Toelichting bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Grote Beltenweg 1 Hardenberg
Tekst van het document
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Grote Beltenweg 1 Hardenberg | PAGINA 26
Omdat de boomlodges zeer specifiek zijn, zullen deze boomlodges niet getoetst worden aan deze welstandnota. Voor deze boomlodges zal een beeldkwaliteitsplan gelden dat gelijktijdig met voorliggend bestemmingsplan wordt vastgesteld. Het bouwplan van de boomlodges zal getoetst gaat worden vanuit welstand bezien aan het specifieke beeldkwaliteitsplan. 3.3.4 LIK (Landschap Identiteit Kaart) en Ontwikkelingsvisie - Rheeze, Diffelen en omgeving 3.3.4.1 Inleiding De gemeente heeft voor het gebied een Landschap-Identiteit-Kaart (LIK) gemaakt. In de LIK wordt de identiteit van het gebied bepaald zoals de specifieke kenmerken en kwaliteiten. Op deze wijze wil de gemeente de ruimtelijke kwaliteit van het gebied versterken. Het plangebied ligt in het Essen en hoevenlandschap. Dit is in afbeelding 3.8 weergegeven. Het plangebied is met de oranje stip aangegeven.
Afbeelding 3.8: Uitsnede LIK (Bron: Gemeente Hardenberg) 3.3.4.2 Methodiek LIK's De gemeente Hardenberg wil regie voeren op de ontwikkeling van het landelijk gebied. Daarbij wil de gemeente een meer richtinggevende rol gaan innemen, gericht op het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke kwaliteit is echter een breed begrip, dat deels subjectief van aard is. In de Visienota Buitengebied is dit gedefinieerd als “eigen identiteit”. De identiteit van het gebied komt voort uit de ontstaansgeschiedenis en de daarmee samenhangende landschapstypen. In de LIK is daarom een onderscheid gemaakt tussen de verschillende landschapstypen die in het gebied voorkomen. Deze landschapstypen zijn op een overzichtskaart opgenomen (zie de afbeelding 3.7). Vervolgens is voor het gebied een schema opgesteld, waarin een overzicht is opgenomen van de aanwezige waardevolle en storende kenmerken. Ook zijn de kansen of juist bedreigingen voor deze kenmerken omschreven. De schema's ten aanzien van de landschapstypen zijn opgenomen in het volledige LIK. 3.3.4.3 Ontwikkelingsvisie Rheeze, Diffelen en omgeving Na het opstellen van de LIK's is een visie (wensbeeld) op de toekomstige ontwikkelingen gegeven. Hierbij is rekening gehouden met de gebiedskenmerken en kwaliteiten uit de LIK's en het geldende beleid van rijk, provincie, waterschap en het gemeentelijke beleid.
De ontwikkelingsvisie voor het 'Essen en hoevenlandschap' binnen deelgebied "Rheeze, Diffelen en omgeving" is als volgt gedefinieerd: Kernwoorden: Diverse functies: wonen, (verbrede) landbouw, natuur, recreatie en economie (kleine bedrijven).
