CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Uitwerking bespreekpunten Erven met kwaliteit

orienterende ronde sessie 1 4 juli 2023, gemeente HardenbergBij agendapunt: Tweede evaluatie beleid Erven met kwaliteit7.610 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Uitwerking bespreekpunten 2e evaluatie Erven met kwaliteit

Inleiding Op 28 januari 2020 heeft de gemeenteraad het beleid Erven met kwaliteit vastgesteld, met als doel de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied te verbeteren door de sloop van landschapsontsierende gebouwen te stimuleren. Het beleid is voor de gemeente een belangrijk instrument om het landelijk gebied van Hardenberg vitaal en aantrekkelijk te houden. In de afgelopen jaren zijn er mooie resultaten bereikt: er is zo’n 3 hectare aan landschapsontsierende gebouwen gesloopt en veel erven zijn hierdoor opgeknapt. We overwegen om de behaalde resultaten in een afzonderlijk document inzichtelijk te maken en daarin ook een aantal initiatiefnemers aan het woord te laten. Omdat de ontwikkelingen in het buitengebied en vooral in de landbouwsector snel gaan, is het nodig om voortdurend te monitoren of het beleid nog voldoende “bij de tijd” is. De eerste evaluatie heeft plaatsgevonden in het voorjaar van 2021. De tweede evaluatie is gepland in de eerste helft van 2023. Ter voorbereiding op deze evaluatie zijn 10 vragen/bespreekpunten geformuleerd. In de vraagstelling wordt verwezen naar de betreffende paragrafen uit het beleid Erven met kwaliteit. Bij de beantwoording van deze bespreekpunten moet rekening worden gehouden met: - De in 2021 door de gemeenteraad vastgestelde omgevingsvisie Landstad Hardenberg, in het bijzonder het hoofdstuk “Hardenberg in balans”.

- Het coalitieakkoord 2022-2026 “oog voor elkaar, blik op de toekomst”, vooral het hoofdstuk “Hardenberg in ontwikkeling”. - De komende Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties (LBV). - De ervaringen uit de praktijk met aanvragen om toepassing van rood voor rood, de uitgifte van sloopbewijzen en de gesprekken met de erfcoaches. - De visie van betrokken externe partijen, waaronder Stichting Vitaal Platteland Hardenberg en LTO Noord, afdeling Vechtdal. In deze notitie worden de bespreekpunten uitgewerkt en van een voorstel voorzien. De notitie is bestemd voor het college van burgemeester en wethouders. Tijdens de totstandkoming van deze notitie is overleg gevoerd met vertegenwoordigers van LTO Noord, afdeling Vechtdal en Stichting Vitaal Platteland Hardenberg.

1

Bespreekpunt 1: De doelstelling van het beleid Vraagstelling: Moet de sloop van landschapsontsierende gebouwen de doelstelling blijven (par. 4.2) en zo ja, voldoet de definitie van het begrip “landschapsontsierende bebouwing” nog? (Par. 4.4.1) Deelvragen: 1. Blijft “landschapsontsierend” het criterium? 2. Gaan we ook stoppers met nieuwe bedrijfsgebouwen faciliteren, zodat er ruimte blijft voor de ontwikkeling van anderen? 3. Wanneer vinden we dat er geen sprake meer is van gebruikswaarde? Uitwerking 1.1. Doelstelling handhaven? De gemeentelijke visie op het buitengebied is gebaseerd op de verschillende karakteristieke landschapstypen in onze gemeente. Per landschapstype zijn de kenmerkende waarden benoemd in Landschap Identiteit Kaarten (LIK) en nieuwe ontwikkelingen moeten daarbinnen passen. Vanwege het grote belang van het behoud en herstel van de landschappelijke waarden is het logisch om de sloop van landschapsontsierende gebouwen te blijven stimuleren. Daardoor verbetert de landschappelijke kwaliteit en daarmee ook de ruimtelijke kwaliteit. Ook de provinciale omgevingsvisie gaat uit van de kwaliteiten van de verschillende landschappen. Dit is uitgewerkt in de provinciale catalogus gebiedskenmerken, die gemeente moet gebruiken bij het maken van een bestemmingsplan voor het buitengebied.

De landschapsontsierendheid van een gebouw is daarom nog steeds een actueel en goed criterium. 1.2. Ook stoppers met nieuwe bedrijfsgebouwen faciliteren? Er zijn stoppers waarbij niet alle bedrijfsgebouwen per definitie kunnen worden aangemerkt als landschapsontsierend. Bijvoorbeeld omdat het bedrijf stallen heeft die zijn gebouwd onder het regime van het huidige bestemmingsplan buitengebied en de huidige welstandsnota. Daarvan kan moeilijk worden gezegd dat ze landschapsontsierend zijn. Het kan zelfs gaan om stallen die maar heel kort, minder dan 3 jaar, in gebruik zijn geweest. Volgens het huidige beleid kunnen dergelijke stallen niet worden aangemerkt als landschapsontsierend. Voor stoppers die meedoen aan de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocatie (LBV, zie 4.1) geldt dat alle stallen, oud en nieuw, moeten worden afgebroken. In beide gevallen ligt het voor de hand om niet te star om te gaan met de uitleg van het begrip “landschapsontsierend”. De landschapsontsierendheid van een bedrijfsgebouw kan namelijk ook ontstaan door: - de onlogische situering op het erf, als de andere bedrijfsgebouwen worden afgebroken; - de niet-passendheid bij de vervolgbestemming, meestal een woonbestemming. Omdat dit in de nabije toekomst vaker zal voorkomen, wordt voorgesteld om het beleid hierop aan te passen.

Een alternatief is om waar nodig gebruik maken van de hardheidsclausule uit par. 3.1 van de beleidsnotitie/artikel 8:84 Awb. Dat geeft echter op voorhand minder duidelijkheid aan initiatiefnemers.

2

1.3. Wanneer hebben gebouwen geen gebruikswaarde meer? Een gebouw kan als landschapsontsierend worden aangemerkt als het geen (potentiële) gebruikswaarde meer heeft. Volgens Erven met kwaliteit heeft een gebouw geen gebruikswaarde meer als aannemelijk is gemaakt dat het niet voor andere (economische) doeleinden geschikt is. Het komt een enkele keer voor dat een gebouw objectief gezien wel voor hergebruik geschikt is, maar dat de eigenaar toch van het gebouw af wil, bijvoorbeeld vanwege de onderhoudskosten. Wat geeft dan de doorslag? Feit is dat een pand dat voor de eigenaar geen gebruikswaarde meer heeft, leeg komt te staan en vanzelf verloedert, omdat er geen onderhoud meer aan wordt uitgevoerd. En dan wordt het gebouw vanzelf landschapsontsierend. Daarom wordt voorgesteld om in de uiteindelijke afweging de visie van de eigenaar meer mee te laten wegen dan tot nu toe gedaan is. Alleen als er sprake is van een karakteristiek of monumentaal pand kan er van landschapsontsierendheid geen sprake zijn, ook niet bij achterstallig onderhoud. Voorstel: 1.1 Als doelstelling te blijven uitgaan van de sloop van landschapsontsierende gebouwen.

