Toelichting bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, Ydenhoogte en Leehoogte
Tekst van het document
bestemmingsplan Bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, Ydenhoogte en Leehoogte | PAGINA 47
In de volgende tabel wordt nader op de in de nabijheid aanwezige bedrijven en bijbehorende richtafstanden ingegaan. Hierbij is gemeten tussen de grens van waar de woningen mogelijk zijn tot grens waar de milieubelastende activiteit plaats kan vinden (grens woonbestemmingsvlak/grens belastende bestemming. Adres Type bedrijf Richtafstand Daadwerkelijke in m afstand n.t.b School voor basisonderwijs 30 m (geluid) minimaal 50 m n.t.b. Veldsportcomplex (met 50 m (geluid) minimaal 50 m verlichting) n.t.b. Clubhuis/kantine 10 m (geluid) minimaal 50 m n.t.b. Sportschool 30 m (geluid) minimaal 50 m n.t.b. Kinderdagverblijf 30 m (geluid) minimaal 50 m Eugenboersdijk 8 Grondgebonden agrarisch 30 m (geluid) 50 m bedrijf Eugenboersdijk 9 Intensieve veehouderij 50 m (geluid) 80 m Havezateweg 9 Grondgebonden agrarisch 30 m (geluid) 450 m bedrijf Het Holt 1 Grondgebonden agrarisch 30 m (geluid) 500 m bedrijf Het Holt 3 Grondgebonden agrarisch 30 m (geluid) 460 m bedrijf Het Holt 10 Grondgebonden agrarisch 30 m (geluid) 320 m bedrijf Zoals uit voorgaande tabel blijkt, wordt de richtafstand (bij agrarische bedrijven het aspect 'geur' buiten beschouwing latend) voor alle bedrijven gehaald. Ten aanzien van de functies van het sportcomplex wordt gesteld dat met de grootste contour van 50 m voor de sportvelden rekening zal worden gehouden in de definitieve begrenzing van de woonkavels.
Het gaat erom dat een afstand van 50 m wordt gehaald tussen de gevel van de woningen en de grens van de sportcoorzieningen. Ten aanzien van de agrarische bedrijven wordt in alle gevallen aan de richtafstanden voldaan. Voor wat betreft het aspect 'geur' wordt verwezen naar paragraaf 4.6. Ter plaatse van het projectgebied is daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten en de bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. 4.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 4.6
Geur
4.6.1
Algemeen
4.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is
bestemmingsplan Bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, Ydenhoogte en Leehoogte | PAGINA 48
gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht. De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. 4.6.1.2 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest).
Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 4.6.1.3 Geurverordening gemeente Hardenberg De Wgv maakt het voor gemeenten mogelijk om gebiedsgericht geurbeleid op te stellen. Daarmee krijgt de gemeente een instrument om de ontwikkeling van (grootschalige) veehouderij te sturen. Gemeenten mogen bij verordening van de normen van de Wgv afwijken (artikel 6 Wgv), binnen bepaalde grenzen. Het hanteren van afwijkende normen moet worden onderbouwd vanuit een ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het gebied, de zogenaamde “gebiedsvisie”. De gemeente Hardenberg heeft een dergelijke 'geurverordening' opgesteld en gebiedsgericht geurbeleid ontwikkeld. In deze geurverordening zijn de wettelijke geurnormen (odeur) en afstanden aangepast. De afstand van de gevel van een bestaande stal tot de gevel van een geurgevoelig object moet in het buitengebied minimaal 25 meter bedragen. Dit geldt alleen als er sprake is van het houden van de in artikel 4.2 van de gemeentelijke geurverordening genoemde dieraantallen niet wordt overschreden.
Worden deze aantallen overschreden, of gaat het om de bouw van een nieuwe stal, dan geldt de minimale afstandseis van 50 meter. In de geurverordening zijn in artikel 3 waarden voor geurbelasting opgenomen. Voor onderhavig gebied is een waarde van 3 OuE/m3 aangegeven. 4.6.2
Situatie plangebied
De geplande ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de geurhinder, aangezien woningen geen bron van geurhinder zijn. Wel bevinden zich in de omgeving van het plangebied een aantal intensieve veehouderijen. Er dient inzicht te worden verkregen in het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Hiertoe is een agrarisch geuronderzoek uitgevoerd, waarin onderzoek is gedaan naar zowel de voorgrondbelasting (geurbelasting van individuele intensieve bedrijven) als de achtergrondbelasting (totale geurbelasting van alle intensieve bedrijven in een straal van 2 km rondom het plangebied. Dit onderzoek is als Bijlage 6 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Opgemerkt wordt dat het onderzoek is uitgevoerd voor zowel de Ydenhoogte, Leehoogte als de Velden. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ten aanzien van de Ydenhoogte en Leehoogte ingegaan.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, Ydenhoogte en Leehoogte | PAGINA 49
Uit de resultaten van V-Stacks vergunning blijkt dat de voorgrondgeurbelasting ten gevolge van de veehouderij gelegen aan de Venneweg 1/1a op het deelgebied ‘De Hoogten’ hoogstens 1,6 OUE/m3 bedraagt. Deze waarde wordt behaald op toetspunt 01. Met deze waarde wordt voldaan aan de vastgestelde norm van 3 OUE/m3. Het gehele gebied kan worden gekwalificeerd als goed ‘goed’. De achtergrondgeurbelasting van beide deelgebieden bedraagt hoogstens 2,0 OUE/m3. Met deze waarde is het woon- en leefklimaat te classificeren als ‘goed’. Opgemerkt wordt dat in het zuidelijke deel van het deelgebied ‘De Hoogten’ er sprake is van een ‘zeer goed’ woonen leefklimaat. Bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat bestaat de volgende vuistregel: de voorgrondgeurbelasting is maatgevend als die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In deze situatie is de voorgrondgeurbelasting maatgevend en is het woon- en leefklimaat te kwalificeren als ‘goed’. Aan het bevoegd gezag van de gemeente Hardenberg is de afweging of het woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectgebieden aanvaardbaar is. 4.6.3
Conclusie
Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 4.7
Ecologie
4.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebiedsen soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 4.7.2
Gebiedsbescherming
4.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 (zie: AbRS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 en ECLI:NL:RVS:2019:1604) heeft besloten dat het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS) niet gebruikt mag worden als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitatttypen en soorten in Natura 2000-gebieden. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd.
Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden
bestemmingsplan Bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, Ydenhoogte en Leehoogte | PAGINA 50
waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitatypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening benodigd. Deze berekening is uitgevoerd. Het volledige rapport is als Bijlage 7 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Opgemerkt wordt dat de berekening voor zowel de Velden als de Ydenhoogte en Leehoogte is uitgevoerd. Het project heeft betrekking op de realisatie van 850 woningen in de woningbouwontwikkeling Marslanden II. Het westelijk gebied wordt ‘De Velden’ genoemd en het oostelijk gebied ‘De Hoogten’ wordt genoemd. In de AERIUS-berekening zijn zowel de gebruiksfase alsook de aanlegfase berekend. Voor beide berekeningen is een salderingsberekening gemaakt, waarbij de nieuwe situatie tegenover de referentiesituatie is weggezet. Er is gesaldeerd met het mestgebruik in de referentiesituatie. Uit de rekenresultaten van beide salderingsberekeningen blijkt dat er geen sprake is van een toename hoger dan 0,00 mol/ha/jr.
Sterker nog, voor zowel de aanlegfase alsook de gebruiksfase blijkt dat er ten opzichte van de referentie situatie sprake is van een afname van respectievelijk maximaal 0,04 en 0,06 mol/ha/jr. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is mogelijk negatieve effecten op de geraakte Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming ten aanzien van het onderdeel stikstof niet vergunningplichtig is. 4.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuur Netwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN. De ligging ten opzichte van het NNN wordt hierna weergegeven.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, Ydenhoogte en Leehoogte | PAGINA 51
Afbeelding 4.2: Weergave ligging NNN (Bron: Provincie Overijssel) De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangemerkt als NNN liggen ten zuiden van het plangebied langs de Vecht. De afstand bedraagt circa 350 meter. Gelet op deze afstand en de tussenliggende stedelijke functies zijn geen negatieve effecten op het NNN te verwachten. Het NNN kent immers geen schaduwwerking (geen werking op gebieden buiten het NNN). Geconcludeerd wordt dan ook geen sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 4.7.3
Soortenbescherming
4.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. 4.7.3.2 Situatie plangebied In het kader van voorliggende ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit rapport is als Bijlage 8 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Opgemerkt wordt dat de quickscan voor zowel deelgebied de Velden als voor de Ydenhoogte en Leehoogte is uitgevoerd. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door verschillende beschermde diersoorten benut als foerageergebied en vermoedelijk nestelen er vogels,
bestemmingsplan Bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, Ydenhoogte en Leehoogte | PAGINA 52
bezetten amfibieën er een rust- en voortplantingsplaats, bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats en benutten vleermuizen er de laanbeplanting als vliegroute. Vliegroutes kunnen een essentieel onderdeel zijn van het functionele leefgebied van vleermuizen. Daarom zijn essentiële vliegroutes beschermd. Om een effect van de voorgenomen activiteiten op vliegroutes vast te kunnen stellen, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar vliegroutes langs de Plaggemarsweg en Havermarsweg. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. De beplanting dient buiten de voortplantingsperiode verwijderd te worden en het terrein dient bij voorkeur bouwrijp gemaakt te worden buiten de voortplantingsperiode. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield.
Voor de meeste beschermde grondgebonden zoogdieren en alle amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen'. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode. Wezel en hermelijn zijn beschermd en mogen niet zondermeer gedood worden en de vaste rust- en voortplantingsplaats mag niet zondermeer beschadigd en vernield worden. Om de functie van het plangebied voor voorgenoemde soorten vast te stellen kan aanvullend onderzoek uitgevoerd worden, of kan direct ontheffing van de verbodsbepalingen ‘doden’ en beschadigen/vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats. Voor deze soorten is ook een nader onderzoek noodzakelijk. Nader onderzoek vleermuizen en marterachtigen Hiertoe is in oktober 2022 een nader onderzoek naar vliegroutes van vleermuizen. Tevens is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van marterachtigen.