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Grote Beltenweg 1 Hardenberg | PAGINA 27
Faciliteren van bestaande functies; Ontwikkeling agrarisch grondgebruik: verbreding (kamperen bij de boer); Faciliteren van de bestaande verblijfsrecreatieve voorzieningen in het gebied Rheeze-Diffelen; een uitbreiding van het aantal campings in dit gebied is niet gewenst; Minimaal het behoud van de huidige kwaliteit en streven naar een toename van de biodiversiteit door behoud en versterking kleinschalige landschapselementen. 3.3.4.4 Toetsing van het initiatief aan het LIK Voorliggend plan heeft betrekking op de herontwikkeling van een bestaande recreatiefunctie in het buitengebied en is daarmee geen uitbreiding. Door het unieke concept, waarbij de boomlodges op palen komen te staan, is er een verbinding met het omliggende bosrijke landschap. De omzetting van de huidige bestemming (een gebouw met 40 hotelappartementen) naar een bestemming voor 24 boomlodges op palen heeft daarnaast een positieve invloed op de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving aangezien deze landschappelijk goed worden ingepast. Ook de een multifunctionele aanbouw van het bestaande hotel met de bedrijfswoning, opslag, receptie, ontbijtkamer en een wellnesscentrum wordt ingepast. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er voldaan wordt aan het LIK. 3.3.5
Gastvrij Hardenberg
3.3.5.1 Inleiding in 2017 heeft de gemeente Hardenberg samen met partijen uit de recreatieve sector een visie ontwikkeld: 'Gastvrij Hardenberg: Naar een nieuwe Lange Termijn Agenda en aanpak voor stimulering van de vrijetijdseconomie in de gemeente Hardenberg'. De regio Hardenberg is synoniem voor de kwaliteit van leven. Een stad met alle voorzieningen en een dorpse mentaliteit; met rust en veiligheid als tweede natuur. Een streek met alle ingrediënten voor het goede leven. De regio biedt letterlijk ruimte om te leven en te werken. Waar dynamiek en internationale ambitie hand in hand gaan met aandacht voor elkaar en met kleinschaligheid. En waar de vrije tijdsbeleving, de gastvrije sfeer en de rivieren Vecht en Reest zorgen voor een permanent vakantiegevoel. 3.3.5.2 Doelstellingen De uitgangspositie van de vrijetijdseconomie in Hardenberg is sterk. Er is sprake van een gevarieerd aanbod, beeldbepalend voor Hardenberg en goed verankerd in de regio Vechtdal. De gemeente heeft een economisch sterke sector, die in staat is te innoveren en maximaal in te spelen op kansrijke markten. Voor een toekomstbestendig perspectief is het van belang om blijvend aandacht te besteden aan deze belangrijke sector voor Hardenberg, ook binnen de uitdagingen van concurrentie en een veranderende markt doelstellingen.
De gemeente zet daarvoor in op een Lange Termijn Agenda met vier sporen en een vertaling naar doelstellingen. 1. Versterking van de (verblijfs)recreatieve: Ruimte voor kwaliteitsverbetering, vernieuwingen verbreding functie van het aanbod; 2. Versterking van de toeristische gastvrijheid, imago en promotie: Herkenbare positie in het Vechtdal; Doorontwikkeling van de website VisitHardenberg; Versterking van de positie (de marketing) van de evenementen; Herkenbare keten van informatievoorziening/gastheerschap; Versterken van de grensoverschrijdende samenwerking; Groei van het aantal overnachtingen door buitenlanders; 3. Bevorderen van de recreatieve mogelijkheden: Complementeren van routestructuren; Nieuwe belevingsconcepten voor water, natuur en landschap; 4. Stimulering van crossovers:
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Grote Beltenweg 1 Hardenberg | PAGINA 28
Nieuwe arrangementen en productmarktcombinaties binnen de vrijetijdseconomie (dagen verblijfsrecreatie); Nieuwe arrangementen en productmarktcombinaties tussen de vrijetijdseconomie en andere sectoren en thema’s (landbouw, zorg, cultuur, sport, natuur, industrie, cultuurhistorie, e.d.). 3.3.5.3 Toetsing van het initiatief aan 'Gastvrij Hardenberg' De boomlodges op palen, waardoor de recreanten de hoogte ervaren en vanaf de grond onder de lodges door kunnen kijken, zorgt voor een nieuwe beleving van de natuur en landschap. Het versterkt de diversiteit in aanbod van recreatie in de gemeente. Het voornemen voldoet hiermee aan de doelstellingen die de gemeente samen met de recreatieve sector heeft gesteld in 'Gastvrij Hardenberg'. 3.3.6
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Grote Beltenweg 1 Hardenberg | PAGINA 29
Hoofdstuk 4
Milieu- en omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer & parkeren en het besluit milieueffectrapportage.
