaar en uitstelbaar tot volgende contactmomenten of telefonisch contact tijdens kantooruren, en; - de inwoner geen recht heeft op een indicatie vanuit andere voorliggende wetgeving (bijvoorbeeld de Wet langdurige zorg (Wlz) of Zorgverzekeringswet (Zvw). 3.
Het is niet toegestaan een overeenkomst af te sluiten met een aanbieder dan wel een derde (in geval van een pgb) waarin het bieden van de geïndiceerde ondersteuning mede afhankelijk is van de woonruimte die door de organisatie dan wel derde wordt geboden, tenzij het verblijf onderdeel is van de indicatie. 4. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen begeleiding individueel voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt. Artikel 6.4. Aanvullende criteria voor begeleiding groep 1. In aanvulling op de criteria uit de artikelen 6.1 en 6.2 kan een inwoner in aanmerking komen voor begeleiding groep ontwikkelingsgericht als hij eveneens voldoet aan de volgende criteria: a. de inwoner ondervindt beperkingen in zijn zelfredzaamheid en/of participatie en door deelname aan dagactiviteiten behoudt of mogelijk verbetert hij zijn zelfredzaamheid en participatie, en; b. de inwoner kan (nog) geen (aangepast) werk of vrijwilligerswerk verrichten; c. de inwoner beschikt (nog) niet over arbeidsvermogen, of; d. de inwoner moet zonder dagactiviteiten verblijven in een instelling of verwaarloost thuis, en; e. de inwoner heeft of kan geen indicatie vanuit andere voorliggende wetgeving (bijvoorbeeld de Wet langdurige zorg (Wlz) of Zorgverzekeringswet (Zvw) krijgen; f.
de inwoner ondersteuning en groepsbegeleiding nodig heeft om tot maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid te komen, de schoolgang te herstellen/starten en te profiteren van effecten op hun welbevinden en welzijn; g. de verwachting is dat inwoner in groepsverband beter de gestelde doelen kan behaald; h. de inwoner ondersteuning nodig heeft om vaardigheden aan te leren die noodzakelijk zijn om uitstroom vanuit de maatwerkvoorziening naar een vervolgplek mogelijk te maken. 10
2. In aanvulling op de criteria uit de artikelen 6.1 en 6.2 kan een inwoner in aanmerking komen voor begeleiding groep belevingsgericht als hij eveneens voldoet aan de volgende criteria: a. de inwoner voldoet aan de criteria uit a t/m e uit lid 1; b. de inwoner onder een doelgroep valt met specifieke behoeften door chronische, psychische en/of psychosociale problemen; c. de inwoner meer ondersteuning nodig heeft dan in het voorliggend veld geboden kan worden en ontwikkelingsgerichte (geïndiceerde) daginvulling voor deze inwoner een stap te ver of niet meer mogelijk is; d. er is een mantelzorger die moet worden ontlast, indien er risico is op overbelasting van deze mantelzorger; e. de inwoner bij wie het (samen) bezig zijn en daar plezier aan beleven voorop staat, waarbij verschillende activiteiten nodig zijn om structuur geven aan zijn dagelijkse functioneren en/of het opbouwen/vergroten van een sociaal netwerk; f. laagdrempelige ontmoetingsvoorzieningen, waarin vrijwilligers en medewerkers meer ondersteuning kunnen bieden aan inwoners, zodat deze gewoon mee kunnen doen; g. de beperkingen van de inwoner begeleiding door een professional vragen, begeleiding aanbieden door alleen vrijwilligers is niet afdoende; 3. Een inwoner komt in aanmerking voor vervoer van en naar de begeleiding groep als: a. de inwoner een maatwerkvoorziening heeft op grond van lid 1 of 2; b.
