CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting (motivering) TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn

gemeenteraad 3 februari 2026, gemeente HardenbergBij agendapunt: Vaststelling wijziging omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn14.266 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Er wordt voldaan aan de richtwaarde voor een rustige woonwijk of buitengebied voor zowel de gemiddelde geluidniveaus. Indien wordt uitgegaan van een hoog maximaal bronvermogen van 120 dB(A) voor een blaffende hond dan voldoet ook het maximaal A-gewogen geluidniveau bij de woningen aan een waarde van maximaal 60 dB(A). In dit plan wordt het aanvaardbaar geluid voor deze activiteit geborgd doordat dit in de regels is opgenomen. Hiermee is het plan voor de opvang van 60 honden mogelijk binnen de richtwaarden van evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarnaast worden deze richtwaarden voor de omgeving geborgd in het Omgevingsplan zodat deze voor deze activiteit blijven gelden. 4.1.3

Conclusie

Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.2

Bodemkwaliteit

4.2.1

Wettelijk kader

Het beschermen van de bodemkwaliteit is een onderdeel bij de afweging van de aspecten van de fysieke leefomgeving. Ter bescherming van de bodemkwaliteit zijn instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de kwaliteit van de bodem. 4.2.2

Situatie plangebied

Om te beoordelen of de bodem geschikt is voor het gewenste gebruik, is een bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 3 van deze motivering. Er is een verkennend bodemonderzoek volgens de normen NEN5740 en NEN5707 (asbest in de bodem) uitgevoerd. Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Hierbij is de gehele locatie onderzocht. In de bodemmonsters en in het ondergrondmengmonster zijn geen verhogingen aangetroffen boven de interventiewaarde. In het grondwatermonster is een lichte verhoging van barium aangetroffen.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn | PAGINA 31

Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem" Tijdens de maaiveld-inspectie zijn geen asbest verdachte materialen gevonden. Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In de mengmonsters is analytisch geen asbest aangetoond. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht.De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. 4.2.3

Conclusie

De bodem is van voldoende kwaliteit voor de uitvoering van dit voornemen.

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Wettelijk kader

Voor de bescherming van de luchtkwaliteit zijn instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Locaties met hoge concentraties stikstofdioxide en/of fijnstof zijn aangemerkt als aandachtsgebied. Vooral in en vlakbij een aandachtsgebied moeten overheden toetsen aan de omgevingswaarden. Dit is niet nodig indien een activiteit niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Volgens het Bkl dragen de volgende projecten niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Er zijn een paar situaties die de overheid nog wel in het hele land moet beoordelen. Dit zijn: een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter. Of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; de aanleg van een auto(snel)weg. 4.3.2

Situatie plangebied

In dit geval gaat het niet om het toevoegen van een milieugevoelige functie en ook niet om een ontwikkeling die in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 4.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling.

4.4

Geur

4.4.1

Wettelijk kader

De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Geurnormen voor het houden van dieren bestaan voor sommige diersoorten uit afstanden en voor sommige diersoorten uit geurwaarden. Deze normen staan in het Omgevingsplan (paragraaf 22.3.6). De geurnormen beogen mede een omgekeerde werking te hebben. De normen dienen niet alleen als toetsingskader voor milieuvergunningen, maar geven ook aan welke geurbelasting de gemeente aanvaardbaar vindt op het platteland.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn | PAGINA 32

4.4.2

Situatie plangebied

In dit geval wordt er geen geurgevoelig object toegevoegd. De geurnormen gelden voor het houden van landbouwhuisdieren zoals bedoeld in Bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, zijnde: zoogdieren of vogels voor de productie van vlees, eieren, melk, wol, pels of veren of paarden of pony’s voor het fokken. Voor bijvoorbeeld kinderboerderijen, dierentuinen, hondenkennels en volières gelden deze voorschriften niet. Het gaat bij deze bedrijven namelijk niet om het houden van landbouwhuisdieren, omdat deze dieren niet voor de productie worden gehouden. In voorliggend geval is sprake van het houden van maximaal 60 honden. De omliggende geurgevoelige gebouwen (woningen van derden) liggen op ruim voldoende afstand (150 meter). Mogelijke geurhinder van de honden is daarmee niet aan de orde. 4.4.3

Conclusie

Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor dit plan.