4.1
Geluid
4.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 4.1.2
Situatie plangebied
Recreatieverblijven zijn in beginsel niet aan te merken als geluidsgevoelige objecten. Vanuit een goede ruimtelijke ordening dient echter wel sprake te zijn van een aanvaardbaar leefklimaat. In dit geval heeft het terrein reeds de juiste bestemming, namelijk 'Recreatie' en laat gebruik van de gronden voor verblijfsrecreatie reeds toe. Akoestisch onderzoek is daarmee niet noodzakelijk. Daarnaast zijn er in de omgeving geen spoorwegen, drukke wegen of industrieterreinen aanwezig. Voor de invloed van individuele bedrijvigheid op dit plan wordt verwezen naar paragraaf 4.5 van deze toelichting. Er is ter plaatse van de beoogde boomlodges en multifunctionele aanbouw en wellnesscentrum sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.1.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor het plan.
4.2
Bodemkwaliteit
4.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Grote Beltenweg 1 Hardenberg | PAGINA 30
4.2.2
Situatie plangebied
In voorliggend geval heeft het terrein reeds de juiste bestemming, namelijk 'Recreatie'. Het voornemen betreft het anders inrichten van deze gronden voor verblijfsrecreatie. Daarnaast worden de boomlodges op palen gebouwd en staan de lodges dan ook niet in directe verbinding met de bodem. Gelet op vorenstaande redenen wordt een bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. Het plangebied wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. 4.2.3
Conclusie
Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkelingen.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Grote Beltenweg 1 Hardenberg | PAGINA 31
milieubeheer nodig. 4.3.2
Situatie plangebied
4.3.2.1 Externe werking van het plan Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. 4.3.2.2 Interne werking van het plan Op basis van de "grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland", welke is gepubliceerd door het Rijksinstituut Volksgezondheid en Milieu, zijn op schaal van km2 de gemiddelde achtergrondconcentraties van diverse luchtverontreinigende stoffen aangegeven. De gegevens voor het plangebied worden weergegeven in onderstaande tabel: Parameter Achtergrondw Achtergrondw Grenswaarde WHO Voldoet aarde [µg/m2] aarde [µg/m2] [µg/m2] advieswaarde (ja/nee) 2020 2030 [µg/m2] Stikstofdioxid 9,248 6,156 40 10 ja e NO2 Zwevende 14,1 11,95 40 20 ja deeltjes PM10 Zwevende 7,475 5,857 25 10 ja deeltjes PM2,5 Uit de tabel blijkt dat aan de grenswaarden voor NO2 en PM10 en de blootstellingsconcentratieverplichting voor PM2,5 voldaan wordt. Ook aan de advieswaarden van de van de WHO voor de achtergrondconcentratie van alle parameters wordt voldaan. 4.3.3
Conclusie
Voorliggend plan draagt 'niet in betekende mate' bij aan luchtverontreiniging. Daarnaast voldoen de achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer en de aanbevelingen van WHO. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling.
4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Grote Beltenweg 1 Hardenberg | PAGINA 32
Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2
Situatie in en bij het plangebied
4.4.2.1 Algemeen Aan de hand van de Risicokaart is voor het plangebied een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. 4.4.2.2 Situatie plangebied In onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied aan de Grote Beltenweg 1 op een uitsnede van de risicokaart weergegeven.
