CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan 'Mariënberg, woongebied De Marke III'

gemeenteraad 12 juli 2022, gemeente HardenbergBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Mariënberg, woongebied De Marke III' en beeldkwaliteitsplan ''Woongebied De Marke III te Mariënberg'14.112 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Om deze onderzoeksplicht te waarborgen bevat het bestemmingsplan in sublid 3.2.1 de regel die bepaalt dat er bij het bouwen van gebouwen maatregelen worden genomen om bij die gebouwen de trillingen zodanig te verminderen dat wordt voldaan aan de normen van de SBR-richtlijn B, als bedoeld in paragraaf 2.3 van het Trillingenonderzoek zoals opgenomen in Bijlage 1 bij de regels. Conclusie

bestemmingsplan Mariënberg, w oongebied De Marke III | PAGINA 31

Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor het plan. 4.7

Geur

Toetsingskader Bij de realisatie van gevoelige bestemmingen, zoals woningen, is het van belang dat er een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd wordt. Daarom moet rekening worden gehouden met geurcontouren van bijvoorbeeld bestaande veehouderijen. Hiervoor bieden het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) een toetsingskader. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De Regeling geurhinder en veehouderij is gepubliceerd op 18 december 2006. Die afstanden betreffen: ten minste honderd meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; en, ten minste vijftig meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Hardenberg De Wgv maakt het voor gemeenten mogelijk om gebiedsgericht geurbeleid op te stellen. Daarmee krijgt de gemeente een instrument om de ontwikkeling van (grootschalige) veehouderijen te sturen. Gemeenten mogen bij verordening van de normen van de Wgv afwijken (artikel 6 van de Wgv), binnen bepaalde grenzen. Het hanteren van afwijkende normen moet worden onderbouwd vanuit een ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het gebied, de zogenaamde 'gebiedsvisie'. De gemeente Hardenberg heeft een dergelijke 'geurverordening' opgesteld en kent gebiedsgericht geurbeleid. In deze geurverordening zijn de wettelijke geurnormen (odeur) en afstanden aangepast. De geurafstand van de gevel van een bestaande stal tot de gevel van een geurgevoelig object moet minimaal 25 meter bedragen. Bij nieuwe stallen geldt de minimale afstand van 50 meter. Toetsing Van belang is om te beoordelen of er ter plaatse van de nieuwe woningen in het plan sprake is van een voldoende woon- en leefklimaat en te beoordelen of het plan niet belemmerend werkt voor de bedrijfsactiviteiten. Hiervoor kan de geurnorm van de Wgv gebruikt worden als een toetsingskader. Het dichtstbijgelegen bedrijf met dieren waarvoor geuremissiefactoren en geurnormen gelden, betreft een bedrijf aan de Hardenbergerweg 6A, gelegen op circa 250 meter van het plangebied.

Dit betreft een pluimveebedrijf. Een ander bedrijf in de omgeving betreft een pluimveebedrijf op het adres Pallegarsteweg 7 (7692 PC Marienberg) op meer dan 400 meter van het plan. Er zijn in 2008 geurberekeningen gemaakt van beide bedrijven op ruim veertig geurgevoelige objecten in de omgeving. Voor beide bedrijven geldt dat er een heel aantal geurgevoelige objecten dichter bij de bedrijven liggen (en dus een eventuele beperking opleveren) ten opzichte van de 22 woningen die in dit plan mogelijk worden gemaakt. Wat betreft een goed woon- en leefklimaat is de geurverordening Hardenberg gehanteerd. Uit de geurverordening blijkt dat het plangebied in een gebied ligt waar een geurnorm van 8 Ou(E)/m3 geldt. Deze norm is overeenkomstig de huidige geurnorm van de Wet geurhinder en veehouderij. Met deze norm wordt een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. Voor het bestemmingsplan 'Mariënberg, woongebied De Marke II' is toentertijd een berekening naar de geurbelasting uitgevoerd ten aanzien van de bedrijven op de percelen Pallegarste 7a en Hardenbergerweg 6A. Uit de resultaten van die berekening blijkt dat

bestemmingsplan Mariënberg, w oongebied De Marke III | PAGINA 32

wordt voldaan aan de gestelde geurnorm. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het plan. 4.8