1.2 Ook nieuwe bedrijfsgebouwen mee te laten tellen in de sloopoppervlakte, als er sprake is van: 1.2.1 deelname aan een stoppersregeling of 1.2.2 onlogische situering op het erf als andere bedrijfsgebouwen worden afgebroken of 1.2.3 deze gebouwen niet passend zijn bij de vervolgbestemming. 1.3 Bij de beoordeling van de gebruikswaarde van een gebouw de visie van de eigenaar mee te laten wegen. Aanpassing beleid nodig? Ja, voor wat betreft onderdeel 1.2.. Paragraaf 4.4 moet hiervoor worden aangepast.

3

Bespreekpunt 2: De gebiedsgerichte benadering Vraagstelling: Voldoet de functionele gebiedsgerichte benadering nog? (Par. 4.3) Met andere woorden: blijft bij de toepassing van rood-voor-rood het uitgangspunt “nee, tenzij” in de agrarische ontwikkelingsgebieden en “ja, mits” in de overige gebieden?

Uitwerking De functionele gebiedsgerichte benadering komt uit het rood voor rood beleid uit 2006 en is in de periode 2012-2012 uitgewerkt in Landschaps Identiteits Kaarten (LIK’s) en ontwikkelingsvisies en in 2013 vastgelegd in het bestemmingsplan Buitengebied. Er is voor gekozen om in de agrarische ontwikkelingsgebieden (Bergentheim-Zuid, DedemsvaartZuid, Slagharen-De Krim en Westerhuizingerveld) zeer terughoudend om te gaan met de toepassing van rood voor rood. In het beleid Erven met kwaliteit is deze benadering doorgezet. Alleen wordt nu wel de mogelijkheid geboden om voor landschapsontsierende schuren in de agrarische ontwikkelingsgebieden een sloopbewijs aan te vragen. Zodat de sloopmeters elders in de gemeente kunnen worden ingezet voor bijvoorbeeld de bouw van een woning. Er is nog steeds veel voor te zeggen om in de agrarische ontwikkelingsgebieden terughoudend om te gaan met de nieuwbouw van woningen. En daar alleen woningbouw toe te staan als dat landschappelijk inpasbaar is en verzekerd is dat de landbouwontwikkeling daar niet door wordt belemmerd. Op die manier blijft het best verzekerd dat de agrarische ontwikkelingsgebieden primair voor de landbouw bestemd blijven. Sinds 2013 hebben zich rondom een aantal kernen ontwikkelingen voorgedaan (bijvoorbeeld dorpsuitbreiding) die mogelijk vragen om aanpassing van de LIK’s.

Dit is bijvoorbeeld het geval rondom Dedemsvaart. Wij beraden ons nog over de manier waarop dit gestalte kan krijgen. Voorstel: De functionele gebiedsgerichte benadering als uitgangspunt te blijven hanteren. Aanpassing beleid nodig? Nee.

4

Bespreekpunt 3: Ontmenging Vraagstelling: Gaan we ontmenging toestaan? (par. 4.4.4 en 4.4.5) De combinatie van meedoen aan de rood-voor-rood regeling en handhaven van de agrarische bestemming is tot nu toe niet mogelijk. Toch komt het voor dat stoppende boeren nog een aantal jaren met minder vee willen doorboeren en daarvoor nog gebouwen willen laten staan, die eigenlijk landschapsontsierend zijn. Willen we hier ruimte voor bieden?

Uitwerking Ontmenging is een term die afkomstig is uit de reconstructiewetgeving. Die bestaat niet meer, maar de wens om het agrarisch bedrijf gedeeltelijk te beëindigen en gedeeltelijk voort te zetten (meestal de grondgebonden tak) komt af en toe wel op tafel. Het gaat dan meestal om een tijdelijke situatie (afbouwende boer). De huidige regeling biedt hiervoor geen mogelijkheid, omdat bij deelname de agrarische bestemming moet vervallen en de milieuvergunning moet worden ingetrokken. Juridisch is het mogelijk om binnen een woonbestemming ruimte te beiden voor gedeeltelijke voortzetting van het agrarisch bedrijf. Dit vraagt om maatwerk, zoals toegepast op het adres Veenlandweg 1 in Brucht, waar binnen de woonbestemming nog een stal staat waarin vee mag worden gehouden. Aan schuren die blijven staan kan de gemeente kwaliteitseisen stellen, waardoor (indien van toepassing) de uitstraling verbetert. Verder kan ook in het bestemmingsplan worden vastgelegd dat uitbreiding van de agrarische functie niet mogelijk is. De woonfunctie moet de overheersende functie zijn. Voorstel: In voorkomende gevallen, via maatwerk, ruimte te bieden voor het beperkt voortzetten van de agrarische bedrijfsactiviteit, onder de volgende voorwaarden: 1. Binnen de woonbestemming. 2. Uitsluitend met gebruik van bestaande gebouwen. 3.

Waar mogelijk, verbetering van de ruimtelijke uitstraling van deze gebouwen. 4. De eigenaar van de woning moet ook degene zijn die de agrarische activiteit uitoefent. Aanpassing beleid nodig? Ja. Paragraaf 4.5 (intrekken milieuvergunning) moet hiervoor worden aangepast, evenals paragraaf 6.1 (Combinatie woningbouw met bedrijfsmatige functie).

5

Bespreekpunt 4: De minimale sloopeis Vraagstelling: Blijven we bij de bouw van compensatiewoningen uitgaan van de minimale sloopeis van 850 m2 (met asbest) en 1.000 m2 (zonder asbest)? (par. 5.1) Bij de vaststelling van Erven met kwaliteit is afgestapt van het financiële rekenwerk uit de oude roodvoor-roodregeling. De huidige sloopmaten zijn afgestemd op de sloopkosten van oude stallen, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de boer door de verkoop van het bouwkavel de sloopkosten gedekt krijgt (en 30% van de gecorrigeerde vervangingswaarde mag behouden). Er spelen twee zaken: 1. Bij gebruikmaking van de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties (LBV) ontstaat er een ander financieel plaatje voor de stoppende boer. Hij ontvangt een subsidie voor het onomkeerbaar sluiten van de veehouderijlocatie. Kan hij dan ook nog een beroep doen op Erven met kwaliteit? 2. Steeds vaker komt de wens naar voren om een tiny house te bouwen. Is het gewenst om de sloopeis hiervoor te verlagen? Uitwerking 4.1. Toepassing LBV (+) De concept-regeling Landelijke beëindiging Veehouderijlocaties (LBV) is een subsidieregeling voor veehouders die hun veehouderijlocatie onomkeerbaar sluiten. (https://www.internetconsultatie.nl/lbv/b1). Het doel van de regeling is om de stikstofemissie (ammoniak) vanuit de veehouderij te verlagen, zodat natuur die daarvoor gevoelig is, kan herstellen.