Het volledige rapport is als Bijlage 9 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Vleermuizen Tijdens het onderzoek zijn drie soorten vleermuizen waargenomen gewone dwergvleermuizen, laatvliegers en rosse vleermuizen. Tijdens de bezoeken werden hoofdzakelijk foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen. Tijdens het bezoek van 27 juni werden in totaal 15 (langsvliegende) rosse vleermuizen waargenomen en op 23 augustus werden 3 laatvliegers langs de Eugenboersdijk waargenomen. Al deze vleermuizen bezetten een verblijfplaats buiten het onderzoeksgebied. De rosse vleermuizen bezetten mogelijk een verblijfplaats in het Engelandsche Bosch. Zij benutten de laanbomen niet als vliegroute. Sommige rosse vleermuizen vlogen hoog over het onderzoeksgebied in Zuidwestelijke richting, terwijl enkele individuen korte tijd boven de agrarische percelen foerageerden. Uit het onderzoek is niet gebleken dat de laanbomen benut worden als vliegroute. Uiteraard
bestemmingsplan Bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, Ydenhoogte en Leehoogte | PAGINA 53
vlogen de gewone dwergvleermuizen en de laatvliegers in de lengterichting langs de bomen, maar zij deden dit druk foeragerend, en vlogen in vrij willekeurige richting op en neer langs de bomen. De laanbomen in het onderzoeksgebied worden niet beschouwd als essentiële verbinding in een vliegroute, welke van belang is voor het kunnen functioneren van een verblijfplaats van vleermuizen. In de nieuwbouw van de wijk Havezate Es, fase I, is geen kolonie vastgesteld, welke de laanbomen ten noorden ervan benut als vliegroute. Er zijn geen vleermuizen waargenomen die vanuit de nieuwbouwwijk, naar de laanbomen vlogen. Tijdens de bezoeken werden maximaal 10-15 foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen, die tegelijkertijd in het onderzoeksgebied vlogen. De gewone dwergvleermuizen waren in hoofdzaak afkomstig vanaf de erven ten noorden van de Eugenboersdijk. Mogelijk bezetten ze daar een verblijfplaats. Uit onderzoek is gebleken dat laatvliegers en gewone dwergvleermuizen de laanbeplanting benutten als foerageergebied, maar niet als vliegroute. De betekenis van de laanbomen als foerageergebied is vrij beperkt. Het vormt geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Marterachtigen Om de functie van het plangebied voor wezel en hermelijn vast te stellen zijn drie wildcamera’s gebruikt.
Het onderzoek naar marterachtigen is uitgevoerd conform de richtlijnen zoals die zijn opgenomen in de Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming (Bouwens, S., versie 11 oktober 2017). Er zijn drie wildcamera’s1 met bewegingssensor en infrarood-optie geplaatst. De camera’s zijn geplaatst op ‘strategische’ plekken, zoals open plekken en ‘wissels’ of langs een schutting. De camera’s in de berm en langs het graslandperceel stonden dusdanig, dat verkeer over de naastgelegen verharde weg niet op beeld verscheen. De beide camera’s langs de doorgaande weg, stonden op de insteek van de berm naar de bermsloot, verstopt achter natuurlijke jonge opslag; de westelijke stond aan de binnenzijde van de bermsloot, de oostelijke aan de overzijde, aan de kant van het ruige grasland. De camera langs de perceelscheiding stond tussen beide agrarische percelen in. Er zijn tijdens het onderzoek geen opnamen gemaakt van wezel of hermelijn. Ook zijn geen andere aanwijzingen gevonden die er op duiden dat kleine marterachtigen gebruik maken van het plangebied als functioneel leefgebied. 4.7.4
Conclusie
Het plan heeft naar verwachting geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, het NNN of beschermde soorten. Voor de wezel en hermelijn is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd. 4.8
Archeologie & cultuurhistorie
4.8.1
Archeologie
4.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, Ydenhoogte en Leehoogte | PAGINA 54
4.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Hardenberg beschikt over een eigen archeologische beleidsadvieskaart. Een uitsnede is hierna weergegeven.
Afbeelding 4.3: Archeologische verwachtingskaart (Bron: Gemeente Hardenberg) Het overgrote deel van het plangebied heeft een lage archeologische verwachting. Voor deze gebieden geldt geen onderzoeksplicht. Voor een klein deel geldt een middelmatige archeologische verwachting. Voor deze gronden geldt een onderzoeksplicht bij ingrepen groter dan 500 m2. Met onderhavig plan wordt deze oppervlakte overschreden. Daarom is een archeologisch onderzoek nodig. Bureaonderzoek Er is door Laagland een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als Bijlage 10 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het terrein ligt in het rivierdal van de Vecht. Er worden zandige terrasafzettingen verwacht, mogelijk bedekt met al dan niet gelamineerde klei en zandlaagjes, afgezet tijdens overstromingen. Het plangebied wordt doorsneden door de nu gekanaliseerde Molengoot. In vroeger tijden was dit een Vechtarm. Rondom de Molengoot kan veen worden verwacht. Het plangebied bestaat ook voor een groot deel uit beekeerdgronden. Aan weerszijden van de Molengoot komen
bestemmingsplan Bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, Ydenhoogte en Leehoogte | PAGINA 55
associaties van koopveengronden en kalkloze drechtvaaggronden voor. In de omgeving van het plangebied zijn archeologische resten uit de Bronstijd tot en met de Nieuwe Tijd bekend. In historische tijden (vanaf circa 1832) werd het plangebied omschreven als bouwland. Op basis van historische veldnamen kan worden aangenomen dat de plangebieden lange tijd een nat, moerassig gebied vormden. In het plangebied kunnen off-site resten uit de periode Midden-Neolithicum – Vroege Middeleeuwen worden verwacht aan weerszijde van de huidige Molengoot. De kans is groot dat er sprake is van een verstoord bodemprofiel. Op dit moment is de bodemopbouw en de mate waarin het bodemprofiel nog intact is niet bekend. Om deze reden wordt geadviseerd een vervolgonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uit te voeren. Met dit booronderzoek wordt de bodemopbouw in kaart gebracht. Aangezien de daadwerkelijke bodemopbouw in het plangebied niet precies bekend is, vormt een verkennend booronderzoek de aangewezen onderzoeksmethode. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kunnen kansrijke delen worden geselecteerd voor eventueel vervolgonderzoek, terwijl delen met geen of weinig kansrijke delen van vervolgonderzoek kunnen worden uitgesloten. De delen die kansrijk zijn voor archeologische waarden zijn voorzien van een archeologische dubbelbestemming, teneinde deze waarden te beschermen.
