Vaststellingsversie bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Rheezerveenseweg 61, Rheezerveen verzamelbestand
Tekst van het document
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.6
Geur
5.6.1
Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur per units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen.
Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht. De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Bij een gemeentelijke verordening kunnen andere maximale geurbelastingen en minimale afstanden worden vastgesteld. Van deze mogelijkheid heeft de gemeenteraad van de gemeente Hardenberg in 2009 gebruik gemaakt. Op basis van de Geurverordening Hardenberg gelden onder voorwaarden andere waarden, waarbij een gebiedsindeling in acht is genomen. Voor de locatie van de compensatiewoning geldt een norm van 14 Ou[E]/m3 en onder voorwaarden een minimale afstand van 25 meter.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Rheezerveensew eg 61, Rheezerveen | PAGINA 49
5.6.2
Activiteitenbesluit
Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 5.6.3
Situatie plangebied
De geplande ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de geurhinder, aangezien woningen geen bron van geurhinder zijn. Wel bevinden zich in de omgeving van het plangebied diverse (intensieve) veehouderijen. Zie de vorige paragraaf met betrekking tot milieuzonering. Hier blijkt dat ten aanzien van de omliggende bedrijven in alle gevallen ruimschoots aan de vaste afstand van 50 meter wordt voldaan. Het gaat in dit geval om compensatiewoningen in het kader van Rood voor Rood. Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij (artikel 14.2 lid 2) worden compensatiewoningen in het kader van Rood voor Rood en voormalige agrarische bedrijfswoningen (in combinatie met het buiten werking stellen van een agrarisch bedrijf) gelijk gesteld aan bedrijfswoningen. In deze gevallen dient rekening te worden gehouden met een minimale (vaste) afstandsnorm van 50 meter, ook voor intensieve veehouderijen. De intensieve veehouderijen worden dan ook geenszins beperkt, aangezien aan de vaste afstand van 50 meter wordt voldaan en er in alle gevallen reeds woningen op een kortere afstand van de betreffende bedrijven gelegen zijn dan de beoogde woningen in het plangebied. Echter wenst de gemeente wel inzicht te verkrijgen in het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Hiertoe is een agrarisch geuronderzoek uitgevoerd, waarbij zowel de voor- als de achtergrondbelasting in kaart is gebracht.
Het onderzoek is als Bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. De belangrijkste resultaten en conclusies worden hierna uiteengezet. Er is onderzocht of ter plaatse van het plangebied een voldoende woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd als gevolg van de voor- en achtergrondgeurbelasting. Omdat in een straal van 1.000 m in de omgeving van de planontwikkeling slechts één veehouderij is gevestigd is uitsluitend een berekening van de voorgrondbelasting aan de orde. Uit de berekening van de voorgrondgeurbelasting volgt dat deze ten gevolge van de veehouderij aan de Rheezerveenseweg 63a ten hoogste 1,2 OUE/m3 bedraagt ter plaatse van de te realiseren woning binnen het plangebied. Op basis van de kwalificaties is het woon- en leefklimaat als gevolg van de voorgrondgeurbelasting te kwalificeren als ‘goed’ ter plaatse van de te realiseren woning binnen het plangebied. 5.6.4
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Rheezerveensew eg 61, Rheezerveen | PAGINA 50
5.7
Ecologie
5.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en het Nederlands Natuurnetwerk (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.1 Natura 2000-gebieden Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied aan de Rheezerveenseweg is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied in het kader van de Natuurbeschermingswet. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Vecht- en Beneden-Reggegebied’ bevindt zich op circa 4,0 kilometer afstand. Overige Natura 2000-gebieden bevinden zich op ten minste 19 kilometer afstand. Gezien de afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling is door BJZ.nu een stikstofberekening uitgevoerd middels de Aerius-calculator. Hieronder worden de resultaten weergegeven en in Bijlage 4 is de volledig berekening opgenomen.
Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de gebruiksfase blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het plan is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied behoort niet tot het NNN. Gronden die tot NNN behoren liggen op circa 1,5 kilometer ten oosten (Reestdal) en 1,7 kilometer ten zuiden (Vechtdal) van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de onderlinge afstand tot de NNN is geen sprake van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. 5.7.3
Soortenbescherming
5.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Rheezerveensew eg 61, Rheezerveen | PAGINA 51
5.7.3.2 Situatie plangebied In voorliggend geval heeft Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 5 bij deze toelichting gevoegd. In de volgende alinea's worden de belangrijkste resultaten en conclusies uiteengezet. De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepaling het opzettelijk ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode.
In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten veldmuizen er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Amfibieën, vogels en vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied. Amfibieën en vogels gebruiken het plangebied wel als foerageergebied maar vleermuizen niet. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk veldmuizen gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats van een veldmuis beschadigd of vernield. Voor veldmuizen, die een rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen het `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van veldmuizen.