Afbeelding 4.1: Uitsnede risicokaart (Bron: Risicokaart.nl) Inrichtingen gevaarlijke stoffen In de omgeving van de Grote Beltenweg bevinden zich meerdere bovengrondse propaantanks. Deze tanks behoren tot de omliggende vakantieparken en campings. In bovenstaande afbeelding zijn deze weergegeven als 10-6 contour en een rode terreingrens. De dichtstbijzijnde tank ligt op circa 349 meter ten zuidwesten van het plangebied en heeft een veiligheidsafstand van 10 meter met een risicoafstand van 9 meter. Hieraan wordt ruim voldaan. De overige tanks liggen op een verdere afstand en vormen daarmee geen belemmering. Voor de tanks geldt geen afstand met betrekking tot het groepsrisico. Natuurbrand Op circa 1,1 kilometer ten westen van het plangebied ligt het 'Diffelerveld'. Dit gemengde
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Grote Beltenweg 1 Hardenberg | PAGINA 33
bos met heide wordt aangemerkt als gebied met kans op grote natuurbrand. De uitrit van het plangebied is aan de oostzijde van het plangebied, waarmee de bezoekers het gebied op een veilige manier kunnen verlaten. Transport gevaarlijke stoffen - buisleidingen Ten westen en zuiden van het plangebied liggen de volgende buisleidingen van de Gasunie. Naam Uitwendige Wanddikte Maximale 1% 100% Afstand diameter buis werkdruk letaliteitsgre letaliteitsgre tot ns ns plangebie d N-527-40 159 5 4.000 70 m 40 m 683 m N-527-43 219 6 4.000 100 m 50 m 1,5 km Het plangebied ligt buiten de letaliteitsgrenzen van deze buizen, waarmee deze geen belemmering vormen voor het voornemen. Uit de inventarisatie blijkt dan ook dat het projectgebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 4.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
4.5
Milieuzonering
4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Grote Beltenweg 1 Hardenberg | PAGINA 34
4.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' als volgt omschreven: 'Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.
Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.' De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied ligt in het buitengebied, waar sprake is van menging van functies, zoals natuur, recreatie, wonen en agrarische gronden. Daarom wordt uitgegaan van het omgevingstype 'gemengd'. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes. Milieucategor Richtafstanden tot omgevingstype Richtafstanden tot omgevingstype ie rustig buitengebied gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m 4.5.3
Beoordeling
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Grote Beltenweg 1 Hardenberg | PAGINA 35
4.5.3.1 Externe werking Op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' wordt het voornemen aangemerkt als 'Hotels en pensions met keuken, conferentieoorden en congrescentra'. Dergelijke inrichtingen vallen onder milieucategorie 1, waarbij de grootste richtafstand van 10 meter geldt. Daarbij wordt aangemerkt dat het gebied wordt aangemerkt als gemengd gebied, waarbij de richtafstand 0 meter is. In dit geval betreft het een reeds bestem recreatief perceel. Met de ontwikkeling wordt de inrichting van het perceel aangepast, het perceel komt niet op kortere afstand van gevoelige functies te liggen. Er is dan ook geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende functies. 4.5.3.2 Interne werking Binnen het plangebied liggen enkele milieugevoelige objecten. Dit betreffen de boomlodges en de bedrijfswoning die in of nabij het multifunctionele aanbouw gesitueerd is. In het plangebied zijn in de huidige situatie reeds bedrijfswoningen en logiesfuncties bestemd. De bedrijfswoning wordt door het voornemen enigszins meer richting het bestaande hotel verschoven, maar blijft binnen de grenzen van de recreatieve bestemming. De boomlodges worden komen op de locatie van de eerder bestemde locatie voor het hotel met maximaal 40 appartementen ('hotel - 2').
In de omgeving van het plangebied zijn enkele milieubelastende functies in de vorm van agrarische bedrijven gelegen. Het dichtstbijzijnde bedrijf betreft het bedrijf aan de Rheezerweg 48 dat op circa 360 m afstand tot het plangebied ligt. Bij veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn, in het geval van veehouderijen, echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 4.6 nader op ingegaan. Voor de grondgebonden veehouderijen geldt, het aspect geur buiten beschouwing latend, een grootste richtafstand van 30 meter voor de aspecten stof en geluid. De afstand van 30 meter wordt gehaald. Er is dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden de agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Tevens blijven met de ontwikkeling de grenzen van de recreatieve bestemming gelijk. De afstand tot milieubelastende functies veranderd niet. 4.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.6
Geur
4.6.1
Algemeen
4.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Grote Beltenweg 1 Hardenberg | PAGINA 36
gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht. De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. 4.6.1.2 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest).
Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden 4.6.1.3 Geurverordening gemeente Hardenberg De Wgv maakt het voor gemeenten mogelijk om gebiedsgericht geurbeleid op te stellen. Daarmee krijgt de gemeente een instrument om de ontwikkeling van (grootschalige) veehouderij te sturen. Gemeenten mogen bij verordening van de normen van de Wgv afwijken (artikel 6 Wgv), binnen bepaalde grenzen. Het hanteren van afwijkende normen moet worden onderbouwd vanuit een ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het gebied, de zogenaamde “gebiedsvisie”. De gemeente Hardenberg heeft een dergelijke 'geurverordening' opgesteld en gebiedsgericht geurbeleid ontwikkeld. In deze geurverordening zijn de wettelijke geurnormen (odeur) en afstanden aangepast. De afstand van de gevel van een bestaande stal tot de gevel van een geurgevoelig object moet in het buitengebied minimaal 25 meter bedragen. Dit geldt alleen als er sprake is van het houden van de in artikel 4.2 van de gemeentelijke geurverordening genoemde dieraantallen niet wordt overschreden.
Worden deze aantallen overschreden, of gaat het om de bouw van een nieuwe stal, dan geldt de minimale afstandseis van 50 meter. Op basis van de Geurverordening Hardenberg gelden onder voorwaarden andere waarden dan de waarden genoemd in paragraaf 4.6.1.1. Hierbij is een gebiedsindeling in acht genomen. Voor de recreatielocatie geldt een norm van 8 Ou[E]/m3 en onder voorwaarden een minimale afstand van 25 meter.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Grote Beltenweg 1 Hardenberg | PAGINA 37
4.6.2
Situatie plangebied
4.6.2.1 Algemeen De geplande ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de geurhinder, aangezien recreatieverblijven en bedrijfswoningen geen bron van geurhinder zijn. Wel bevinden zich in de omgeving van het plangebied diverse (intensieve) veehouderijen. In voorgaande paragraaf blijkt dat ten aanzien van de grondgebonden veehouderijen ruimschoots aan de vaste afstand van 50 meter wordt voldaan. In dit geval gaat het om zowel een bedrijfswoning als boomlodges. In deze gevallen dient rekening te worden gehouden met een minimale (vaste) afstandsnorm van 50 meter, ook voor intensieve veehouderijen. De intensieve veehouderijen worden dan ook geenszins beperkt, aangezien aan de vaste afstand van 50 meter wordt voldaan en er in alle gevallen reeds (bedrijfs)woningen op een kortere afstand van de betreffende bedrijven gelegen zijn dan de beoogde bedrijfswoning en boomlodges in het plangebied. Echter wenst de gemeente wel inzicht te verkrijgen in het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Hiertoe is een agrarisch geuronderzoek uitgevoerd, waarin onderzoek is gedaan naar zowel de voorgrondbelasting (geurbelasting van individuele intensieve bedrijven) als de achtergrondbelasting (totale geurbelasting van alle intensieve bedrijven in een straal van 1 km rondom de het recreatiegebied). Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan.