Deelname is vrijwillig. Bij deelname geldt als voorwaarde dat de stallen moeten worden afgebroken en verwijderd. Van deze plicht kan door de minister ontheffing worden verleend als de stallen voor een andere economische activiteit kunnen worden gebruikt. In de concept-regeling wordt alleen een vergoeding verstrekt voor het waardeverlies van de bouwwerken die gebruikt zijn voor het houden van melkvee, varkens en pluimvee, maar niet voor de sloopkosten daarvan. Verder blijven buiten beschouwing de bouwwerken die gebruikt zijn als opslag, stalling (bijv. werktuigenberging) en de calamiteitenstal. Ook het verlies aan productiecapaciteit van andere diersoorten (die wel moet worden beëindigd bij deelname) komt niet in aanmerking voor een vergoeding (bijvoorbeeld bij een gemengd bedrijf met varkens en vleeskalveren wordt wel de productiecapaciteit van de varkens vergoed maar niet van de vleeskalveren). Naast de LBV-regeling komt er voor de zogenaamde piekbelasters een LBV+-regeling. Dit zijn de 3.000 veehouderijlocaties die de meeste stikstofneerslag op Natura 2000-gebieden veroorzaken. Van deze regeling is niet bekend deze precies invulling gaat krijgen maar wel dat deze hogere vergoedingen kent dan de LBV-regeling. De regeling staat ook open voor vleeskalverhouderijen. Beide regelingen worden naar verwachting in april 2023 opengesteld.

Zoals de LBV- regeling nu is, is het denkbaar dat een deelnemer aan deze regeling ook mee wil doen aan de rood-voor-rood regeling, om: 1. De sloopkosten van zijn leegstaande melkvee-, varkens- en pluimveestallen vergoed te krijgen, omdat de LBV daar niet in voorziet. 2. De sloopkosten + waardevermindering van de andere bedrijfsgebouwen vergoed te krijgen, omdat hij daar vanuit de LBV helemaal geen vergoeding voor krijgt.

6

Hier hebben wij geen moeite mee, want het uiteindelijke doel is dat de bedrijfsgebouwen blijvend worden gesloopt, waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert. Voor gebouwen die binnen de LBV-regeling vallen kan een extra categorie in Erven met kwaliteit worden opgenomen, met een hogere sloopeis, omdat het waardeverlies van de productiecapaciteit al via de beëindigingregeling is vergoed. Indicatief denken wij aan een minimale sloopoppervlakte van 2.000 m2 per bouwrecht (met misschien nog een onderscheid in gebouwen met en zonder asbest). Op gebouwen die buiten de LBV-regeling vallen kan het reguliere beleid worden toegepast. Als er met twee categorieën van bedrijfsgebouwen wordt gewerkt, moet ook hoofdstuk 7 (sloopbewijzen) daarop worden aangepast. Bij afgifte van een sloopbewijs moet namelijk duidelijk zijn in welke categorie de sloopmeters vallen (wel of geen stoppersregeling van toepassing). Complicerende factor is dat het nog niet duidelijk is hoe de LBV-regelingen er definitief gaan uitzien en hoeveel veehouders er aan mee kunnen doen. Ook weten wij niet welke regelingen er in de toekomst eventueel nog meer komen. Dat maakt het onmogelijk om op dit moment de juiste sloopverhouding per bouwrecht per stoppersregeling te bepalen.

Wel stellen wij voor om voor de bedrijven die deelnemen aan een stoppersregeling een afzonderlijke categorie in het beleid Erven met kwaliteit op te nemen. Met als uitgangspunt dat er geen dubbele vergoeding van kosten plaatsvindt. Wij hopen dat er meer zicht is op de regelingen en hoe die kunnen worden doorvertaald in Erven met kwaliteit al het beleid daadwerkelijk wordt aangepast. 4.2. Sloopoppervlakte afhankelijk van grootte woning Voor de bouw van nieuwe vrijstaande woningen geldt een minimale sloopeis van 850 m2 (met asbest) of 1.000 m2 (zonder asbest). Voor de bouw van meerdere woningen onder één kap geldt, overeenkomstig een door de raad (op 28 januari 2020) aangenomen motie, een gereduceerde sloopeis. Tot nu toe wordt van geval tot geval bepaald hoeveel er dan moet worden gesloopt. Dat werkt in de praktijk wel, maar wij vinden het beter om initiatiefnemers hierover vooraf duidelijkheid te geven. Daarom stellen wij voor om vaste sloopnormen op te nemen voor de bouw van meerdere woningen onder één kap. De tabel in paragraaf 5.3 van Erven met Kwaliteit willen wij hierop aanpassen. De vraag ligt op tafel of de sloopoppervlakte voor vrijstaande woningen afhankelijk moet worden gesteld van de grootte van de te bouwen woning: d.w.z. hoe kleiner de woning, hoe minder er gesloopt hoeft te worden. De gemeente Dalfsen kent een dergelijke regeling.

In deze gemeente mag, naast de gangbare rood-voor-rood regeling, onder voorwaarden op een bestaand erf: - een kleine woning (max. 375 m3 inhoud) worden gebouwd, waarvoor een sloopoppervlakte van 425 m2 (met asbest) resp. 500 m2 (zonder asbest) geldt. - een tiny house (oppervlakte max. 50 m2 inclusief berging) worden gebouwd, waarvoor een sloopoppervlakte van 300 m2 (met asbest)/350 m2 (zonder asbest) geldt. Het bestemmingsplan buitengebied van onze gemeente kent geen regeling voor kleinere woningen. Per landschapstype geldt een maximale inhoudsmaat en inwoners zijn vrij om binnen deze maatvoering hun woning te ontwerpen. Vaak worden woningen in de loop der tijd ook uitgebouwd, bijvoorbeeld omdat de gezinssamenstelling veranderd of er ruimte wordt gemaakt voor inwonende ouders. Het bestemmingsplan biedt hiervoor de ruimte. Voor nieuwe, innovatieve concepten biedt het gemeentelijk beleid ruimte en daarvoor kunnen ook afwijkende sloopoppervlaktes worden gehanteerd. Net als bij de bouw van meerdere woningen onder één kap het geval is. Tiny houses dragen bij aan een gevarieerd woningaanbod in de gemeente (klein, duurzaam, voor een specifieke doelgroep). We onderzoeken waar er binnen de gemeente ruimte is voor deze vorm

7

van wonen (stad, stadsrand of buitengebied). Het beleid Erven met kwaliteit is hiervoor niet het aangewezen instrument. Voorstel: 4.1 De regeling zodanig aan te passen dat er bij het vastleggen van de sloopmeters rekening mee wordt gehouden of er wordt meegedaan aan een stoppersregeling. 4.2 In het beleid vaste sloopnormen op te nemen voor de bouw van meer-onder-één-kapwoningen. 4.3 De minimale sloopeis voor een vrijstaande woning niet afhankelijk te maken van de grootte van de woning. Aanpassing beleid nodig? Ja, voor wat betreft de minimale sloopeis voor de bouw van een woning, die ervan afhankelijk wordt of de bedrijfsgebouwen wel of niet onder een stoppersregeling vallen. Paragraaf 5.3 (aantal woningen) moet hiervoor worden aangepast en ook hoofdstuk 7 (sloopbewijzen).