4.5

Trillingen

4.5.1

Wettelijk kader

Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van het omgevingsplan. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 van het omgevingsplan en 5.87a van het Bkl. 4.5.2

Situatie plangebied

Op basis van de Handreiking nieuwbouw en spoortrillingen is het onderzoeksgebied in beginsel 100 meter. Het plangebied ligt op ongeveer 4,1 km van een spoorlijn. Hiermee is aannemelijk dat het trillingsniveau niet boven de streefwaarde uitkomt. 4.5.3

Conclusie

Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.6

Licht

4.6.1

Wettelijk kader

Licht kan wenselijk zijn of juist hinderlijk. Vanuit gezondheidsoogpunt is het belangrijk dat er voldoende daglicht in bouwwerken komt. Dit heet daglichttoetreding. In het Bbl staan regels voor voldoende daglicht in bouwwerken (nieuwbouw). Deze verschillen per gebruiksfunctie en soort ruimte. Kunstlicht kan leiden tot diverse vormen van lichthinder. Kunstlicht komt van (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouw en sportterreinen. De provincie heeft voor sommige gebieden 'donkerte' als waarde bepaald.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn | PAGINA 33

4.6.2

Situatie plangebied

Bij de vergunningaanvraag voor de bouw van de nieuwe bedrijfsgebouwen voor het hondenpension zal getoetst worden aan de regels over de daglichttoetreding en bezonning. Er zal naar verwachting per saldo geen toename zijn van lichthinder in het landelijk gebied. Er worden gebouwen gesloopt. En de nieuwe gebouwen zullen landschappelijke worden ingepast, waarbij deze op een natuurlijke manier worden afgeschermd van de omgeving. Tot slot zullen de nieuwe gebouwen maximaal 4,5 meter hoog worden (1 bouwlaag met kap) wat ook eventuele verre lichtuitstraling voorkomt. 4.6.3

Conclusie

Vanuit het aspect licht is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn | PAGINA 34

Hoofdstuk 5 5.1

Bescherming van de waterbelangen

Algemeen

Nederland is een waterland. De opgaven op het terrein van water zijn groot en worden in de toekomst alleen maar groter. Om ons land ook voor de komende generaties veilig, aantrekkelijk en leefbaar te houden, is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) ontwikkeld. Dit NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. De provincie houdt toezicht op de waterschappen en is verantwoordelijk voor veilig drinkwater. Ook zorgt zij voor de plannen voor waterbeheer in de regio. Ook is de provincie verantwoordelijk voor vergunningverlening voor drinkwaterwinning. De ambities zijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van gronden oppervlakte water en waterbeleving. De waterschappen beheren water en waterkeringen (dijken) en zuiveren afvalwater. Ook zorgen zij voor de kleine waardevolle wateren, zoals vennen en bronnetjes. Voor grotere rivieren, meren en kanalen en grondwaters bestaat de Europese Kaderrichtlijn. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben de waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg).

Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen het waterschap wil nemen. Bij nieuwe plannen dient rekening te worden gehouden met de waterhuishoudkundige situatie. Dit houdt in dat de gevolgen van het plan op de waterbelangen beschreven moeten worden. Een belangrijk instrument hierbij is de watertoets. De waterbelangen en waterhuishoudkundige doelstellingen worden hierbij afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen gaan over zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

5.2

Wateradvies

Voor dit plan is gebruikt gemaakt van de digitale wateradvies. Hierdoor wordt ook het betrokken waterschap geïnformeerd. In dit geval is dat het waterschap Vechtstromen. De beantwoording van de vragen heeft geleid tot de 'korte procedure'. Hierbij is de standaard waterparagraaf van toepassing. In Bijlage 4 is het resultaat van het wateradvies opgenomen.De ruimtelijk relevante wateraspecten van dit plan zijn gering en tijdelijk van aard. Waterschap Vechtstromen heeft daardoor geen bezwaar tegen dit plan. Het plan heeft een geringe invloed op de waterhuishouding: Hemelwater: het regenwater zal worden afgevoerd in de tuin rondom de bedrijfswoning en rondom de gronden van de nieuwe bijgebouwen. Deze zijn van voldoende omvang om het regenwater op te vangen. Afvalwater: de nieuwe bijgebouwen zullen, indien nodig, op het bestaande riool worden aangesloten. Oppervlaktewater: er is geen sprake van openwater binnen het plangebied. Dit is dus verder niet van toepassing. Wateroverlast en bebouwing: bij de bouw van de bijgebouwen wordt rekening gehouden met de eisen om eventueel wateroverlast tegen te gaan. Denk aan hoogteverschillen tussen de vloeren en grondwaterstanden. Waterkwaliteit: Er worden tijdens de bouw- en gebruiksfase geen materialen gebruikt

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn | PAGINA 35

die de waterkwaliteit verminderen.