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige diersoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. 5.7.4
Conclusie
Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de ligging van het plangebied op enige afstand van beschermd (natuur)gebied, hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op beschermd (natuur)gebied, zoals het Natuurnetwerk Nederland en Natura2000-gebied. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Rheezerveensew eg 61, Rheezerveen | PAGINA 52
5.8
Archeologie & cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied Het plangebied is getoetst aan de gemeentelijke archeologische beleidskaart. Een uitsnede van deze kaart is opgenomen in afbeelding 5.2.
Afbeelding 5.2: Uitsnede archeologische beleidskaart (Bron: Gemeente Hardenberg) Het plangebied ligt op gronden die op de archeologische beleidskaart zijn aangeduid als 'Waarde - archeologie 5'. Voor dergelijke gronden geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2. De voorgenomen ontwikkeling gaat niet gepaard met bodemingrepen groter dan 2.500 m2. Daarnaast is de bodem al verstoord door de aanwezigheid van de bestaande bebouwing. Archeologisch onderzoek is dan ook niet benodigd. Voor het behoud en de bescherming van de eventueel aanwezige archeologische waarden is de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 5’ conform het bestemmingsplan ‘Buitengebied Hardenberg' opgenomen in het plangebied.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Rheezerveensew eg 61, Rheezerveen | PAGINA 53
5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rek ening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de monumentenlijst van de gemeente Hardenberg, geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten in of rondom het plangebied. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er daarnaast geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt met betrekking tot voorliggend plan. 5.8.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden. 5.9
Besluit milieueffectrapportage
5.9.1
Kader
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Rheezerveensew eg 61, Rheezerveen | PAGINA 54
en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. Beoordeling gehanteerd. 5.9.2
Situatie plangebied
5.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Vecht- en Beneden-Reggegebied' is gelegen op circa 4 kilometer afstand van het plangebied. In dit geval is uit de stikstofberekening reeds gebleken dat er geen sprake is van significante negatieve effecten ten aanzien van Natura 2000-gebied. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van de sloop van landschapontsierende bebouwing en het toevoegen van een woning.
Het gaat binnen het plangebied om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling (het toevoegen van één woning), waarbij het aantal verkeersbewegingen niet (onevenredig) toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving (zie Hoofdstuk 5). Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het onderdeel D van Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk en Hoofdstuk 6 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Rheezerveensew eg 61, Rheezerveen | PAGINA 55
milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 5.9.3
Conclusie
De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is niet m.e.r.(beoordelings)-plichtig.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Rheezerveensew eg 61, Rheezerveen | PAGINA 56
Hoofdstuk 6
Wateraspecten
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Met de vaststelling van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is het NWP 2016-2021 op enkele onderdelen gewijzigd. Tezamen geven beide documenten op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). In relatie tot de NOVI wordt de doorwerking geregeld in de Omgevingswet. 6.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4
Waterschap Vechtstromen
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van het waterschap Drents Overijsselse Delta heeft het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. Hieronder volgt een toelichting op de doelen in het waterbeheerplan. Overstromingen, wateroverlast of droogte te voorkomen of beperken. Inwoners kunnen hierdoor op een goede manier wonen en werken. Boeren en natuurbeheerders kunnen goed gebruik maken van de grond. Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het water in de volle breedte. Een
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Rheezerveensew eg 61, Rheezerveen | PAGINA 57
goede ecologische en chemische kwaliteit van het (oppervlakte) water is belangrijk. Het water is schoon en gezond en inwoners kunnen hiervan genieten. Ook de doelen voor waterkwaliteit die voortvloeien uit Europese wetgeving; de Kaderrichtlijn Water (KRW) maken onderdeel uit van dit plan. Afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties effectief en efficiënt behandelen. Niet alleen wordt geprobeerd om de schadelijke stoffen uit het water te halen, ook wordt geprobeerd om van deze stoffen nieuwe producten te maken en nieuwe toepassingen te zoeken.
6.2
Waterparagraaf
6.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Watertoetsprocedure
Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de 'korte procedure' van toepassing is. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. In Bijlage 6 is de standaard waterparagraaf opgenomen die van toepassing is bij de 'korte procedure'. 6.2.3
Wateraspecten
Het plangebied ligt niet binnen een grondwaterbeschermings-, intrek- of waterwingebied. Er is geen sprake van wateroverlast in het plangebied. Daarnaast is er geen oppervlakte in het plangebied aanwezig. Hemelwater wordt in de bodem rondom de compensatiewoning geïnfiltreerd. Binnen het plangebied is hiervoor meer dan voldoende ruimte. Bovendien is er met dit plan sprake van een forse afname aan bebouwing en verharding, wat een positief effect heeft voor de waterhuishouding. De nieuwe woning zal worden aangesloten op het bestaande afvalwater riool.