Veldonderzoek Op basis van het bureauonderzoek is een veldonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als Bijlage 11 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4003. In een eerder stadium is een bureauonderzoek uitgevoerd. Daarbij zijn een aantal zones geïdentificeerd die op basis van bodemkundige aspecten kansrijk worden geacht voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische resten. Samenvatting Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het eerder gestelde verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen. Uit de verkennende boringen blijkt een zeer gelijkmatige opbouw, bestaande uit een bouwvoor van 20-30 cm dik, gevolgd door een C-horizont met gleyverschijnselen. Er zijn geen archeologisch kansrijke lagen of bodemkundige fenomenen aangetroffen. De kans dat het gebied nog archeologische resten met een intacte archeologische context bevat wordt daarom laag geacht.
Op basis van de resultaten van het veldonderzoek wordt geadviseerd geen archeologisch vervolgonderzoek in het plangebied uit te voeren en het plangebied vrij te geven voor het aspect archeologie, met uitzondering van een eerder tijdens het bureauonderzoek benoemde zone waar nu geen booronderzoek is uitgevoerd. Selectieadvies Geadviseerd wordt in het bestemmingsplan geen aanduiding omtrent archeologie op te nemen. Wel worden er in de in het bureauonderzoek genoemde zone off-site resten verwacht. Zoals in het bureauonderzoek is aangegeven (en door de regio-archeoloog als zodanig is geadviseerd) dient de aannemer ervoor te tekenen dat hier (maar ook elders in
bestemmingsplan Bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, Ydenhoogte en Leehoogte | PAGINA 56
de plangebieden) bij werkzaamheden wordt gekeken naar archeologische resten. In voorkomende gevallen dient contact te worden opgenomen met de regio-archeoloog. Hierover zullen separaat afspraken worden gemaakt. De archeologische dubbelbestemming komt daarmee te vervallen. 4.8.2
Cultuurhistorie
4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, in het plangebied zelf geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten. Voor het overige zijn er binnen het plangebied of in de omgeving van het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig die de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 4.8.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat in het kader van dit plan geen sprake is van negatieve effecten op de archeologische en cultuurhistorische waarden.
4.9
Verkeer en parkeren
4.9.1
Algemeen
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de effecten op de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door de nieuwe ontwikkeling. De gemeente Hardenberg beschikt over een eigen parkeernota. Hierin is aansluiting gezocht bij de landelijke parkeerkencijfers op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren (december 2018)' van het CROW. Wat betreft de functies wordt aansluiting gezocht bij de functies zoals genoemd in deze CROW-publicatie. De parkeernormen in CROW-publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren bestaan uit een minimum- en maximumwaarde. In de gemeente Hardenberg is vanuit de duurzaamheidsgedachte de minimale parkeernorm voor auto's voldoende. Om schijnnauwkeurigheid te voorkomen is in de Parkeernormennota uitgegaan van één stedelijkheidsgraad, te weten: "weinig stedelijk gebied" voor de gehele gemeente. De verschillen in inrichting en bebouwing in de gemeente zijn redelijk groot, waardoor het zinvol is om onderscheid te maken naar gebiedskenmerken, te weten: centrum, schil/overloopgebied, rest bebouwde kom en buitengebied. In de Parkeernormennota is de gebiedsindeling opgenomen. Het plangebied wordt aangemerkt als rest bebouwde kom. 4.9.2
Verkeer
Algemeen De verkeersafwikkeling van de gehele Marslanden is weergegeven in afbeelding 2.9. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen auto- en fietsverbindingen. De Marslanden wordt nagenoeg geheel ingericht als 30 km-zone. Enkel de Van Uterwijckallee is ingericht als 50 km-zone. De woongebieden worden aan de west- en oostzijde via twee wegen ontsloten. Aangezien de N34 een belangrijke doorgaande weg betreft, is in het kader van verkeersveiligheid en
bestemmingsplan Bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, Ydenhoogte en Leehoogte | PAGINA 57
doorstroming voor gekozen om geen nieuwe ontsluitingen op de N34 te realiseren. De fietsverbindingen zijn aangegeven met de rode stippellijn. Voor het langzaam verkeer bestaat een centrale as in de vorm van de bestaande (naar het stadscentrum toe doorgetrokken) Plaggemarsweg, die vanuit het centrum van Hardenberg via een brug over de Vecht en door een fietstunnel onder de N34 door loopt, de Cirkel doorsnijdt, tussen de Leehoogte en de Marshoogte door loopt en vervolgens de grens volgt tussen de rationele verkaveling en de verkaveling van de hoogten. Voor het langzaam verkeer is het voorkeursmodel een snelle en directe route naar het stadscentrum, langs de verschillende woonbuurten. Deze route wordt met bomenrijen versterkt en zal worden ervaren als de ruggengraat van Marslanden. Een tweede fietstunnel ligt iets ten westen van deze centrale langzaamverkeersontsluiting. De Havermarsweg en de Eugenboersdijk met begeleidende laanbeplanting blijven in hun huidige verschijningsvorm bewaard en worden in de Marslanden opgenomen als langzaamverkeersverbindingen.