Luchtkwaliteit

Toetsingskader Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (hierna: NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Deze programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (hierna: nibm) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe wet geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan drie procent) ten opzichte van de grenswaarde; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL. Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft de minister in samenwerking met InfoMil de nibm-tool maart 2020 ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een project niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekenhulp is de toename van de stoffen NO2 en PM10 te bepalen. NSL/Nibm In 2015 is door InfoMil een onderzoek uitgevoerd naar de verhouding tussen de concentratie PM10 en PM2,5 in de lucht. Uit de resultaten hiervan blijkt dat de concentratie PM10 en PM2,5 in de lucht sterk samenhangen. Op basis hiervan merkt InfoMil op dat "wanneer wordt voldaan aan de maatgevende grenswaarde voor PM10, vrijwel altijd ook wordt voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5".

Voor woningbouwlocaties is een nibm-grens opgenomen van 1.500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Een project dat kleiner is dan deze grenzen, is in beginsel 'niet in betekenende mate'. Toetsing Het plan biedt de mogelijkheid tot het realiseren van 22 woningen. Het blijft daarmee ruimschoots onder de nibm-grens en kan als 'niet in betekenende mate' van invloed op de luchtkwaliteit worden beschouwd. Hoewel geconstateerd is dat het plan een zogenaamd nibm-project betreft, moet ook worden bekeken of de luchtkwaliteit in het plangebied niet zodanig is dat de normen voor een goed woonklimaat worden overschreden. Op de grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland, gepubliceerd door het RIVM (geodata.rivm.nl/gcn), zijn met vierkante kilometervakken de gemiddelde achtergrondconcentraties aangegeven van diverse luchtverontreinigende stoffen. Uit deze kaart blijkt dat in het vierkante kilometervak waarin het plan ligt de achtergrondconcentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) ruim voldoen aan grenswaarden van de Wet milieubeheer en de WHO-advieswaarde.

bestemmingsplan Mariënberg, w oongebied De Marke III | PAGINA 33

Conclusie Het plan moet worden beschouwd als een nibm-project. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de planologische ontwikkelingen die dit bestemmingplan mogelijk maakt. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar leefklimaat. 4.9

Milieuzonering

Toetsingskader Indien door middel van een project nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet men aantonen dat een goed leefmilieu mogelijk blijft. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mag men omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden aantasten door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Het aspect milieuzonering is dus tweeledig. Bedrijven worden ingedeeld in categorieën met behulp van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering (2009)' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG). Deze publicatie biedt een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau en geeft informatie over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. Op basis van de milieukenmerken van de verschillende typen bedrijven en inrichtingen wordt een indicatie van de afstanden gegeven, die als gevolg van deze kenmerken moeten worden aangehouden tussen de diverse omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging.

In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. De informatie heeft geen betrekking op individuele bedrijven, maar op bedrijfstypen. Dit betekent dat een concrete situatie altijd in de context moet worden bekeken: binnen bepaalde bedrijfstypen kunnen zich grote verschillen voordoen; concrete milieu-informatie over een specifiek bedrijf heeft meer waarde dan algemene informatie; de afstanden hebben betrekking op de afstand tot een rustige woonwijk; bij andere gebiedsfuncties kunnen dus andere afstanden mogelijk zijn; afdoende milieuhygiënische maatregelen bij de bron, bij de overdracht of bij de ontvanger, kunnen een kortere afstand eventueel mogelijk maken. De onderstaande toetsing bevat een onderdeel dat aandacht besteedt aan bedrijven en functies in de omgeving die al dan niet hinder kunnen ondervinden van dit project alsook in hoeverre het project al dan niet hinder kan ondervinden als gevolg van bedrijven en functies in de omgeving. Toetsing Gebiedstype Ten eerste is het noodzakelijk om te bepalen met wat voor type gebied er bij dit planvoornemen sprake is. Ten aanzien van het hanteren van richtafstanden is immers van belang of sprake is van het gebiedstype 'rustige woonwijk' of 'gemengd gebied'. Het plangebied bestaat in de huidige situatie nog uit agrarische grond.