6.3
Conclusie
De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen gaat akkoord met het voorgenomen plan. Het aspect water vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Rheezerveensew eg 61, Rheezerveen | PAGINA 58
Hoofdstuk 7 7.1
Juridische aspecten en planverantwoording
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is. 7.2
Opzet van de regels
7.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit wijzigingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs-en slotregels. 7.2.2
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Om op een eenduidig manier afstanden, oppervlaktes en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. 7.2.3
Bestemmingsregels
Dit hoofdstuk bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.;
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Rheezerveensew eg 61, Rheezerveen | PAGINA 59
bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, goothoogte, etc.); afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde(n) mag afgeweken worden van de aangegeven bouwregels; specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig zijn of onder welke voorwaarden toegestaan zijn; afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde(n) mag afgeweken worden van de aangegeven bestemming en/of specifieke gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; wijzigingsbevoegdheden: welke wijzigingsbevoegdheden gelden voor het bestemmingsplan. In paragraaf 7.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor de desbetreffende bestemming is gekozen. 7.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit is hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 6) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven. Deze regel bevat een bepaling waarmee de afstanden tot water en wegen wordt gerespecteerd. Algemene gebruiksregels (Artikel 7) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Het gaat onder meer over het uitsluiten van besluit-m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten en het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen. Algemene afwijkingsregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Algemene wijzigingsregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels geven burgemeester en wethouders onder andere de bevoegdheid om het plan te wijzigen ten behoeve van ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan. Overige regels (Artikel 11) In dit artikel zijn overige regels opgenomen.
Het betreft onder meer regels ten aanzien van welstand, de APV en parkeerregels. 7.2.5
Overgangs- en slotregels
In dit Hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Rheezerveensew eg 61, Rheezerveen | PAGINA 60
7.3
Verantwoording van de regels
7.3.1
Bestemmingen
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. Agrarisch met waarden - Besloten veenontginningslandschap (Artikel 3) De gronden tussen de twee woonpercelen, hebben de agrarische gebiedsbestemming 'Agrarisch met waarden - Besloten veenontginningslandschap' gekregen. Deze bestemming is opgenomen zonder bouwvlak. Zodoende is het wegbestemmen van het agrarisch bedrijfsperceel gewaarborgd. Wonen - Besloten veenontginningslandschap (Artikel 4) Middels dit bestemmingsplan wordt de voor het plangebied opgenomen bestemming ‘Agrarisch met waarden - Besloten veenontginningslandschap’ gewijzigd in de bestemming ‘Wonen – Besloten veenontginningslandschap’.
De voor ‘wonen’ bestemde gronden zijn bestemd voor wonen, met inbegrip van aan-huis-verbonden beroepen, tuinen en erven. Om de kenmerken van het lint van Rheezerveen te behouden zijn aanvullende bouwregels opgenomen. Zo is bepaald dat de woning vrijstaand dient te worden gebouwd en mag per woonperceel één woning worden gebouwd. Voor het overige sluiten de regels aan bij de 'standaard' voor het buitengebied van Hardenberg. Binnen de specifieke gebruiksregels van de bestemming ‘Wonen’ is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om de uitvoering van de landschapsmaatregelen en de sloop conform het Ruimtelijk Kwaliteitsplan te waarborgen. Dit is tevens met een aanduiding op de verbeelding aangegeven. Waarde - Archeologie 5 (Artikel 5) In dit geval is de dubbelbestemming Artikel 5 Waarde - Archeologie 5 conform het geldend bestemmingsplan overgenomen. De gronden met deze bestemmingen zijn, naast de andere bestemming, bedoeld voor het behoud en bescherming van gebieden met een archeologische verwachtingswaarde. Een omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden beschermt de archeologische waarde van de grond.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Rheezerveensew eg 61, Rheezerveen | PAGINA 61
Hoofdstuk 8
Economische uitvoerbaarheid
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe is een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Rheezerveensew eg 61, Rheezerveen | PAGINA 62
Hoofdstuk 9 9.1
Vooroverleg
Vooroverleg
Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 9.1.1
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2
Provincie Overijssel
Voorliggend bestemmingsplan is aan de provincie Overijssel voorgelegd in het kader van artikel 3.3.1. Bro. De provincie geeft aan dat het plan in haar ruimtelijk beleid past. 9.1.3
Waterschap Vechtstromen
In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. De uitkomsten van deze watertoets hebben geleid tot de 'korte procedure'. Daarmee geeft het waterschap een positief wateradvies. Nader overleg met het waterschap is niet noodzakelijk.
9.2
Inspraak
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In het voorliggende geval wordt geen voorontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd.