Afbeelding 2.9: Verkeersstructuur (Bron: Atelier Dutch) Voor deze ontwikkeling is een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd om inzichtelijk te maken wat de verkeerskundige gevolgen van de planontwikkeling van de Marslanden zijn Het onderzoek richt zich hierbij op de verkeersafwiiekling, waarbij wordt uitgegaan van het peiljaar 2040. Het rapport is als Bijlage 12 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten en aanbevelingen ingegaan. Opgemerkt wordt dat het onderzoek voor de gehele Marslanden is uitgevoerd. Conclusies Met voorgaand verkeersonderzoek zijn de gevolgen voor de verkeerafwikkeling van het autoverkeer van de ontwikkeling van Marslanden inzichtelijk gemaakt. Hierbij is uitgegaan van een wenselijke capaciteit van de bestaande wegen. In de huidige situatie zijn er (incidenteel) capaciteitsproblemen op de van Uterwyckallee nabij de aansluiting op de Haardkijk.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, Ydenhoogte en Leehoogte | PAGINA 58
In de autonome situatie 2040 zijn er in het invloedsgebied een aantal verkeersmaatregelen vanuit het GVVP en het Fietspadenplan geïmplementeerd. De ontwikkeling van Marslanden is dan nog buiten beschouwing gelaten. Vanuit het Fietspadenplan is de Venneweg ingericht als fietsstraat. Dit reduceert de capaciteit van de weg, maar is wel noodzakelijk voor de fietsverbinding Slagharen – Hardenberg. In deze autonome situatie wordt de bestaande problematiek op de Van Uterwyckallee vergroot, maar ontstaan geen nieuwe problemen op wegvakniveau. Op kruispuntniveau volstaat in de autonome situatie 2040 de enkelstrooksrotonde Haardijk – Van Uterwyckallee niet meer. De uitbreiding van Marslanden kent acht gebieden, waarbij De Cirkel II en Marshoogte inmiddels (bijna) gerealiseerd zijn. Ontwikkeling van de overige gebieden leidt tot ruim 1.500 extra woningen en onderwijsen sportvoorzieningen. Deze ontwikkeling brengen een verkeersgeneratie van circa 13.000 mvt/werkdag met zich mee. Wanneer het extra verkeer wordt toegedeeld op basis van de ontsluitingsstructuur uit de Structuurvisie Marslanden II, volgt een sterke relatie met de kern Hardenberg (en achterland) en het noorden.
In de plansituatie worden de capaciteitsproblemen op de Van Uterwyckallee groter en ontstaan (incidenteel) knelpunten op de Voltelenstraat, Venneweg, Havezateweg en het meest noordelijk en zuidelijk deel van de Eugenboersdijk. De problematiek op de rotonde Haardijk – Van Uterwyckallee wordt ook groter. Met het geformuleerde maatregelenpakket op wegvak- en kruispuntniveau zijn de capaciteitsproblemen in de plansituatie 2040 beheersbaar. Aanbevelingen Aanbevolen wordt om de volgende maatregelen te treffen: 1. Eugenboersdijk (zuid): upgrade naar gebiedsontsluitingsweg 80 km/u; 2. Eugenboersdijk (noord): verbreden erftoegangsweg 60 km/u inclusief realisatie fietsstroken; 3. Havezateweg: verbreden erftoegangsweg 60 km/u inclusief realisatie fietsstroken; 4. Venneweg: realisatie knip gemotoriseerd verkeer; 5. De Kerkdijk: verbreden erftoegangsweg 60 km/u inclusief realisatie fietsstroken; 6. Collendoornderdijk: realisatie (bredere) fietsstroken; 7. Van Uterwyckallee: upgrade naar gebiedsontsluitingsweg 50 km/u 8. Kruispunt Eugenboersdijk – Ydenhoogte: realisatie enkelstrooksrotonde; 9. Kruispunt Van Uterwyckallee – Ervenweg: realisatie enkelstrooksrotonde; 10. Kruispunt Van Uterwyckallee – Van Foreestallee - Meijerstraat: realisatie middengeleider; 11. Rotonde Haardijk – Van Uterwyckallee: upgrade naar eirotonde; 12.
Kruispunt Van Uterwyckallee - Collendoornderdijk: onderdeel ontwerpopgave eirotonde. De planning van realisatie maatregelen is afhankelijk van de fasering van de uitbreiding van Marslanden. Aanbevolen wordt om de ontwikkeling van verkeersintensiteiten periodiek te monitoren. 4.9.3
Parkeren
In voorliggend geval gaat het om de realisatie van maximaal 502 woningen, bestaande uit zowel vrijstaande woningen, twee-onder-één kap woningen en rijwoningen. Op basis van de gemeentelijke parkeernota gelden de volgende parkeernormen: Koop, huis, vrijstaand: parkeernorm van 1,9 parkeerplaatsen per woning; Koop, huis, twee-onder-één-kap: parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen per woning; Koop, huis, tussen/hoek: parkeernorm van 1,6 parkeerplaatsen per woning; Het parkeren geschiedt in de openbare ruimte, in parkeerkoffers en op eigen terrein. In de verdere uitwerking van het stedenbouwkundig ontwerp wordt rekening gehouden met de
bestemmingsplan Bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, Ydenhoogte en Leehoogte | PAGINA 59
parkeernormen. In de regels is dit juridisch geborgd. Voor parkeervoorzieningen op eigen erf is in de parkeernota een parkeerbalans opgenomen. Deze is in onderstaande tabel weergegeven.'