5.3

Conclusie

Het initiatief is niet in strijd met de waterbelangen.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn | PAGINA 36

Hoofdstuk 6 6.1

Waarborgen van de veiligheid

Wettelijk kader

Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet ook gekeken worden naar de gevolgen van rampen. Daarvoor zijn in het Bkl risicobronnen aangewezen. Het gaat om: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Deze risicobronnen hebben aandachtsgebieden. Ze zijn digitaal te raadplegen in het Register Externe Veiligheid. Binnen een aandachtsgebied worden bij voorkeur geen kwetsbare gebouwen of locaties gerealiseerd. En ook geen beperkt kwetsbare gebouwen of locaties of zeer kwetsbare gebouwen. Soms kan dat toch, bijvoorbeeld als er extra maatregelen worden getroffen die worden vastgelegd in voorschriftengebieden. Denk bijvoorbeeld aan extra bouweisen.

6.2

Situatie plangebied

De risico's ten aanzien van externe veiligheid zijn in te zien in onderstaande afbeelding. Het plangebied is aangegeven met de rode omlijning.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn | PAGINA 37

Afbeelding 6.1: Risico's externe veiligheid (Bron: Atlas leefomgeving) Binnen het plangebied zijn geen buisleidingen of andere risicobronnen aanwezig. Ten noorden (260 m) en westen (336 m) liggen brandaandachtsgebieden van aardgasleidingen. Het plangebied ligt het niet in een aandachtsgebied of veiligheidszone van deze leidingen. Het aantal personen zal door het voornemen niet toenemen.

6.3

Conclusie

Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn | PAGINA 38

Hoofdstuk 7 Bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed 7.1

Cultureel erfgoed

7.1.1

Wettelijk kader

Bij het beschermen van cultureel erfgoed moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan instructieregels voor de gemeente. Deze gaan over: beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermd monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; in stand houden van archeologische monumenten. De aspecten cultuurhistorie (monumenten) en archeologie worden hierna uitgewerkt. 7.1.2

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. 7.1.2.1 Situatie plangebied Er bevinden zich binnen het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. 7.1.2.2 Conclusie Het aspect cultuurhistorie is geen belemmering met betrekking tot het plan. 7.1.3

Archeologie

In de Erfgoedwet staat een archeologische zorgplicht wanneer de bodem wordt verstoord. Er is dan onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat er archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. 7.1.3.1 Situatie plangebied De archeologische verwachting is verwerkt in het omgevingsplan van rechtswege. Ter plaatse gelden de bestemmingen 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde - Archeologie 5'. Dit houdt in dat een archeologisch onderzoek nodig is wanneer de bodemverstorende activiteiten groter dan respectievelijk 500 m2 en 2.500 m2 zijn en een diepte van 50 cm of meer hebben. Ter plaatse van het erf, waar gebouwd wordt, geldt de 'Waarde - Archeologie 4'. 'Waarde Archeologie 5' is van toepassing op het zuidelijke agrarische deel van het plangebied, ten zuiden van de paardenbak. De nieuwe bijgebouwen zullen samen een oppervlakte van 400

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn | PAGINA 39

m2 hebben, wat de oppervlakte van 500 m2 niet overschrijdt dat bij 'Waarde - Archeologie 4' van toepassing is. Het meeste daarvan komt op gronden waar momenteel ook bijgebouwen staan. Deze gronden zijn reeds geroerd. Een archeologisch onderzoek is daarmee niet benodigd. Mocht er sprake zijn van bevindingen tijdens de bouwwerkzaamheden, dan zal dat gemeld worden volgende de geldende procedures. 7.1.3.2 Conclusie Het aspect archeologie is geen belemmering voor het plan.

7.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

7.2.1

Wettelijk kader

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is. En of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De ladder is beleidsneutraal overgezet naar het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling het toepassen van de ladder is vereist. Voor de toetsing aan de ladder is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de volgende begrippen: 'bestaand stedelijk gebied' is 'het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Een 'stedelijke ontwikkeling' is de 'ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is'. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat 'voldoende substantieel' is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder.

De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. 7.2.2

Toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking

Uit de overzichtsuitspraak (ABRvS 28 juni 2017 ECLI:NL:RVS:2017:1724, 201608869/1/R3) blijkt dat het toevoegen van een gebouw met een ruimtebeslag van minder dan 500 m2 'in beginsel' geen stedelijke ontwikkeling is. In het plan is sprake van het toevoegen van twee gebouwen voor het hondenpension. Hiervoor zullen bestaande bijgebouwen worden gesloopt en zal het geheel landschappelijk worden ingericht waarbij de ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarmee niet van toepassing.