9.3
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van zes weken voor eenieder ter inzage gelegen. Binnen deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend, het bestemmingsplan kan daarom ongewijzigd door de gemeenteraad worden vastgesteld.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Rheezerveensew eg 61, Rheezerveen | PAGINA 63
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Rheezerveensew eg 61, Rheezerveen | PAGINA 64
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Rheezerveensew eg 61, Rheezerveen | PAGINA 65
Bijlage 1
Ruimtelijk kwaliteitsplan
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Rheezerveensew eg 61, Rheezerveen | PAGINA 66
ruimtelijk kwaliteitsplan Rheezerveenseweg 61 Rheezerveen
colofon Door:
dé Erfontwikkelaar b.v. Radewijkerweg 9 7791 RJ Radewijk
2
Telefoonnummer
06 24 88 38 28
herbert@erfontwikkelaar.nl
Internet
www.erfontwikkelaar.nl
Project
1485
Auteur
H. Oldehinkel
Datum laatst gewijzigd
8 juli 2022, 9:37
Bestandsnaam
1485-RKP-RR-002
Aantal pagina’s
18
3 Inhoudsopgave colofon
2
introductie
4
overzicht ontwikkeling
6
vigerend beleid
8
ontstaan van het landschap
10
het bestaande erf
12
landschappelijke inpassing
14
landschapsmaatregelen
16
sfeerbeelden van het erf
17
introductie
dé Erfontwikkelaar b.v. heeft het voorliggende ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld in het kader van een ruimte voor ruimte aanvraag te Rheezerveen. Het plan bestaat uit het saneren van 1045 m2 landschapsontsierende bebouwing waarbij één compenatiewoning middels de beleidsnotitie ‘Erven met kwaliteit’ worden bestemd. Het erf aan de Rheezerveenseweg 61 kent momenteel een woonbestemming met landschapsontsierende bebouwing. Na sloop van alle landschapsontsierende kan er een compensatiewoning ten noorden van het bestaande erf gerealiseerd worden. Het gemeentelijk beleid in deze beoogt dat de bestaande (cultuurhistorische) kwaliteit een belangrijke rol speelt bij de uitstraling en uitdraging van de karakteristiek van het gebied. De gemeente heeft hiervoor de LandschapsIdentiteitskaarten als beleidskader.
4
5
Rheezerveenseweg 61
locatie
overzicht ontwikkeling
Het erf aan de Rheezerveenseweg 61 was in gebruik als varkens- en melkveehouderij. Nu de stallen net meer in bedrijf zijn kennen de opstallen geen gebruikswaarde meer. Eigenaar is voornemens om alle landschapsontsierende opstallen te slopen. Een bestaande wagenberging kent nog gebruikswaarde en zal behouden blijven. Deze schuur staat aansluitend op de te behouden boerderij waarmee een compact erf ontstaat. In 2019 is naast de boerderij middels de buurtschappennota een woning bestemd. De voorwaardelijke verplichtingen inzake de landschapsmaatregelen zijn tevens opgenomen in het plan. Naast het saneren van de landschapsontsierende bebouwing zal de overtollige verharding opgeruimd worden. In samenspraak met het ruimtelijk kwaliteitsteam van de gemeente Hardenberg is een geschikte locatie voor de compensatiewoning gevonden ten noorden van het bestaande erf.
6
7
beoogde locatie compensatiewoning
te slopen schuren
te behouden schuur
boerderij
reeds bestemde woning
te slopen landschapsontsierende bebouwing en de te behouden schuur en boerderij
vigerend beleid
VISIENOTA BUITENGEBIED HARDENBERG DE VISIENOTA BUITENGEBIED HARDENBERG
OMGEVINGSVISIE OVERIJSSEL
Het perceel Rheezerveenseweg 61 valt in gebied Rheezerveen.
Het gebied ligt in de natuurlijke laag HOOGVEEN met het VEENKOLONIAAL ONTGINNINGSLANDSCHAP als agrarisch cultuurlandschap. De ontwikkelingspersectief is dat de schoonheid van de moderne landbouw zichtbaar moet zijn.
In de Visienota Buitengebied worden, op hoger niveau, gebiedskenmerken beschreven en ontwikkelingsrichtingen aangegeven. Dit is in LIK’s en de Ontwikkelingsvisie verder uitgewerkt.
Op waterhuishoudkundig geïsoleerde plekken (waar het regenwater wordt vastgehouden) ontwikkelde zich in het zandgebied op kleine en grote schaal hoogveen. De grootste delen van het hoogveen zijn afgegraven en als turf-blokken afgevoerd en verstookt. Vanuit linten werd het omliggende hoogveengebied middels opstrekkende verkavelingen, vrij kleinschalig, grotendeels ontgonnen. De hoogveenontginningslandschappen zijn te herkennen aan de opstrekkende verkavelingen. De hoogveenontginningen kunnen zich verder ontwikkelen als stoer ‘gebruikslandschap’, gedragen door de moderne landbouw. Hierbij is consequent aandacht nodig voor de dragende elementen in de landschapsstructuur: de karakteristieke lange lijnen, de opdeling in grote royale kamers en de prachtige boscomplexen en singels die als wanden van de kamers fungeren.