Op deze grond wordt het planologisch gezien mogelijk om woningen te realiseren. Vanwege de rustige ligging is het plangebied te classificeren als een 'rustige woonwijk'. De onderstaande tekst zal om die reden uitgaan van een 'rustige woonwijk'. Hinderveroorzakende bedrijven en functies in de omgeving In de omgeving van het projectgebied zijn verschillende typen bedrijven aanwezig. In zijn totaliteit zijn in de omgeving de volgende functies aanwezig.

bestemmingsplan Mariënberg, w oongebied De Marke III | PAGINA 34

Bedrijvigheid Basisscholen Buurthuis Diverse landbouwactiviteiten

Richtafstand VNG 30 meter 30 meter 200 meter

Hinderaspect Feitelijke afstand (±) geluid 120 meter geluid 320 meter geur 250 meter

Ten aanzien van de diverse landbouwactiviteiten wordt opgemerkt dat het plangebied de grens vormt van de bebouwde kom van Mariënberg en het buitengebied. Dat betekent dat er in de omgeving uiteenlopende agrarische bedrijfsvoering plaatsvindt. Dat resulteert ook in uiteenlopende richtafstanden. Op basis van de VNG-brochure betreft de grootste richtafstand 200 meter. In deze straal van 200 meter van het plangebied bevindt zich geen agrarisch bedrijf. De agrarische bedrijfsvoering in de omgeving vormt dus geen belemmering. Voorts wordt voor de landbouwactiviteiten ook verwezen naar paragraaf 4.7 (Geur) van deze toelichting. Voor het overige functies (de basisscholen en het buurthuis) geldt dat deze vanwege de ruime afstand tot het plangebied geen belemmering vormen voor het onderhavige planvoornemen. Hinder als gevolg van het voorliggende plan De volgende vraag is of in of nabij het plangebied functies aanwezig zijn die als gevolg van het planvoornemen hinder zouden kunnen ondervinden. Voor die vraag is het van belang om helder te hebben in welke planologische mogelijkheden dit bestemmingsplan voorziet. Goed beschouwd gaat het dan om het gebruik van gronden voor bewoning. Vanuit de functie gaat geen hinder uit naar omliggende functies. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de planologische ontwikkelingen die dit bestemmingplan mogelijk maakt.

Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar leefklimaat. 4.10

Verkeer en parkeren

Verkeer Voor een inschatting van de verkeersgeneratie van het plan is CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren; Van parkeerkencijfers naar parkeernormen' (2018) aangehouden. Het plangebied zal deel gaan uitmaken van de bebouwde kom van een weinig stedelijk gebied. Het plan is om te voorzien in 11 vrijstaande koopwoningen, 6 twee-onder-één-kapwoningen (koop), en 5 rijwoningen (koop). De totale verkeersgeneratie als gevolg van het planvoornemen zal minimaal 165,2 en maximaal 182,8 voertuigbewegingen per etmaal bedragen. Het plangebied wordt ontsloten via de weg Tweede Elsweg die uitkomt op de Hardenbergerweg. Deze wegen kunnen de extra verkeersgeneratie als gevolg van het plan aan. Er ontstaan op verkeerskundig gebied geen belemmeringen. Parkeren De 'Parkeernormennota 2017' geeft aan dat in de gemeente aansluiting moet worden gezocht bij de minimale CROW-norm voor het gebied 'weinig stedelijk' en het betreffende gebiedskenmerk. Volgens de gemeente moet Mariënberg worden gezien als buitengebied. Voor het parkeren is ook de CROW-publicatie als uitgangspunt genomen. Daarbij wordt opgemerkt dat de onderstaande normen inclusief bezoekersparkeren (van 0,3 parkeerplaats per woning) zijn. Het plan voorziet in 11 vrijstaande koopwoningen, 6 twee-onder-één-kapwoningen (koop), en 5 rijwoningen (koop) in het buitengebied in weinig stedelijk gebied.