de inwoner niet op eigen kracht of met behulp van zijn netwerk op de locatie van begeleiding groep kan komen, en; c. de inwoner een maatwerkvoorziening heeft naar de dichtstbijzijnde adequate begeleiding groepslocatie. 4. Het is niet toegestaan een overeenkomst af te sluiten met een aanbieder dan wel een derde (in geval van een pgb) waarin het bieden van de geïndiceerde ondersteuning mede afhankelijk is van de woonruimte die door de organisatie dan wel derde wordt geboden, tenzij het verblijf onderdeel is van de indicatie. 5. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen begeleiding groep voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt. Artikel 6.5 Aanvullende criteria beschermd wonen en maatschappelijke opvang 1. In aanvulling op de criteria uit de artikelen 6.1 en 6.2 kan een inwoner alsmede eventuele kinderen van deze inwoner in aanmerking komen voor opvang als hij eveneens voldoet aan de volgende criteria: a. hij feitelijk of residentieel dakloos is en niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; en b.
hij de situatie van feitelijk of residentieel dakloosheid niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in voldoende mate kan verminderen of wegnemen; en c. opvang een passende, noodzakelijke en tijdelijke bijdrage levert aan het voorkomen van dakloosheid, het psychosociaal functioneren, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar voor de inwoner of 11
anderen en de behoefte van de inwoner met als doel het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 2. In aanvulling op de criteria uit de artikelen 6.1 en 6.2 kan een inwoner alsmede eventuele kinderen van deze inwoner in aanmerking komen voor opvang als hij eveneens voldoet aan de volgende criteria: a. deze de thuissituatie heeft verlaten, vanwege risico’s voor de veiligheid van de inwoner en/of de kinderen van deze inwoner als gevolg van huiselijk geweld, en de inwoner niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; en b. deze de opvangsituatie niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen in voldoende mate kan verminderen of wegnemen; en, c. opvang een passende, noodzakelijke en tijdelijke bijdrage levert aan het afwenden van gevaar voor de inwoner of zijn kinderen, voorkomen van dakloosheid, het psychosociaal functioneren, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en de behoefte van de inwoner met als doel het realiseren van een situatie waarin de inwoner en/of zijn kinderen in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht en in een veilige situatie te handhaven in de samenleving. 3.
In aanvulling op de criteria uit de artikelen 6.1 en 6.2 kan een inwoner in aanmerking komen voor beschermd wonen als hij eveneens voldoet aan de volgende criteria: a. hij psychische- of psychosociale problemen heeft en niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; en, b. hij de situatie van psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in de thuissituatie in voldoende mate kan verminderen of wegnemen; en, c. beschermd wonen een passende en noodzakelijke bijdrage levert aan het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie, het psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, voorkomen van maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar voor de inwoner of anderen en daarbij voorziet in het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Artikel 6.6. Aanvullende criteria woonvoorzieningen 1. In aanvulling op de criteria uit artikelen 6.1 en 6.2 kan een inwoner in aanmerking komen voor een woonvoorziening als deze gericht is op: a.
het verminderen of wegnemen van de beperkingen in het normale gebruik van de woning; of b. het kunnen gebruiken van de daartoe noodzakelijke ruimte(n), in de woning waar de inwoner zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. 2. Een woonvoorziening wordt slechts verstrekt voor de woning waar de inwoner zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. Ook bij co-ouderschap is er sprake van één hoofdverblijfplaats. 3. In aanvulling op de criteria uit lid 1 en 2 wordt geen woonvoorziening verstrekt: 12
a. ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing worden verstrekt. b. als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Er kan dan wel een verhuiskostenvergoeding worden verstrekt; c. als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden. d. als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen. e. als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is. f. als de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college; g. als het primaat van verhuizen uit artikel 6.7 van toepassing is. 4.