7.3

Landschappelijke waarden

7.3.1

Wettelijk kader

Voor de bescherming van het landschap geldt het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet staat dat 'landschappen' een onderdeel zijn van het fysieke leefomgeving. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. De gemeente Hardenberg heeft dit gedaan middels de Landschap Identiteits Kaarten.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn | PAGINA 40

7.3.2

LIK (Landschap Identiteit Kaart)

De gemeente heeft voor het gebied een Landschap-Identiteit-Kaart (LIK) gemaakt. In de LIK wordt de identiteit van het gebied bepaald. Op deze wijze wil de gemeente de ruimtelijke kwaliteit van het gebied versterken. In dit geval ligt het plangebied in het 'Besloten veenontginningslandschap' van de LIK 'Noordelijke Stadsrandzone Hardenberg'. De gemeente wil regie voeren op de ontwikkeling van het landelijk gebied. De identiteit van het gebied komt voort uit de ontstaansgeschiedenis en de daarmee samenhangende landschapstypen. In de LIK is daarom een onderscheid gemaakt tussen de verschillende landschapstypen die in het gebied voorkomen. Vervolgens is voor het gebied een overzicht gemaakt met de waardevolle en storende kenmerken. Er is ook een visie (wensbeeld) op de toekomstige ontwikkelingen gegeven. 7.3.3

Toetsing aan het LIK

Er is een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door het treffen van landschapsmaatregelen. Voor het bepalen van de landschapsmaatregelen is een ruimtelijke kwaliteitsplan (Bijlage 1) opgesteld. De landschappelijke kenmerkende waarden van het Besloten veenontginningslandschap zijn als uitgangspunt genomen. De landschapsmaatregelen bestaan uit het aanplanten van gebiedseigen beplanting ter plaatse. De LIK is gekoppeld aan de regels ter bescherming van de landschappelijke kenmerkende waarden. Hiermee is het plan in overeenstemming.

7.4

Ruimtelijke kwaliteit en welstand

Het is wenselijk dat bouwplannen voor gebouwen van goede kwaliteit zijn. En dat ze passen in het bebouwingsbeeld. Er zijn twee welstandsnota's, een voor de stads- en dorpskernen en een voor het buitengebied. Voor het buitengebied is dat de 'Welstandsnota Buitengebied'. Deze nota is vastgesteld op 3 december 2013. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente. Daarom zou die van toepassing moeten zijn. Voor de woning met de daarbij behorende gebouwen is de welstandsnota van toepassing. Echter is voor dit plan ook een beeldkwaliteitsparagraaf opgesteld voor de nieuw te bouwen bedrijfsgebouwen. Deze is onderdeel van het ruimtelijk kwaliteitsplan in Bijlage 1. Hiermee worden de vorm, detaillering, kleuren en materialen vastgelegd, zie ook afbeelding 2.7. Deze zijn gebaseerd op de gebiedskarakteristieken en zijn daarmee passend in het veenontginningslandschap. Bij de inrichting van het erf is rekening gehouden met de positie van de bebouwing op het erf. De uitgangspunten vanuit de LandschapsIdentiteitskaarten voor dit landschap benadrukken de rechtlijnigheid en met name structuurdragende beplanting op de randen van het erf. De erven langs de Venneweg worden gekenmerkt door uitgelijnde bebouwing en een half open erfensemble, wat ook op dit erf wordt doorgezet. Aan de noordzijde wordt een houtsingel aangeplant dat als groene rug van het erf zal gaan fungeren.

De ruimte rondom het hondenpension en de rijbak wordt afgeschermd middels een streekeigen gemengde haag. De aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van de bedrijfsgebouwen moet voldoen aan de welstandscriteria zoals opgenomen in het beeldkwaliteitsparagraaf in het ruimtelijk kwaliteitsplan. Op pagina 10 van het ruimtelijk kwaliteitsplan (Bijlage 1) worden de randvoorwaarden genoemd. In de regels van voorliggend plan is opgenomen dat wordt getoetst aan deze eisen.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn | PAGINA 41

Hoofdstuk 8 8.1

Natuurbescherming

Algemeen

De natuur maakt onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Bij natuurbescherming gaat het om de bescherming van gebieden en de bescherming van soorten. In dit hoofdstuk komt aan de orde hoe dit plan rekening houdt met de bescherming hiervan.