De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 2. Om het woon- en leefklimaat te kunnen beoordelen is zowel de voor- als de achtergrondgeurbelasting berekend. Vanwege de veehouderij aan de Rheezerweg 83 bedraagt de hoogste voorgrondgeurbelasting ten hoogste 0,1 OUE/m3 ter plaatse van het recreatiegebied. Het woon- en leefklimaat qua voorgrondgeurbelasting ter plaatse van te realiseren boomlodges en aanbouw is volgens de berekening als ‘zeer goed’ te kwalificeren. De achtergrondgeurbelasting bedraagt ten hoogste 0,24 OUE/m3. Het woonen leefklimaat is qua achtergrondgeurbelasting ter plaatse van het recreatiegebied te kwalificeren als ‘zeer goed’. Bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat bestaat de volgende vuistregel: de voorgrondgeurbelasting is maatgevend als die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In deze situatie is de achtergrondgeurbelasting maatgevend en is het woon- en leefklimaat te kwalificeren als 'zeer goed’. 4.6.3
Conclusie
Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
4.7
Ecologie
4.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Grote Beltenweg 1 Hardenberg | PAGINA 38
4.7.2
Gebiedsbescherming
4.7.2.1 Natura 2000-gebieden Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Vecht- en Beneden-Reggebied' ligt op circa 5,1 kilometer afstand van het plangebied. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv.
geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitatypen binnen Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van het voornemen is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Hierna wordt de belangrijkste conclusie van het onderzoek weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar Bijlage 3 bij deze toelichting. Uit de berekeningen wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000- gebieden, niet vergunningsplichtig. 4.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN ligt aangrenzend aan het plangebied.
Het gaat om de gronden aan de overzijde van de Rheezerweg die langs het plangebied loopt. Deze gronden behoren niet tot het plangebied. Gelet op de afstand tot het NNN gebied en de kleinschaligheid van de ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is aantasting van de waarden van het NNN. 4.7.3
Soortenbescherming
4.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Grote Beltenweg 1 Hardenberg | PAGINA 39
4.7.3.2 Situatie plangebied In dit geval is door Natuurbank Overijssel een Quickscan Ecologie uitgevoerd. De volledige rapportage is als Bijlage 4 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. De voorgenomen activiteiten worden gezien als 'ruimtelijke ontwikkeling'. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats', als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. (De lijst met soorten waarvoor een vrijstelling geldt in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling, is per 1-12-2019 aangepast. Egel en kleine marterachtigen vallen vanaf die datum niet meer onder de vrijstellingsregeling van de provincie Overijssel.) Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode.
In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde dieren. Beschermde amfibieën bezetten er een (winter)verblijfplaats, beschermde grondgebonden zoogdieren bezetten er een vaste rusten voortplantingsplaats en er nestelen jaarlijks vogels in het plangebied. Vleermuizen bezetten geen vaste rust-of voortplantingsplaats in het plangebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.
Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd en vernield. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de meeste beschermde dieren niet af. Als gevolg van het aanbrengen van kunstlicht op plekken waar deze nu ontbreekt, neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige vleermuizen af. Omdat voldoende alternatief foerageergebied beschikbaar blijft in de directe omgeving, leidt deze aantasting niet tot wettelijke consequenties. De functionaliteit van de verblijfplaats van deze vleermuizen wordt immers niet aangetast. 4.7.4
Conclusie
Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkelingen.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Grote Beltenweg 1 Hardenberg | PAGINA 40
4.8
Archeologie & cultuurhistorie
4.8.1
Archeologie
4.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Hardenberg heeft de archeologische verwachting van gronden verwerkt in de dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan. Ter plaatse van het plangebied gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 4' i(n het noorden) en 'Waarde - Archeologie 5' (in het zuidelijk deel). Voor deze gronden ligt de onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan respectievelijk 500 m2 en 2.500 m2 en dieper dan 50 cm.