GEBIEDSKENMERKEN Landschapstype: heideontginningslandschap Landschapsbeeld: kleinschalig Huidige functies: landbouw en wonen LANDSCHAPSIDENTITEITSKAARTEN: RHEEZE – DIFFELEN EN OMGEVING. Het plangebied is beschreven in de LandschapIdentiteitsKaart (LIK): DEDEMSVAART ZUID-RHEEZERVEEN-HEEMSERVEEN. In de LIK worden de specifieke kenmerken en kwaliteiten van het deelgebied vastgelegd, welke de basis vormen van zowel het bestemmingsplan als de structuurvisie en het landschapsontwikkelingsplan. Het plangebied ligt in het BESLOTEN VEENONTGINNINGSLANDSCHAP. Uit het LIK (en het achtergronddocument) zijn die zaken aangehaald welke bruikbaar zijn voor het plan en de inrichting van het plangebied.
8
STERK: Verspreide bebouwing langs wegen Lintbebouwing Rheezerveen Doorzichten lintbebouwing zoals Rheezerveen Bebouwing achter het lint langs Strak, rechtlijnig wegenpatroon en wegbeplanting Rationele lange strokenverkaveling vanuit ontginningsas Rechthoekige erven met kopgevel naar de weg Landschap halfopen tot besloten Agrarisch-bos-recreatie
ZWAK: veel verdwenen wijken; erven landschappelijk niet goed ingepast.
KANSEN: Behoud zichtbaarheid strookvormige verkaveling slagen; versterken erfopbouw en erfbeplanting.
BEDREIGINGEN: verdere verrommeling door afname agrarische functie.
9
hoogveen
besloten veenontginningslandschap
natuurlijke laag
veenkoloniaal landschap
laag van het agrarisch cultuurlandschap
landschapsidentiteitskaart
ontstaan van het landschap
Op de kaart van 1900 is te zien dat Rheezerveen enkel nog uit woeste gronden bestond. Pas begin 20e eeuw is het Rheezerveen ontgonnen en zijn er vespreid door het gebied kleine boerderijen ontstaan. Met het verharden van de Rheezerveenseweg is enige lintbebouwing onstaan. Deze bestaat in de nabijheid van het plangebied hoofdzakelijk uit particuliere woningen. Verder van de kern af is het een gemengd gebied met agrarische bedrijven en burgererven. Ten zuiden van de kern Rheezerveen is enige bos aangeplant op de gronden die niet geschikt waren voor landbouw. De verspreid liggende erven in het veen zijn nooit verdwenen. Nog steeds zijn er verspreid door het gebied 'groene eilanden' aanwezig. De kern Rheezerveen is mede door de inbreiding in het kader van de Buurtschappennota verdicht tot een lintbebouwing. Het landschap is praktisch en rechtlijning ingericht met hoofdzakelijk groen op erven en langs wegen. De aangelegde bossen maken het gebied richting het zuiden kleinschaliger.
10
situatie 2021
11
situatie 1975
situatie 190o
het bestaande erf
Binnen de beleidsnotitie ‘Erven met kwaliteit’ wordt de mogelijkheid gegeven om een compensatiewoning op het erf te realiseren indien hier minimaal 850 m aan landschapsontsierende bebouwing wordt gesloopt. Op dit erf wordt 1045 m2 gesloopt waarmee ruim aan deze voorwaarde wordt voldaan. Een bestaande boerderij met wagenberging blijft behouden. . De landschapsidentiteitskaart geeft als kwaliteit aan: verspreide bebouwing langs wegen doorzichten lintbebouwing rechthoekige erven in de verkavelingsrichting, met kopgevel naar de weg erfbeplanting halfopen tot besloten landschap
Nu de stallen worden gesloopt is het belangrijk dat het plan hier op aangepast wordt. Daarmee is een compact erf belangrijk. Om de kwaliteitswinst te halen die de beleidsnota verlangd bij dergelijke ontwikkelingen is gekozen om niet op de plek van de schuren te bouwen. Hiermee zou het erf te groot worden. Ook is het gebiedsvreemd om direct 'achter' een bestaande woning te gaan bouwen. Gezien de vele verspreide erven in het relatief open landschap is het passender op de compensatiewoning 'los' van het bestaande erf te bouwen. Wel moet het dan als een groen eiland in de open ruimte komen te liggen en moet het erf opgenomen worden binnen de bestaande structuur van het landschap.
de bestaande boerderij
Het erf bestaat uit een boerderij en tuin richting de weg met daarachter enkele agrarische opstallen. Met de bouw van de woning aan de westzijde van het erf wordt uitvoering gegeven aan een eerder vastgesteld plan. Hierin wordt ook het bestaande erf landschappelijk ingepast.
