Toelichting Het ongewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg, Burgerkamp 4 Loozen e.o.'
Tekst van het document
Gehele locatie Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In de mengmonsters MM1 t/m MM4 is analytisch geen asbest aangetroffen. Ter plaatse van inspectiegat 22 is asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen. Het materiaal betreft zes stukjes asbestcement en bevat 12,5% chrysotiel asbest. De aangetroffen plaatmaterialen ter plaatse van inspectiegat 22 geeft aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek naar de ernst en omvang van de verontreiniging. Druppelzones Ter plaatse van elke druppelzone zijn twee inspectiesleuven gegraven en is er een mengmonster samengesteld. Op het maaiveld is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In de mengmonsters DZ1, DZ2 en DZ5 is analytisch geen asbest aangetroffen. De inspectiesleuven van DZ5 zijn stroomafwaarts geplaatst direct achter de bossage. De mengmonsters van DZ2 en DZ3 zijn licht asbesthoudend; de gewogen asbestgehalten zijn ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Er dient opgemerkt te worden dat in de fractie <0,5mm asbestverdachte vezels zijn aangetroffen van DZ4. Echter wordt niet verwacht dat middels een SEM-analyse de
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Burgerkamp 4 Loozen e.o. | PAGINA 50
interventiewaarde zal worden overschreden. Er dient tevens opgemerkt te worden dat het mengmonster van DZ4 niet voldoen aan de minimale hoeveelheid monstermateriaal. Echter wordt niet verwacht dat dit invloed heeft gehad op de monstername en de analyses. 4.2.2.1.3 Nader asbestonderzoek Ten behoeve van het nader asbestonderzoek ter plaatse van de aangetroffen asbesthoudende materialen zijn 4 inspectiesleuven gegraven voor de horizontale en verticale afperking. De omvang van de verontreiniging is in voldoende mate in kaart gebracht. In de (meng)monsters ten behoeve van het nader onderzoek is analytisch geen asbest aangetoond of de gewogen asbestgehalten zijn ruim lager dan de interventiewaarde (100 mg/kg ds). De verontreiniging wordt westelijk afgeperkt door de schuur. Oostelijk van de verontreiniging bevindt zich een betonplaat waar grote voersilo's opstaan waardoor onderzoek onder de betonplaat niet mogelijk is. Het is onbekend of de verontreiniging zich hieronder bevindt. Noordelijk en zuidelijk wordt de verontreiniging afgeperkt door de inspectiesleuven. De omvang van de verontreiniging wordt geschat op een oppervlakte van 50 m2 (10 meter x 5 meter) x 0,5 meter = 50 m3.
Sanering is bij huidig gebruik niet urgent aangezien de verontreiniging zich onder een verharding bevindt waardoor er geen blootstellingsrisico's zijn; er zijn geen onaanvaardbare risico's volgens stap 2 van de standaard risicobeoordeling uit Circulaire bodemsanering, 2013. Sanering is noodzakelijk om de locatie geschikt te maken voor toekomstig gebruik (wonen met tuin). Voorafgaand aan de sanering dient een BUS-melding te worden opgesteld, dat door het bevoegd gezag dient te zijn goedgekeurd. Het verrichten van bodemsaneringen mag alleen door erkende bedrijven worden uitgevoerd. De verontreiniging mag voor sanering niet worden geroerd als gevolg van sloop- en grondwerkzaamheden. Geadviseerd wordt om de sanering uit te voeren na het verwijderen van de naastliggende betonplaat en bij werkzaamheden hier alert te blijven op eventuele asbestnesten. 4.2.2.2 Schutstraat 1, Kloosterhaar In het bovengrondmengmonster BM1 en in het ondergrondmengmonster OM1 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster is een lichte verhoging xylenen (som) aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik.