In afwijking van lid 2 kan voor inwoners die in een Wlz-instelling wonen één woning bezoekbaar gemaakt worden in Hardenberg, als: a. de inwoner zijn hoofdverblijf heeft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg, en; b. er nog geen andere woning bezoekbaar is of zal worden gemaakt. 5. Onder het bezoekbaar maken van de woning wordt uitsluitend verstaan het bereikbaar maken van de woning, de woonkamer en het toilet. De inwoner kan maximaal €3.000 toegekend krijgen om deze aanpassingen te realiseren. 6. Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen voor de verstrekking van woonvoorzieningen. 7. Het bedrag genoemd in lid 5 wordt jaarlijks geïndexeerd en opgenomen in het financieel besluit Wmo en jeugd. 6.7. Aanvullende criteria woonvoorzieningen en het primaat van verhuizen 1. In aanvulling op de criteria uit artikel 6.1,6.2 en 6.6 komt een inwoner in aanmerking voor een woningaanpassing en woonvoorziening van niet-bouwkundige aard als: a. er sprake is van een zelfstandige woning zoals bedoeld in de wet op Huurtoeslag, en; b. de aan te passen woning in de gemeente Hardenberg staat, en; c. de woning naar verwachting nog minstens tien jaar in stand blijft, en; d. verhuizen niet de goedkoopst adequate voorziening is. 2.
Een inwoner kan voor een woningaanpassing en voor woonvoorzieningen van nietbouwkundige aard in aanmerking komen indien hulpmiddelen of losse woonvoorzieningen niet voldoende compenserend zijn, verhuizing naar een aangepaste of aanpasbare woning niet te realiseren is, niet de goedkoopst adequate oplossing is of uit maatschappelijk oogpunt onaanvaardbaar is. 3. Verhuizing naar een aangepaste of aanpasbare woning heeft geen voorrang, indien de som van de kosten van het aanpassen van die woning en het treffen van een woonvoorziening van niet-bouwkundige aard aan die woning minder bedraagt dan het 13
jaarlijks door het college vast te stellen bedrag, opgenomen in het financieel besluit Wmo en jeugd. 4. Indien verhuizen de goedkoopste adequate oplossing biedt, verstrekt het college een verhuiskostenvergoeding van maximaal € 3.000,-. 5. Het bedrag genoemd in lid 4 wordt jaarlijks geïndexeerd en opgenomen in het financieel besluit Wmo en jeugd. Artikel 6.8. Aanvullende criteria vervoershulpmiddel en vervoersvoorziening 1. in aanvulling op de criteria uit artikel 6.1 en 6.2 kan een inwoner een vervoersvoorziening krijgen om: a. winkels binnen zijn leefomgeving te kunnen bereiken; b. sociale contacten te kunnen onderhouden; c. te kunnen deelnemen aan activiteiten, al dan niet in de vorm van een algemene voorziening, binnen zijn leefomgeving. d. de dagelijkse noodzakelijke verplaatsingen in en rondom de woning te kunnen doen. 2. Om de resultaten als bedoeld in het vorige lid onder a, b en c te bereiken, worden verplaatsingen mogelijk gemaakt tot 1.500 kilometer per jaar. 3.
In aanvulling op criteria uit de artikelen 6.1 en 6.2, kan een inwoner voor collectief vervoer ‘Mijn Taxi op Maat’ in aanmerking komen als hij zich door aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek, inclusief een chronische, psychische en/of psychosociaal probleem, niet lokaal kan verplaatsen en geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer of van algemeen gebruikelijke vervoersmiddelen zoals een fiets of auto zonder aanpassingen en hierdoor een participatieprobleem ervaart. Inwoner ontvangt bij toekenning van deze voorziening een Wmo-vervoerpas. 4. Een inwoner kan in aanmerking komen voor een individuele vervoersvoorziening als deze langdurig noodzakelijk is en het collectief vervoer niet afdoende is. 5. Voor het collectief vervoer gelden eveneens de volgende uitgangspunten: a. Het maatwerkvervoer wordt ingezet ter bevordering van de participatie binnen de samenleving. b. Er wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte uitsluitend rekening gehouden met verplaatsingen in het kader van het leven van alledag, die zich binnen 25 kilometer vanaf het woonadres afspelen, tenzij er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, die een grotere vervoersbehoefte aannemelijk maken. c. Inwoners krijgen een kilometerbudget van 1500 kilometer per jaar.