8.2

Gebiedsbescherming

8.2.1

Natura 2000-gebieden

8.2.1.1 Wettelijk kader Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. In deze gebieden worden dieren, planten en hun leefomgeving beschermd. Activiteiten die significante negatieve gevolgen kunnen hebben voor deze gebieden worden gedefinieerd als Natura 2000-activiteiten. Deze activiteiten zijn op basis van artikel 5.1 lid e van de Omgevingswet vergunningplichtig. 8.2.1.2 Situatie plangebied Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Vecht- en Beneden-Reggegebied'. Dit ligt op ongeveer 8 kilometer van het plangebied. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder wordt tevens gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. In dit geval kan op basis van de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling in combinatie met de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden uitgesloten dat sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. 8.2.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

8.2.2.1 Wettelijk kader Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De bescherming van het NNN kent geen externe werking. 8.2.2.2 Situatie plangebied Het dichtstbijzijnde deel van het NNN ligt op circa 2,8 kilometer afstand van het plangebied. Er is daarmee geen sprake van een ontwikkeling in het NNN. Het plan gaat niet gepaard met aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 8.2.3

Conclusie

Dit plan leidt niet tot negatieve effecten op beschermde gebieden.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn | PAGINA 42

8.3

Soortenbescherming

8.3.1

Wettelijk kader

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dit zijn flora- en fauna-activiteiten. Bij een activiteit is het nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dit zijn. Er zijn maar weinig activiteiten waarbij vooraf al is uit te sluiten dat ze een flora- en fauna-activiteit tot gevolg hebben. Hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bepaalt wanneer een vergunning nodig is. 8.3.2

Situatie plangebied

In het plangebied is een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Het volledig rapport is als Bijlage 5 bij de motivering bijgevoegd. Uit dit onderzoek blijkt dat de inrichting en het gevoerde beheer het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten maakt. Wel is het een functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Vleermuizen benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied. Als gevolg van het verwijderen van de nestkast en beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden.

De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaatsen'. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit van de Omgevingswet vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd amfibie gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rustplaatsen van een beschermd amfibie beschadigd of vernield.

Voor de beschermde amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rustplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats'. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat deze amfibieën op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn | PAGINA 43

activiteiten niet tot wettelijke consequenties. 8.3.3

Conclusie

Dit plan leidt niet tot negatieve effecten op beschermde soorten indien rekening wordt gehouden met het volgende aandachtspunten: werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren). En geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken). 8.4

Conclusie natuurbescherming

Het plan leidt vooralsnog niet tot negatieve effecten op de natuur. De sloopwerkzaamheden zullen buiten het broeidseizoen plaatsvinden en middels het zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken zullen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën niet worden gedood.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn | PAGINA 44

Hoofdstuk 9 Behouden van de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen 9.1

Beperkingengebieden

9.1.1

Algemeen

Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit die de functie van een maatschappelijk belangrijk werk of object kan verstoren. Dit zijn bijvoorbeeld wegen, spoorwegen, luchthavens en waterstaatswerken (rivieren etc.). Voorbeelden van beperkingengebiedactiviteiten zijn het plaatsen van een reclamebord naast een snelweg of het bouwen op een zeedijk. Om de functie van het werk of object te beschermen, gelden er beperkingen in een aangewezen gebied daaromheen. Het bevoegd gezag wijst dat gebied op kaart aan. De beperkingen gelden voor activiteiten in dit gebied (het beperkingengebied). 9.1.2

Situatie plangebied

Het plangebied ligt aan een inrit die uitkomt op de Venneweg. Dit zal niet veranderen. Deze weg heeft geen beperkingsgebied. Het plangebied ligt daarmee niet binnen een beperkingsgebied. 9.1.3

Conclusie

Het plangebied ligt niet binnen een beperkingsgebied.

9.2

Kabels en leidingen

9.2.1

Algemeen

Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse (hoogspannings)leidingen kunnen een risico opleveren voor de omgeving. 9.2.2

Situatie plangebied

In Hoofdstuk 6 is al ingegaan op mogelijke buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Hieruit blijkt dat er geen buisleidingen aanwezig zijn. Daarnaast zal voorafgaand aan de realisatie van de bouwwerkzaamheden een Klic-melding worden gedaan. Hiermee wordt voorkomen dat kabels en leidingen tijdens de bouw worden beïnvloed. 9.2.3

Conclusie

Het plangebied heeft in deze fase geen nadelige gevolgen op de kabels en leidingen.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn | PAGINA 45

Hoofdstuk 10 10.1

Milieueffectrapportage

Wettelijk kader

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Aan de hand van bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen. In kolom 1 staan de projecten opgesomd. In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is. In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt. Kolom 4 bevat tot slot de besluiten die betrekking hebben op de projecten waarvoor de project-mer-(beoordelings)plicht geldt.