4.2.2.3 Sportlaan 4, Bergentheim In zowel het bovengrondmengmonster (BM1) als in het ondergrondmengmonster (OM1) zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 zijn lichte verhogingen kobalt en barium aangetroffen. Tevens is in het grondwatermonster de concentratie nikkel verhoogd aangetroffen ten opzichte van de interventiewaarde. Naar aanleiding van deze verhoging is de bestaande peilbuis opnieuw bemonsterd. Uit het analysecertificaat van het her-monster (Pb1wm2) blijkt dat er wederom een sterke verhoging nikkel is aangetroffen in het grondwater. De verhoging nikkel in beide grondwatermonsters (Pb1wm1 en Pb1wm2) geven formeel aanleiding voor het laten uitvoeren van een nader onderzoek. Echter zijn er een aantal redenen om af te zien van een nader onderzoek: Er is geen eenduidige bron voor de verhogingen aan te wijzen; Zware metalen worden vaker verhoogd aangetroffen in het grondwater en kunnen van nature verhoogd voorkomen. Tevens kunnen zware metalen in concentratie sterk fluctueren.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Burgerkamp 4 Loozen e.o. | PAGINA 51
Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. 4.2.2.4 Volle Urenweg 3, Hoogenweg In zowel het bovengrondmengmonster BM1 als het ondergrondmengmonster OM1 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 zijn lichte verhogingen zink en barium aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. 4.2.3
Conclusie
Ten aanzien van de locaties aan de Schutstraat 1, Sportlaan 4 en Volle Urenweg 3 vormt het aspect 'bodem' geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkelingen. Ten aanzien van de locatie aan de Burgerkamp 4 vormt het aspect 'bodem' na sanering van de saneringsplichtige verontreiniging geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Veehouderijen zijn niet opgenomen in de Regeling NIBM. Toch is het niet altijd noodzakelijk om met behulp van een berekening vast te stellen of er sprake is van NIBM. Dit kan ook gedaan worden met een motivering, bijvoorbeeld op basis van ervaring. Als hulpmiddel bij de motivering is een vuistregel opgesteld waarmee men kan aantonen of de fijnstofbijdragen van de veehouderijen op het plan is te beschouwen als Niet in Betekenende Mate (NIBM). In de vuistregel is een tabel opgenomen met als uitgangspunt de 3% NIBM grens. In de tabel is sprake van een "worst case" benadering. Dat betekent
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Burgerkamp 4 Loozen e.o. | PAGINA 52
dat wanneer uit de toets blijkt dat de fijnstofbijdrage van een bedrijf op het beoordelingspunt voldoet aan de 3% NIBM grens, het ook voldoende aannemelijk is dat dit zal blijken uit een berekening met rekenprogramma ISL3a en deze laatste berekening daarvoor niet nodig is. Afstand tot te toetsen 70 m 80 m 90 m 100 m 120 m 140 m 160 m plaats Totale emissie in g/jr 324.000 387.00 473.00 581.00 817.00 1.075.0 1.376.00 0 0 0 0 00 0 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 4.3.2
Situatie plangebied
4.3.2.1 Externe werking van het plan Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. 4.3.2.2 Interne werking van het plan In voorliggende geval is voor de beoogde compensatiewoningen aan de Schutstraat, Sportlaan en Volle Urenweg en luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. De onderzoeken zijn opgenomen in Bijlage 11, Bijlage 12 en Bijlage 13. Hierna wordt per locatie ingegaan op de resultaten. De locatie Burgerkamp 4 te Loozen wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, immers is hier sprake van een bestemmingswijziging van een agrarische bestemming naar een woonbestemming zonder dat hier nieuwe woningen worden toegevoegd. Schutstraat 1, Kloosterhaar De emissie van fijn stof door de omliggende veehouderijen is achterhaald door middel van betreffende milieudossiers en vastgestelde emissiefactoren. Met een model is de immissie op het plangebied berekend. Het onderzoek is uitgevoerd conform de regels uit de Wet milieubeheer, de 'Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007' en de 'Handreiking Rekenen aan Luchtkwaliteit'.