Indien blijkt dat het kilometerbudget van 1500 kilometer per jaar niet voldoende toereikend is, kan het kilometerbudget verhoogd worden mits onderbouwd wordt waarom deze ophoging noodzakelijk is. d. Inwoners betalen voor het maatwerkvervoer een reizigersbijdrage die afhankelijk is van het type rit en de lengte van een rit; de tarieven zijn opgenomen in artikel 8.2 van de Verordening. e. Op verzoek van de inwoner mag een sociale begeleider meereizen. De sociaal begeleider kan familie, een vriend of kennis zijn. De sociaal begeleider betaalt dezelfde reizigersbijdrage als de inwoner. f. Indien noodzakelijk kan een medisch begeleider meereizen. Het college geeft hiervoor een indicatie medische begeleiding af. De medisch begeleider biedt zorg en ondersteuning die de chauffeur niet kan bieden tijdens de rit en hoeft geen
14
6. 7.
8.
9.
reizigersbijdrage te betalen. Er mag dan niet zonder medische begeleider gereisd worden. Buiten de 25 kilometergrens gemeten vanaf het woonadres, kunnen inwoners gebruik maken van Valys. Als het collectieve vervoer niet passend is en het gebruik van de eigen auto of taxi voor inwoner noodzakelijk is voor het zich verplaatsen in de leefomgeving, en dit aantoonbaar leidt tot meerkosten ten opzichte van de als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten, kan een voorziening verstrekt worden voor het gebruik van de eigen auto in de vorm van een financiële tegemoetkoming. De hoogte van deze tegemoetkoming is maximaal 2000 km x kilometerprijs alleen variabele kosten middenklasse uit de geldende Prijzengids Nibud. Dit bedrag wordt jaarlijks vastgelegd in het financieel besluit Wmo en Jeugd. Voor zover de vervoersbehoeften van gezinsleden (gehuwden, samenwonende partners, ouder en minderjarig kind of twee inwonende kinderen) niet samenvallen, wordt in totaal niet meer dan anderhalf maal een enkele voorziening toegekend, als bedoeld in lid 7 van dit artikel. Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen over vervoersvoorzieningen.
Artikel 6.9. Aanvullende criteria voor rolstoelvoorzieningen 1. In aanvulling op de criteria uit de artikelen 6.1 en 6.2 kan een inwoner in aanmerking komen voor een rolstoelvoorziening als wegens aantoonbare beperkingen het voor hem noodzakelijk is om zich regelmatig in of om de woning zittend te verplaatsen. 2. Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen over rolstoelvoorzieningen. Artikel 6.10. Aanvullende criteria voor sportvoorzieningen 1. Een inwoner kan eens per drie jaar voor een financiële tegemoetkoming van maximaal € 2.500 in aanmerking komen voor de aanschaf/onderhoud van een sportvoorziening als aantoonbare beperkingen het sporten zonder sportvoorziening onmogelijk maken. 2. Het college kan de financiële tegemoetkoming uit lid 1 betaalbaar stellen op basis van een door het college goedgekeurde declaratie of factuur. 3. Het bedrag genoemd in lid 1 wordt jaarlijks geïndexeerd en opgenomen in het financieel besluit Wmo en jeugd. Artikel 6.11. Maatwerkvoorziening Huishoudelijke Hulp 1. In aanvulling op de criteria uit de artikelen 6.1 en 6.2 kan een inwoner Huishoudelijke Hulp krijgen voor een of meer van de volgende resultaten: a. het schoon en leefbaar houden van de ADL-ruimten in de woning; b. het beschikken over schone en draagbare kleding en beddengoed; c. het beschikken over de benodigde dagelijkse maaltijden; d.
het thuis kunnen zorgen voor de minderjarige kinderen; e. regie voeren van het huishouden. 2. Met het oog op het objectiveren van de resultaten, als genoemd in lid 1, wordt door het college vastgesteld wat de aard van de frequentie is van de te verrichten taken. 3. Een inwoner komt niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden indien hij zelf of één of meer huisgenoten heeft die naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kunnen verlenen.
15
4. Een inwoner komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp als zijn hulpvraag wordt gecompenseerd door de algemene voorziening huishoudelijke hulp. 5. Bij het oordeel of gebruikelijke hulp kan worden gevergd houdt het college onverminderd de wettelijke definitie- in ieder geval rekening met: a. de omvang van de ondersteuningsbehoefte; b. de leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen; c. de omstandigheid dat een huisgenoot regelmatig niet aanwezig is vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter. 6. Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen inzake huishoudelijke hulp.