4.10
Besluit milieueffectrapportage
4.10.1 Kader De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, Ydenhoogte en Leehoogte | PAGINA 60
4.10.2 Situatie plangebied Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.' Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden kan worden geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht aangezien de drempelwaarden niet worden overschreden.
Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien de mogelijkheden van dit plan worden vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Zo kent het plangebied een kleinere oppervlakte en voorziet dit bestemmingsplan in maximaal 400 woningen, terwijl pas bij 2000 woningen of meer sprake is van een m.e.r.beoordelingsplicht. Daarnaast blijkt uit dit hoofdstuk en het volgende hoofdstuk dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. In het kader van de verdere ontwikkeling van de Marslanden is een Structuurplan, de aanpassing van de Structuurschets uit 1997, voor de omgeving Marslanden ontwikkeld. Omdat het Structuurplan een kader biedt voor een ontwikkeling van maximaal 2.200 woningen, biedt het plan de basis voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Hiertoe is in het verleden een plan m.e.r. opgesteld.
Doel van de Plan m.e.r.-procedure is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het Structuurplan is voor een groter gebied, en op een minder gedetailleerde schaal gemaakt dan de bestemmingsplannen. Voor het Structuurplan zijn 2 basis structuurmodellen opgesteld. De plan m.e.r.- procedure is doorlopen om deze verschillende structuurmodellen te toetsen op het gebied van water, milieu, ecologie, verkeer, archeologie, cultuurhistorie en landschap. Dit planMER voor het woningbouwproject Marslanden fase II is erop gericht de meest geschikte inrichtingswijze van de woonwijk in beeld te brengen, evenals de hiermee gepaard gaande gevolgen voor het milieu en het ruimtegebruik. Dit geldt voor zowel het effect ter plaatse als in de directe omgeving van de locatie. Deze planMER procedure is inmiddels doorlopen. Echter is er in het kader van zorgvuldigheid voor gekozen voor dit specifieke bestemmingsplan een vormvrije m.e.r.-notitie op te stellen. De vormvrije m.e.r.-notitie is als Bijlage 13 van deze toelichting opgenomen. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling niet m.e.r.-plichtig is. 4.10.3 Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Er zijn eveneens geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, Ydenhoogte en Leehoogte | PAGINA 61
Hoofdstuk 5
Wateraspecten
5.1
Vigerend beleid
5.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2022-2027. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. 5.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als in het stedelijk gebied. 5.1.4
Waterschap Vechtstromen
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, Ydenhoogte en Leehoogte | PAGINA 62
5.1.5
Gemeentelijk rioleringsplan 2018-2022
In het Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2022 (GRP) heeft gemeente Hardenberg het rioleringsbeleid vastgelegd voor een periode van vijf jaar (1 januari 2018 tot en met 31 december 2022). Hierin staat wat de gemeente heeft gedaan op het gebied van riolering, moet doen, wil doen, gaat doen, hoe dat wordt georganiseerd en wat het kost. In dit GRP focust de gemeente zich op de vraag: wat wil de gemeente bereiken met de rioleringszorg en wat merkt de inwoner daarvan? De gemeente gaat van normgericht naar resultaatgericht. In het rioleringsplan wordt het volgende beschreven; Welke rioleringsvoorzieningen heeft de gemeente Hardenberg; Hoe worden de voorzieningen beheerd; Welke gevolgen er zijn voor het milieu; Welke voorzieningen zijn (binnenkort) aan vervanging toe; Welke verbeteringen zijn er nodig; Wat zijn de kosten hiervan; Hoe en welke kosten worden op burgers en bedrijven verhaald. Bovenstaande beschrijving vormt de kerngedachte van het gemeentelijke rioleringsplan of wel het GRP. Het rioleringsbeleid van de gemeente wordt door het GRP inzichtelijk gemaakt. In het GRP wordt niet alleen gekeken naar het afvalwater maar ook naar het grond- en hemelwater. 5.2
Waterparagraaf
Grondwaterbeschermings-, intrek- of waterwingebied De locatie bevindt zich niet binnen een grondwaterbeschermings-, intrek- of waterwingebied. Afvalwater Bij het bouwrijp maken van de uitbreiding wordt een gescheiden rioolstelsel aangelegd, dat is afgestemd op het toekomstige aantal woningen. Het nieuwe stelsel zal worden aangelegd conform het rioleringsplan' van de gemeente Hardenberg. Hemelwater en oppervlaktewater De hemelwaterafvoer in voorliggend plan wordt volledig gescheiden van afvalwater. Een deel van het hemelwater wordt geïnfiltreerd en een deel wordt afgevoerd via het regenwaterriool. In het op te stellen waterhuishoudkundig plan wordt dit uitgewerkt. Grondwater Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Daarnaast is er in de huidige situatie geen sprake van grondwateroverlast. Het grondwater wordt zoveel mogelijk aangevuld met schoon infiltrerend water. In het plangebied wordt grondwaterneutraal gebouwd om grondwateroverlast in de toekomst te voorkomen. Wateropgave De wens om Marslanden II gefaseerd te ontwikkelen, roept ook de vraag op om de wateropgave (als gevolg van de toename van verhard oppervlak) onder te verdelen naar de verschillende fases. Daarnaast wil de gemeente de wateropgave zoals deze in 2008 is gesteld, opnieuw tegen het licht houden. Zijn de opgaves nog actueel of moeten ze worden bijgesteld.