De berekende fijn stofimissie voor PM10 bedraagt ten hoogste 16,63 microgram/m3. Voor PM2,5 is het hoogste berekende rekenresultaat 9,34 microgram/m3. Voor PM10 geldt dat het 24-uursgemiddelde 6 keer per jaar wordt overschreden. Uit het onderzoek blijkt dat er voldaan wordt aan de normen vanuit de Wet Milieubeheer. Voor de concentratie PM10 en PM2,5 is de verwachting dat over een aantal jaar zal worden voldaan aan het advies van de WHO. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van voorgenomen ontwikkeling. Sportlaan 4, Bergentheim De emissie van fijn stof door de omliggende veehouderij is achterhaald door middel van betreffende milieudossiers en vastgestelde emissiefactoren. Met een model is de immissie op het plangebied berekend. Het onderzoek is uitgevoerd conform de regels uit de Wet
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Burgerkamp 4 Loozen e.o. | PAGINA 53
milieubeheer, de 'Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007' en de 'Handreiking Rekenen aan Luchtkwaliteit'. De berekende fijn stofimissie voor PM10 bedraagt ten hoogste 15,54 microgram/m3. Voor PM2,5 is het hoogste berekende rekenresultaat 8,94 microgram/m3. Voor PM10 geldt dat het 24-uursgemiddelde 6 keer per jaar wordt overschreden. Uit het onderzoek blijkt dat er voldaan wordt aan de normen vanuit de Wet Milieubeheer. Voor de concentratie PM10 en PM2,5 is de verwachting dat over een aantal jaar zal worden voldaan aan het advies van de WHO. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van voorgenomen ontwikkeling. Volle Urenweg 3, Hoogenweg De emissie van fijn stof door de omliggende veehouderij is achterhaald door middel van betreffende milieudossiers en vastgestelde emissiefactoren. Met een model is de immissie op het plangebied berekend. Het onderzoek is uitgevoerd conform de regels uit de Wet milieubeheer, de 'Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007' en de 'Handreiking Rekenen aan Luchtkwaliteit'. De berekende fijn stofimissie voor PM10 bedraagt ten hoogste 16, microgram/m3. Voor PM2,5 is het hoogste berekende rekenresultaat 9,43 microgram/m3. Voor PM10 geldt dat het 24-uursgemiddelde 6 keer per jaar wordt overschreden. Uit het onderzoek blijkt dat er voldaan wordt aan de normen vanuit de Wet Milieubeheer.
Voor de concentratie PM10 en PM2,5 is de verwachting dat over een aantal jaar zal worden voldaan aan het advies van de WHO. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van bijbehorend plan. 4.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling. 4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Burgerkamp 4 Loozen e.o. | PAGINA 54
hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2
Situatie in en bij het plangebied
4.4.2.1 Algemeen Aan de hand van de Risicokaart is voor de locaties van de compensatiewoningen een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond de betreffende locaties. De slooplocatie aan de Burgerkamp 4 is buiten beschouwing gelaten. Ter plaatse is namelijk geen sprake van het toevoegen van (beperkt) kwetsbare objecten en dus geen sprake van het toenemen van het plaatsgebonden en groepsrisico. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende subparagrafen is per locatie een uitsnede van de risicokaart opgenomen. De compensatiekavels zijn met de rode ster aangeduid. 4.4.2.2 Situatie plangebied 4.4.2.2.1 Schutstraat 1, Kloosterhaar In onderstaande afbeelding is de ligging van de beoogde compensatiewoning aan de Schutstraat op een uitsnede van de risicokaart weergegeven.
Afbeelding 4.1: Uitsnede risicokaart (Bron: Risicokaart.nl) Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Burgerkamp 4 Loozen e.o. | PAGINA 55
Wel wordt opgemerkt dat het plangebied binnen 200 meter van de N343 ligt, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Inzicht in de externe veiligheidsrisico's is daarom gewenst. Het onderzoek externe veiligheid is opgenomen in Bijlage 14. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. In zowel de huidige als toekomstige situatie is het groepsrisico kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. Een verantwoording groepsrisico wordt niet noodzakelijk geacht. Volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. De toekomstige bewoners zijn aan te merken als zelfredzame personen die zichzelf bij een calamiteit in veiligheid kunnen brengen. Bovendien zijn er voldoende vluchtwegen/routes van de risicobron (N343) af. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het groepsrisico geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Tot slot gaat de voorliggende ontwikkeling niet uit van het realiseren van een risicovolle inrichting en/of risicobron. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen betreffende dit plan. Advies Veiligheidsregio IJsselland Op 21 maart 2022 heeft de Veiligheidsregio IJsselland advies uitgebracht over het realiseren van een woning aan de Schutstraat in Kloosterhaar.