Hoofdstuk 7: De voorwaarden voor een persoonsgebonden budget. Artikel 7.1. Voorwaarden pgb 1. Als een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor diensten (o.a. begeleiding en huishoudelijke hulp), maar de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een door het college te verstrekken pgb, beoordeelt het college of wordt voldaan aan alle wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb zoals omschreven in artikel 2.3.6 van de wet. 2. Het college beoordeelt of de inwoner en/of zijn pgb-beheerder (indien van toepassing), in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen en het uitvoeren van de aan een pgb verbonden taken. De inwoner of zijn pgb-beheerder dient ten minste aan te geven dat: a. hij zijn eigen situatie overziet, dan wel die van de inwoner en hij een duidelijk beeld heeft van de zorgvraag, de belangen en ondersteuning die inwoner nodig heeft; b. wat de inwoner wenst in te kopen met het pgb en waarom de inwoner de ondersteuning in de vorm van een pgb wenst te ontvangen; c. waarom de maatwerkvoorziening in redelijkheid geschikt is om het doel of resultaat te behalen waarvoor het pgb is verstrekt; d. indien van toepassing; wie de inwoner heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren; e.
hij op de hoogte is van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb, of weet die zelf bij de desbetreffende instanties (online) te vinden; f. hij in staat is om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden, waardoor hij inzicht heeft in de bestedingen van het pgb; g. hij voldoende vaardig is om te communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar of het zorgkantoor, de SVB en zorgverleners; h. hij in staat is om zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een pgb-aanbieder of informele ondersteuner te kiezen en kan ook motiveren waarom deze geschikt is. i. hij in is staat om afspraken te maken en vast te leggen, en om dit te verantwoorden aan verstrekkers van het pgb; j. hij kan beoordelen en beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; k. hij de inzet van een pgb-aanbieder en/ of informele ondersteuner kan coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; 16
l.
hij is in staat om als werk- of opdrachtgever de pgb-aanbieder of informele ondersteuner aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; m. hij voldoende juridische kennis heeft over het werk- of opdrachtgeverschap of weet deze kennis te vinden; n. er geen sprake is van een omstandigheid zoals genoemd in artikel 7.3 lid 2 van de verordening; o. de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is. 3. De informele ondersteuner en/of de pgb-aanbieder legt met de inwoner of de pgbbeheerder ten aanzien van het waarborgen van de kwaliteit van de ondersteuning het volgende vast in het budgetplan: a. of de inwoner in staat is tot waardering van zijn eigen belangen; b. hoe de inwoner zelf of met hulp van iemand uit het sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren; c. welke zorgverlener de zorg gaat verlenen; d. wie de directe zorgverlener(s) is. Kiest inwoner voor een pgb-aanbieder, dan moet bij het budgetplan een VOG worden aangeleverd, niet ouder dan 3 maanden voor aanvang werkzaamheden; e. wat de deskundigheid is van de directe zorgverlener(s) en of deze over een afgeronde voor de ondersteuning relevante opleiding beschikt zoals genoemd in bijlage 1. Hiervan moet een bewijs/diploma worden meegeleverd als het een pgbaanbieder betreft; f.
wie de directe zorgverlener(s) kan vervangen bij afwezigheid; g. welke doelen of resultaten behaald moeten worden; h. op welke wijze de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt; i. op welke wijze de inwoner een juiste administratie gaat bijhouden; j. op welke wijze de inwoner een contract aangaat met de pgb-aanbieder; k. hoe hij omgaat met geconstateerde onjuistheden; l. op welke wijze de zorg gecontroleerd wordt; m. welke concrete acties ingezet worden om de gestelde doelen te bereiken; n. waar en wanneer de ondersteuning gaat plaatsvinden; o. de kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; p. wie de pgb-aanbieder vervangt bij ziekte. q. Bij de informele ondersteuner dient eveneens te worden aangeven dat: - de inwoner een gelijkwaardig of beter resultaat kan behalen als iemand uit het sociale netwerk de zorg verleent en; - als dit leidt tot volwaardige dienstverlening die passend is aan de hulpvraag van de inwoner, en; - de informele ondersteuner die de ondersteuning levert op geen enkele wijze druk op de inwoner uit te oefenen bij zijn besluit om een pgb aan te vragen. 4. Het college beoordeelt of de inwoner (of zijn pgb-beheerder) in staat is om het pgb te beheren.