12
de te slopen stallen
5
57
95
or
do jk ki
73
56 20
haag voor boerderij hoogstam fruitbomen
het reeds vastgestelde plan (2019)
project
1485 5 maart 2018 a3
rij zomereiken op grens als KGO
formaat
21
,5 34
aanplant houtsingel langs agrarisch erf als KGO
1 (3)
aanplant erfbosje als KGO
tekeningno
datum
13
landschappelijke inpassing
De nieuwe woning met bijgebouw Het nieuwe erf sluit aan bij de karakteristiek van het besloten hoogveenontginningslandschap. Naast de compensatiewoning moet ook het bestaande erf landschappelijk geod worden ingepast. De bestaande inrit blijft de ontsluiting van het erf. Ook de nieuwe kavel wordt middels dit bestaande pad ontsloten. De bebouwing staat overeenkomstig de gebiedskenmerken haaks of gelijk op/aan de weg, dit sluit aan bij het orthogonale patroon van het hoogveenontginningslandschap. De bestaande bebouwing in Rheezerveen bestaat veelal uit een eenvoudige bouwvorm zonder veel aanbouwen. Om de compensatiewoning aan te laten sluiten op deze bestaande bebouwing is gekozen voor één grote kap in lijn met de verkaveling. De woning moet bestaan uit bakstenen muren en een eenvoudig pannendak. (geen schuurwoning). De gevels kunnen worden bekleed met hout dat mooi verouderd. De woning zal geen opvallende details kennen en worden uitgevoerd in een eigentijdse maar landelijke architectuur. Aangezien er gekozen is voor een nieuw erf zal de compensatiewoning het hoofdgebouw worden. Deze zal ook zo ontworpen moeten worden. De welstandsnota is daarbij het toetsingskader.
14
Het bijgebouw mag maximaal 100 m2 groot worden en moet qua verschijning onderdanig aan de compensatiewoning zijn. Dit kan bereikt worden door bijvoorbeeld te kiezen voor een houten wandbekleding. Het bijgebouw mag apart of geschakeld aan de woning gebouwd worden. Indien het aan de woning gebouwd wordt dan dient het een lagere noklijn te hebben.
Groenstructuur en inrichting erf: De erven langs de Rheezerveenseweg zijn over het algemeen vrij open en al dan niet voorzien van enkele grote bomen. Richting de weg zijn de tuinen open en er is zicht op de bebouwing. Omdat de ontsluiting van het gebied voor 1930 anders was liggen de erven verspreider in het landschap dan gebruikelijk voorkomt in een hoogveenontginningslandschap. Om aan te sluiten op de gebiedkenmerken is er gekozen om het erf aan de noordzijde af te schermen met een houtsingel. De tuin daarentegen blijft opener met enkel een lage geschoren haag en enkele bomen. Er blijft zo zicht op het achterland maar het nieuwe erf krijgt hiermee wel de gewenste groene massa. De voortuin blijft open. De keuze voor de verharding moet in afstemming gemaakt worden met de materialisering van de architectuur. Verharding moet in een gedekte kleurstelling sober toegepast worden. Dit in afstemming met de kleurstelling van de gevels en overige materialisering van het woonhuis. Schuttingen en hoge opgaande exoten moeten in het buitengebied voorkomen worden. Rondom de woning is en tuin voorzien. Hier is ruimte voor de meer cultuurlijke beplanting. Op het bestaande erf is gekozen om een erfbosje aan te leggen. Hiermee blijft het erf compact en wordt voldaan aan de KGO die vanuit het vorige plan nodig was. Rondom de tuin is een beukenhaag voorzien.
De zichtlijn die vanuit het vorige plan als belangrijk werd gezien blijft behouden. Het erf wordt ontsloten door een halfverhard pad of een karrespoor. Op het erf is ruimte om te keren en te parkeren.
bestand
1. Bestaande kapschuur behouden
1485
project
Legenda
1485-eip-1.vwx
15
herbert
door
datum
3. Reeds bestemde woning (buurtschappennota)
20 juni 2022
2. Bestaande boerderij behouden
a3
schaal versie
1.0
Erfinrichtingsplan Rheezerveenseweg 61 Rheezerveen
www.erfontwikkelaar.nl telnr: 06 24 88 38 28
1 : 1000
formaat
1 (3)
8
5. Aanplant ruwe berk als boom
tekeningno
4. Compensatiewoning met bijgebouw
6. Hakhoutbosje (KGO vorige plan) 5
7. Aanplant zwarte els als boom 4
8. Aanplant houtsingel 7
10
9. Aanplant walnoot 10. Aanplant Hollandse linde
9
11
11. Aanplant wilde ligusterhaag 12. Aanplant hoogstam fruitbomen 6
13. Aanplant beukenhaag
1
2
5
12
13
3 11
laat je erf groeien! het erfinrichtingsplan
Aanplanten in driehoeksverband met tussen de rijen 1,5 (m) met een onderlinge afstand van 1 (m). Totale oppervlakte 550 m2 3.
Aanplant zwarte els - Alnus glutinosa Aanplantmaat 14-15 met een onderlinge afstand van 8 (m) Totaal 10 stuks met als eindbeeld een bomenrij
4.