De Veiligheidsregio adviseert over zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid het volgende: de (nieuwe) bewoners op de hoogte te brengen van de risico's die zij lopen en wat zij zelf kunnen doen bij een BLEVE; de (nood)uitgangen en vluchtroute van de woningen van de N343 af te richten. 4.4.2.2.2 Sportlaan 4, Bergentheim In onderstaande afbeelding is de ligging van de beoogde compensatiewoning aan de Sportlaan op een uitsnede van de risicokaart weergegeven.
Afbeelding 4.2: Uitsnede risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Burgerkamp 4 Loozen e.o. | PAGINA 56
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Tot slot gaat de voorliggende ontwikkeling niet uit van het realiseren van een risicovolle inrichting en/of risicobron. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen betreffende dit plan. Advies Veiligheidsregio IJsselland Op 21 maart 2022 heeft de Veiligheidsregio IJsselland advies uitgebracht over het realiseren van een woning aan de Sportlaan in Bergentheim. De Veiligheidsregio adviseert over zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid het volgende: de (nieuwe) bewoners op de hoogte te brengen van de risico's die zij lopen en wat zij zelf kunnen doen bij een BLEVE; de (nood)uitgangen en vluchtroute van de woningen van de N343 af te richten. 4.4.2.2.3 Volle Urenweg 3, Hoogenweg In onderstaande afbeelding is de ligging van de beoogde compensatiewoning aan de Volle Urenweg op een uitsnede van de risicokaart weergegeven.
Afbeelding 4.3: Uitsnede risicokaart (Bron: Risicokaart.nl) Uit de inventarisatie blijkt dat er nabij het plangebied een tweetal risicovolle functies aanwezig zijn. Het gaat hierbij om een aardgasleiding en een gaswinningslocatie. De gaswinningslocatie heeft een risicocontour PR 10-6 van 150 meter. De compensatiekavel
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Burgerkamp 4 Loozen e.o. | PAGINA 57
aan de Volle Urenweg ligt op ruim 500 meter van de gaswinningslocatie. Gelet op de onderlinge afstand vormt de gaswinningslocatie geen belemmering voor de beoogde compensatiewoning. De gasleiding (NM-000694) heeft een uitwendige diameter van 5,98 inch en een maximale werkdruk van 95 bar. De 1%- en 100%-letaliteitsgrens ligt op respectievelijk 100 en 50 meter. De compensatiekavel aan de Volle Urenweg ligt op een afstand van circa 55 meter. Hiermee ligt de compensatiekavel binnen de 1%-letaliteitsafstand. Gelet op het vorenstaande is een kwantitatieve risicoanalyse uitgevoerd om te bepalen of wordt voldaan aan de risiconormen voor de externe veiligheid. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 15. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies. Onderzoeksresultaten Het onderzoek toont aan dat het groepsrisico kleiner is van 0,1 van de oriëntatiewaarde. Met andere woorden, de uitvoering van het project is in het kader van het groepsrisico aanvaardbaar. In relatie tot het plaatsgebonden risico wordt opgemerkt dat er rondom de onderzochte buisleidingen, binnen het projectgebied geen 10-6 risicocontouren aanwezig zijn en conform de wetgeving (Besluit externe veiligheid buisleidingen) er dan ook geen sprake is van een knelpunt (saneringsgeval).
Geconcludeerd wordt dat met betrekking tot het aspect 'externe veiligheid' ten aanzien van buisleidingen, het project past binnen een 'goede ruimtelijke ordening'. Advies Veiligheidsregio IJsselland Op 21 maart 2022 heeft de Veiligheidsregio IJsselland advies uitgebracht over het realiseren van een woning aan de Volle Urenweg. De Veiligheidsregio adviseert over zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid het volgende: de afstand van de woning tot de buisleiding zo groot mogelijk te maken; brandwerende materialen en gevel toe te passen bij de nog te bouwen woning; de (nood)uitgang en vluchtroute(s) van de nog te bouwen woning van de buisleiding af te richten; de aanwezigen door risicocommunicatie te informeren over wat ze zelf kunnen doen bij een incident bij de hogedruk aardgasbuisleiding(en). Hiervoor kan contact opgenomen worden met de Veiligheidsregio IJsselland. 4.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid. 4.5
Milieuzonering
4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Burgerkamp 4 Loozen e.o. | PAGINA 58
verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 4.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' als volgt omschreven: 'Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.
Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.' De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat noodzakelijk is. In dit geval wordt uitsluitend ingegaan op de compensatiekavels aan de Schutstraat, Sportlaan en Volle Urenweg. Aan de Burgerkamp 2-4 en de bestaande woning aan de Volle Urenweg 3 gaat het namelijk enkel om het omzetten van de agrarische bestemming naar een woonbestemming. De huidige bedrijfswoning(en) genieten al bescherming ten opzichte van omliggende milieubelastende functies. Deze worden door de omzetting naar een woonbestemming dan ook niet verder beperkt dan nu al het geval is. Ten aanzien van het aanvaardbare woon- en leefklimaat zorgt de planologische omzetting niet in een verandering ten opzichte van de huidige situatie. De compensatiekavels aan de Spotlaan en Volle Urenweg liggen in het buitengebied, waar geen sprake is van sterke menging van functies.
Daarom wordt uitgegaan van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. De compensatiekavel aan de Schutstraat ligt in de nabijheid van verschillende bedrijfsfuncties. Hiermee is sprake van een verhoogde milieubelasting en kan uit worden gegaan van een 'gemengd gebied'. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes. Milieucateg Richtafstanden tot Richtafstanden tot omgevingstype orie omgevingstype rustige gemengd gebied woonwijk 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Burgerkamp 4 Loozen e.o. | PAGINA 59
4.5.3
Beoordeling
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 4.5.3.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende functie. In dit geval worden er uitsluitend woonfuncties gerealiseerd. Er is dan ook geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende functies. 4.5.3.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten.
Schutstraat In de nabijheid van de compensatiekavel aan de Schutstraat zijn een aantal bedrijfspercelen aanwezig. Het gaat hierbij om bedrijfspercelen aan de overzijde van de Schutstraat, waar bedrijven zijn toegestaan die vallen onder milieucategorie 1 of 2. Voor dergelijke bedrijven geldt een richtafstand van maximaal 10 meter (uitgaand van gebiedstype 'gemengd gebied'). De beoogde compensatiewoning wordt op een afstand van circa 30 meter van de betreffende bedrijfspercelen gerealiseerd. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden. Ten oosten van de compensatiekavel is een zandwinningslocatie aanwezig. Dergelijke bedrijven/inrichtingen kunnen worden aangemerkt als een milieucategorie 4.1 bedrijf/inrichting. Hiervoor geldt een grootste richtafstand van 100 meter (uitgaand van gebiedstype 'gemengd gebied'). De compensatiekavel is gelegen op een afstand van circa 160 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de compensatiewoning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Andersom worden omliggende milieubelastende functies niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. Sportlaan In de nabijheid van de compensatiekavel aan de Sportlaan zijn een aantal milieubelastende functies aanwezig, waaronder ook een agrarisch bedrijfsperceel aan de Kanaalweg-Oost 81 waar een veehouderij is toegestaan.
Bij veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn, in het geval van veehouderijen, echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 4.6 nader op ingegaan. In de volgende tabel wordt nader op de in de nabijheid aanwezige milieubelastende functies en bijbehorende richtafstanden ingegaan. Hierbij is gemeten tussen de grens die de milieugevoelige woning toelaat en de grens waar de milieubelastende activiteit plaats kan vinden (grens bestemmingsvlak of grens bouwvlak). Adres Type bedrijf Richtafstand (m) Daadwerkelijke afstand (m) Kanaalweg-Oost 81 Grondgebonden 30 (stof en geluid) 260 veehouderij Sportlaan 7 Voetbalvereniging 50 (geluid) 68 Sportlaan 65 Recreatieterrein 50 (geluid) 95
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Burgerkamp 4 Loozen e.o. | PAGINA 60
Zoals uit voorgaande tabel blijkt, wordt de richtafstand voor alle bedrijven gehaald (het aspect 'geur' ten aanzien van de Kanaalweg-Oost 81 buiten beschouwing latend). Ter plaatse van de compensatiekavel is daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten en de bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Volle Urenweg In de nabijheid van de compensatiekavel aan de Volle Urenweg zijn een aantal milieubelastende functies aanwezig, waaronder ook een aantal agrarische bedrijfspercelen waar een veehouderij is toegestaan. Bij veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn, in het geval van veehouderijen, echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 4.6 nader op ingegaan. In de volgende tabel wordt nader op de in de nabijheid aanwezige milieubelastende functies en bijbehorende richtafstanden ingegaan. Hierbij is gemeten tussen de grens die de milieugevoelige woning toelaat en de grens waar de milieubelastende activiteit plaats kan vinden (grens bestemmingsvlak of grens bouwvlak).