Daarnaast beoordeelt het college of de ondersteuning die de inwoner met het pgb wenst in te kopen naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit is en dus veilig, doeltreffend, doelmatig en inwonergericht is. Het pgb-beheer en de kwaliteit van 17
de ondersteuning wordt getoetst door het bewuste keuzegesprek en het budgetplan zoals omschreven in lid 1 t/m 3. 5. De kwaliteit van de met het pgb ingekochte professionele ondersteuning voldoet minimaal aan de eisen die de gemeente stelt aan de gecontracteerde zorgaanbieders die vergelijkbare ondersteuning leveren. Hierbij moeten pgb-aanbieders en een eventuele onderaannemer die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaamheden verricht, voldoen aan de (kwaliteits)criteria zoals genoemd in bijlage 1, en: a. ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007); b. adequaat opgeleid personeel in dienst hebben met een afgeronde voor de ondersteuning relevante opleiding zoals genoemd in bijlage 1; c. een VOG van alle werknemers (en eventueel vrijwilligers) kunnen overleggen, niet ouder dan 3 maanden; d. beschikken over een volledig geïntegreerd kwaliteitssysteem dat voldoet aan de landelijke eisen(minimaal ISO-9001 versie 2015 of gelijkwaardig); e. een verklaring betalingsgedrag belastingdienst kunnen tonen; f. een afschrift van de meest recente jaarrekening - of in het geval van een ZZP’er een balans en een winst- en verliesrekening -kunnen tonen; g. verzekerd zijn tegen beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheid; h. aangesloten zijn bij een beroepsvereniging. 6.
Een pgb is alleen mogelijk indien naar het oordeel van het college wordt voldaan aan alle voorwaarden, zoals genoemd in hoofdstuk 7 van deze verordening, om in aanmerking te komen voor een pgb en: a. er geen weigeringsgrond van toepassing is zoals omschreven in artikel 7.5; b. in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde doel of resultaat; c. er op geen enkele manier druk is uitgeoefend om de dienstverlening, in welke vorm dan ook, van deze persoon of organisatie te betrekken. 7. Het niet voldoen aan de kwaliteitseisen heeft tot gevolg dat het college de aanvraag van de inwoner voor ondersteuning in de vorm van een pgb afwijst. Het college kan de pgbaanbieder een waarschuwing met een redelijke hersteltermijn geven of de pgbaanbieder niet (langer) accepteren in het kader van een pgb. 8. De inwoner of zijn pgb-beheerder dient een arbeids-of zorgovereenkomst af te sluiten met de pgb-aanbieder en/of informele ondersteuner. 9. Indien inwoner of zijn pgb-beheerder niet (volledig) het budgetplan (of andere relevante formulieren) invult of niet meewerkt aan de gesprekken omtrent het pgb wordt, na het bieden van een hersteltermijn, geen pgb verstrekt. Artikel 7.2. Aanvullende criteria pgb kwaliteitseisen informele ondersteuner 1.
Naast de criteria uit artikel 7.1 van deze verordening, wordt van de inwoner verwacht dat hij eerst een beroep doet op zijn sociale netwerk, tenzij dit niet mogelijk is. Er wordt geen pgb verstrekt waarvan het gebruikelijk is dat de activiteiten door het sociaal netwerk worden verricht, zoals: a. (sociale) activiteiten ondernemen met de inwoner; b. het doen van de boodschappen; c. lichte huishoudelijke taken; d. het maken van afspraken en/of het meegaan naar afspraken met specialisten; 18
e. vervoer naar afspraken met specialisten.