Daar is in dit geval geen sprake van, aangezien de lodges op palen gebouwd zullen worden en de aanbouw van het bestaande hotel en wellnesscentrum minder dan 500 m2 bedragen. Een archeologisch onderzoek kan dan ook achterwege gelaten worden. 4.8.2
Cultuurhistorie
4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, in de locaties van het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In de directe nabijheid van de locaties van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt met betrekking tot voorliggend plan. 4.8.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Grote Beltenweg 1 Hardenberg | PAGINA 41
4.9
Verkeer en parkeren
4.9.1
Algemeen
De gemeente Hardenberg beschikt over een eigen parkeernota, de 'Facetherziening parkeren Hardenberg'. In deze parkeernota is bepaald dat bij ontwikkelingen de minimale parkeernorm per functie als uitgangspunt wordt genomen. Vanuit de duurzaamheidsgedachte wordt dit als voldoende geacht. De initiatiefnemer mag uiteraard meer realiseren. Echter niet meer dan het gestelde maximum, omdat anders de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente wordt aangetast. Wat betreft de parkeernormering wordt er in de nota parkeernormen van de gemeente Hardenberg, aangesloten bij de functies zoals die genoemd staan in de CROW-publicatie ‘verkeer en parkeren’ (publicatie 317, oktober 2012). De ligging van het plangebied kan worden aangemerkt als stedelijke zone ‘buitengebied’. De verstedelijking is 'weinig stedelijk' (parkeernormennota Hardenberg). Er kan het beste aansluiting worden gezocht bij de volgende functies: De multifunctionele aanbouw van het bestaande hotel met de bedrijfswoning/opslag/receptie/ontbijtkamer bestaat het uit de volgende onderdelen: 1. De bedrijfswoning in of nabij de aanbouw betreft de verplaatsing van een bedrijfswoning, waar momenteel voldoende parkeerruimte beschikbaar voor is op eigen terrein. 2. De overige onderdelen van de aanbouw behoren tot het bestaande hotel, waar geen specifieke nieuwe parkeerplaatsen voor nodig zijn. 3.
Het wellnesscentrum (circa 250 m2) betreft een wellnesscentrum specifiek voor de bezoekers van het bestaande hotel. Dit is daarmee te vergelijken met een 'sauna, hammam' met een parkeerbehoefte van: 6,8 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. 24 boomlodges worden aangemerkt als kampeerplaats, met een behoefte van 1,1 pp per standplaats; 4.9.2
Parkeren
Op basis van bovenstaande functies geldt een parkeerbehoefte van 24*1,1 = 26,4 parkeerplaatsen voor de boomlodges. Uitgaande van een wellnesscentrum van circa 250 m2 bvo geldt een parkeerbehoefte van (2,5 x 6,8 =) 17 parkeerplaatsen. Dit geeft een totaal van (26,4 + 17) = 44 benodigde parkeerplaatsen. Voor de bedrijfswoning zijn twee parkeerplaatsen nodig, waarmee het totaal op 46 parpeerplaatsen komt. In dit geval worden ten behoeve van de ontwikkeling er 50 parkeerplaatsen aangelegd. Hiermee wordt aan de parkeerbehoefte voldaan. De parkeerplaatsen komen nabij de bestaande ontsluiting op de Rheezerweg. Deze worden uitgevoerd in grasbetonsteen met een pad van halfverharding. Het terrein rondom de boomlodges wordt autovrij. De parkeerplaatsen zullen zich concentreren rondom het bestaande hotel en de multifunctionele aanbouw. Op de plattegrond in afbeelding 2.2. zijn deze parkeerplaatsen aangegeven. Er is voldoende ruimte op eigen terrein om in de benodigde parkeerbehoefte te voorzien. 4.9.3
Verkeersgeneratie
Hoewel de ontwikkeling leidt tot toename van het aantal verkeersbewegingen, is er geen sprake van een ontwikkeling die de capaciteit van de aansluitende wegen en omliggende wegenstructuur en de verkeersveiligheid op onevenredige wijze aantasten. Het voornemen bestaat uit het aanpassen van de huidige planologische mogelijkheden van het bestaande recreatieterrein. Uitgaande van de uitgangspunten zoals in paragraaf 4.9.1 beschreven, gelden op basis van de CROW-publicatie 'verkeer en parkeren (publicatie 318, december 2018) de volgende aantal verkeersbewegingen:
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Grote Beltenweg 1 Hardenberg | PAGINA 42
De 24 boomlodges genereren (24*0,4 =) afgerond 9,6 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Het wellnesscentrum (sauna, hammam) genereert (2,5 x 11,8 per 100 m2 bvo = 29,5) 30 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Het voornemen heeft een totaal van 39,6 verkeersbewegingen per weekdag etmaal. De omliggende wegenstructuur is berekend op het afwikkelen van de huidige en toekomstige verkeersbewegingen, zowel in het laagseizoen als hoogseizoen. De gewenste ontwikkeling vormt geen aanleiding tot infrastructurele wijzigingen. Het plangebied blijft ontsloten via de huidige ontsluiting op de kruising Rheezerweg – Grote Beltenweg. Hier is reeds sprake van een overzichtelijke ontsluiting. Geconcludeerd wordt dat het aspect 'verkeersgeneratie' geen belemmering oplevert voor voorliggend voornemen. 4.9.4
Conclusie
Het aspect 'verkeer en parkeren' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkelingen.