8

Bespreekpunt 5: De plek van de compensatiewoning(en) Vraagstelling: Blijven we voor de nieuwbouw van woningen uitgaan van het criterium “aansluitend op bestaande bebouwing” en hoe vullen we dat in? (par. 5.2) Deelvragen: 1. Mag er ook aansluitend aan een bestaand erf worden gebouwd? 2. Hoe vullen we lintbebouwing in? 3. Betrekken we de buurtschappennota hierbij? 4. Blijven we nog proberen om een locatie in een gemeentelijk uitleggebied te reserveren voor rood-voor-rood woningen? 5. Blijven we doorgaan met het vragen van sloopcompensatie voor de invulling van open gaten in de dorpskernen en moet dit nog verder worden ingekaderd? (zie ook par. 7.2) Uitwerking Allereerst: wij willen voorkomen dat het buitengebied “dichtslibt” met woningen. Daarom geldt voor nieuwe bouwkavels het uitgangspunt dat deze moeten aansluiten op bestaande bebouwing. Daarmee wordt bedoeld: een locatie op een bestaand erf in het buitengebied, in lintbebouwing of in, danwel direct aan, een dorp of buurtschap. Om landschappelijke redenen zijn echter geen nieuwe erven gewenst in het beekdallandschap en het essen- en hoevenlandschap, daar kan alleen op bestaande erven worden gebouwd. 5.1.

Aansluitend aan een bestaand erf De gemeenteraad heeft (op 28 januari 2020) via een motie het college opgeroepen om het begrip bestaand erf zodanig uit te leggen dat een erf ook kan worden vergroot, om zo de ruimte te creëren voor een extra woning. Dit principe is al een aantal keren toegepast, waarbij er wel sprake bleef van één erf (met twee woningen). Een stap verder gaat het maken van een nieuw erf naast een bestaand erf. Aanvragers leggen deze wens op tafel, vaak met het argument dat het wonen in het buitengebied anders is dan het wonen in de bebouwde kom. Men wil elkaar niet in de ramen kijken. En ook bestuurlijk bestaat de wens om hiervoor meer ruimte te bieden. Een nieuw woonerf naast een bestaand erf is niet overal landschappelijk inpasbaar. Toch biedt een ruimere uitleg van het begrip “aansluitend op bestaande bebouwing” volgens ons een kans om sloopmeters makkelijker weg te zetten, zonder dat de ruimtelijke kwaliteit direkt in het geding is. Hieronder twee mogelijke uitwerkingen van de voorwaarden waaronder er aansluitend aan een bestaand erf een woning kan worden gebouwd. Optie1: De bouw van een extra woning naast een bestaande woning is mogelijk als: 1. De beoogde locatie ligt in besloten heide- of veenontginningslandschap. 2. Er al meerdere woningen in de direkte omgeving staan. 3.

De woning zich voegt in het kenmerkende ritme van de bebouwing langs de weg, zoals blijkt uit de Landschap Identiteit Kaart voor het betreffende gebied. 4. Er geen nieuwe lintbebouwing ontstaat. 5. De slooplocatie en de nieuwbouwlocatie in hetzelfde gebied liggen (vanwege de ruimtelijke relatie tussen sloop- en bouwlocatie; bijvoorbeeld hemelsbreed binnen een afstand van 1,5 km).

9

6. Er minimaal 200 m wordt aangehouden tot een agrarisch bouwvlak (in een voorkomend geval kan dit ook meer zijn vanwege de omvang van het bedrijf of toekomstige uitbreidingsplannen). Optie 2: Een meer algemene regel dat bijv. een bestaande woonbestemming in de besloten heide- en veenontginningen 25 m aan één zijde uitgebreid mag worden. Mits een afstand van 200 m wordt aangehouden tot agrarische bouwvlakken. Middels een ruimtelijk kwaliteitsplan moet aangetoond worden hoe het nieuwe woonerf passend is binnen de gebiedskenmerken. Optie 1 heeft onze voorkeur, omdat dit de meeste ruimte voor maatwerk biedt. Bij beide opties is een aanpassing van het beleid nodig. Dit heeft ook gevolgen voor paragraaf 5.4., waarin de één-erfgedachte wordt uitgewerkt. Daarin moet nadrukkelijk worden vermeld dat de éénerfgedachte alleen geldt als er sprake is van de bouw van één of meerdere woningen op een bestaand erf. Voor de andere landschapstypen (de open heide- en veenontginningen, de essen- en hoevenlandschappen en de beekdalen) wordt voorgesteld het beleid ongewijzigd te laten. 5.2. Lintbebouwing Bij de vaststelling van Erven met kwaliteit heeft de gemeenteraad een motie aangenomen waarbij het college wordt opgedragen om bij de interpretatie van “lintbebouwing” uit te gaan van: een reeks woningen aan een weg met open ruimten tussen de erven.

De linten moeten zonder kwaliteitsverlies van de landschapskenmerken (benoemd in de LandschapsIdentiteitsKaarten) verdicht of verlengd kunnen worden. Bij de evaluatie in februari 2021 is aan de gemeenteraad toegezegd dat na afronding van een pilotproject aan de Haarweg in Bergentheim een toetsingskader zal worden opgesteld voor het invullen van lintbebouwing. Daaruit moet blijken waar in onze gemeente ruimte is voor nieuwbouw. Een eerste aanzet voor het toetsingskader is gemaakt, maar de lintbebouwingen in onze gemeente zijn dusdanig verschillend van aard dat het veel werk kost om hier een goed landschappelijk kader voor op te stellen. Door meer ruimte te bieden voor de bouw van woningen naast bestaande erven (zie 5.1) is het volgens ons ook niet nodig om een afzonderlijk kader voor lintbebouwing op te stellen. Daarbij aangetekend dat veel kanaallinten liggen in de open veenontginningen, waar het ”nee, tenzij”principe geldt. 5.3. Buurtschappennota De buurtschappennota en het beleid Erven met kwaliteit staan los van elkaar. Beide beleidsstukken bieden ruimte voor woningbouw in het buitengebied, maar de doelstellingen zijn verschillend. De buurtschappennota is opgesteld om te voorzien in de woningbouwbehoefte in de betreffende buurtschap.

In het beleid Erven met kwaliteit is woningbouw een middel om de sloop van landschapsontsierende gebouwen te stimuleren en daarmee de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren. Op beide beleidsdocumenten is de provinciale KGO van toepassing, maar bij woningbouw op basis van de buurtschappennota wordt een lichtere compensatie-eis gesteld, omdat de woningbouw voorziet in een maatschappelijke behoefte (algemeen belang). Op dit moment zien wij geen noodzaak voor een nieuwe buurtschappennota. Als de ruimte uit de buurtschappennota is benut, worden nieuwe aanvragen om woningbouw getoetst aan het beleid Erven met kwaliteit. Rekening houdend met de extra ruimte die er komt voor het bouwen naast bestaande erven, zou dat voldoende moeten zijn om in de woningbouwbehoefte vanuit de buurtschappen te voorzien.