Adres Type bedrijf Richtafstand Daadwerkelijke (m) afstand (m) Heideweg 2 intensieve veehouderij 50 (geluid) 230 m Olsmansdijk 4a grondgebonden 30 (geluid) 240 m veehouderij Heideweg 5 grondgebonden 30 (geluid) 460 m veehouderij Zoals uit voorgaande tabel blijkt, wordt de richtafstand (het aspect 'geur' buiten beschouwing latend) voor alle bedrijven gehaald. Ter plaatse van de compensatiewoning is daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten en de bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. 4.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 4.6
Geur
4.6.1
Algemeen
4.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat,
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Burgerkamp 4 Loozen e.o. | PAGINA 61
buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht. De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. 4.6.1.2 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv.
Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 4.6.1.3 Geurverordening gemeente Hardenberg De Wgv maakt het voor gemeenten mogelijk om gebiedsgericht geurbeleid op te stellen. Daarmee krijgt de gemeente een instrument om de ontwikkeling van (grootschalige) veehouderij te sturen. Gemeenten mogen bij verordening van de normen van de Wgv afwijken (artikel 6 Wgv), binnen bepaalde grenzen. Het hanteren van afwijkende normen moet worden onderbouwd vanuit een ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het gebied, de zogenaamde “gebiedsvisie”. De gemeente Hardenberg heeft een dergelijke 'geurverordening' opgesteld en gebiedsgericht geurbeleid ontwikkeld. In deze geurverordening zijn de wettelijke geurnormen (odeur) en afstanden aangepast. De afstand van de gevel van een bestaande stal tot de gevel van een geurgevoelig object moet in het buitengebied minimaal 25 meter bedragen. Dit geldt alleen als er sprake is van het houden van de in artikel 4.2 van de gemeentelijke geurverordening genoemde dieraantallen niet wordt overschreden. Worden deze aantallen overschreden, of gaat het om de bouw van een nieuwe stal, dan geldt de minimale afstandseis van 50 meter. 4.6.2
Situatie plangebied
De geplande ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de geurhinder, aangezien woningen geen bron van geurhinder zijn. Wel bevinden zich in de omgeving van het plangebied diverse (intensieve) veehouderijen. In de tabel in paragraaf 4.5.3.2 is dit weergegeven. In deze tabel blijkt dat ten aanzien van de grondgebonden veehouderijen in alle gevallen ruimschoots aan de vaste afstand van 50 meter wordt voldaan. Het gaat in dit geval om compensatiewoningen in het kader van Rood voor Rood. Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij (artikel 14.2 lid 2) worden compensatiewoningen in het kader van Rood voor Rood en voormalige agrarische bedrijfswoningen (in combinatie met het buiten werking stellen van een agrarisch bedrijf) gelijk gesteld aan bedrijfswoningen. In deze gevallen dient rekening te worden gehouden met een minimale (vaste) afstandsnorm van 50 meter, ook voor intensieve veehouderijen. De intensieve veehouderijen worden dan ook geenszins beperkt, aangezien aan de vaste afstand van 50 meter wordt voldaan en er in alle gevallen reeds woningen op een kortere afstand van de betreffende bedrijven gelegen zijn dan de beoogde woningen in het plangebied. Echter wenst de gemeente wel inzicht te verkrijgen in het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.