Aanplant houtsingel van 5 (m) Alnus glutinosa - Zwarte els 5% Betula pendula - Ruwe berk 10% Prunus spinosa - Sleedoorn, 20% Crateagus monogyna - Eénstijlige meidoorn 20% Acer campestre - Veldesdoorn 10% Frangula alnus - Sporkehout 15% Viburnum opulus - Gelderse roos 15%
7
3
6 5
2 3
aanplanten in groepen van 3 met aanplantmaat 80-100 Rosa canina - Hondsroos 10% aanplanten in groepen van 5 langs de randen met aanplantmaat 40-60 7
Aanplanten in driehoeksverband met tussen de rijen 1,5 (m) met een onderlinge afstand van 1 (m). Totale oppervlakte 550 m2 5.
16
Aanplant walnoot - Juglans regia Aanplantmaat 14-16 Eindbeeld solitaire boom
6.
Aanplant Hollandse linde - Tillia x vulgaris Aanplantmaat 14-16 Totaal 2 stuks voor de woning Eindbeeld is een bomengroep
7.
Aanplant wilde liguster - Ligustrum vulgaris 5 st/m1 met als aanplantmaat 80-100 Eindbeeld is een geschoren haag van max. 1, (m) hoog
8.
Aanplant hoogstam fruitbomen - Malus/Pyrus/Prunus HO Aanplantmaat 12-14 met een onderlinge afstand van 6 (m) Totaal 3 stuks met als eindbeeld een boomgroep
9.
Aanplant beuken - Fagus sylvatica 5 st/m1 met als aanplantmaat 80-100 Eindbeeld is een geschoren haag van max. 1,5 (m) hoog
landschapsmaatregelen kavels in het lint
1 1
8
9 9
laat je erf groeien!
1485-eip-1.vwx
bestand
1 : 1000
herbert
1485
1.0
door schaal versie
20 juni 2022
project
1
Erfinrichtingsplan Rheezerveenseweg 61 Rheezerveen
Rosa canina - Hondsroos 10% aanplanten in groepen van 5 langs de randen met aanplantmaat 40-60
4
a3
datum
Aanplant hakhoutbosje bestaande uit: Alnus glutinosa - Zwarte els 5% Betula pendula - Ruwe berk 10% Prunus spinosa - Sleedoorn, 20% Crateagus monogyna - Eénstijlige meidoorn 20% Acer campestre - Veldesdoorn 10% Frangula alnus - Sporkehout 15% Viburnum opulus - Gelderse roos 15% aanplanten in groepen van 3 met aanplantmaat 80-100
formaat
2.
Aanplant ruwe berk - Betula pendula Aanplantmaat 14-15 met een onderlinge afstand van 6-8 (m) Totaal 6 stuks met als eindbeeld een bomenrij
1 (3)
1.
tekeningno
landschapsmaatregelen
Legenda
sfeerbeelden van het erf
17
sfeerbeeld erfbosje
hagen op het erf
weide rondom bestaande erf
eenvoudig pad naar woning
bomen op het erf
berken
laat je erf groeien
1485-eip-1.vwx
bestand
1. Bestaande kapschuur behouden
1485
project
Legenda
herbert 1 : 1000 1.0
door
www.erfontwikkelaar.nl telnr: 06 24 88 38 28
7
10
9
11
11. Aanplant wilde ligusterhaag 12. Aanplant hoogstam fruitbomen
6
13. Aanplant beukenhaag
1
2
5
12
13
3 11
laat je erf groeien!
schaal
4
8. Aanplant houtsingel
10. Aanplant Hollandse linde
a3
7. Aanplant zwarte els als boom
9. Aanplant walnoot
versie
5 tekeningno
6. Hakhoutbosje (KGO vorige plan)
formaat
8
5. Aanplant ruwe berk als boom
1 (3)
4. Compensatiewoning met bijgebouw
Erfinrichtingsplan Rheezerveenseweg 61 Rheezerveen
datum
3. Reeds bestemde woning (buurtschappennota)
20 juni 2022
2. Bestaande boerderij behouden
Aanplant houtsingel van 5 (m) Alnus glutinosa - Zwarte els 5% Betula pendula - Ruwe berk 10% Prunus spinosa - Sleedoorn, 20% Crateagus monogyna - Eénstijlige meidoorn 20% Acer campestre - Veldesdoorn 10% Frangula alnus - Sporkehout 15% Viburnum opulus - Gelderse roos 15%
3
6 5
2 3
aanplanten in groepen van 3 met aanplantmaat 80-100 Rosa canina - Hondsroos 10% aanplanten in groepen van 5 langs de randen met aanplantmaat 40-60
7
Aanplanten in driehoeksverband met tussen de rijen 1,5 (m) met een onderlinge afstand van 1 (m). Totale oppervlakte 550 m2 5.
Aanplant walnoot - Juglans regia Aanplantmaat 14-16 Eindbeeld solitaire boom
6.
Aanplant Hollandse linde - Tillia x vulgaris Aanplantmaat 14-16 Totaal 2 stuks voor de woning Eindbeeld is een bomengroep
7.
Aanplant wilde liguster - Ligustrum vulgaris 5 st/m1 met als aanplantmaat 80-100 Eindbeeld is een geschoren haag van max. 1, (m) hoog
8.