10

5.4. Reservering in gemeentelijk uitleggebied In Erven met kwaliteit is aangegeven dat wordt onderzocht of het mogelijk is om binnen de uitleggebieden van de grotere kernen bouwkavels te reserveren, waarvoor de inlevering van een sloopbewijs als verkoopvoorwaarde geldt. Het is inmiddels duidelijk dat dit juridisch niet haalbaar is, als de gemeente de uitgevende partij is. Wij stellen voor om hier verder geen energie in te steken. 5.5. Invulling van open gaten in de dorpen Met toepassing van Erven met kwaliteit is het mogelijk om open plekken (in particulier eigendom) in de dorpskernen op te vullen met woningbouw. Per woning moet een sloopbewijs worden ingeleverd ter grootte van minimaal 850 m2 (met asbest) danwel 1.000 m2 (zonder asbest). De woningbouw moet passen in het gemeentelijk woningbouwprogramma, maar omdat het gaat om incidentele plannen is dat als regel geen probleem. Van de mogelijkheid om een open gat op te vullen is een paar keer gebruik gemaakt (in Kloosterhaar en Bergentheim). Wij zien geen aanleiding om het beleid op dit punt nader in te kaderen. Voorstel: 5.1 Meer ruimte te bieden voor woningbouw aansluitend aan een bestaand erf, binnen de voorgestelde randvoorwaarden. 5.2 Geen afzonderlijk kader op te (laten) stellen voor de invulling van lintbebouwing.

5.3 Geen nieuwe buurtschappennota op te stellen, maar voor de aanvaardbaarheid van nieuwe woningen in de buurtschappen het beleid Erven met kwaliteit als kader te hanteren, als de buurtschappennota daar niet (meer) in voorziet. 5.4 Geen locatie in een gemeentelijk uitleggebied te reserveren, omdat dit juridisch niet mogelijk is. 5.5 Geen aanvullend kader op te (laten) stellen voor het opvullen van open gaten in de dorpskernen. Aanpassing beleid nodig? Ja, voor wat betreft de reikwijdte van het begrip “aansluitend op bestaande bebouwing”. Par. 5.2 (locatie nieuwbouw) moet hiervoor worden aangepast. Ook par. 5.4 (de één-erfgedachte) moet worden aangepast, zodat duidelijk is dat deze paragraaf alleen geldt voor de bouw van één of meerdere woningen op een bestaand erf. N.B.: Bij het toestaan van de bouw van woningen naast een bestaand erf is overleg met de provincie nodig, omdat dit niet in het huidige beleid past en extra ruimtebeslag op de groene omgeving betekent.

11

Bespreekpunt 6: Het aantal compensatiewoningen Vraagstelling: Blijven we als regel uitgaan van een maximum van 3 woningen per locatie? (par. 5.3) We weten dat er een aantal grote varkenshouderijen gaat stoppen. Met sloopoppervlaktes van 5.000 tot 6.000 m2. Om de sloopkosten te dekken zullen meer dan drie compensatiewoningen nodig zijn. Deelvragen: 1. Hoeveel compensatiewoningen kunnen worden ingepast? 2. Het beleid biedt ruimte voor meer woningen bij innovatieve concepten. Hoe gaan we daarmee om? Wat vragen we dan van initiatiefnemers?

Uitwerking Een aantal grote intensieve veehouderijen in onze gemeente is zich aan het oriënteren op een opkoopregeling. Vooral in de varkenshouderij is de markt slecht en het perspectief niet lonkend. Op dit moment valt niet goed te overzien hoe het financiële plaatje er bij bedrijfsbeëindiging voor deze boeren uit gaat zien. Maar dat er per bedrijf meer dan drie compensatiewoningen nodig zijn om uit de kosten te komen is zo goed als zeker. 6.1. Aantal compensatiewoningen Het aantal compensatiewoningen dat mag worden gebouwd wordt bepaald door de sloopoppervlakte. Wordt er meer dan 3.000 m2 aan landschapsontsierende gebouwen gesloopt (met asbest), dan geeft dat recht op 3 compensatiewoningen. Daarmee is niet automatisch gezegd dat deze woningen op eigen erf kunnen worden gebouwd. Het op te stellen ruimtelijke kwaliteitsplan moet uitwijzen hoeveel woningen, binnen de gebiedskenmerken, op het erf kunnen worden gebouwd. Als op het erf bijvoorbeeld twee woningen kunnen worden ingepast, dan wordt voor de resterende sloopoppervlakte een sloopbewijs toegekend. Omdat de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en een goede landschappelijke inpassing belangrijke uitgangspunten zijn van het beleid, wordt voorgesteld om deze werkwijze te handhaven. 6.2. Innovatieve concepten De praktijk leert dat initiatiefnemers het liefst gangbare vrijstaande woningen bouwen.

Een project als “nieuw erf” in Koekange spreekt tot de verbeelding, maar wil in onze gemeente nog niet van de grond komen. Terwijl het beleid juist ruimte biedt voor innovatieve concepten, om daarmee meer doelgroepen te bedienen (starters, ouderen). Omdat we bij herontwikkeling graag het karakter van het agrarisch erf willen behouden, willen wij in algemene zin vasthouden aan het maximum van 3 compensatiewoningen (bouwvolumes). Wij zien incidenteel ruimte voor meer woningen, maar die ruimte moet dan worden gezocht in een innovatief concept, waarbij ook andere doelgroepen (starters, ouderen) worden bediend. Bij een dergelijk plan mag van initiatiefnemer worden verwacht dat hij participatie actief oppakt, dat wil zeggen dat hij in gesprek gaat met de direct-omwonenden en andere betrokken partijen, zoals een Plaatselijk Belang (vanwege de relatie met bijvoorbeeld de dorpsvisie). Voorstel: 6.1 Uit te blijven gaan van maximaal 3 compensatiewoningen per locatie, waarbij de landschappelijke inpassing bepalend is voor het aantal woningen dat daadwerkelijk kan worden gebouwd. 6.2 Meer woningen alleen toe te staan als er sprake is van een innovatief concept, conform geldend beleid.

12

Aanpassing beleid nodig? Nee.

13

Bespreekpunt 7: De één-erfgedachte Vraagstelling: Blijft de één-erfgedachte het uitgangspunt en hoe gaan we daarmee om? (par. 5.4) De één-erfgedachte is een wezenlijk uitgangspunt bij het ontwerpen van het nieuwe erf. Maar levert ook discussie op met (de adviseur van) aanvragers. Deelvragen: 1. Blijven we uitgaan van het karakter van het agrarisch erf? 2. Blijven we uitgaan van het principe van hoofd- en bijgebouw? 3. De inhoudsmaat van de woning: hoe gaan we om met de afwijkingsbevoegdheid voor een grotere inhoud (in m3)? 4. Kan er in plaats van een enkele woning een dubbele woning worden toegestaan? 5. Weegt de toegepaste architectuur mee en hoe borgen we dat, ook richting toekomstige kopers? Uitwerking Bij de nieuwbouw van woningen op een bestaand erf hanteert de gemeente de één-erfgedachte. Dat houdt in dat in dat zowel de nieuwe erfinrichting als de nieuwe bebouwing bijdragen aan het behoud en zo mogelijk het versterken van de oude erfstructuur. Bij toepassing van rood voor rood op eigen erf moet het karakter van het agrarische erf ook na functieverandering nog beleefbaar zijn. De herontwikkeling moet ook plaatsvinden binnen de contouren van het bestaande erf. Daarbij is de traditionele opbouw van het erf richtinggevend. 7.1.