Hiertoe is per compensatiewoning een agrarisch geuronderzoek uitgevoerd, waarin onderzoek is gedaan naar zowel de voorgrondbelasting (geurbelasting van individuele intensieve bedrijven) als de achtergrondbelasting (totale geurbelasting van alle intensieve bedrijven in een straal van 1 km rondom de betreffende compensatiewoning.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Burgerkamp 4 Loozen e.o. | PAGINA 62
Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. De volledige rapportages zijn opgenomen in Bijlage 16, Bijlage 17 en Bijlage 18. Schutstraat1, Kloosterhaar Om het woon- en leefklimaat te kunnen beoordelen is zowel de voor- als de achtergrondgeurbelasting berekend. Vanwege de veehouderij aan de Van Roijensweg 89-89A bedraagt de hoogste voorgrondgeurbelasting ten hoogste 1,7 OUE/m3 ter plaatse van te realiseren woning. Het woon- en leefklimaat qua voorgrondgeurbelasting ter plaatse van te realiseren woning is volgens het geuronderzoek als 'goed' te kwalificeren. De achtergrondgeurbelasting bedraagt ten hoogste 1,43 OUE/m3. Het woon- en leefklimaat qua achtergrondgeurbelasting ter plaatse van te realiseren woning is te kwalificeren als 'zeer goed'. Bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat bestaat de volgende vuistregel: de voorgrondgeurbelasting is maatgevend als die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In deze situatie is de voorgrondgeurbelasting maatgevend en is het woon- en leefklimaat te kwalificeren als 'goed'. Sportlaan 4, Bergentheim Om het woon- en leefklimaat te kunnen beoordelen is zowel de voor- alsook de achtergrondgeurbelasting berekend. De geurbelasting bedraagt respectievelijk 0,8 OUE/m3 en 0,8 OUE/m3. Het woon- en leefklimaat aangaande de geurbelasting is respectievelijk te classificeren als goed en zeer goed.
Bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat bestaat de volgende vuistregel: de voorgrondgeurbelasting is maatgevend als die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In deze situatie is de voorgrondgeurbelasting maatgevend en is het woon- en leefklimaat te kwalificeren als 'goed'. Volle Urenweg 3, Hoogenweg Om het woon- en leefklimaat te kunnen beoordelen is zowel de voor- als de achtergrondgeurbelasting berekend. Welke beide op 3,4 OUE/m3 uitkomen. Het woon- en leefklimaat aangaande de voorgrondgeurbelasting komt uit op een matig woon- en leefklimaat. Het woon- en leefklimaat aangaande achtergrondgeurbelasting komt uit op goed. Bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat bestaat de volgende vuistregel: de voorgrondgeurbelasting is maatgevend als die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondgeurbelasting. In deze situatie is de voorgrondgeurbelasting maatgevend en is het woon- en leefklimaat te kwalificeren als 'matig'. 4.6.3
Conclusie
Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 4.7
Ecologie
4.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 4.7.2
Gebiedsbescherming
4.7.2.1 Natura 2000-gebieden Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. De dichtstbijzijnde (Nederlandse) Natura 2000-gebieden zijn in onderstaande tabel
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Burgerkamp 4 Loozen e.o. | PAGINA 63
opgenomen: Locatie Burgerkamp 2-4, Loozen Schutstraat 1, Kloosterhaar Sportlaan 4, Bergentheim Volle Urenweg 3, Hoogenweg
Dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Engbertsdijkvenen
Afstand
Engbertsdijkvenen
800 m
Engbertsdijkvenen
4,7 km
Engbertsdijkvenen
9,3 km
11,3 km
Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitatypen binnen Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van de locatie Burgerkamp 2-4 in Loozen wordt opgemerkt dat hier uitsluitend sprake is van het slopen van landschapsontsierende bebouwing. Daarnaast worden de agrarische bedrijfsactiviteiten opgeheven en de bedrijfswoningen aan de Burgerkamp 2 en 4 omgezet naar reguliere woningen.