Aanplant hoogstam fruitbomen - Malus/Pyrus/Prunus HO Aanplantmaat 12-14 met een onderlinge afstand van 6 (m) Totaal 3 stuks met als eindbeeld een boomgroep
9.
Aanplant beuken - Fagus sylvatica 5 st/m1 met als aanplantmaat 80-100 Eindbeeld is een geschoren haag van max. 1,5 (m) hoog
1 1
8
9 9
laat je erf groeien!
1485-eip-1.vwx herbert 1 : 1000
1485
bestand door
20 juni 2022
1.0
4.
7
www.erfontwikkelaar.nl telnr: 06 24 88 38 28
Aanplant zwarte els - Alnus glutinosa Aanplantmaat 14-15 met een onderlinge afstand van 8 (m) Totaal 10 stuks met als eindbeeld een bomenrij
schaal
3.
1
a3
Aanplanten in driehoeksverband met tussen de rijen 1,5 (m) met een onderlinge afstand van 1 (m). Totale oppervlakte 550 m2
4
versie
Rosa canina - Hondsroos 10% aanplanten in groepen van 5 langs de randen met aanplantmaat 40-60
formaat
Alnus glutinosa - Zwarte els 5% Betula pendula - Ruwe berk 10% Prunus spinosa - Sleedoorn, 20% Crateagus monogyna - Eénstijlige meidoorn 20% Acer campestre - Veldesdoorn 10% Frangula alnus - Sporkehout 15% Viburnum opulus - Gelderse roos 15% aanplanten in groepen van 3 met aanplantmaat 80-100
1 (3)
Aanplant hakhoutbosje bestaande uit:
Erfinrichtingsplan Rheezerveenseweg 61 Rheezerveen
2.
datum
Aanplant ruwe berk - Betula pendula Aanplantmaat 14-15 met een onderlinge afstand van 6-8 (m) Totaal 6 stuks met als eindbeeld een bomenrij
tekeningno
1.
project
Legenda
Bijlage 2
Verkennend bodemonderzoek
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Rheezerveensew eg 61, Rheezerveen | PAGINA 87
Sigma Bouw & Milieu Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen Tel. (0591) 65 91 28 Fax (0591) 65 93 25 www.sigma-bm.nl E-mail info@sigma-bm.nl
december ’21
Onderwerp:
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN 5740+A1 Rheezerveenseweg nr. 61 te Rheezerveen
Projectnummer:
21-M10099
Opdrachtgever:
BJZ.nu
Datum:
15 december 2021
0
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Rheezerveenseweg nr. 61 te Rheezerveen
onderwerp
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN 5740+A1 Rheezerveenseweg nr. 61 te Rheezerveen
datum
15 december 2021
projectnummer
21-M10099
in opdracht van
BJZ.nu Twentepoort Oost 16A 7609 RG Almelo
uitgevoerd door
Sigma Bouw & Milieu Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen tel: (0591) 659128 fax:(0591) 659325
Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens de norm NEN-EN-ISO 9001:2015, het uitvoeren van milieukundige bodemonderzoeken en geotechnische onderzoeken Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Monsterneming Bouwstoffenbesluit SIKB 1000 protocol 1001: Monsterneming grond voor partijkeuringen”
Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek SIKB 2000 protocollen 2001, 2002 en 2018”
(het onderhavige onderzoek heeft uitsluitend betrekking op de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000, protocol 2001, 2002 en 2018)
Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt door middels van druk, fotokopie, microfilm of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de opdrachtgever of Sigma Bouw & Milieu.
december ’21
1
verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Rheezerveenseweg nr. 61 te Rheezerveen
Inhoudsopgave 1
2
INLEIDING ...................................................................................................................................3 1.1
Algemeen ............................................................................................................................3
1.2
Aanleiding van het bodemonderzoek ...................................................................................3
1.3
Doel van het onderzoek .......................................................................................................3
1.4
Referentiekader van het onderzoek .....................................................................................4
1.5
Opbouw van het rapport ......................................................................................................4
VOORONDERZOEK ....................................................................................................................5 2.1
3
4
5
Hypothese en onderzoeksstrategie .................................................................................... 13
VELDONDERZOEK ................................................................................................................... 16 3.1
Uitvoering van het veldonderzoek ...................................................................................... 16
3.2
Resultaten van het veldonderzoek ..................................................................................... 19
CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK.................................................................................. 21 4.1
Onderzoeksprogramma chemisch-analytisch onderzoek .................................................... 21
4.2
Toetsingscriteria ................................................................................................................ 23
4.3
Analyseresultaten en interpretatie ...................................................................................... 26
4.3.1
Milieuhygiënische kwaliteit grond ................................................................................... 26
4.3.2
Milieuhygiënische kwaliteit grondwater ........................................................................... 34
4.3.3
Asbest in toplaag t.p.v. zuidelijke druppelzone berging ................................................... 37