Het agrarisch karakter Vanuit landschappelijk oogpunt is het waardevol dat bij toepassing van rood voor rood op eigen erf het agrarische karakter van het erf behouden blijft. Daardoor blijft er een mix van (oude) agrarische erven en reguliere woonerven in het buitengebied. Het vasthouden aan het agrarisch karakter van het erf zegt veel over de manier waarop de compensatiewoningen moeten worden ingepast. Het moet dan één erf blijven. Dit lukt in de praktijk goed. Daarom stellen wij voor om voorgesteld om dit uitgangspunt te blijven hanteren. 7.2. Hoofd- en bijgebouw principe Bij de toevoeging van een extra woning op een bestaand woonerf is er niet altijd sprake van een agrarisch karakter. In dat geval komt de één-erfgedachte meestal tot uitdrukking door het principe van hoofd- en bijgebouw toe te passen en door gebruik te maken van de bestaande inrit. Omdat het bestaande erf het uitgangspunt is, wordt de bestaande woning als hoofdgebouw gezien. De nieuwe woning moet daar dan als regel ondergeschikt aan zijn , bijvoorbeeld door deze de uitstraling te geven van een bijgebouw. Dat kan zowel qua volume als qua architectuur worden ingevuld. De tegenwoordig populaire schuurwoningen zijn daarvan een goed voorbeeld. Omdat dit in de praktijk goed werkt stellen wij voor om in de regel van het hoofd- en bijgebouwprincipe uit te blijven gaan.

Ruimte voor maatwerk is er overigens altijd, soms kunnen op een erf wel meerdere hoofdgebouwen een plek krijgen, bijvoorbeeld omdat dit beter past in het bebouwingsbeeld. 7.3. De inhoudsmaat van de woning Het komt regelmatig voor dat er in planologische procedure wordt uitgegaan van een nieuwe woning met bepaalde inhoudsmaat (ondergeschikt aan de bestaande woning) en dat er na afronding daarvan een bouwplan wordt ingediend voor een grotere woning. Men beroept zich dan op de afwijkingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan buitengebied om een grotere inhoud toe te

14

staan (tot max. 900, 1.000 of 1.200 m3, afhankelijk van het landschapstype). Juridisch gezien gaat het om een afwijkingsbevoegdheid, dus geen bouwrecht. Maar toch wordt er vaak een beroep op gedaan, omdat men groter en naar eigen inzicht wil kunnen bouwen. En de koper van het bouwkavel voelt zich daarbij niet altijd gebonden aan de afspraken die de gemeente met de vorige eigenaar heeft gemaakt. Om dit te voorkomen kan in het bestemmingsplan expliciet de vooraf bepaalde inhoudsmaat van de nieuw te bouwen woning worden vastgelegd. Dat biedt aan de ene kant duidelijkheid en rechtszekerheid, maar haalt aan de andere kant een stukje flexibiliteit uit het plan. Daarom stellen wij voor om de afwijkingsbevoegdheid voor het toestaan van een grotere inhoud niet uit het plan te halen, maar vooraf duidelijk met aanvragers te communiceren dat het gaat om een bevoegdheid, en dat er geen rechten aan kunnen worden ontleend. Alleen in bijzondere gevallen kan van de afgesproken inhoudsmaat worden afgeweken, bijvoorbeeld bij bijzondere architectuur of om bouwtechnische redenen. 7.4. Kan er in plaats van een enkele een dubbele woning worden toegestaan? Het komt steeds vaker voor dat initiatiefnemers behoefte hebben aan de bouw van een dubbele woning. Dat heeft soms te maken met de sterk gestegen bouwkosten, maar ook met de behoefte om als familie bij elkaar te wonen.

Het beleid maakt al de bouw van dubbele woningen mogelijk. Maar soms wordt dat de wens om een dubbele woning te bouwen pas op tafel wordt gelegd als de bestemmingsplanprocedure voor de bouw van een vrijstaande woning al is doorlopen. Dan moet opnieuw een bestemmingsplanprocedure worden doorlopen om een dubbele woning toe te staan. Zolang de woning de uitstraling en het volume houdt van een vrijstaande woning, met een landelijke uitstraling en er verder geen milieubelemmeringen zijn, hebben wij als regel geen bezwaar tegen de toevoeging van een extra wooneenheid. Om hierop in te spelen lijkt het ons mogelijk om in het bestemmingsplan een afwijkingsbevoegdheid op te nemen waardoor in plaats van een vrijstaande woning een dubbele woning kan worden gebouwd. Vanwege de extra woning is aanvullende sloopcompensatie nodig. Dit moet juridisch nog verder worden uitgewerkt en ook paragraaf 5.3 moet hierop worden aangepast, zodat voor iedereen duidelijk is dat deze mogelijkheid bestaat. 7.5. De architectuur Goede architectuur is mede bepalend voor de identiteit van een plek en versterkt de ruimtelijke kwaliteit. Daarom wordt de architectuur van de compensatiewoning vaak al meegenomen bij de opstelling van het bestemmingsplan.

Vooral als de algemene criteria uit de welstandsnota niet toereikend zijn, is het van belang dat er specifieke beeldkwaliteitseisen worden vastgelegd in het bestemmingsplan. Maar ook hierbij komt het voor dat de nieuwe eigenaar van het bouwkavel anders tegen het plan aankijkt dan de vorige eigenaar en niet altijd gebonden wil zijn aan de eerder vastgelegde randvoorwaarden. Toch zijn de regels in het bestemmingsplan over beeldkwaliteit er niet voor niets. De toegepaste architectuur weegt mee bij de beoordeling van verzoeken waarop Erven met Kwaliteit van toepassing is. In theorie kan het toepassen van een bepaalde architectuur tot in detail dwingend worden voorgeschreven via de beeldkwaliteitscriteria in het bestemmingsplan. Maar ook op dit punt is enige flexibiliteit gewenst. Binnen de hoofduitgangspunten (bijvoorbeeld een schuurconcept) moet er altijd ontwerpvrijheid blijven. Het voert volgens ons ook te ver om aanvragers te verplichten om bijvoorbeeld een architect in de arm te nemen. Voorstel: 7.1 Bij toepassing van rood voor rood op eigen erf uit te blijven gaan van het agrarisch karakter van het erf. 7.2 Bij inpassing van een woning op een bestaand erf als regel uit te blijven gaan van het hoofd- en bijgebouwprincipe.