Artikel 7.3. Voorwaarden pgb-beheerder 1. Het beheren van het pgb kan door zowel de inwoner als door een pgb-beheerder worden uitgevoerd. Indien de pgb-beheerder het pgb gaat beheren, dan zijn de regels over het pgb beheer waar inwoner wordt genoemd van overeenkomstige toepassing op de pgb-beheerder. 2. Het college acht een persoon niet in staat de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren indien bij hem sprake is van een of meerdere van de volgende omstandigheden: a. problematische schuldenproblematiek; b. ernstige verslavingsproblematiek; c. aangetoonde fraude begaan in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag; d. een aanmerkelijke verstandelijke beperking; e. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; f. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; g. het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; h. twijfels op overige gronden over de pgb-vaardigheid, zoals opgenomen in artikel 7.1 lid 2. 3. Naast hetgeen dat bepaald is in het vorige lid wordt een pgb-beheerder alleen geacht de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren indien: a. hij eerste of tweedegraads bloed-of aanverwant is van de inwoner, tenzij bijzondere omstandigheden aanleiding geven om het beheer te laten uitvoeren door iemand die tot het sociaal netwerk behoort; b.
hij door de rechtbank is aangesteld als mentor, curator of bewindvoerder; c. hij niet tevens de pgb-aanbieder of informele ondersteuner is van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht. De pgb-beheerder is in ieder geval niet tevens de pgb-aanbieder of informele ondersteuner, diens vast/flexibel personeel, diens organisatie adviseur of op andere wijze aan de zorgaanbieder verbonden persoon (de combinatie van zorgverlener en pgb-beheerder in één persoon of instantie is gezien de belangenverstrengeling onwenselijk en niet toegestaan); d. er geen sprake is van een (financiële) relatie tussen de pgb-beheerder en de pgbaanbieder of informele ondersteuner; e. er geen sprake is van belangenverstrengeling tussen de pgb-beheerder en de pgbaanbieder of informele ondersteuner; f. er sprake is van voldoende nabijheid in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd; g. hij de belangen van de inwoner voldoende kan behartigen zoals omschreven in artikel 7.1.; h. hij de inwoner ondersteunt van aanmelding tot evaluatie van zorg, de rechten van de inwoner beschermt en ook integraal aanspreekpunt is; i. hij de aan een pgb verbonden taken kan uitvoeren zoals omschreven in artikel 7.1. 4. Als pgb-beheer plaatsvindt door een professional, zoals een bewindvoerder, dan dient deze zijn diensten aan te bieden tegen marktconform tarief. Het college kan vragen om een bewijs van betaling. 5.
De pgb-beheerder heeft minimaal 1 keer per maand contact met de inwoner en zorgverlener.
19
6. De pgb-beheerder dient aan te geven dat het beheren van het pgb voor hem of haar niet tot overbelasting leidt. 7. Indien de vertegenwoordiger een bemiddelingsbureau is, moet het tevens het Per Saldo opgestelde keurmerk dragen. Dit keurmerk wordt beheerd door het Keurmerkinstituut. 8. Een inwoner krijgt maximaal twee keer de mogelijkheid om een pgb-beheerder aan te dragen. Indien geen geschikte pgb-beheerder wordt aangedragen, zal de aanvraag voor ondersteuning in de vorm van een Pgb worden afgewezen. Artikel 7.4. Evalueren zorg 2. Iedere 6 maanden vindt er een evaluatiegesprek plaats tussen de pgb-aanbieder en/of informele ondersteuner, de inwoner en eventueel de pgb-beheerder. 3. Van dit evaluatiegesprek wordt een evaluatieverslag opgesteld. 4. Het college kan voorwaarden stellen aan het evaluatieverslag. 5. Het evaluatieverslag wordt opgestuurd naar het college. Artikel 7.5 Besteding pgb 1. De pgb budgethouder mag vanuit het budget de volgende uitgaven doen: • Alle bijkomende kosten voor de zorgverleners, zoals de werkgeverslasten voor zorgverleners met een arbeidsovereenkomst en wettelijk toegestane vergoedingen, zoals reiskostenvergoedingen voor woon- werkverkeer, verlofregelingen en pensioenvoorziening; • Vervoerskosten, als er sprake is van begeleiding met een indicatie voor vervoer van en naar de plek waar de begeleiding wordt geboden.