10.2

Situatie plangebied

Het plan gaat uit van de sloop van bebouwing en het realiseren van nieuwe gebouwen. Daarnaast wordt een woonperceel omgezet naar een bedrijfsfunctie voor een hondenpension. Op basis van kolom 1 van bijlage V Ob valt dit onder een 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen' (J11). Beoordeeld moet worden of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Als dat het geval is moet een milieueffectrapport worden gemaakt. Of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben moet worden beoordeeld aan de hand van de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn, dat wil zeggen: de kenmerken van het project, de plaats van het project en de potentiële effecten. Het project heeft geen aanzienlijke milieugevolgen vanwege: de kenmerken van het project: het heeft een woonfunctie waar hobbymatig een hondenpension wordt gehouden. Dit wordt omgezet naar een bedrijfsfunctie voor maximaal 60 honden in twee nieuwe bedrijfsgebouwen in plaats van de bestaande buitenkennels (minder geluidsoverlast van hondengeblaf). de plaats van het project: het bestaande erf; het ontbreken van relevante potentiële effecten. Dit blijkt uit de vorige hoofdstukken 4 t/m 11 van deze motivering. Er hoeft geen milieueffectrapport te worden gemaakt.

10.3

Conclusie

Dit plan brengt geen negatieve effecten op het milieu met zich mee. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn | PAGINA 46

Hoofdstuk 11 11.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Overheden zijn verplicht om de kosten van een ontwikkeling te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.

11.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

11.2.1 Participatie Participatie is een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. In dit geval zijn de directe buren geïnformeerd door initiatiefnemer. Dit is gebeurd door hen de plannen te laten zien. Hiervan is een verslag gemaakt dat als Bijlage 6 bij deze motivering is bijgevoegd. De omliggende buren zijn positief over de groene aankleding en hopen dat het plan snel doorgang vindt zodat er een forse impuls komt voor de omgeving. 11.2.2 Afstemming met andere bestuursorganen In deze paragraaf zal verslag worden gedaan van de reacties van de betreffende instanties. Het waterschap is reeds geïnformeerd, door het gebruiken van de watertoets. De plannen voor het realiseren van twee gebouwen voor het hondenpension zijn ook voorgelegd aan de provincie. De provincie heeft ambtelijk groen licht gegeven om verder te gaan met de plannen. Ze hebben daarbij aangeven dat het wel belangrijk is om de solitaire bomen en de bomen langs de inrit aan te planten in een maat die voor laanbomen gebruikt wordt.

Daarnaast kan de meidoornhaag aan de westzijde wellicht hoger en losser (niet strak geschoren), zodat de meidoorns zowel het zicht wegnemen als bijdragen aan meer biodiversiteit voor insecten en vogels (bloei, vruchten, nestgelegenheid). Ook voor de overige elementen zoals de (beuken)haag en erfbosje kan met een ecoloog gekeken worden naar maximale biodiversiteit bij de soortenkeuze. Aan de hand van deze opmerkingen is het ruimtelijk kwaliteitsplan opnieuw bekeken en aangepast tot het ontwerp in Bijlage 1 van voorliggend tam-omgevingsplan. Het ontwerp TAM-omgevingsplan is ter kennisgeving voorgelegd aan de provincie hier is geen reactie meer op ontvangen. 11.2.3 Zienswijzen Dit plan heeft voor 6 weken als ontwerp ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn | PAGINA 47

Hoofdstuk 12

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet bevat het omgevingsplan voor de hele gemeente de regels die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het Bkl staan de instructieregels voor de hoofdonderwerpen. Een omgevingsplan houdt in ieder geval voldoende rekening met onderstaande onderwerpen: waarborgen van veiligheid; beschermen van waterbelangen; beschermen van gezondheid en milieu; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed; het behoud van ruimte voor toekomstige functies; het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen; Deze onderwerpen zijn beoordeeld in hoofdstuk 3 tot en met hoofdstuk 10. Hieruit blijkt dat het plan met alle aspecten voldoende rekening houdt. Geconcludeerd wordt dat met deze wijziging van het omgevingsplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Venneweg 19 en 19i Collendoorn | PAGINA 48

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16508004/1