15

7.3 Omwille van de flexibiliteit de afwijkingsbevoegdheid voor een grotere inhoudsmaat van de woning in het bestemmingsplan te handhaven. 7.4 Door middel van een afwijkingsbevoegdheid in het bestemmingsplan, daar waar het inpasbaar is, de mogelijkheid te bieden om in plaats van een vrijstaande een dubbele woning te bouwen, met aanvullende sloopcompensatie. 7.5 De toegepaste architectuur mee te laten wegen en zonodig te borgen via de beeldkwaliteitscriteria in het bestemmingsplan. Aanpassing beleid nodig? Ja, voor wat betreft de mogelijkheid om in plaats van een vrijstaande een dubbele woning te bouwen. Paragraaf 5.3 moet hiervoor worden aangepast.

16

Bespreekpunt 8: Stimuleren inzet sloopmeters Vraagstelling: Hoe stimuleren we de inzet van sloopmeters voor andere ontwikkelingen/ het schuur voor schuur principe? (H 6) Deelvragen: 1. Wanneer kunnen gebouwen blijven staan en welke functies staan we dan toe? Het beleid kent hiervoor mogelijkheden, maar dit komt vaak niet uit de verf of het wringt met de woonbestemming. 2. Inzetten van sloopmeters voor andere ontwikkelingen dan woningbouw gebeurt maar sporadisch. Hoe komt dat en wat kunnen we daaraan doen? Uitwerking In het beleid Erven met kwaliteit wordt de mogelijkheid geboden om: 1. Een deel van de voormalige bedrijfsgebouwen te laten staan en daar een andere vervolgfunctie aan toe te kennen. 2. Sloopmeters in te zetten voor andere (economische) ontwikkelingen. Het gaat dan om ontwikkelingen die volgens het geldende bestemmingsplan niet mogelijk zijn, maar toch mogelijk kunnen worden gemaakt door de sloop van een bepaalde oppervlakte aan landschapsontsierende gebouwen. Bijvoorbeeld de uitbreiding van een niet-agrarisch bedrijf in het buitengebied, of de bouw van extra bijgebouwen bij een burgerwoning (meer dan 150 m2). Van beide mogelijkheden wordt tot nu toe weinig gebruik gemaakt. 8.1. Wanneer kunnen gebouwen blijven staan? In de praktijk blijkt de mogelijkheid om voormalige bedrijfsgebouwen te laten staan nogal eens op gespannen voet te staan met de woonbestemming.

Bij een woonbestemming is de woning het hoofdgebouw, andere gebouwen op het erf moeten daar in ruimtelijk en functioneel opzicht aan ondergeschikt zijn. En een bedrijfsbestemming is niet in alle gevallen mogelijk, zeker als men de woning daar buiten wil houden (bijvoorbeeld vanwege de financiering). Tot nu toe hebben zich trouwens ook nog maar weinig voormalige bedrijfsgebouwen aangediend die zich lenen voor een vervolgfunctie. Vooral oude ligboxen-, varkens- en kippenschuren zijn daar niet voor geschikt. Eigenaren hebben daarom vaak een voorkeur voor sloop. De mogelijkheid om bedrijfsgebouwen te laten staan voor (afbouwend) agrarisch gebruik (zie bespreekpunt 3) zal er mogelijk toe leiden dat meer bedrijfsgebouwen blijven staan, binnen de woonbestemming. Wij zullen in dat geval extra aandacht schenken aan het uiterlijk van de schuur en waar nodig extra kwaliteitseisen stellen om de ruimtelijke uitstraling te verbeteren. Ook voor andere (hobby- of bedrijfsmatige) vervolgfuncties biedt het beleid de mogelijkheid om een vrijgekomen bedrijfsgebouw te laten staan of te verbouwen. Maar wij kunnen dan de voorwaarde stellen dat er, aan de hand van een concreet ontwerp, wordt geïnvesteerd in de uiterlijke verschijningsvorm om daarmee de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren.

Het voorstel is om het beleid voor dit moment te laten zoals het is, met alleen een aanvullende mogelijkheid voor (meestal afbouwend) agrarisch gebruik van bestaande gebouwen. 8.2. Hoe stimuleren we de inzet voor andere ontwikkelingen? We krijgen vaak te horen dat de kosten van de aankoop van sloopmeters en van de planologische procedure niet in verhouding staan tot de gewenste ontwikkelingsruimte. Wellicht brengt de Omgevingswet en de daarmee gepaard gaande vereenvoudiging van de vergunningprocedures hierin verandering. Ook kan de gevraagde ontwikkelingsruimte niet altijd landschappelijk worden

17

ingepast of past deze niet bij de bestemming van het erf. Vooral bij woonbestemmingen is de (bestemmingsplantechnische) ruimte voor extra bijgebouwen beperkt. Het voorstel is om het beleid voor dit moment te laten zoals het is en hier verder geen actie op te ondernemen. Voorstel: 8.1 De hergebruiksmogelijkheden van bestaande bedrijfsgebouwen te verruimen met de mogelijkheid om bedrijfsgebouwen te laten staan voor (afbouwend) agrarisch gebruik. 8.2 Het schuur-voor-schuur beleid voor dit moment te laten zoals het is en hier verder geen actie op te ondernemen Aanpassing beleid nodig? Ja, voor wat betreft de mogelijkheid van gedeeltelijke voortzetting van de agrarische activiteiten. Paragraaf 6.1 moet hiervoor worden aangepast.

18

Bespreekpunt 9: De uitgifte van sloopbewijzen Vraagstelling: Gaan we op dezelfde voet door met de uitgifte van sloopbewijzen? (H 7) Bij de vaststelling van Erven met kwaliteit is er bewust voor gekozen om, binnen bepaalde ondergrenzen, sloopmeters verhandelbaar te maken (minimaal 200 m2 slopen, minimaal 50 m2 verkopen). Op zich werkt dit prima, maar hoe gaan we om met: 1. Het uitponden van sloopbewijzen, d.w.z. dat een sloopbewijs voor 5 of 6 verschillende ontwikkelingen wordt ingezet. 2. De uitgifte van sloopbewijzen naast toepassing van rood voor rood op eigen erf (waardoor er per saldo meer dan 3 woningen kunnen worden gebouwd).

Uitwerking In totaal zijn ruim 20 sloopbewijzen verstrekt (peildatum 31-12-2022), met een totale sloopoppervlakte van 21.218 m2 Het grootste sloopbewijs is ruim 5.000 m2 groot. Op de prijs van sloopmeters heeft de gemeente geen invloed, die wordt door de markt bepaald en zal per sloopbewijs verschillen. 9.1. Uitponden Er zijn sloopbewijzen die zodanig zijn verkocht dat er meer woningen mee zijn gebouwd dan mogelijk is bij de toepassing van rood voor rood op eigen erf. Bij toepassing van rood voor rood op eigen erf moet er voor 3 woningen min. 3.000 m2 (met asbest) worden gesloopt. Bij bouwen op basis van een sloopbewijs hoeft er voor 3 woningen “maar” 2.550 m2 (met asbest) te worden gesloopt. Gemiddeld wordt er bij woningbouw op basis van een sloopbewijs dus minder gesloopt dat bij woningbouw op eigen erf. Op zich is dat geen probleem, zolang er maar aan de minimale sloopeis wordt voldaan en de verkoop van een sloopbewijs volgens de regels bij de gemeente wordt gemeld. 9.2. Combinatie van sloopbewijs en rood voor rood op eigen erf Het is tot nu toe nog niet voorgekomen, maar het is denkbaar dat er op een locatie zoveel gebouwen staan dat de sloopmeters niet geheel kunnen worden ingezet voor de bouw van compensatiewoningen op eigen erf.