In de onderstaande tabel is de parkeerbalans opgenomen.

bestemmingsplan Mariënberg, w oongebied De Marke III | PAGINA 35

Type woningen

Aantal woningen koopwoningen 11

Vrijstaande (koop) Twee-onder-één-kapwoningen (koop) Rijwoningen (koop) Totale behoefte

Minimale woning 2,0

norm,

per Toepassin g 22

6

1,8

10,8

5

1,6

8 40,8

Voor de vrijstaande en twee-onder-één-kapwoningen geldt dat op het eigen erf zal worden voorzien in twee parkeerplaatsen per woning. Dat resulteert in 34 parkeerplaatsen. Daarnaast zullen bij het blok aan rijwoningen (bestaande uit 5 rijwoningen) de buitenste woningen ook worden voorzien in twee parkeerplaatsen per woning. Daarmee wordt dus voorzien in 4 parkeerplaatsen. Het totaal aan parkeerplaatsen op eigen erf betreft dus 38. De overige 3 rijwoningen maken wat betreft parkeren gebruik van de openbare weg. Ter plaatse van die woningen zullen 5 parkeerplaatsen worden ingericht. Dat maakt dat het plan ruimte biedt aan in totaal 43 parkeerplaatsen. Dit aantal is hoger dan de minimale parkeerbehoefte. Daarmee is sprake van voldoende parkeergelegenheid in het plangebied. 4.11

Water

Toetsingskader Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet bij ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder verbouwen nieuwbouwplannen, wordt getoetst welke consequenties deze plannen hebben voor de waterhuishouding en hoe in de plannen wordt omgegaan met aspecten van water. Het projectgebied ligt binnen het beheersgebied van waterschap Vechtstromen. Via de Digitale Watertoets is Waterschap Vechtstromen op 27 augustus 2021 van het voorliggende initiatief formeel op de hoogte gebracht. Het resultaat van de watertoets is als Bijlage 6 (Watertoets) bij deze toelichting bijgevoegd. Het resultaat van de watertoets is dat de normale procedure gevolgd moet worden. Toetsing Voorliggend bestemmingsplan is onderdeel van een grotere ontwikkeling: De Marke II. Een deel van De Marke II is al in ontwikkeling en mogelijk gemaakt door het bestemmingsplan Mariënberg, woongebied De Marke II (dat inmiddels is opgenomen in de 'Beheersverordening Mariënberg'). Dat deel betreft fase 1. Ten tijden van het opstellen van dat bestemmingsplan is een Waterstructuurplan opgesteld (DHV B.V. mei 2010), Waterstructuurplan De Marke II, Mariënberg) dat ook rekening hield met de aanleg van de woningen die door middel van voorliggend bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, fase 2.

Het genoemde Waterstructuurplan werkt de benodigde maatregelen uit om te komen tot voldoende waterberging en waterafvoer in het gebied van De Marke II. Dit heeft geresulteerd in het aanleggen van wadi's in het gebied van een dusdanige omvang dat ze 1.450 m3 aan hemelwater kunnen bergen. Daarnaast moet ook het afvalwatersysteem op een juiste manier ingericht worden. In de Tweede Elsweg ligt een gemengd riool dat onder vrij verval afvoert op een gemaal nabij de spoorbaan. Het DWA-riool van de Marke II kan onder vrij verval afvoeren op dit gemengde stelsel. Tot slot wordt opgemerkt dat het planvoornemen met de vorengenoemde uitgangspunten aan het waterschap is voorgelegd door middel van de digitale watertoets. Op basis daarvan heeft het waterschap laten weten dat het met dit planvoornemen gaat om een ontwikkellocatie waar in het verleden al rekening is gehouden met voldoende wateropvang. Bij de uitwerking van het plan moeten verder de twee onderstaande uitgangspunten gehanteerd worden voor een waterrobuuste wijk:

bestemmingsplan Mariënberg, w oongebied De Marke III | PAGINA 36

hemelwaterafvoer bovengronds en zo min mogelijk via buizen, dan zijn eventuele vervuilingen gemakkelijk waar te nemen en op te lossen; de aanleghoogte van de woningen: vloerpeil minimaal 30 centimeter boven straatpeil. Ten tijden van de aanleg van de daadwerkelijke woningen en bijbehorende voorzieningen zullen die uitgangspunten worden uitgewerkt. Conclusie Het milieuaspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavig planvoornemen. 4.12

Ladder duurzame verstedelijking

Toetsingskader Voor het beleidskader voor de ladder duurzame verstedelijking wordt verwezen naar paragraaf 3.1.2. In het kader van de Laddertoets heeft Companen onderzoek gedaan. Het complete onderzoek is als Bijlage 7 aan dit plan toegevoegd. In het navolgende is het onderzoek samengevat. Onderzoek Is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling? De eerste twee vragen van de ladder voor duurzame verstedelijking zijn of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De definitie van een stedelijke ontwikkeling luidt volgens artikel 1.1.1, lid i, Bro: "Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen". In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Uit jurisprudentie blijkt dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen worden gerealiseerd (ECLI:NL:RVS:2015:953). Voorgenomen planologische ontwikkeling betreft de realisatie van 22 woningen aan de rand van Mariënberg in het buitengebied. Daarmee is sprake van een stedelijke ontwikkeling.

Bestaand stedelijk gebied Voor de uitgebreidheid van de laddertoets gaat het om de vraag of een nieuwe stedelijke ontwikkeling plaatsvindt binnen of buiten het 'bestaand stedelijk gebied'. Vindt een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaats, dan dient vanuit het oogpunt van een zorgvuldig ruimtegebruik te worden gemotiveerd waarom een ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden. Binnen de kaders van het Bro wordt de realisatie van 22 woningen in het plan De Marke III beschouwd als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit betekent dat er een laddertoets moet worden uitgevoerd. De locatie heeft momenteel een agrarische bestemming. Daarom moet naast het aantonen van de behoefte aan deze ontwikkeling ook worden gemotiveerd of er geen binnenstedelijke alternatieven zijn voor ontwikkeling van deze locatie. Companen geeft aan dat binnen de kern Mariënberg momenteel geen alternatieve binnenstedelijke locaties beschikbaar zijn om te kunnen voorzien in de woningbehoefte. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Belangrijke indicatoren voor het bepalen van de marktregio zijn de verhuisbewegingen in de afgelopen jaren binnen en tussen de gemeenten. Hieruit blijkt dat de gemeente Hardenberg primair een sterk lokale markt is; ruim 67% van de verhuisbewegingen in de afgelopen jaren vond binnen de gemeentegrenzen plaats.

Ongeveer 33% komt van buiten de gemeente en hiervan komen naar verhouding de meeste vestigers uit omliggende gemeenten als Ommen, Zwolle en Twenterand.

bestemmingsplan Mariënberg, w oongebied De Marke III | PAGINA 37

Gelet op de omvang van Mariënberg en de positie van de kern binnen de gemeente ligt het in de lijn der verwachting dat de vraag in belangrijke mate afkomstig is van huishoudens uit Mariënberg of huishoudens met een sociale binding met de kern hebben. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Kwantitatieve woningbehoefte Op basis van de Primosprognose is de toekomstige ontwikkeling van de bevolking en huishoudens doorgerekend. Deze prognose wordt als basis gebruikt voor de regionale woningbouwafspraken. In de periode tot 2031 neemt op basis van de Primosprognose het aantal huishoudens in de gemeente Hardenberg toe met ongeveer 2.070.