De vergoeding voor deze kosten bedraagt maximaal het gehanteerde tarief die de gemeente heeft vastgesteld bij gecontracteerd aanbieders. 2. Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura. 3. Het pgb bestaande uit een vergoeding voor het hulpmiddel of vervoersvoorziening kan worden aangevuld met de kosten voor onderhoud, reparatie en verzekering indien van toepassing. 4. Het pgb mag niet worden besteed aan kosten voor: a. bemiddeling (tussenpersonen of belangenbehartigers); b. het voeren van een pgb-administratie; c. ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; d. feestdagenuitkering, overlijdensuitkering of een eenmalige uitkering; e. alle overige reiskosten behalve de vervoerskosten als genoemd in lid 1 (in welke vorm dan ook); f. huur, eten en drinken; g. contributie voor lidmaatschappen (bijvoorbeeld van Per Saldo); h. het volgen van cursussen over het pgb; i. kosten van informatiemateriaal; j. alle zorg en ondersteuning die onder een andere wet dan de Wmo valt; k. alle zorg en ondersteuning die onder een algemene voorziening/ en of algemeen gebruikelijke voorziening vallen; l. eigen bijdrage van het CAK; m. tolken (de gemeente verwacht dat een aanbieder intercultureel kan werken); n. ondersteuning die ingezet wordt in het buitenland; 20
o. loondoorbetaling bij ziekte; p. overige bijkomende kosten. 5. Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel. 6. Voor zover de inwoner in zijn vervoersbehoefte kan voorzien door middel van collectief vervoer, wordt geen pgb verstrekt, omdat dit het voortbestaan van het systeem van collectief vervoer in gevaar brengt. 7. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt. 8. Een pgb wordt niet toegekend voor crisisopvang of crisishulp. 9. Een combinatie van zorg in natura en pgb binnen één maatwerkvoorziening is niet mogelijk. 10. Om de kwaliteit van de ondersteuning te waarborgen mag een hulpverlener die via het pgb wordt ingehuurd, nooit meer dan 40 uur per week ondersteuning verlenen. Dit geldt zowel voor een pgb-aanbieder als informele ondersteuner. 11. Het is niet toegestaan een overeenkomst af te sluiten met een aanbieder dan wel een derde (in geval van een pgb) waarin het bieden van de geïndiceerde ondersteuning mede afhankelijk is van de woonruimte die door de organisatie dan wel derde wordt geboden, tenzij het verblijf onderdeel is van de indicatie. 12. Het college verstrekt geen pgb voor ondersteuning van een pgb-aanbieder of informele ondersteuner die fraude heeft gepleegd. 13.
Het college verstrekt geen pgb voor ondersteuning van een pgb-aanbieder of informele ondersteuner indien er twijfels zijn over de integriteit van de een pgb-aanbieder of informele ondersteuner, wat zich in ieder geval voordoet indien deze: a. betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de ondersteuning in gevaar brengen; b. verdacht is geweest van strafbare feiten dan wel daarvoor veroordeeld is geweest; c. bestuursrechtelijke en/of fiscaalrechtelijke boetes opgelegd heeft gekregen; d. bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen opgelegd heeft gekregen in de vorm van een last onder bestuursdwang en/of dwangsom; e. er sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de pgb-aanbieder en/of zijn directie en/of de aan hen gelieerde vennootschappen een zakelijk samenwerkingsverband onderhouden met derden die in relatie staan tot strafbare feiten of daarvan verdacht worden; f. zich niet professioneel gedraagt. Hiervan is onder andere sprake indien de pgbaanbieder zich intimiderend opstelt, geen voorbeeldfunctie toont of incidenten hebben plaatsgevonden binnen de uitvoering van zijn functie. 14. Verstrekking in de vorm van pgb vindt niet of niet langer plaats als: a.