Het beleid voorziet hier niet specifiek in, maar er wordt wel eens voor gekozen worden om voor het restant aan sloopmeters (mits meer dan 200 m2 met asbest / 300 m2 zonder asbest) een sloopbewijs te verstrekken. Dat kan er op neerkomen dat er per saldo meer dan 3 woningen worden gebouwd. Ook dit wordt niet echt als een probleem gezien, zolang er maar aan de minimale sloopeis wordt voldaan. Voorstel: 9.1 Het “uitponden” van een sloopbewijs toe te blijven staan, zolang er maar aan de minimale sloopeis wordt voldaan. 9.2 Ook de combinatie van rood voor rood op eigen erf en verstrekking van een sloopbewijs toe te blijven staan, onder dezelfde voorwaarde. Aanpassing beleid nodig? Nee.

19

Bespreekpunt 10: Stimuleren van het beleid Vraagstelling: Hoe stimuleren we de toepassing van het beleid? Zie de evaluatie van maart 2021. Door de coronamaatregelen was niet alles mogelijk. Hoe pakken we de draad weer op? Deelvragen: 1. Wat is de rol van de erfcoach? 2. Hoe zien we de samenwerking met andere partijen, waaronder LTO, Ondernemershuis Vechtdal (agro-carroussel), het Oversticht? 3. Hoe kan met aanvragers het best de dialoog over ruimtelijke kwaliteit worden gevoerd? Willen we richting omgevingstafels o.i.d.? Uitwerking: In de evaluatie uit 2021 is aangegeven welke middelen wij inzetten om het beleid Erven met kwaliteit “aan de man te brengen”. Vanwege de corona-maatregelen was niet alles mogelijk wat ons voor ogen stond. Maar wij zien wij ook dat veel stoppende agrariërs een pas op de plaats maken, in afwachting van duidelijkheid van de kant van het kabinet en het provinciebestuur over o.a. de stikstofmaatregelen. Dat beperkt het aantal aanvragen. 10.1. Rol van de erfcoach Sinds 2019 is al werkende vorm en inhoud gegeven aan het provinciale project Toekomstgerichte Erven. Vanaf 1 februari 2020 doet Hardenberg mee en zijn twee erfcoaches in onze gemeente actief. Begonnen vanuit o.a. de opgave voor asbestvrije daken is de taak van de erfcoaches steeds diverser geworden. Erfcoaches vervullen een onafhankelijke rol.

Ze zijn een vraagbaak voor erfeigenaren en hebben een belangrijke rol in de aanstaande transitie van de landbouw. In de evaluatie van februari 2021 is dat al door ons onderkend. In periode 2020-2022 zijn in de gemeente Hardenberg ongeveer 100 adressen door de erfcoaches bezocht. In ruim 2/3 van de gevallen gaat het om agrarische erven. De meest besproken thema’s zijn rood voor rood, het bestemmingsplan, bedrijfsontwikkeling en sloop. De afgelopen jaren heeft de provincie hoofdzakelijk het project georganiseerd en de kosten gedragen. Gemeenten dragen bij middels ambtelijke capaciteit en inzet van communicatie. Voor 2022 heeft het project op hetzelfde niveau als voorgaande jaren gedraaid. En ook voor 2023 blijft de inzet van de erfcoaches op hetzelfde niveau, dankzij een financiële gemeentelijke bijdrage. 10.2. Samenwerking met andere partijen De uitvoering van het beleid Erven met kwaliteit is niet iets van de gemeente alleen. We hebben de hulp van andere partijen nodig. Naast de erfcoaches zijn dat bijvoorbeeld LTO Noord, afdeling Vechtdal, Stichting Vitaal Platteland Hardenberg, Ondernemershuis Vechtdal, maar ook landschapsadviseurs en andere adviesbureaus die initiatiefnemers bijstaan bij de uitwerking van hun plannen en de contacten met de gemeente. Deze samenwerking heeft een informeel en incidenteel karakter. We kennen elkaar en weten elkaar te vinden.

Met de erfcoaches vindt tweewekelijks ambtelijk overleg plaats. Met de andere partijen is het contact meer casuïstisch van aard. We zullen de samenwerking blijven zoeken, ook de andere partijen zijn daar overigens bij gebaat. 10.3. Dialoog met aanvragers De dialoog met de aanvrager en zijn adviseur vindt plaats via de planbehandelaar bij de gemeente. De planbehandelaar wint over een verzoek om planologische medewerking adviezen in van de

20

betreffende collega’s (waaronder het RKT Buitengebied) en andere disciplines (waaronder OD IJsselland) en is zelf verantwoordelijk voor het advies aan het college van b en w. Om de drempel richting de gemeente te verlagen is de website www.mijnlandschapid.nl in het leven geroepen. Deze website biedt de kans om via een moodboard in contact met de gemeente te komen. De website is sinds 29 september 2017 in de lucht. In de beginperiode werden er regelmatig moodboards ingediend, op dit moment is dat af en toe het geval. Door zowel de medewerkers van de Publieksdienst als de erfcoach worden initiatiefnemers attent gemaakt op de mogelijkheid om een moodboard in te dienen. Aanvullende acties staan op dit moment niet op de planning. Er zijn gemeenten die via een omgevingstafel de initiatiefnemer, zijn adviseur, de gemeente, betrokken ketenpartners en belanghebbenden bij elkaar brengen. Het initiatief wordt dan gezamenlijk besproken. Dit levert de initiatiefnemer aan het eind van het verkenningstraject een integraal advies op, waarmee hij de vergunningaanvraag of de aanvraag om herziening van het bestemmingsplan kan opstellen en indienen. Vanuit adviseurs wordt de wens geuit om ook voor Hardenberg iets dergelijks in te stellen, bijvoorbeeld in de vorm van een vast overlegmoment met het RKT Buitengebied. Wij zien echter veel voordelen in de huidige manier van werken.

De aanvrager heeft één aanspreekpunt (de planbehandelaar) en hij/zij zorgt voor een integrale advisering. Wij stellen daarom voor om de huidige manier van werken voort te zetten. Voorstel: 10.1 Het belang van de rol van de erfcoach te blijven onderschrijven. 10.2 De samenwerking met andere partijen te blijven zoeken. 10.3 De huidige manier van werken, waarbij de planbehandelaar voor initiatiefnemers het centrale aanspreekpunt is, te handhaven. Aanpassing beleid nodig? Nee.

21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12911169/2