Bevolkings- en huishoudensprognoses zijn op gemeenteniveau doorgaans een robuuste 'voorspeller' van de verwachte woningvraag. De ontwikkeling van het geboortesaldo en migratiebewegingen in de afgelopen jaren geven een inschatting van de te verwachten ontwikkelingen in de toekomst. Op kernniveau zijn deze onzekerheden beduidend groter, omdat, zeker bij kleine aantallen, factoren als verhuizingen, bouwproductie in de afgelopen jaren en het woningbouwbeleid (denk aan wel of niet bouwen in de kern) een belangrijke rol spelen. Dit geldt ook voor de verwachte woningbehoefte in de kern Mariënberg. De kern telt inclusief het buitengebied ongeveer 315 huishoudens en dit is circa 1,3% van het aantal huishoudens in de gemeente Hardenberg. Bij evenredige verdeling van de woningbehoefte over de gemeente wordt de woningbehoefte in Mariënberg geraamd op circa 20 tot 25 woningen in de periode tot 2031. Op dit moment is er geen harde plancapaciteit in Mariënberg en zijn er ook geen andere zachte plannen. Voor Mariënberg ligt het gewenste programma op 20 tot 25 woningen. Op basis hiervan komt Companen tot de conclusie dat er op gemeenteniveau ruimte is voor toevoeging van 22 woningen in de programmering. Kwalitatieve woningbehoefte In 2018 is in de gemeente Hardenberg een woningmarktonderzoek naar de woningbehoefte in de kernen uitgevoerd.

De uitkomsten van dit onderzoek is gebruikt om te toetsen of de ontwikkeling aan De Marke III inspeelt op de kwalitatieve woningbehoefte. Uit de

bestemmingsplan Mariënberg, w oongebied De Marke III | PAGINA 38

kwalitatieve opgave blijkt huishoudens in de kern Mariënberg sterk georiënteerd zijn op een koopwoning. Hiervan is een grote groep huishoudens die een grondgebonden woning zoekt.

Ten opzichte van 2018 zijn de prijzen op de koopmarkt sterk gestegen en de druk op de woningmarkt fors toegenomen. Hoewel er nog steeds een grote voorkeur is voor twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen is er ook een verschuiving te zien naar meer vraag naar (betaalbare) kooprijwoningen. Voor veel starters is een twee-onder-een-kapwoning onbereikbaar geworden en is een rijwoning een aantrekkelijk, betaalbaar alternatief. Dit komt ook terug uit de analyse van het WoON2018 waaruit blijkt dat circa 10% tot 15% van de woningzoekenden in een landelijk woonmilieu de voorkeur geeft aan een kooprijwoning. Conclusie De ontwikkeling van de Marke III voorziet zowel in de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte. Op basis van de kwalitatieve analyse valt te concluderen dat in de Mariënberg een grote vraag is naar grondgebonden koopwoningen. Binnen de kern Mariënberg zijn momenteel geen alternatieve binnenstedelijke locaties beschikbaar om te kunnen voorzien in de woningbehoefte. Het voornemen voldoet aan de vereisten van de Ladder voor duurzame verstedelijking. 4.13

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Toetsingskader Op 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd door het 'Besluit reparatie en modernisering milieueffectrapportage' en is bepaald dat de grenswaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplicht indicatief zijn. Het bevoegd gezag moet bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (85/337/EEG). In het kader hiervan is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden ligt, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten.