Daarom is door Arcadis een 'Actualisatie Wateropgave Marslanden II Hardenberg' opgesteld (d.d. 25 februari 2015, 078037041:0.11 – Definitief). Het volledige rapport is opgenomen in Bijlage 15. Hierna wordt ingegaan op de resultaten van dit rapport. Belangrijk is dat het watersysteem mee groeit met de ontwikkeling van de wijk en dat afwatering vanaf het eerste moment van aanleg is gewaarborgd, zodat ook bouwwegen van een afwatering zijn voorzien. In de onderstaande tabel is geschat wat de benodigde ruimte voor de wateropgave voor circa 300
bestemmingsplan Bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, Ydenhoogte en Leehoogte | PAGINA 63
woningen is. Dit was bij de totstandkoming van het rapport het uitgangspunt. Dit bestemmingsplan biedt ruimte aan maximaal 400 woningen. Deze onderstaande getallen zijn gebaseerd op de verhoudingen die in de voorlopige stedenbouwkundige invulling (exclusief Havezathe Es) is opgenomen, plus de naar rato verdeelde waterbergingsopgave ten behoeve van de maalstop. Daarbij wordt vermeld dat dit slecht indicatieve getallen zijn. Het ruimtebeslag van de wateropgave is berekend door de wateropgave in m³ te delen door de peilstijging. Daar is 25% bij op geteld, in verband met landschappelijke inpassing en ruimte voor taluds.
Het rapport 'Actualisatie Wateropgave Marslanden II Hardenberg' is niet exact afgestemd op het huidige stedenbouwkundige plan. Wel toont het rapport aan dat de ontwikkeling vanuit waterhuishoudkundig oogpunt uitvoerbaar wordt geacht. Het rapport dient als belangrijke input voor het uit te werken waterhuishoudkundige systeem, dat mede op basis van het convenant zoals hierna beschreven, nog vorm wordt gegeven. Dit wordt uitgewerkt in een waterhuishoudkundig plan, dat in het ontwerpbestemmingsplan zal worden verwerkt. In paragraaf 5.2.1 zal hier in het ontwerpbestemmingsplan nader op worden ingegaan. Convenant met het waterschap In het kader van de herijking wateropgave Vechtstromen Noord zijn de projecten uit het Lokaal Bestuursakkoord Water in 2015 opnieuw beoordeeld met het oog op gewijzigde inzichten in het omgaan met klimaatverandering en het streven naar meer kosteneffectiviteit. De resultaten van deze herbeoordeling zijn in grote lijnen verwoord in het document “Herijking wateropgave Vechtstromen Noord, 28 oktober 2015”, dat is vastgesteld in de stuurgroep LBW van 28 oktober 2015. De gemeente Hardenberg en het waterschap Vechtstromen hebben in aanvulling hierop afspraken gemaakt over de consequenties van de herijking voor het gebied Collendoorn (Marslanden/Molengoot/Collendoornerveen). Het convenant is opgenomen als Bijlage 14.
Op basis van het convenant wordt het waterhuishoudkundige systeem verder uitgewerkt in samenspraak met het waterschap. 5.2.1
Waterhuishoudkundig plan
Voor de deelgebieden Ydenhoogte en Leehoogte wordt een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Dit plan is een nadere, gespecificeerde uitwerking van de waterhuishouding en is gebaseerd op de wateropgave voor de Marslanden (Bijlage 15) en sluit aan bij de afspraken die in het convenant zijn gemaakt. Het waterhuishoudkundig plan maakt onderdeel uit van het ontwerpbestemmingsplan, Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste keuzes ten aanzien van de waterhuishouding. Het volledige waterhuishoudkundige plan is als Bijlage 16 opgenomen. Hemelwaterafvoer Om een duurzame, toekomstbestendige en robuuste afvoer van het regenwater realiseren wordt er zoveel als mogelijk het regenwater binnen het plangebied opgevangen. Dit wordt gerealiseerd door het maken van wadi’s. De wadi’s vangen het water op waarna het water
bestemmingsplan Bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, Ydenhoogte en Leehoogte | PAGINA 64
vertraagd de grond in kan trekken. De wadi’s zijn zoveel als mogelijk aan elkaar gekoppeld om zo een robuust systeem aan te leggen. De wadi’s worden uitgevoerd met zogenoemde slok-op’s. Deze zorgen ervoor dat bij grote piekbuien de wadi’s niet overstromen maar het overtollige water afgevoerd wordt naar het IT-riool. De buurtgroentjes en de Brink dienen een multifunctioneel doel. Hier komen de opvang van water, het verminderen van hittestress en spelen samen. De wadi’s worden niet alleen ‘technisch’ aangelegd met gemaaid gras, maar worden (deels) ingeplant met een weelderige beplanting. Dit wordt bij het inrichtingsplan verder uitgewerkt. Hierna is een overzicht van de wadistructuur weergegeven voor het deelgebied Ydenhoogte. Voor de Leehoogte wordt dit in een later stadium uitgewerkt.