4.10
Besluit milieueffectrapportage
4.10.1 Kader De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. Beoordeling gehanteerd.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Grote Beltenweg 1 Hardenberg | PAGINA 43
4.10.2 Beoordeling 4.10.2.1
Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 5,1 kilometer afstand van het plangebied. In dit geval is uit de stikstofberekening reeds gebleken dat er geen sprake is van significante negatieve effecten ten aanzien van instandhoudingsdoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van het voornemen dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 4.10.2.2
Drempelwaarden Besluit m.e.r.
Voor wat betreft het gehele projectgebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat deze onderbouwing m.e.r.- (beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk “de aanleg, wijziging of uitbreiding van skihellingen, skiliften, kabelspoorwegen, jachthavens, vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones, permanente kampeer- en caravanterreinen of themaparken”. Indien geoordeeld wordt dat activiteit betrekking heeft op onderstaande is mogelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. 1. 250.000 bezoekers of meer per jaar; 2. een oppervlakte van 25 hectare of meer; 3. 100 ligplaatsen of meer; of 4. een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van de bouw van 24 boomlodges op gronden, waar voorheen 40 hotelappartementen gepland waren.
Het gaat om een ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen en bezoekers niet (onevenredig) toeneemt ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit de D-lijst kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien hierbij de drempelwaarden uit de D-lijst voor deze activiteit vergeleken met de omvang van ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele male kleinschaliger is. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden.
Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Grote Beltenweg 1 Hardenberg | PAGINA 44
4.10.3 Conclusie De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is niet m.e.r. (beoordelings)-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van het verlenen van deze omgevingsvergunning.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Grote Beltenweg 1 Hardenberg | PAGINA 45
Hoofdstuk 5
Wateraspecten
5.1
Vigerend beleid
5.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 5.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 5.1.4
Waterschap Vechtstromen
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober 2015 het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem;
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Grote Beltenweg 1 Hardenberg | PAGINA 46
het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.
5.2
Waterparagraaf
5.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.2.2
Watertoetsprocedure
Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'normale procedure' van de watertoets wordt toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. Het watertoetsresultaat is opgenomen in Bijlage 5 bij deze toelichting. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het hemelwater zal in de grond worden geïnfiltreerd. Binnen het plangebied is hiervoor meer dan voldoende ruimte. Bovendien is er met dit plan sprake van een afname van verharding ten opzichte wat reeds planologisch mogelijk is, wat een positief effect heeft voor de waterhuishouding. De boomlodges zullen worden aangesloten op het bestaande riool. De riolering heeft voldoende afvoercapaciteit om het afvalwater af te voeren.
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Grote Beltenweg 1 Hardenberg | PAGINA 47
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische aspecten en planverantwoording
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
6.2
Opzet van de regels
6.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs-en slotregels. 6.2.2