In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig, in het andere geval moet een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.

bestemmingsplan Mariënberg, w oongebied De Marke III | PAGINA 39

Onderzoek Voor stedelijke ontwikkelingsprojecten (D11.2) geldt een drempelwaarde van tweeduizend of meer woningen. Het plan maakt de bouw van 22 nieuwe woningen mogelijk. Hoewel dit aantal ver beneden de drempelwaarde ligt, moet wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. Omdat de gemeente zelf initiatiefnemer is van het voorliggende plan hoeft er geen aanmeldnotitie te worden opgesteld. Op 8 maart 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten geen m.e.r. op te stellen (zie Bijlage 8 bij de toelichting). Conclusie Het aspect m.e.r.-beoordeling vormt geen belemmering ontwikkelingen die dit bestemmingplan mogelijk maakt.

voor

de

bestemmingsplan Mariënberg, w oongebied De Marke III | PAGINA 40

planologische

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische toelichting

Algemeen

Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de vorige hoofdstukken, hebben in de regels van dit bestemmingsplan hun juridische vertaling gekregen in de vorm van bestemmingen. Deze paragraaf bespreekt de juridische vormgeving van het bestemmingsplan. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevat de regeling voor de opzet en de inhoud van een ruimtelijk plan. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is deze regeling verder uitgewerkt. Het bestemmingsplan bestaat uit: een verbeelding van het plangebied, zowel analoog als digitaal, waarin alle bestemmingen van de gronden worden aangewezen; de regels waarin de bestemmingen worden beschreven en waarbij per bestemming het doel wordt of de doeleinden worden genoemd. Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro is het verplicht om een bestemmingsplan te vergezellen van een toelichting. Deze toelichting geeft aan welke gedachte aan het plan ten grondslag ligt, wat de uitkomsten van verrichtte onderzoeken zijn, wat het resultaat is van de overleggen en tot slot doet het verslag van de georganiseerde inspraak bij het plan. Hiermee voldoet het bestemmingsplan aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wro en het Bro. Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012.

De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplan te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Het bestemmingsplan met de daarbij behorende toelichting wordt langs elektronische weg vastgelegd en ook in die vorm vastgesteld, tegelijk met een analoge versie van het bestemmingsplan. Als de digitale en analoge versie tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale versie leidend. Hierna worden de aanwezige planregels puntsgewijs besproken. 5.2

Bestemmingsregels

5.2.1

Inleidende regels

Dit onderdeel bestaat uit de begrippen (Artikel 1) en de wijze van meten (Artikel 2). Deze artikelen geven aan wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan en hoe moet worden gemeten bij de toepassing van de bouwregels of sommige gebruiksregels van het plan. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, in overeenstemming met normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. Alle begrippen worden in alfabetische volgorde opgenomen, met uitzondering van de eerste begrippen 'plan' en 'bestemmingsplan'. Voor de begrippen is aansluiting gezocht bij andere bestemmingsplannen in de gemeente Hardenberg. Voor de wijze van meten geldt hetzelfde.

bestemmingsplan Mariënberg, w oongebied De Marke III | PAGINA 41

5.2.2

Bestemmingsregels

'Woongebied' De bestemming 'Woongebied' (Artikel 3) is bestemd voor wonen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen, groenvoorzieningen, watervoorzieningen, parkeervoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. Als hoofdregel voor het bouwen van gebouwen (hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken) geldt dat het bebouwingspercentage niet meer dan 60% bedraagt. Ten tweede geldt ook voor alle gebouwen dat er maatregelen moeten worden genomen om bij de gebouwen de trillingen zodanig te verminderen dat wordt voldaan aan de normen van de SBR-richtlijn B, als bedoeld in paragraaf 2.3 van het Trillingenonderzoek als opgenomen in Bijlage 1 bij de regels. In totaal zijn maximaal 22 woningen toegestaan. De woningen worden aaneen gebouwd als rijenwoningen, als twee-onder-één-kapwoningen of als vrijstaande woningen. Voor het bouwen van de woningen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn bouwregels opgenomen. Van een aantal bouwregels kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken. De woningen en de bijbehorende bouwwerken moeten binnen de bouwvlakken worden gebouwd. De woningen worden gebouwd in of achter de naar de weg gekeerde bouwgrens, met uitzondering van twee vrijstaande hoeklocaties. Voor deze hoeklocaties geldt dat er twee voorgevellijnen zijn, en dat zowel het hoofdgebouw als de bijbehorende bouwwerken in of achter de aangeduide gevellijnen moeten worden gebouwd.