Afbeelding 5.1: Weergave wadi's in Ydenhoogte (Bron: Atelier Dutch) Vuilwaterafvoer Bij de voorgaande fases van de Marslanden is gekozen voor een IT-riool. Dit zal ook voor de Ydenhoogte en Leehoogte aangelegd worden. Voor de inzameling van vuilwater binnen Ydenhoogte zal een separaat dwa-riool (droogweerafvoer) aangelegd worden. Dit vuilwaterriool zal onder vrijverval aangesloten worden op gemaal Schoutenhof. Grondwater Om voldoende drooglegging en dus geen hinder van grondwater te hebben bij bijvoorbeeld woningen zijn voor Marslanden in de basis een aantal minimum peilen afgesproken die ook
bestemmingsplan Bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, Ydenhoogte en Leehoogte | PAGINA 65
gelden voor Ydenhoogte. Zo geldt voor de wegpeilen een minimum van + 8,50 de drempelpeil van de woningen komen daarmee op + 8,80 (verhoogd met 0,30 m tov straatpeil). Met deze peilen is een voldoende drooglegging gewaarborgd. Met verwijzing naar het concept waterstructuurplan van Roelofs d.d. 07-06-2022 ligt de gemeten drukhoogte van de grondwaterstand op circa + 7,05 - 6,30 in de periode jan. febr.. De verwachte drooglegging uitgaande van een drempelpeil van + 8,80 ligt de drooglegging op 1,75 m en is daarmee ruimschoots voldoende. Doorgaans wordt een drooglegging van 1,20 - 0,90 m bij kruipruimtes aangehouden. Conclusies Op basis van de berekening blijkt dat het totale afvoerend oppervlak binnen de wijk Marslanden 107 ha bedraagt. Op basis van een bergingseis van 86,8 mm en een maalstop van 3.900 m3 bedraagt de bergingsopgave voor Marslanden 96.686 m3. Bij een peilstijging van 1,00 m en 11,5 ha oppervlaktewater (waterpeil), bedraagt de gerealiseerde berging 114.519 m3. Hiermee is er voldoende berging beschikbaar om te kunnen voldoen aan de bergingsopgave. Er is zelfs sprake van een overcapaciteit van 17.833 m3. Op basis van het aanwezige oppervlaktewater en de afvoerende oppervlakken bedraagt de maximale peilstijging 0,84 m (NAP + 7,84 m) in plaats van 1,00 m.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, Ydenhoogte en Leehoogte | PAGINA 66
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische aspecten en planverantwoording
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is. 6.2
Opzet van de regels
6.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels. 6.2.2
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 6.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, goothoogte
bestemmingsplan Bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, Ydenhoogte en Leehoogte | PAGINA 67
etc.); Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde(n) mag afgeweken worden van de aangegeven bouwregels. Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig zijn of onder welke voorwaarden toegestaan zijn; Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde(n) mag afgeweken worden van de aangegeven bestemming en/of specifieke gebruiksregels. In paragraaf 6.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor de desbetreffende bestemming is gekozen. 6.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van (bijvoorbeeld) een maximaal bebouwingspercentage. Artikel 8 Algemene bouwregels In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven. Hierin zijn bepalingen omtrent geluidsgevoelige objecten opgenomen. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Artikel 10 Overige regels In dit artikel worden de overige regels beschreven, waaronder de afstemming met de welstand en APV, uitsluiting van seksinrichtingen en de verplichting om voldoende parkeerplaatsen aan te leggen. 6.2.5
Overgangs- en slotregels
In Hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In het overgangsrecht is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd. 6.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes onderbouwd. Artikel 3 Groen De delen van het plangebied die zijn bedoeld voor groen en water zijn met Groen bestemd. Binnen deze bestemming ligt het accent op het gebruik als groen- en watervoorziening. Gebouwen zijn niet toegestaan. Ter plaatse van een beoogde ontsluiting voor verkeer is de aanduiding 'ontsluiting' opgenomen. Er is nog geen bestemming 'Verkeer' opgenomen omdat niet geheel duidelijk is waar de ontsluiting zal worden gerealiseerd. Daarom is gekozen voor een zone waar de ontsluiting kan komen, zodat al transparant aan is gegeven waar de ontsluiting zal komen.
Bij de vaststelling van het bestemmingsplan zal naar alle waarschijnlijkheid de bestemming 'Verkeer' op de exacte locatie van de gewenste
bestemmingsplan Bestemmingsplan Hardenberg, Marslanden II, Ydenhoogte en Leehoogte | PAGINA 68
ontsluiting worden bepaald. Artikel 4 Tuin Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de kavels die grenzen aan het water, in het deelgebied Ydenhoogte. Het gaat om een strook van 3 m tussen de grens van de kavel en het water. Het is wenselijk om deze strook aan het water vrij te laten van bebouwing. Daarom is in deze bestemming specifiek opgenomen dat uitsluitend onbebouwde tuinen toegestaan zijn. Artikel 5 Verkeer Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de Eugenboersdijk. Er is gekozen voor deze bestemming omdat de Eugenboersdijk een belangrijke verkeersverbinding vormt. Momenteel valt deze weg binnen het 'oude' bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg 1989'. Er is ervoor gekozen om dit te actualiseren, temeer omdat de weg een ontsluiting vormt voor het nieuwe woongebied. Gronden met deze bestemming zijn met name bestemd voor verkeersdoeleinden. Inhoudelijk is de regeling aangesloten bij de bestemming 'Verkeer - 2' zoals deze geldt in het bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg'. Een groot deel van deze weg heeft immers reeds deze bestemming. Artikel 6 Woongebied Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van het gehele woongebied voor zowel Ydenhoogte als Leehoogte.