Gelet op het vorenstaande kan er redelijkerwijs vanuit worden gegaan dat er ten aanzien van de Burgerkamp 2-4 geen sprake is van een toename van stikstofdeposities. Ten aanzien van de beoogde compensatiewoningen aan de Schutstraat, Sportlaan en Volle Urenweg is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Hierna wordt de belangrijkste conclusie van het onderzoek weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar Bijlage 19 bij deze toelichting. Uit de berekeningen wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000- gebieden, niet vergunningsplichtig. 4.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
In onderstaande tabel is per locatie dat afstand tot concreet begrensde NNN gebieden aangegeven: Locatie Afstand Burgerkamp 2-4, Loozen 945 m Schutstraat 1, Kloosterhaar 310 m Sportlaan 4, Bergentheim 2,7 km Volle Urenweg 3, Hoogenweg 440 m Gelet op de voorgenoemde afstanden tot NNN gebieden en de kleinschaligheid van de ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is aantasting van de waarden van het NNN.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Burgerkamp 4 Loozen e.o. | PAGINA 64
4.7.3
Soortenbescherming
4.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. 4.7.3.2 Situatie plangebied In dit geval is door Natuurbank Overijssel een quickscan ecologie uitgevoerd. Deze quickscan richt zich op zowel de bouwlocaties als de slooplocatie. Het volledige rapport is als Bijlage 20 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats.
Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de sloopwerkzaamheden plaatsvinden en de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen'. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige beschermde diersoorten aangetast. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. 4.7.4
Conclusie
Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkelingen.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Burgerkamp 4 Loozen e.o. | PAGINA 65
4.8
Archeologie & cultuurhistorie
4.8.1
Archeologie
4.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Hardenberg heeft de archeologische verwachting verwerkt in de dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan. Ter plaatse van de te bouwen compensatiewoningen aan de Schutstraat en Volle Urenweg geldt geen archeologische dubbelbestemming. Ook aan de Burgerkamp 2-4 geldt geen archeologische dubbelbestemming. Er is dan ook geen sprake van een archeologische verwachting. Ter plaatse van de compensatiewoning aan de Sportlaan geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'.
Hiervoor geldt dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is in geval van bodemverstorende activiteiten groter dan 2.500 m2 en een diepte van 50 cm of meer. Aangezien het hier gaat om het bouwen van één vrijstaande woning en bijgebouw wordt de voorgenoemde oppervlakte niet overschreden. Aan Gelet op het vorenstaande kan een archeologisch onderzoek achterwege gelaten worden. 4.8.2
Cultuurhistorie
4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich ter plaatse van de locaties binnen het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In de directe nabijheid van de locaties van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt met betrekking tot voorliggend plan. 4.8.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Burgerkamp 4 Loozen e.o. | PAGINA 66
4.9
Besluit milieueffectrapportage
4.9.1
Kader
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. Beoordeling gehanteerd. 4.9.2
Beoordeling
4.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming De dichtstbijzijnde (Nederlandse) Natura 2000-gebieden zijn in onderstaande tabel opgenomen: Locatie Dichtstbijzijnde Natura Afstand 2000-gebied Burgerkamp 2-4, Engbertsdijkvenen 11,3 km Loozen Schutstraat 1, Engbertsdijkvenen 800 m Kloosterhaar Sportlaan 4, Engbertsdijkvenen 4,7 km Bergentheim Volle Urenweg 3, Engbertsdijkvenen 9,3 km Hoogenweg Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied (zie ook paragraaf 4.7.2.1 en Bijlage 19 van deze toelichting). Een passende beoordeling op basis van Afdeling 2.3 van de Wet natuurbescherming wordt in het kader van het voornemen dan ook niet noodzakelijk geacht. Derhalve is geen sprake van een m.e.r.-plicht
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Burgerkamp 4 Loozen e.o. | PAGINA 67
op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 4.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en daarmee geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de “aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” genoemd. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is mogelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van de sloop van circa 3.030 m2 aan landschapsontsierende bebouwing en de bouw van drie compensatiewoningen. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet (onevenredig) toeneemt.
Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk en Hoofdstuk 5 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 4.9.3
Conclusie
De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is niet m.e.r.-plichtig.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Burgerkamp 4 Loozen e.o. | PAGINA 68
Hoofdstuk 5
Wateraspecten
5.1
Vigerend beleid
5.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 5.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 5.1.4
Waterschap Vechtstromen
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Burgerkamp 4 Loozen e.o. | PAGINA 69