De maximale goot- en bouwhoogte bedragen respectievelijk 6 en 11 meter. Daarnaast zijn in de specifieke gebruiksregels het strijdige (verboden) gebruik geformuleerd, maar ook de voorwaarden om een aan huis verbonden beroep uit te mogen oefenen. Door middel van een omgevingsvergunning is onder voorwaarden een kleinschalige bedrijfsactiviteit mogelijk. 5.2.3

Algemene regels

De algemene regels bestaan uit de volgende regels: Anti-dubbeltelregel De 'Anti-dubbeltelregel' is op basis van artikel 3.2.4 van het Bro. Het betreffende besluit schrijft voor dat de tekst van artikel 3.2.4 van het Bro één op één in een bestemmingsplan wordt overgenomen. Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels (Artikel 5) is aangegeven welke specifieke vormen van gebruik in elk geval strijdig zijn met de bestemming. Algemene afwijkingsregels In de algemene afwijkingsregels (Artikel 6) is een aantal bepalingen opgenomen die het mogelijk maken om het plan op ondergeschikte punten aan te passen. Omdat dit zich niet beperkt tot één bestemming, maar bij diverse bestemmingen gewenst of noodzakelijk kan blijken, zijn deze regels in beginsel op alle bestemmingen van toepassing. Het verlenen van een omgevingsvergunning met afwijking mag geen automatisme zijn. Het verlenen van de vergunning wordt zorgvuldig afgewogen en gemotiveerd. Overige regels In de overige regels (Artikel 7) is de regeling voor parkeergelegenheid en los- en laadmogelijkheden opgenomen.

Daarnaast is in de overige regels geregeld dat het plan zich niet verzet tegen het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van evenementen met een maximum van drie evenementen per jaar en een duur van ten hoogste vijftien dagen per evenement, mits, voor zover noodzakelijk, een omgevingsvergunning op basis van de APV is verleend.

bestemmingsplan Mariënberg, w oongebied De Marke III | PAGINA 42

5.2.4

Overgangs- en slotregels

In dit hoofdstuk zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Voor de redactie van het overgangsrecht geldt het Bro. Dit besluit schrijft dwingend voor hoe het overgangsrecht moet luiden. Bebouwing die niet voldoet aan de regels van is onder het overgangsrecht gebracht. Een geringe uitbreiding van de bebouwing met tien procent wordt mogelijk gemaakt. Het gebruik van gronden en bebouwing dat in strijd is met dit nieuwe bestemmingsplan op het tijdstip van inwerkingtreding, mag in beginsel worden voortgezet. Wijziging van dit strijdige gebruik is verboden, indien de afwijking van het plan wordt vergroot. Indien het strijdige gebruik, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. Tot slot bevat hoofdstuk 3 de slotregel waarin is aangegeven hoe het bestemmingsplan kan worden aangehaald.

bestemmingsplan Mariënberg, w oongebied De Marke III | PAGINA 43

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De gemeente Hardenberg is initiatiefnemer van dit bestemmingsplan. De kosten die gepaard gaan met het plan worden door de gemeente Hardenberg gedragen. Er is door de gemeente een exploitatieplan voor dit bestemmingsplan opgesteld. Het plan is economisch uitvoerbaar. 6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het concept-ontwerpbestemmingsplan is ten behoeve van het vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening naar de provincie Overijssel gestuurd. Via de Watertoets is het Waterschap op de hoogte gesteld. Provincie en Waterschap zijn akkoord met het voorliggende plan. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 17 maart tot en met 27 april 2022 ter inzage gelegen. Er is één zienswijze ingediend die niet heeft geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan.

bestemmingsplan Mariënberg, w oongebied De Marke III | PAGINA 44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11614251/2